Het Deputaatschap Oorlogsschade GKN (2)

“Deputaten voor de Hulpverleening aan de door oorlogsschade getroffen kerken en diaconieën” (6 augustus 1940).

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Op 6 augustus 1940 besloot de inmiddels weer bijeengekomen generale synode dat het gereformeerde Comité Oorlogsschade zou worden omgezet in een officieel gereformeerd (door de Synode benoemd) Deputaatschap, bemand door dezelfde personen als het Comité Oorlogsschade.

De officiële naam was in het vervolg “Deputaatschap voor de Hulpverleening aan de door Oorlogsschade getroffen Kerken en Diaconieën”, kortweg vaak ‘Deputaten Oorlogsschade’ genoemd. Dit Deputaatschap zou in het vervolg alles doen wat ook het Comité Oorlogsschade had ondernomen: hulpverlening waar (direct) nodig. Het Deputaatschap werd voor het eerst genoemd in het landelijk Jaarboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland 1942 als ‘Deputaatschap van bijstand voor Kerken door den oorlog getroffen’ en in het Jaarboek van 1946 voor het eerst met de hierboven vermelde officiële naam. Soms werd gewoontegetrouw ook de naam Comité Bijstand echter nog gebezigd.

‘De Heraut’, 14 juli 1940.

Oorlogsmolestverzekering?

De vraag kwam naar voren of het voor kerken dienstig was een oorlogsmolestverzekering af te sluiten. Dat zou volgens de zegslieden veel ellende voorkomen. Dr. Kuyper matigde dat optimisme eind oktober 1940 enigszins; het loonde lang niet altijd, vond hij. Vaak hadden verzekeringsmaatschappijen er belang bij om zo’n molestverzekering af te sluiten. Maar je kon er ook het schip mee ingaan! De kosten van een meestal peperdure verzekeringspremie bedroegen bijvoorbeeld fl. 1.500 per jaar; dan zou bij een geringe(re) schade in feite verlies geleden worden. ‘De premies zijn hoog en de kans dat een kerkgebouw ‘s nachts geraakt wordt is klein. De kosten zijn niet in verhouding tot het risico’. Kuyper raadde het afsluiten van een verzekering dus af.

‘Generalkommissar’ H. Fischbröck.

Later moest hij dat bijstellen: want naar mededelingen van de ‘Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft’, H. Fischbröck (1895-1967) in Den Haag, zou op korte termijn een rijkscirculaire over de Oorlogsmolestverzekering gepubliceerd worden, waarop men het best even kon wachten. Op 2 december 1940 verscheen de beloofde verordening. Daarin werd bepaald dat, als de schade minder dan fl. 50.000 bedroeg, deze voor 100% door het Rijk zou worden vergoed; als de schade meer bedroeg, dan zou 90% van de schade (berekend naar de koopwaarde op 9 mei 1940) worden vergoed. Een behoorlijk aantal kerken verzekerde zich toen tegen oorlogsschade.

Voorschot…

En wat het verloop van de financiële actie betreft kon het Comité Bijstand van de Gereformeerde Kerken in november 1940 meedelen dat van de 762 Gereformeerde Kerken er 213 intussen hun bijdragen hadden overgemaakt naar het Comité. Veel kerken hadden overigens hun collecteopbrengsten rechtstreeks overgemaakt naar Rotterdam. Het Comité verleende ondertussen financiële hulp ‘indien direct noodzakelijk’. Dat geld moest als voorschot beschouwd worden want het moest worden terugbetaald als de overheid financiële steun uitkeerde.

Rotterdam opnieuw gebombardeerd (16 juli 1941).

Dr. H.H. Kuyper (1864-1945) was voorzitter van het Deputaatschap.

