Het Deputaatschap Oorlogsschade GKN (3)

De Synode van 1949/1950: hulp aan diaconieën niet meer nodig.

( < Naar deel 2 – Back to Part 2 ) – Op 3 september 1949 behandelde de Generale Synode het volgende rapport van de Deputaten voor de Hulpverlening aan door Oorlogsschade Getroffen Kerken en Diaconieën.

Het rapport aan de Synode van 1949/1950.

Allereerst besloot ze in het vervolg de term ‘Diaconieën’ uit de naam van het Deputaatschap te verwijderen. De steun aan diaconieën was niet meer nodig. De hulpverlening zou zich nu vooral concentreren op de kerken zelf.

In een aanvullend schrijven bij het rapport deelden de Deputaten mee, dat de door de Kerken te houden collecten jaarlijks ongeveer fl. 40.000 opbrachten, maar dat de inkomsten jaarlijks fl. 35.000 hoger moesten zijn om te kunnen voldoen aan de noodzaak tot herstel of herbouw van de beschadigde of geheel verwoeste kerkgebouwen. “Het tempo waarin de bijdragen [door de hulp vragende kerken] zullen worden opgevraagd hangt nauw samen met het door de Regering in elk jaar toegestane bouwvolume. Hoe meer kan worden gebouwd, des te eerder kunnen de door schade getroffen kerken tot herbouw of herstel overgaan en des te zwaarder eisen zullen aan de Kas van Deputaten worden gesteld”. Daarom werd er op gewezen dat de hulpverlening alleen kon worden gegeven “als de gezamenlijke kerken het voornemen hebben nog een zeker aantal jaren voor de nood der getroffen kerken te blijven collecteren en de opbrengst van deze collecten op peil te houden”.

Want, zo hadden de Deputaten ook gemerkt, na verloop van een aantal jaren waren de collecteopbrengsten achteruit gegaan. Werd in de jaren 1940 tot 1942 fl. 182.236 bijeengebracht en van 1943 tot 1945 een bedrag van fl. 196.449 gecollecteerd, de collecte in 1946 leverde fl. 52.000 op, die van 1947 bijna fl. 56.000 en de opbrengst van de collecte in 1948 was fl. 35.637.

Dr. J. Hoek (1894-1955), was tijdens de synode van 1949/1950 voorzitter van het Deputaatschap Oorlogsschade.

De uitgaven waren soms hoog, omdat ondanks schade-uitkeringen van het Rijk meerdere uitkeringen, soms zelfs tot hoge bedragen, aan de getroffen kerken werden gedaan, vooral door abnormaal hoge bouw- en restauratiekosten. Zo werd tot eind 1948 (de restituties meegerekend) fl. 572.068 uitgekeerd. Desondanks vond herbouw nog slechts zeer gedeeltelijk plaats, zodat ook in de toekomst nog grote bedragen nodig waren.

Hulp uit Amerika en Afrika!

Geen wonder dat de Deputaten erg blij waren met de al eerder genoemde hulp die vanuit de Christian Reformed Church in America werd geboden, voornamelijk in natura. In totaal werden 2.557 kisten en 129 pakken met goederen uit Amerika ontvangen. Aan alle diaconieën kon een zending worden overgemaakt, aan sommige kon zelfs meermalen iets gestuurd worden. Bovendien werd door de Christian Reformed Church ook nog een bedrag van$75.000 aan de Deputaten overgemaakt. Ook van de Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika werden zendingen ontvangen.

Bemoeiingen met bouwzaken.

Om op de hoogte te blijven van de omvang van de door de Gereformeerde Kerken geleden oorlogsschade hielden Deputaten na de bevrijding twee maal een enquête, waarop – naar soms later bleek – niet alle getroffen kerken reageerden. In totaal werd bij de Deputaten bekend dat 141 kerken grotere of kleinere oorlogsschade geleden hadden. In 99 gevallen bleef het herstel van de schade beneden de fl. 20.000; in veertien gevallen werd hulp van de Deputaten gevraagd, die daartoe fl. 32.350 overmaakten (de kleinste schaden, die beneden fl. 3.000, werden grotendeels, en die daarboven werden voor een deel door het Rijk vergoed). Volgens ruwe schattingen bedroeg het totaal van de herstelkosten in deze groep fl. 600.000, waarvan mogelijk fl. 400.000 door het Rijk vergoed zou worden, zodat ruim fl. 150.000 voor rekening van de plaatselijke kerken bleef.

