De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.
( < Naar deel 28 – Back to Part 28 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 4 oktober 1865. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.
Classicale vergadering gehouden te Noordeloos, woensdag 21 februari 1866.
De vergadering werd de vorige avond geopend met een leerrede door ds. D.J. van der Werp, die aan de beurt was, naar aanleiding van 1 Cor. 3 vers 11. Deze zitting wordt geopend door ds. W.H. van Leeuwen met het lezen van psalm 46 en het zingen van psalm 119 vers 11 en met gebed.
De afvaardiging van deze vergadering is als volgt:
Graafschap: ds. D.J. van der Werp en H. Bouws (ouderling)
Grand Rapids: ds. W.H. van Leeuwen en A. Pleune (ouderling)
Zeeland: T. van den Bosch en R. Brinks (ouderlingen)
Holland: A. Krabshuis (ouderling)
Vriesland: G. Haan en J. Roek (ouderlingen)
Grand Haven: H.W. Bartels (ouderling)
Art. 1 – Overgegaan wordt tot het kiezen van een scriba voor deze vergadering en met meerderheid van stemmen wordt daarvoor gekozen br. ouderling A. Pleune. Ds. W.H. van Leeuwen neemt het presidium waar, die daarvoor aan de beurt is.

Art. 2 – In rondvraag wordt gebracht of er ook aanmerkingen waren op de Classikale preek door ds. Van der Werp. Geen.
Art. 3 – Besloten wordt dat de afgevaardigden voortaan zijn voorzien van een lastbrief, overeenkomstig Art. 41 van onze aangenomen Dordtse Kerkorde.
Art. 4 – Er is een brief binnengekomen van de gemeente te Paterson, die aan de vergadering wordt voorgelezen. Er staat in dat zij geen afgevaardigden naar de vergadering konden sturen vanwege de daaraan verbonden hoge kosten. De vergadering oordeelt echter dat zij dit wel kunnen doen, al was het maar eens in het jaar. De Classicale Correspondent wordt opgedragen om die gemeente te vermanen en op te wekken.
Er is een soortgelijke brief ingekomen van de gemeente te Lage Prairie. De [Classicale] Correspondent wordt opgedragen ook die broeders ernstig te vermanen en op te wekken, vooral omdat ze tot nu toe nog helemaal geen afgevaardigden naar de vergadering gezonden hebben.
Ook zullen die gemeenten opgewekt worden om te collecteren voor de opleiding tot het leraarsambt.

Art. 5 – Daarop worden de notulen van de vorige vergadering voorgelezen en na de nodige opmerkingen en wijzigingen gemaakt te hebben worden ze goedgekeurd en daarna getekend.
Art. 6 – Besloten wordt de gewone jaarlijkse Biddag voor de Zaaitijd te houden op de laatste woensdag in april, maar met de bepaling dat wanneer de Classis van de Dutch Reformed Church van [de stad] Holland die vroeger [plant], dit te verzetten. De Classicale Correspondent zal daarover [de gemeenten] aanschrijven.
Art. 7 – Van J. Koppejan is een brief binnen gekomen, die echter – vanwege de uitgebreidheid – niet aan de vergadering wordt voorgelezen. Hij reageert op de brief ingevolge Art. 7 van de hem toegezonden Notulen van de vorige vergadering. Algemeen wordt geoordeeld dat we ons aan het vorige besluit houden en ons dus niet verder met de zaak in te laten.
Art. 8 – Naar aanleiding van het verslag van de commissies inzake het stichten van de gemeenten te [stad] Holland en Grand Haven (overeenkomstig Art. 8 en 9 van de notulen van de vorige vergadering) blijkt dat daar nieuwe gemeenten zijn gesticht en gevestigd, zodat zij daarom nu in onze Classis zijn opgenomen en ingelijfd.
Art. 9 – Op verzoek van de kerkenraad van de nieuw gestichte gemeente te Grand Haven is als haar consulent verkozen ds. W.H. Van Leeuwen [van Grand Rapids] als dichtstbijzijnde gemeente.

Art. 10 – Ook is op verzoek van bovengenoemde kerkenraad besloten dat op of omstreeks Pasen a.s. ds. Van den Bosch naar Grand Haven zal gaan om het Heilig Avondmaal in die gemeente te bedienen.