Rotterdam was ondertussen op 16 juli 1941 opnieuw het toneel van bombardementen. Ditmaal werd niet het centrum van de stad gebombardeerd, maar waren de Rotterdamse havens gedurende twee uur het doelwit. En de aanval werd niet door de Duitse bezetters uitgevoerd, maar door Blenheims van de Britse Royal Air Force! Daarbij was vooral de Waalhaven het doel. Er vielen drieëndertig doden. Dr. H.H. Kuyper – bekend om zijn wel erg voorzichtige houding ten opzichte de Duitsers en daarom al gauw van het gereformeerde synodale toneel verdwenen – schreef in zijn kerkelijk weekblad De Heraut kritisch over de Britse bombardementen, maar de bedoeling van de geallieerden was natuurlijk dat de Duitsers geen gebruik (meer) konden maken van de Rotterdamse havens.

Hoe dan ook, volgens Kuyper ‘drukten’ de bombardementen niet alleen op de bevolking in die omgeving, maar ook op het (gereformeerd) kerkelijk leven. Veel leden van de Gereformeerde Kerken moesten immers weer evacueren, waardoor de financiële draagkracht van hen die achterbleven verminderde. En daartegenover stond dat de uitgaven voor de herbouw van kerken en de uitgaven voor de ondersteuning van de armen gestegen waren. De Rotterdamse kerken hadden daarom opnieuw een verzoek gericht aan de Deputaten Oorlogsschade om financiële hulp.

De tweede collecte (1941).

‘De Heraut’, 26 oktober 1941.

Het Deputaatschap liet er geen gras over groeien. De Gereformeerde Kerken in Nederland werden in oktober 1941 voor de tweede maal opgeroepen een kerkcollecte te houden voor de nood in Rotterdam en omgeving. De eerste financiële hulp, zo meldden de Deputaten in hun schrijven aan de kerkenraden, was uiteraard niet voldoende gebleken, ‘waardoor in feite de wederopbouw van wat verwoest was nog nauwelijks begonnen was’. Door de evacuatie van een deel van de bevolking – niet alleen in Rotterdam en omgeving – waren de collecte-inkomsten bovendien niet onbelangrijk gedaald, terwijl de uitgaven grotendeels dezelfde gebleven waren.

‘De Heraut’, 1 maart 1942.

Een tegenvaller was bovendien, zo schreven de Deputaten verder, dat aanvankelijk gedacht werd dat de geleden schade aan kerken en aan andere kerkelijke gehouwen geheel door het Rijk vergoed zouden worden. Maar al snel was gebleken dat het bedrag dat het Rijk uitkeerde belangrijk minder was dan het schadebedrag en wat voor de wederopbouw nodig was. Kerken moesten leningen afsluiten, terwijl de schulden al hoog waren. Vandaar dat de Deputaten nu ook voor dit doel de hulp van de kerken meenden te moeten inroepen. “Moge onze barmhartige Hoogepriester daartoe de harten uwer gemeente bewegen, opdat ze naar, ja bóven haar vermogen gewillig zijn deze zwaar bezochte zusterkerken en diaconieën te helpen, opdat uw overvloed hun gebrek vervulle”.

De opbrengst.

‘De Heraut’, 12 april 1942.

De tweede collecte die eind 1941 op verzoek van de Deputaten – uiteraard met machtiging van de synode – gehouden was, bracht, zo bleek in maart 1942, fl. 50.000 op. Maar omdat nog niet alle collecten waren binnengekomen zou het bedrag naar men verwachtte nog wel hoger worden. De opbrengst lag overigens ‘ver onder het bedrag’ dat binnenkwam van de eerste collecte. De ingekomen gelden werden trouwens ditmaal niet gebruikt voor herstel van kerkgebouwen, pastorieën en andere kerkelijke gebouwen, want dat herstel was volgens de Deputaten een nationale zaak. Nee, de gehouden collecte had deze keer ten doel te zorgen voor de geestelijke belangen en voor armenverzorging. Want het Deputaatschap had immers ook tot taak zorg te dragen voor verlichting van de diaconale nood.

Een derde oproep om hulp (april 1943).

‘De Heraut’, 2 mei 1943.