Schade aan kerkgebouwen.

De Noorderkerk (later Immanuelkerk) in Nijmegen werd in de oorlog zwaar beschadigd.

In het uitvoerige, 13 pagina’s tellende Rapport van de Deputaten aan de Synode van 1949/1950 worden ook bepaalde verwoeste of beschadigde kerken genoemd waarvoor hulp verleend werd. We noemen er een paar.

De gereformeerde kerken van Nijmegen en Vlissingen werden zwaar beschadigd; voor het herstel van elk van de twee kerken moest meer dan fl. 200.000 uitgekeerd worden. De kerk van Nijmegen kon in december 1947 weer in gebruik genomen worden en die van Vlissingen in de herfst van 1948. De Rijksbijdrage viel laag uit omdat de vergoeding naar een bepaald percentage van de schade berekend werd, waardoor een onevenredigheid ontstond  ten opzichte van de vergoeding voor de herbouw van geheel verwoeste kerken. Veel overleg was nodig met de bevoegde autoriteiten op het ministerie.

De gereformeerde kerk van Vlissingen werd in de oorlog zwaar beschadigd (foto: met dank aan de heer G. Kuiper, Appingedam).

Ook aan de kerken van Wieringerwerf en in het Gelderse Hoenzadriel werden belangrijke bedragen uitgekeerd. Vooral de kleine zwakke kerk van Hoenzadriel moest geholpen worden omdat zij een minimale financiële kracht bezat (de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Hoenzadriel bestond van september 1851 tot september van 1859. Toen ging ze teniet. De Gereformeerde Kerk te Hoenzadriel werd in 1897 geïnstitueerd, maar werd in 1988 opgeheven).

De kerk aan de Rambonnetlaan, later Ichthuskerk genoemd.

Zeer ernstig was ook de schade van de kerk aan de Rambonnetlaan in IJmuiden, waar de situatie nog gecompliceerder werd omdat de tweede gereformeerde kerk in IJmuiden geheel verwoest was en ook de kerk in de naburige gemeente IJmuiden-Oost (de kerk aan de Wilhelminakade) verloor.

De kerk aan de Wilhelminakade werd verwoest (foto: ‘Van Geitenschuur tot Ichthuskerk’).

Om in aanmerking te komen voor een rijksvergoeding voor geleden oorlogsschade werd afgesproken dat ‘een bekwaam architect’ advies moest geven ten behoeve van de de herbouw van verwoeste kerken. Door de Deputaten werd daartoe architect H. Sutterland (1889-1964) in de arm genomen. “Hij bewees aan Deputaten belangrijke diensten door zijn deskundige en bezadigde adviezen over architecten en plannen, en bovendien in verschillende gevallen door besprekingen met de betrokken architecten die ervoor zorgden dat bepaalde plannen werden verbeterd”.

De gereformeerde kerk te Hoenzadriel (foto: met dank aan de heer G. Kuiper, Appingedam).

Nog veel andere bijzonderheden meldde het rapport (dat we hierboven in dit artikel via een link publiceerden). De synode besloot uiteindelijk dat de Deputaten opnieuw elk jaar de Kerken zouden opwekken om ten behoeve van de door de oorlog getroffen kerken een collecte te houden. Verder mochten Deputaten zo nodig overleg plegen met centrale instanties van andere kerken.

De Synode van 1952/1953.

Ook op de Generale Synode van 1952/1953 werd over het Deputaatschap en haar werk weer veel gesproken. Op 9 september 1952 werden in het rapport van de Deputaten allerlei activiteiten opgesomd die in de voorgaande drie jaar waren verricht. De Synode had grote waardering voor de gewichtige en veel omvattende werkzaamheden van de Deputaten ‘en uitte haar blijdschap dat zoveel kerken in haar nood reeds geholpen zijn’.