Art. 11 – De commissie – ingevolge Art. 15 van de vorige Notulen – deed verslag van haar handelingen in de gemeente te Zeeland, inzake de ouderling T. van den Bosch, waaruit bleek, dat genoemde broeder in zijn betrekking als ouderling van die gemeente is bevestigd, omdat hij op zich genomen had om een familieberaad te beleggen en de zaken [die daar spelen] uit de weg te ruimen. Omdat echter bleek dat daaraan niet is voldaan, wordt daarom een commissie benoemd, bestaande uit ds. Van der Werp en de ouderlingen G. Haan en P. Heyboer. [De hulp van de commissie] kan worden ingeroepen wanneer ze het onderling niet eens kunnen worden.
Daarop wordt deze zitting gesloten met dankzegging door ds. Van der Werp.

Tweede Zitting.
Deze zitting wordt geopend met het zingen van psalm 119 vers 17 en met gebed door ouderling H. Bouws.
Art. 12 – Gemeentelijke zaken – De afgevaardigden van de gemeente Graafschap brengen ter tafel dat het lidmaat G. van Tubbergen gecensureerd is wegens verzet tegen de kerkenraad en willekeurig voortgaan met preken bij de Schotse Gemeente, ondanks dat hij herhaaldelijk is vermaand; ze vragen hoe nu verder met hem gehandeld moet worden. De vergadering oordeelt met de censuur voort te gaan en machtigt de kerkenraad van Graafschap Van Tubbergen onder de tweede trap van censuur te plaatsen en hem dat aan te zeggen, na hem ernstig broederlijk vermaand te hebben.
Er is een brief ingekomen van lidmaat B.J. Lemmen van die gemeente [Graafschap] die door de kerkenraad gecensureerd is vanwege de onverzoenlijke toestand tussen hem en een ander lid van die gemeente, namelijk met Koos Eleveld. De onenigheid tussen hen is ontstaan over het melken van een koe, wat verscheidene keren behandeld is door de kerkenraad. Ds. Van der Werp leest de handelingen van die kerkenraad over die zaak voor. Omdat het lidmaat Lemmen hier aanwezig is wordt hem toegestaan zijn zaak te verdedigen, waarover hij lankmoedig wordt aangehoord. Aan het slot vraagt de kerkenraad aan de Vergadering of hij in deze zaak terecht of ten onrechte gehandeld heeft. De classis oordeelt ‘terecht’ en vermaant Lemmen daarom nogmaals zich te verzoenen, terwijl Eleveld [daartoe geheel bereid is].
Tenslotte vragen de broeders afgevaardigden van Graafschap hoe te handelen met een lidmaat van hun gemeente die in haar ziekelijke toestand haar toevlucht neemt en raad zoekt bij een somnambule of ‘slaapster’, woonachtig in [de stad] Holland. En omdat blijkt dat er meer leden van andere gemeenten zijn die daarvan gebruik maken, besluit de vergadering dat zo’n ongeoorloofde manier van doen lijkt op Saul die naar de herberg van Endor ging. De vergadering zal de respectievelijke gemeenten met dit besluit bekend maken. De leden die daarvan gebruik maken zullen op grond van het Formulier van het Avondmaal van de Tafel des Heren geweerd worden.

Art. 13 – Besloten wordt dat kinderen van de gemeente die in andere plaatsen gaan werken, moeten zijn voorzien van een kerkelijk getuigschrift [c.q. een attestatie] van de kerkenraad waar ze vandaan komen, en dit moeten indienen bij de kerkenraad waar ze zich vestigen, om zo onder toezicht te kunnen blijven.
Art. 14 – Het hier aanwezige lidmaat H. Marling van de gemeente Zeeland vraagt het woord, wat hem gegeven wordt. Hij verklaart daarop dat hij niet berusten kan in de vorige handelingen van de Classis betreffende ds. K. van den Bosch en de gemeente te Zeeland, omdat hij altijd ds. Van den Bosch als wettige leraar van Zeeland blijft erkennen en die gemeente als een wettige gemeente die vroeger al bestond. De hier ook aanwezige diaken H. de Groot van die gemeente doet openlijk schuldbelijdenis van zijn verkeerde handelen om ds. Van den Bosch niet als zodanig te erkennen. Ds. Van der Werp geeft ook zijn vrees en bedenkingen te kennen of men wel in alles voorzichtig en kerkelijk gehandeld heeft ten aanzien van wat gebeurd is tussen ds. Van den Bosch en de gemeente van Zeeland. Daarom besluit de vergadering die zaken voor de volgende Classis nog eens nauwkeurig te onderzoeken en [de zaak] dan in behandeling te nemen.