Maar de oorlog was nog niet voorbij en op 31 maart 1943 vond het zgn. ‘vergeten bombardement’ plaats. Daarvan werden onder meer Rotterdam-Delfshaven en Maassluis het slachtoffer. Opnieuw werden grote ellende en verwoesting aangericht, waarbij 427 burgers om het leven kwamen. Deze bombardementen waren een vergissingsaanval van de Amerikaanse Luchtmacht… Ook elders werden steden getroffen door luchtaanvallen.

In mei 1943 verscheen dus ‘Een nieuwe oproep om hulp’ van het Deputaatschap, de derde collecte. “Het enige wat we kunnen doen is zoveel mogelijk hulp bieden om de geteisterde bevolking, die van alles ontbloot is geworden, te helpen door te zorgen voor voeding, kleding en huisvesting. (…) Het is een nationale roeping, maar ook de kerken hebben hier een heilige plicht, gedachtig aan het woord van de Apostel, dat de leden van Christus’ lichaam voor elkaar gelijke zorg moeten dragen. Van verschillende kanten is nu reeds hulp gezonden naar de diaconieën die nu voor zoveel verdrevenen uit hun woning en goed moeten zorgen”. Vandaar dat de Deputaten eind april 1943 dus opnieuw een bede om hulp aan de kerkenraden verstuurden

Een uitvoerig Deputatenrapport op de synode van 1943.

Op 7 september 1943 besprak de generale synode een uitvoerig Rapport van de Deputaten over de hulpverlening aan de Kerken en de Diaconieën.

In het rapport werd gemeld dat de derde collecte van begin april 1943 in minder dan een maand al fl. 100.000 had opgebracht, terwijl ook in mei nog nieuwe bedragen binnenkwamen. Bovendien was door verscheidene Gereformeerde Kerken een bedrag van in totaal rond fl. 60.000 rechtstreeks aan de kerk van Rotterdam-Delfshaven overgemaakt. Ook werd gerapporteerd dat de steunverlening van de Deputaten zich niet beperkte tot de vergoeding van geleden schade, maar door hen werd, geval voor geval, nagegaan welke steun nodig was om de kerkdiensten en de armenverzorging voortgang te doen vinden. Enkele kleinere schadegevallen die niet door de overheid vergoed konden worden, werden uit de kas van de Deputaten betaald.

De nieuwe gereformeerde kerk en daarnaast de pastorie (foto: Reliwiki, Jan Korpershoek).

Ook in Raamsdonk profiteerde men van de steun van de Deputaten. Hun geheel verwoeste kerk en pastorie konden worden vervangen door nieuwbouw, mede door de steun van de Deputaten. In Rotterdam kon weer een rusthuis voor ouden van dagen door de diaconie in gebruik genomen worden. Ook kwamen volgens het rapport nieuwe aanvragen binnen, namelijk onder meer uit Borne, Buiksloot, Hoogvliet, Nieuw-Lekkerland, Oostzaan, Ouderkerk aan den IJssel, IJmuiden en uit Wijk aan Zee (ten behoeve van de zgn. Badgastenkerk). Van de kant van de diaconieën waren in de rapportperiode slechts enkele steunaanvragen binnengekomen.

De financiën tussen mei 1940 en 30 april 1943.

Penningmeester ds. P. Nomes (1887-1967) hield de inkomsten en uitgaven bij, die hij indeelde in drie perioden.

– De eerste periode liep tot en met mei 1940. De inkomsten waren toen fl. 30,074 en de uitgaven aan steunverlening fl. 30.045 (financiële steun werd verleend aan Hoek van Holland (fl. 125), Valkenburg aan den Rijn (fl. 250), Alblasserdam (fl. 500), Feijenoord (fl. 1.500), Kralingen (fl. 6.870) en Rotterdam-Centrum (fl. 20.800).

‘Zaal De Vries’ (waar de kerk van Valkenburg aan den Rijn haar kerkdiensten hield) werd in de oorlog zwaar beschadigd.

– De tweede periode liep van juni 1940 tot september 1941. De inkomsten (collecten en giften) bedroegen toen in totaal fl. 141.908 en de uitgaven waren bijna fl. 136.000, waarvan fl. 131.000 uitgekeerd werd aan in totaal drieëntwintig Gereformeerde Kerken, en fl. 4.500 aan een tweetal predikanten.