Maar er bleef volgens het Deputatenrapport nog veel te doen over, en het was duidelijk dat deze steunverlening nog niet kon worden beëindigd; verder was het nodig dat alle kerken tezamen eendrachtig de schouders onder het werk zouden zetten. Ook nu besloot de synode dat de Deputaten de kerken jaarlijks moesten opwekken om voor de steun aan de getroffen kerken een collecte te houden. De synode gaf toestemming ‘zo nodig ten hoogste fl. 150.000 op te nemen om die kerken te steunen die daarvoor in aanmerking komen’. En ‘als de overheid het wenst’ dienden de Deputaten met haar in contact te treden, zowel wat de regeling van de oorlogsschade als wat de bouwzakken betrof.

De Synode van 1955/1956: twee taken erbij.

De gereformeerde kerk van Nieuwerkerk in het water tijdens de watersnoodramp van 1953.

Op 7 september 1955 werd op de Synode uiteraard opnieuw gesproken over de steunverlening aan de door oorlogsschade getroffen kerken, want het werk was gewoon doorgegaan. Maar ook kreeg het Deputaatschap – naast de hulpverlening aan door oorlogsschade getroffen kerken – er een tweetal nieuwe taken bij.

Op 1 februari 1953 had de Stormramp in het Zuidwesten van ons land namelijk veel ellende gebracht, dood en verderf gezaaid. Ruim achttienhonderd mensen waren verdronken, en er was een enorme schade ontstaan door het met grote kracht binnenstromende water. Ook werden talloze woningen vernield en werden ook kerken soms zwaar beschadigd of zelfs geheel verwoest. Door samenwerking met de Deputaten Besteding Watersnoodcollecte en de Deputaten Evacuatie konden veel kerken de nodige steun ontvangen en werd aan veel andere kerken steun in het vooruitzicht gesteld. “Het was een gelukkige greep dat de Deputaten voor Oorlogsschade hierbij werden ingeschakeld”, zo werd in de synode opgemerkt.

Overigens hadden de Deputaten er in hun rapport op gewezen dat in ons land gebieden waren met een grote bevolkingsaanwas, waarvoor al op vrij korte termijn de nodige maatregelen getroffen moesten worden, vooral op het gebied van de bouw van nieuwe kerken. De synode ging daarin mee en besloot dat het Deputaatschap de kerken voorlichting zou verstrekken betreffende bouwzaken in algemene zin, en desgevraagd met die kerken daarover in contact te treden. Ook nu weer besloot de synode (vijf) deputaten te benoemen voor deze drie taken. En ook nu weer werd het Deputaatschap opgedragen de kerken op te wekken tot het houden van een jaarlijkse collecte voor deze drie doelen.

In 1944 moest op bevel van de bezetters de kerk van Woubrugge worden afgebroken… (foto: ‘Een eeuw Gereformeerde Kerk in Woubrugge’).

De Synode van 1959/1960.

De Particuliere Synode van Noord-Holland vroeg aan de Synode van 1959/1960 om een officiële uitbreiding van de taak van de Deputaten voor de hulpverlening aan door Oorlogsschade en Watersnood getroffen Kerken, namelijk om het Deputaatschap opdracht te geven de kerken te adviseren over kerkelijke bouwzaken. De synode was het daarmee al eerder eens en vandaar dat de synode bevestigde dat het Deputaatschap weliswaar gewoon actief bleef om de oorlogsschade en de stormschade verder af te wikkelen, maar nu ‘vooral zou optreden als centrale kerkelijke instantie voor de behandeling van bouwzaken in algemene zin’.

De synode vond verder dat het Deputaatschap – door haar vele contacten met de overheid inzake kerk- en pastoriebouw – ook dit aspect van het kerkelijk leven moest behandelen. Opnieuw werden de Deputaten gemachtigd om de kerken jaarlijks te vragen een collecte te houden voor de hulpverlening met betrekking tot de oorlogs- en stormschade.

De kerk aan het Molenpad in Dinxperlo. Het voorstuk werd in 1927 gesticht, het achterste in 1934. In 1945 werd de kerk verwoest.