Art. 15 – Een brief is binnengekomen van E.B. Groen, lidmaat van de gemeente te Vriesland, waarin hij de vergadering voorstelt om ouderling G. Haan van die gemeente op te leiden tot het leraarsambt. Hij en vele leden van die gemeente menen bijzondere gaven en vereisten in zijn persoon op te merken. De preses geeft aan broeder Haan, afgevaardigde van die gemeente, gelegenheid voor zichzelf te spreken en zijn werkzaamheden daaromtrent op te geven. Daaraan voldoet hij. Hij verklaart ook dat hij dit op eigen kosten kan doen. Daarop wordt hij verzocht de vergadering even te verlaten, zodat de zaak zonder hem besproken kan worden. Daarop werden de andere hier aanwezige kerkenraadsleden geraadpleegd, die hetzelfde getuigenis over hem geven. Nadat hij binnengeroepen is, wordt hem vrijheid gegeven naar keuze onderwijs te volgen bij ds. Van der Werp of ds. Van den Bosch. Op een volgende vergadering zal worden besloten of hij zich uitsluitend daaraan zal wijden en afstand doet van zijn tegenwoordige betrekking [c.q. het ouderlingschap].
Art. 16 – De afgevaardigden van de gemeente te Grand Rapids brengen namens ouderling J. Gelok ter tafel dat hij dringend verzoekt om ontslagen te worden van zijn betrekking [als ouderling] en als lid van de Classicale Commissie en als lid van de [commissie] Boekencensuur. De vergadering oordeelt daarin niet te kunnen bewilligen, maar benoemt meteen ouderling P. Heyboer als secundus van br. Gelok in zijn betrekking als lid van de Classicale Commissie.

Art. 17 – Algemene Zaken – Besloten is Art. 9 in de Notulen van de Cllssicale Vergadering van 3 februari 1858 te Grand Rapids te vernietigen, omdat dit inbreuk maakt op Art. 67 van onze aangenomen Dordtse Kerkorde met betrekking tot de Feestdagen.
Art. 18 – Aangaande de inleiding voorin dit Notulenboek [over het ontstaan van de Classis], waarover vroeger al werd gehandeld, wordt de afgevaardigden van Grand Rapids opgedragen om een kleine brochure te verkrijgen, aanwezig bij de heer G. Haan te Grand Rapids, waarin de toestand der Dutch Reformed Church enigszins wordt blootgelegd, om daaruit zoveel als mogelijk de nodige bouwstoffen te kunnen en mogen opdoen.
Art. 19 – Van twee gecensureerde leden van de gemeente te Paterson is een brief binnengekomen, t.w. van W. Snyder en J. Daman, die beklag doen over hun ongerechtvaardigde censuur. De Classicale Correspondent krijgt opdracht daarover aan de betreffende kerkenraad te schrijven om de nodige inlichtingen te ontvangen.
Art. 20 – Aan de vergadering wordt voorgesteld of door een [te benoemen] Classicale Commissie een concept kan worden opgesteld waarin op duidelijke gronden wordt betoogd dat ‘Verzekeringen’ zondig zijn en dus strafwaardig. Omdat dit in deze tijd zo betwist wordt, zelfs door leden der gemeenten, wordt besloten om voor de volgende Classicale Vergadering daarover zoveel mogelijk informatie te verzamelen.
Art. 21 – De Commissie voor de collecten ter opleiding tot het leraarsambt deed haar driemaandelijkse verslag. Daaruit is gebleken dat een bedrag van $ 345.37 in kas is.

Art. 22 – De volgende Classicale Vergadering is bepaald op de eerste woensdag in de maand juni en deze zal gehouden worden in [de stad] Holland. De avond tevoren zal deze geopend worden met een leerrede door ds. W.H. van Leeuwen, die daarvoor aan de beurt is, terwijl dit – ten overvloede – veertien dagen tevoren door de Classicale Correspondent zal worden meegedeeld aan al de gemeenten.
De vergadering wordt daarop gesloten met het zingen van psalm 134 vers 3 en dankzegging door ds. K. van den Bosch.
W.H. Van Leeuwen, v.d.m., preses.
Bron:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, 1937
Translation into English:
From ‘Classis’ to ‘Synod’ in America (29).
The first ecclesiastical assemblies of the Christian Reformed Church.
( < Back to Part 28 ) – In our series on the ecclesiastical assemblies of the Seceders who emigrated to America, belonging since 1857 to the then newly established Christian Reformed Church (as further explained in Part 1), we continue with the meeting of October 4, 1865. Clarifying or additional remarks by the editors of GereformeerdeKerken.info are placed between [brackets].