De derde periode strekte zich uit van 1 oktober 1941 tot 30 april 1943. Aan collecten en giften kwam ruim fl. 50.000 binnen, terwijl fl. 10.500 aan uitbetaalde voorschotten terugbetaald werd (in totaal bedroegen de inkomsten dus fl. 60.500). De uitgaven bedroegen ruim fl. 54.000, waarvan fl. 52.675 aan tien kerken en fl. 1.500 aan een predikant.

Deze cijfers brachten penningmeester Nomes ertoe alles nog even samen te vatten: tussen mei 1940 en 30 april 1943 kwam aan collecten bijna fl. 212.000 binnen en aan giften fl. 9.550, in totaal ongeveer fl. 221.500. De uitgaven in die periode bedroegen aan steun (incl. onkosten) fl. 220.195. Aan terugbetaalde voorschotten (voor schade door het Rijk vergoed) kwam in totaal binnen bijna fl. 11.000. Uiteindelijk was op 1 mei 1943 nog fl. 12.282 in kas.

Ds. P. Nomes (penningmeester van het Deputaatschap) zat in 1944 een paar dagen gevangen in het Oranjehotel in Scheveningen. Dit is een envelop met een brief verstuurd vanuit de gevangenis aan zijn familie (foto: Nationaal monument Oranjehotel).

De Synode van 1946: Van alles wat.

De vijfde mei geldt als de officiële bevrijdingsdag van ons land, al waren grote gedeelten van Nederland al eerder van de bezetters verlost. Hoe dan ook, de Generale Synode van 1946 besprak op 3 september dat jaar het rapport van de ‘Deputaten voor Hulpverlening’ (c.q. de Deputaten Oorlogsschade).

Spoedig na de bevrijding hadden de Deputaten Oorlogsschade een enquête aan de Kerken gestuurd om te informeren naar aard en omvang van de schade, geleden aan gereformeerde kerken en kerkelijke gebouwen. Achtentachtig kerken bleken licht beschadigd, zeventien waren ernstiger getroffen, eenentwintig onherstelbaar verwoest. Het totaal van de aangebrachte schade werd, gerekend naar het prijspeil van 1940, geraamd op fl. 2.000.000. Verscheidene kerkelijke gemeenten bleken in moeilijkheden te zijn geraakt door evacuatie van hun leden, of door oorlogsschade (ook die van gemeenteleden, waarvoor de diaconie in actie kwam). Veel kerken slaagden er echter in zonder hulp van buiten voorzieningen te treffen.

De Deputaten hadden direct na de bevrijding contact opgenomen met het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. Afgesproken werd dat overleg met het ministerie over de schade aan kerken moest lopen via het Deputaatschap voor Oorlogsschade, dat een urgentielijst moest opstellen. Als bij herstel- of nieuwbouwplannen architecten in de arm genomen moesten worden, dienden de Deputaten daarover overleg te plegen met het ministerie. De door de regering getroffen regeling voor vergoeding van de oorlogsschade achtten de Deputaten gunstig: 75% van de wederopbouwkosten zouden door het rijk aan de kerken worden vergoed.

Hulp van elders!

De Deputaten hadden zitting genomen in de Interchurch Reconstruction Committee (IRC), dat de hulpverlening vanuit het buitenland coördineerde. Dat kwam goed uit, want de roep om financiële hulp was ook in Amerika gehoord. De Christian Reformed Church (van oorsprong gemeenten van Nederlandse Afgescheidenen die in de tijd van de Afscheiding en daarna naar Amerika geëmigreerd waren), had ook een collecte gehouden. Dat leverde een groot bedrag op.  En Zweden stelde een aantal rijwielen ter beschikking, die door Deputaten verdeeld werden. Ook door de Gereformeerde Kerken in Zuid-Afrika werd hulp geboden.