De Synode van 1963/1964: de taak voltooid.

Het besluit om het Deputaatschap voor de hulpverlening aan door Oorlogsschade en Stormschade getroffen Kerken op te heffen viel op 28 augustus 1962. De Deputaten hadden ten behoeve van de bespreking op de synode nu hun laatste rapport ingeleverd. Daarin meldden ze dat ze hun opdracht ten aanzien van de door oorlogsschade en stormschade getroffen kerken hadden voltooid. Aan de door oorlogsschade getroffen kerken was na 1945 een bedrag van ruim fl. 1.200.000 uitgekeerd. De kerken in de watersnoodgebieden ontvingen van de zusterkerken (via de Deputaten) een bedrag van in totaal ongeveer fl. 200.000. Verder verleenden Deputaten bemiddeling met betrekking tot de steun die door het Nationaal Rampenfonds aan de Gereformeerde Kerken in het door de watersnood getroffen gebied werd gegeven, waarmee een bedrag van ruim fl. 2.000.000 gemoeid was.

Het Deputaatschap opgeheven.

Maar ook hun derde opdracht, die de synode van 1955/1956 hun gaf, werd door de Deputaten uitgevoerd. Ze gaven aan de getroffen kerken voorlichting en financiële ondersteuning waar dat nodig was, maar pleegden ook overleg met de overheid ten aanzien van de vergoedingen voor nieuwe kerkbouw in gebieden waar een grote bevolkingsaanwas plaatsvond.

Ds. W. Reeskamp (1910-1984).

De Deputaten zelf gaven de synode nu in overweging hun taak als beëindigd te beschouwen. Het laatste Deputatenrapport aan de synode was ondertekend door de toenmalige Deputaten: ir. F.L. van der Bom (secretaris), ds. P. Nomes (1887-1967) (penningmeester), mr. dr. J.W. Noteboom, ir. W. van Ommen, ds. W. Reeskamp (1910-1984) en ir. W.F. Schut.

Ds. C.A. van Nood (1878-1959).

Maar wat moest er met het nog in kas zijnde geld gebeuren? Emeritus predikant ds. C.A. van Nood (1878-1959) en ds. P. van Strien (1902-1980) van Delft stelden voor dat deze gelden zouden worden overgeheveld naar de Kas van de Deputaten  voor de hulp aan Gescheurde Kerken; dat Deputaatschap verleende financiële en andere ondersteuning aan Kerken die door de Vrijmaking in moeilijkheden geraakt waren en bijvoorbeeld daardoor hun kerkgebouw waren kwijtgeraakt. Ook daarmee ging de synode akkoord:

Ds. P. van Strien (1902-1980).

“De synode (…) besluit a. Deputaten hartelijk te danken voor al het werk dat door hen is verricht en hen te déchargeren van het door hen gevoerde beheer; b. Overeenkomstig het voorstel van de Deputaten de aan hen opgedragen taak als voltooid te beschouwen; c. Goed te keuren dat de bij hen nog berustende gelden worden besteed voor gedeeltelijke dekking van het tekort in de Kas van de Deputaten voor Hulp aan Gescheurde Kerken”.

Bronnen onder meer:

Acta van de Generale Synode der Gereformeerde Kerken in Nederland 1939/1943 tot en met 1963/1964

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland, Amsterdam, 1940-1944.

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

Register op de Acta van de generale synoden van De Gereformeerde Kerken in Nederland, deel 3

R. Schermer, Verdwenen Rotterdamse kerken 1900-1995. Rotterdam, 1995

© 2025. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

Deputies for War Damage of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (GKN) (Part 3).

The Synod of 1949/1950: Assistance to Diaconates No Longer Needed.

( < Back to Part 2 ) –  On September 3, 1949, the General Synod dealt with the following report from the Deputies for Assistance to Churches and Diaconates Affected by War Damage.

First, it was decided to remove the term “Diaconates” from the name of the Deputies. Assistance to diaconates was no longer necessary. The aid efforts would now primarily focus on the churches themselves.