Classical meeting held at Noordeloos, Wednesday, February 21, 1866.
The meeting was opened the previous evening with a sermon by Rev. D.J. van der Werp, whose turn it was, based on 1 Corinthians 3:11.
This session was opened by Rev. W.H. van Leeuwen with the reading of Psalm 46, the singing of Psalm 119 verse 11, and prayer.
The delegation to this meeting was as follows:
-
Graafschap: Rev. D.J. van der Werp and H. Bouws (elder)
-
Grand Rapids: Rev. W.H. van Leeuwen and A. Pleune (elder)
-
Zeeland: T. van den Bosch and R. Brinks (elders)
-
Holland: A. Krabshuis (elder)
-
Vriesland: G. Haan and J. Roek (elders)
-
Grand Haven: H.W. Bartels
Article 1 – The election of a clerk (scriba) for this meeting was undertaken, and by majority vote brother elder A. Pleune was chosen. Rev. W.H. van Leeuwen, whose turn it was, served as chairman (preses).
Article 2 – During the question period it was asked whether there were any objections to the classical sermon by Rev. Van der Werp. None were raised.
Article 3 – It was decided that henceforth the delegates must be furnished with credentials (letters of authorization), in accordance with Article 41 of our adopted Church Order of Dort.
Article 4 – A letter was received from the congregation at Paterson and read to the meeting. It stated that they were unable to send delegates to the meeting because of the high costs involved. The meeting judged, however, that they are able to do so, at least once a year. The Classical Correspondent is instructed to admonish and encourage that congregation.
A similar letter was received from the congregation at Lage Prairie. The [Classical] Correspondent is likewise instructed to admonish and earnestly encourage those brothers, especially since up to now they have not sent any delegates to the meeting at all.
These congregations shall also be encouraged to take collections for the training for the ministry.
Article 5 – The minutes of the previous meeting were read, amended where necessary, approved, and then signed.
Article 6 – It was decided to observe the regular annual Day of Prayer for the Crop Season on the last Wednesday in April, with the provision that if the Classis of the Dutch Reformed Church of [the city of] Holland sets it earlier, it will be adjusted. The Classical Correspondent shall notify the congregations accordingly.
Article 7 – A letter was received from J. Koppejan which—because of its length—was not read to the meeting. He responded to the letter sent to him pursuant to Article 7 of the minutes of the previous meeting. It was unanimously judged that we adhere to the previous decision and therefore not involve ourselves further in the matter.
Article 8 – From the report of the committees concerning the establishment of the congregations at [the city of] Holland and Grand Haven (in accordance with Articles 8 and 9 of the minutes of the previous meeting), it appeared that new congregations had been established and organized there; therefore they are now admitted and incorporated into our Classis.
Article 9 – At the request of the council of the newly established congregation at Grand Haven, Rev. W.H. van Leeuwen was chosen as its counselor (consulent), as the nearest minister.
Article 10 – Also at the request of the above-mentioned church council, it was decided that on or about Easter next Rev. Van den Bosch shall go to Grand Haven to administer the Holy Supper in that congregation.
Article 11 – The committee—pursuant to Article 15 of the previous minutes—reported on its actions in the congregation at Zeeland regarding elder T. van den Bosch. It appeared that the said brother had been confirmed in his office as elder of that congregation, since he had undertaken to convene a family meeting and remove the matters [at issue]. Since it appeared that this had not been fulfilled, a committee was appointed consisting of Rev. Van der Werp and elders G. Haan and P. Heyboer. Their assistance may be invoked if the parties cannot reach agreement among themselves.
The session was then closed with thanksgiving by Rev. Van der Werp.
Second Session.
This session was opened with the singing of Psalm 119 verse 17 and prayer by elder H. Bouws.
Article 12 – Congregational matters – The delegates of the congregation of Graafschap reported that member G. van Tubbergen had been censured for opposing the church council and arbitrarily continuing to preach in the Scottish Congregation, despite repeated admonitions. They asked how to proceed further with him. The meeting judged that the censure should continue and authorized the council of Graafschap to place Van Tubbergen under the second degree of censure and to inform him of this, after earnestly admonishing him in a brotherly manner.