Minder fortuinlijk was het, dat een bedrag van fl. 25.000, dat door de Deputaten voorzichtigheidshalve was ondergebracht in een safe-loket te Wageningen, bij het opblazen van de bank verloren was gegaan. De Deputaten probeerden uiteraard het geld vergoed te krijgen.

De steunverlening ging overigens ondertussen gewoon door: in de periode van 1 mei 1943 tot 30 april 1946 werd voor fl. 126.000 steun verleend. De synode vond bij de bespreking van het Deputatenrapport overigens dat er te weinig steun verleend was aan kerken in het zuiden van het land, ‘waar toch zulke groote verwoestingen zijn aangericht’. Verder was het de synode opgevallen dat het Deputaatschap vooral bestond uit mensen die in het westen van het land woonachtig waren; bij de benoeming van nieuwe Deputaten was het raadzaam ook leden uit andere gedeelten van het land te benoemen, besloot de Synode.

Naar deel 3 >

© 2025. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The Deputation for War Damage GKN (2).

“Deputies for the Aid to Churches and Diaconates Affected by War Damage” (August 6, 1940).

( < Back to Part 1 ) – On August 6, 1940, the ‘gereformeerde’ synod, which had by then reconvened, decided that the ‘Gereformeerd’ Committee for War Damage would be converted into an official ‘gereformeerde’ Deputation (appointed by the Synod), staffed by the same individuals who had been part of the War Damage Committee.

The official name henceforth would be “Deputyship for Aid to Churches and Diaconates Affected by War Damage,” often referred to more simply as “Deputies for War Damage.” This Deputation would carry on all activities previously undertaken by the War Damage Committee: providing aid where (and when) it was directly necessary.

The Deputation was first mentioned in the national Yearbook for the Service of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands in 1942 as the “Deputyship for Assistance to Churches Affected by the War,” and in the 1946 Yearbook under the above-mentioned official name for the first time. Out of habit, the name “Committee for Assistance” was also still occasionally used.

War Damage Insurance?

The question arose as to whether it would be advisable for churches to take out war damage insurance. According to various speakers, this would prevent a great deal of misery. Dr. Kuyper, however, tempered that optimism somewhat at the end of October 1940; he believed it was often not worth it. Insurance companies often had an interest in offering such war damage policies. But it could also end badly!

For example, the cost of such a (usually very expensive) premium was around 1,500 guilders per year; if the damage ended up being minor, there would effectively be a loss. “Premiums are high and the chance that a church building is hit at night is small. The costs are not proportionate to the risk.” Kuyper therefore advised against taking out such insurance.

Later, he had to revise that opinion: according to information from the “Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft,” H. Fischböck (1895–1967) in The Hague, a national circular on war damage insurance would soon be published, and it was best to wait for that. The promised decree was issued on December 2, 1940. It stated that if the damage was less than fl. 50,000, it would be reimbursed in full (100%); for damages above that amount, 90% of the damage (calculated based on purchase value as of May 9, 1940) would be reimbursed. A considerable number of churches subsequently insured themselves against war damage.

Advance Payments…

As for the progress of the financial aid campaign, the Committee for Assistance of the ‘Gereformeerde’ Churches announced in November 1940 that out of the 762 ‘Gereformeerde’ Churches, 213 had by then transferred their contributions to the Committee. Many churches had sent their collections directly to Rotterdam, however. Meanwhile, the Committee provided financial aid “if immediately necessary.” This money was to be considered an advance, to be repaid if government financial support was later received.

Rotterdam Bombed Again (July 16, 1941).

On July 16, 1941, Rotterdam was once again the scene of bombings. This time, it wasn’t the city center but the Rotterdam harbors that were the target for two hours. And the attack wasn’t carried out by the German occupiers, but by Blenheim bombers of the British Royal Air Force! The Waalhaven area was the main target. Thirty-three people were killed.

Dr. H.H. Kuyper—known for his overly cautious stance toward the Germans, which had quickly led to his disappearance from the synodal stage—criticized the British bombings in his church weekly De Heraut. However, the Allies’ intention had clearly been to prevent the Germans from using the Rotterdam harbors.