In a supplementary note to the report, the Deputies stated that the collections held by the churches generated approximately 40,000 guilders annually, but that the income had to be 35,000 guilders higher each year in order to meet the needs for repairing or rebuilding the damaged or completely destroyed church buildings.

“The pace at which contributions will be requested is closely tied to the volume of construction allowed by the Government each year. The more that can be built, the sooner the churches affected by damage can proceed with reconstruction or restoration, and the heavier the demands will be on the Deputies’ fund.”

It was therefore emphasized that assistance could only be provided if the churches as a whole intended to continue collecting for the affected churches for a number of years and kept the collection revenues at a sufficient level.

The Deputies had also observed that over time, collection revenues had declined. Between 1940 and 1942, 182,236 guilders were collected, and from 1943 to 1945, a total of 196,449 guilders. But the collection in 1946 yielded 52,000, in 1947 almost 56,000, and in 1948 only 35,637 guilders.

Expenses were sometimes high, because even though the state paid compensation for damage, additional payouts—sometimes substantial—had to be made to the affected churches, especially due to abnormally high construction and restoration costs. Up to the end of 1948, a total of 572,068 guilders had been paid out (including reimbursements). Yet, reconstruction had only taken place to a limited extent, so large sums were still needed for the future.

Help from America and Africa!

It is no wonder the Deputies were very pleased with the previously mentioned support provided by the Christian Reformed Church in America, mainly in the form of goods. A total of 2,557 crates and 129 packages were received from America. Every diaconate received a shipment, and some received more than one. Additionally, the Christian Reformed Church also transferred $75,000 to the Deputies. Aid shipments were also received from the ‘Gereformeerde’ Church in South Africa.

Involvement with Construction Matters.

To stay informed about the extent of the war damage suffered by the ‘Gereformeerde’ Churches, the Deputies conducted two surveys after the liberation. As it later turned out, not all affected churches responded. In total, the Deputies learned that 141 churches had sustained war damage of varying degrees. In 99 cases, the damage repair costs remained under 20,000 guilders. In 14 cases, the Deputies were asked for help, resulting in a payout of 32,350 guilders. (Minor damages under 3,000 guilders were mostly reimbursed by the state, and damages above that partially so.)

According to rough estimates, the total repair costs for this group amounted to 600,000 guilders, of which possibly 400,000 would be reimbursed by the state, leaving about 150,000 to be covered by the local churches.

Damage to Church Buildings.

In the comprehensive 13-page report from the Deputies to the Synod of 1949/1950, specific churches that were destroyed or damaged and received aid were mentioned. A few are listed here:

The ‘Gereformeerde’ Churches of Nijmegen and Vlissingen were heavily damaged; more than 200,000 guilders had to be paid for the restoration of each. Nijmegen’s church was back in use by December 1947, Vlissingen’s by autumn of 1948.

State compensation was low because the reimbursement was calculated as a percentage of the damage, leading to disproportionate compensation for partially damaged churches compared to completely destroyed ones. This required extensive discussions with the ministry authorities.

Significant sums were also paid to the churches of Wieringerwerf and Hoenzadriel (in Gelderland). Especially the small and weak church of Hoenzadriel, with minimal financial strength, needed help. (The Christian Secessionist Congregation in Hoenzadriel existed from 1851 to 1859. The ‘Gereformeerde’ Church in Hoenzadriel was established in 1897 and dissolved in 1988.)

Very serious damage also occurred to the church on Rambonnetlaan in IJmuiden, further complicated because the second ‘gereformeerde’ church in IJmuiden was completely destroyed. The church in the nearby municipality of IJmuiden-Oost (Wilhelminakade) was also lost.

To qualify for state compensation, it was agreed that a “competent architect” must provide advice for the reconstruction. Architect H. Sutterland (1889–1964) was hired by the Deputies.

“He rendered important services to the Deputies through his expert and thoughtful advice on architects and plans, and in several cases, by negotiating with the involved architects, ensuring that certain plans were improved.”

Many other details were reported (included in the full report). The Synod finally decided that the Deputies should continue to encourage churches to hold annual collections for the benefit of war-damaged churches. Deputies were also authorized to consult central institutions of other churches if needed.