A letter was received from member B.J. Lemmen of that congregation [Graafschap], who had been censured by the church council because of an irreconcilable situation between him and another member of that congregation, namely Koos Eleveld. The disagreement arose over the milking of a cow and had been addressed several times by the church council. Rev. Van der Werp read the council’s proceedings concerning this matter. Since member Lemmen was present, he was permitted to defend his case and was patiently heard. At the conclusion, the church council asked the meeting whether it had acted rightly or wrongly in this matter. The classis judged “rightly” and once again admonished Lemmen to reconcile, while Eleveld [is entirely willing to do so].
Finally, the brothers from Graafschap asked how to deal with a member of their congregation who, in her illness, seeks refuge and advice from a somnambulist or “sleeping woman” living in [the city of] Holland. Since it appeared that more members of other congregations make use of this, the meeting decided that such an unlawful practice resembles Saul going to the inn of Endor. The respective congregations shall be informed of this decision. Those members who make use of it shall be barred from the Lord’s Table on the basis of the Form for the Lord’s Supper.
Article 13 – It was decided that children of the congregation who go to work in other places must be furnished with a church certificate (attestation) from the church council of their home congregation and must submit this to the church council where they settle, in order to remain under supervision.
Article 14 – The member H. Marling of the congregation of Zeeland, present here, requested and was given the floor. He declared that he could not agree with the previous actions of the Classis regarding Rev. K. van den Bosch and the congregation at Zeeland, because he continues to recognize Rev. Van den Bosch as the lawful minister of Zeeland and that congregation as a lawful congregation that had existed previously. The deacon H. de Groot of that congregation, also present, openly confessed his wrongdoing in not recognizing Rev. Van den Bosch as such. Rev. Van der Werp likewise expressed his fears and reservations as to whether in everything one had acted cautiously and in a churchly manner regarding what had occurred between Rev. Van den Bosch and the congregation of Zeeland. Therefore the meeting decided to examine these matters carefully once more at the next Classis and then to take them up for treatment.
Article 15 – A letter was received from E.B. Groen, member of the congregation at Vriesland, proposing that elder G. Haan of that congregation be trained for the ministry. He and many members of that congregation believe they perceive special gifts and qualifications in his person. The chairman gave brother Haan, delegate of that congregation, the opportunity to speak for himself and to state his activities in this regard, which he did. He also declared that he could undertake this at his own expense. He was then requested to leave the meeting so the matter could be discussed without him. The other church council members present were consulted and gave the same testimony concerning him. After he was called back in, he was given freedom to receive instruction, at his choice, from Rev. Van der Werp or Rev. Van den Bosch. At a subsequent meeting it will be decided whether he shall devote himself exclusively to this and resign his present office [i.e., the eldership].
Article 16 – The delegates of the congregation at Grand Rapids reported on behalf of elder J. Gelok that he urgently requested to be released from his position as member of the Classical Committee and as member of the Book Censorship Committee. The meeting judged that it could not consent to this, but immediately appointed elder P. Heyboer as alternate (secundus) to brother Gelok in his position as member of the Classical Committee.
Article 17 – General matters – It was decided to nullify Article 9 in the minutes of the Classical Meeting of February 3, 1858, at Grand Rapids, because it infringes upon Article 67 of our adopted Church Order of Dort regarding feast days.
Article 18 – Concerning the introduction at the front of this minute book [regarding the origin of the Classis], which had been discussed previously, the delegates of Grand Rapids are instructed to obtain a small brochure, available from Mr. G. Haan in Grand Rapids, in which the condition of the Dutch Reformed Church is somewhat exposed, in order to draw from it as much necessary material as possible.
Article 19 – A letter was received from two censured members of the congregation at Paterson, namely W. Snyder and J. Daman, who complained about their unjustified censure. The Classical Correspondent is instructed to write to the relevant church council to obtain the necessary information.
Article 20 – The meeting was asked whether a Classical Committee could draft a proposal setting forth on clear grounds that “Insurance” is sinful and therefore punishable. Because this is much disputed in our time, even by members of the congregations, it was decided to gather as much information as possible on this subject for the next Classical Meeting.
Article 21 – The Committee for collections for ministerial training gave its quarterly report. It appeared that the sum of $345.37 was in the treasury.
Article 22 – The next Classical Meeting was set for the first Wednesday in June and will be held in [the city of] Holland. The evening before, it shall be opened with a sermon by Rev. W.H. van Leeuwen, whose turn it is, and this—moreover—shall be communicated to all the congregations fourteen days in advance by the Classical Correspondent.
The meeting was then closed with the singing of Psalm 134 verse 3 and thanksgiving by Rev. K. van den Bosch.
W.H. van Leeuwen, Minister of the Word, preses.
Source:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857–1880. Grand Rapids, 1937.