In any case, according to Kuyper, the bombings affected not only the local population but also ‘gereformeerd’ church life. Many members of the ‘Gereformeerde’ Churches had to evacuate once more, which reduced the financial capacity of those who remained. Meanwhile, expenses for rebuilding churches and supporting the poor had increased. The Rotterdam churches therefore again appealed to the Deputies for War Damage for financial assistance.

The Second Collection (1941).

The Deputation acted quickly. In October 1941, the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands were called upon a second time to hold a church collection for the needs in Rotterdam and surrounding areas. The initial financial aid, the Deputies reported to church councils, had obviously proven insufficient, “as a result of which the rebuilding of what had been destroyed had barely begun.”

Due to the evacuation of part of the population—not only in Rotterdam and the surrounding area—collection revenues had significantly decreased, while expenditures remained largely unchanged.

A further setback, the Deputies wrote, was that it had initially been assumed the damages to churches and other ecclesiastical buildings would be fully reimbursed by the government. But it soon became clear that the compensation from the government was significantly less than the actual damage and what was needed for rebuilding. Churches had to take out loans, even though their debt was already high.

That’s why the Deputies now felt it necessary to again call on the churches for help:

“May our merciful High Priest move the hearts of your congregation so that they may be willing, according to and even beyond their means, to help these heavily afflicted sister churches and diaconates, so that your abundance may supply their need.”

The Proceeds.

The second collection, held at the end of 1941 at the Deputies’ request (and with synodal authorization), raised—according to reports in March 1942—fl. 50,000. But since not all collections had been received, it was expected the final total would be even higher.

The proceeds were, however, “well below” the amount raised in the first collection. The money received was not used for restoring church buildings, parsonages, and other ecclesiastical structures; that restoration, according to the Deputies, was a national concern. This time, the collection was intended to support spiritual needs and care for the poor. After all, the Deputation was also responsible for alleviating diaconal distress.

A Third Call for Help (April 1943).

But the war was not yet over. On March 31, 1943, the so-called “forgotten bombing” took place. Among the affected areas were Rotterdam-Delfshaven and Maassluis. Once again, immense suffering and destruction occurred, with 427 civilians killed. These bombings were a mistaken attack by the U.S. Air Force.

Other cities were also hit by air raids. In May 1943, a “new call for help” was issued by the Deputation—a third collection.

“The only thing we can do is provide as much help as possible to the afflicted population, who have been stripped of everything, by ensuring food, clothing, and shelter. (…) It is a national calling, but the churches also have a sacred duty here, mindful of the Apostle’s words that the members of Christ’s body must care for one another equally.”

Help had already been sent from various quarters to diaconates now caring for many who had been displaced from their homes and possessions. Hence, the Deputies sent out a renewed plea for help to church councils at the end of April 1943.

A Detailed Deputation Report at the 1943 Synod.

On September 7, 1943, the general synod discussed a detailed report from the Deputies on aid provided to churches and diaconates.

The report stated that the third collection, held in early April 1943, had raised fl. 100,000 in less than a month, with additional amounts still coming in during May. Furthermore, several ‘Gereformeerde’ Churches had directly donated around fl. 60,000 to the church of Rotterdam-Delfshaven.

The Deputies’ assistance extended beyond compensating for damage: on a case-by-case basis, they assessed what support was needed to ensure continuation of church services and care for the poor. A few smaller damage cases not covered by the government were paid for from the Deputation’s own funds.

Even in Raamsdonk, they benefited from the Deputies’ support: the completely destroyed church and parsonage were replaced with new buildings, thanks in part to this aid. In Rotterdam, a retirement home could once again be opened by the diaconate.

New requests also came in—from Borne, Buiksloot, Hoogvliet, Nieuw-Lekkerland, Oostzaan, Ouderkerk aan den IJssel, IJmuiden, and Wijk aan Zee (for the so-called “Seaside Guest Church”). From the diaconates, only a few requests for support were received during the reporting period.

The Finances between May 1940 and April 30, 1943.