The Synod of 1952/1953.

The 1952/1953 General Synod again discussed the Deputies and their work. On September 9, 1952, the Deputies’ report listed various activities over the past three years.

The Synod expressed great appreciation for the important and wide-ranging work of the Deputies and joy that so many churches in distress had already been helped.

However, much remained to be done. It was clear that aid could not yet end, and that all churches must continue to work together. The Synod again decided that Deputies should annually encourage churches to collect for aid.

It also authorized the Deputies to borrow up to 150,000 guilders if necessary to support qualifying churches. And if required by the government, the Deputies should contact them regarding both war damage and construction matters.

The Synod of 1955/1956: Two New Tasks.

On September 7, 1955, the Synod again discussed the ongoing work of aiding churches affected by war damage. But the Deputies also received two additional tasks: On February 1, 1953, the North Sea Flood Disaster hit the southwest of the Netherlands, causing widespread devastation, death, and destruction. Over 1,800 people drowned, and many homes and churches were damaged or destroyed. Through collaboration with the Deputies for Spending Flood Relief Offerings and the Deputies for Evacuation, many churches received necessary support, and many more were promised assistance.

“It was a fortunate decision to involve the Deputies for War Damage in this effort,” it was remarked at Synod.

The Deputies noted in their report that certain areas of the country experienced rapid population growth, and timely measures were needed, particularly in church construction. The Synod agreed and decided that the Deputies would advise churches on construction matters, and, when requested, consult with them.

Once again, the Synod appointed five deputies for these three tasks, and again instructed the Deputies to encourage annual collections for these three goals.

The Synod of 1959/1960.

The Particular Synod of North Holland requested that the Synod officially expand the Deputies’ role to include advising churches on church construction matters.

The Synod agreed, confirming that while the Deputies would continue resolving war and flood damage, they would now primarily act as a central church body for general construction matters.

It also concluded that, due to the Deputies’ many contacts with the government regarding church and parsonage construction, they should handle this area of church life as well.

Once more, the Deputies were authorized to ask churches annually to hold collections for aid related to war and flood damage.

The Synod of 1963/1964: The Task Completed.

The decision to dissolve the Committee for Aid to Churches Affected by War Damage and Storm Damage was made on August 28, 1962. The Committee had now submitted their final report for discussion at the synod. In it, they stated that they had completed their assignment concerning the churches affected by war and storm damage. After 1945, more than 1,200,000 guilders had been paid out to churches affected by war damage. The churches in the flood disaster areas received a total amount of approximately 200,000 guilders from sister churches (via the Committee). Furthermore, the Committee acted as an intermediary regarding the support provided by the National Disaster Fund to the ‘Gereformeerde’ Churches, which involved an amount of more than 2,000,000 guilders.

The Committee Dissolved.

But the Committee had also carried out their third assignment, which had been given to them by the Synod of 1955/1956. They provided guidance and financial support to the affected churches where necessary and also consulted with the government regarding compensation for new church construction in areas experiencing significant population growth.

The Committee themselves now recommended to the synod that their task be considered completed. The final report to the synod was signed by the then-serving committee members: Ir. F.L. van der Bom (secretary), Rev. P. Nomes (1887–1967) (treasurer), Mr. Dr. J.W. Noteboom, Ir. W. van Ommen, Rev. W. Reeskamp (1910–1984), and Ir. W.F. Schut.

But what was to be done with the funds still remaining in the treasury? Emeritus minister Rev. C.A. van Nood (1878–1959) and Rev. P. van Strien (1902–1980) of Delft proposed that these funds be transferred to the Fund of the Committee for Aid to “Torn” Churches; this Committee provided financial and other support to churches that had gotten into difficulties due to the church-‘Liberation’ (Vrijmaking), for instance, having lost their church buildings as a result.

The synod agreed to this as well:

“The synod (…) decides:
a. To sincerely thank the Committee for all the work they have done and to discharge them of the management they conducted;
b. In accordance with the proposal of the Committee, to consider the task assigned to them as completed;
c. To approve that the funds still in their possession be used for partial coverage of the deficit in the Fund of the Committee for Aid to Torn Churches.”