Treasurer Rev. P. Nomes (1887–1967) kept track of the income and expenditures, which he divided into three periods:

  • The first period lasted until the end of May 1940. Income at that time amounted to fl. 30,074, and expenditures on aid totaled fl. 30,045. Financial support was provided to: Hoek van Holland (fl. 125), Valkenburg aan den Rijn (fl. 250), Alblasserdam (fl. 500), Feijenoord (fl. 1,500), Kralingen (fl. 6,870), and Rotterdam-Center (fl. 20,800).

  • The second period ran from June 1940 to September 1941. Income (from collections and donations) then totaled fl. 141,908, and expenditures amounted to nearly fl. 136,000, of which fl. 131,000 was paid out to a total of twenty-three ‘gereformeerde’ Churches, and fl. 4,500 to two ministers.

  • The third period covered the time from October 1, 1941, to April 30, 1943. Collections and donations brought in over fl. 50,000, while fl. 10,500 in paid-out advances were repaid (bringing the total income to fl. 60,500). Expenditures amounted to over fl. 54,000, of which fl. 52,675 went to ten churches and fl. 1,500 to one minister.

These figures prompted Treasurer Nomes to summarize everything once more: between May 1940 and April 30, 1943, collections brought in almost fl. 212,000 and donations fl. 9,550, totaling about fl. 221,500. Expenditures on aid (including expenses) during that period amounted to fl. 220,195. A total of nearly fl. 11,000 in repaid advances (reimbursed by the State for damages) was received. As of May 1, 1943, there was still fl. 12,282 in cash.


The Synod of 1946: A Bit of Everything.

May 5 is the official Liberation Day of our country, although large parts of the Netherlands had already been freed from the occupiers earlier. In any case, on September 3, 1946, the General Synod of 1946 discussed the report of the “Deputies for Aid” (i.e., the Deputies for War Damage).

Soon after liberation, the Deputies for War Damage had sent a survey to the churches to gather information on the nature and extent of the damage suffered by ‘gereformeerde’ churches and church buildings:

  • Eighty-eight churches were found to be lightly damaged,

  • Seventeen were more seriously affected, and

  • Twenty-one were irreparably destroyed.

The total estimated damage, calculated at 1940 price levels, was fl. 2,000,000.

Several congregations had gotten into trouble due to the evacuation of their members or war damage (also to members’ homes, which the diaconate responded to). However, many churches managed to make arrangements without external assistance.

The Deputies had immediately contacted the Ministry of Public Works and Reconstruction after the liberation. It was agreed that communication with the ministry regarding church damage had to go through the Deputies for War Damage, who were to draw up a priority list. If architects were to be engaged for repair or new construction projects, the Deputies were required to consult with the ministry.

The government’s arrangement for compensation of war damage was considered favorable by the Deputies: 75% of the reconstruction costs would be reimbursed by the State to the churches.

Help from Abroad!

The Deputies had taken a seat in the Interchurch Reconstruction Committee (IRC), which coordinated foreign aid. That turned out to be very helpful, as the call for financial aid had also been heard in America.

The Christian Reformed Church (originally formed by Dutch Secessionist congregations that had emigrated to America during and after the Secession) had also held a collection, which yielded a large sum. Sweden contributed by donating bicycles, which the Deputies distributed. The ‘gereformeerde’ Churches in South Africa also provided assistance.


Less Fortunate:

A sum of fl. 25,000, which the Deputies had cautiously placed in a safe deposit box in Wageningen, was lost when the bank was blown up. Naturally, the Deputies tried to claim compensation for the lost funds.

Nevertheless, aid continued as usual: from May 1, 1943, to April 30, 1946, aid totaling fl. 126,000 was provided.

During the discussion of the Deputies’ report, the Synod remarked that too little aid had been given to churches in the south of the country, “where such great devastation had taken place.” The Synod also noted that the Deputies mainly consisted of people living in the western part of the country; it decided that future appointments should also include members from other regions.

To Part 3 >

© 2025. GereformeerdeKerken.info