Van ‘Classis’ naar ‘Synode’ in Amerika (30)

De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.

( < Naar deel 29 – Back to Part 29 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde  Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 6 juni 1866Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

Een kaartje van het gebied rond Holland, Michigan.

Classicale Vergadering gehouden op 6 juni 1866 te [Stad] Holland.

De classicale preek is de avond te voren gehouden door ds. W.H. van Leeuwen, over 1 Cor. 3 vers 9, eerste gedeelte. De vergadering wordt geopend met het zingen van psalm 119 vers 65 en met gebed door ds. K. van den Bosch als preses, die daarvoor aan de beurt is.

Art. 1 – De vergadering gaat over tot het verkiezen van een scriba; met meerderheid van stemmen wordt daartoe gekozen br. ouderling J. Gelok.

Art. 2 – De lastbrieven worden ingeleverd en aan de vergadering voorgelezen met de vraag of er ook aanmerkingen op waren. De afgevaardigden van de gemeente te Holland hadden geen lastbrief, omdat de kerkenraad klein is. De vergadering oordeelt echter, dat zij [ook] van een lastbrief moeten zijn voorzien. Voor deze vergadering zullen de broeders toegelaten worden. Omdat er een diaken in plaats van een ouderling afgevaardigd was, is er enig bezwaar bij de Classis, maar na dit over en weer besproken te hebben, is geoordeeld hem voor deze keer zitting te verlenen.

Ds. K. van den Bosch (1818-1897), die in 1856 predikant te Noordeloos, Michigan, werd. Hij was de preses van deze Classis.

Art. 3 – Nu de vergadering geconstitueerd is, bleek dat van de gemeenten als afgevaardigden tegenwoordig zijn:

Van Holland A. Krabshuis (ouderling) en H.J. Slag (diaken)

Van Graafschap – Ds. D.J. van der Werp en H. Bouws (ouderling)

Van Noordeloos – Ds. K. van den Bosch en P. Heyboer (ouderling)

Van Zeeland – T. van den Bosch (ouderling) en J. Gelok (ouderling)

Van Grand Haven C. Noordhuis

Art. 4 – Men ging over tot het voorlezen van de notulen der vorige vergadering. Nadat in rondvraag gebracht was of er ook aanmerkingen op waren, bleek het van niet.

Art. 5 – De afgevaardigden van de gemeente te Vriesland komen in de vergadering en verklaren geen lastbrief te hebben omdat hun kerkenraad niet tijdig genoeg bericht ontvangen had van de Classicaal Correspondent over wanneer de Classis zou vergaderen; terwijl zij ook door regen en onweer verhinderd waren om in die korte tussentijd kerkenraadsvergadering te houden. De Classicaal Correspondent verklaart dat hij vroegtijdig genoeg aan ds. Van den Bosch verzocht had, het aan de kerkenraad van Vriesland bekend te maken; de afgevaardigden [uit Vriesland] op de vorige Classis waren daarmee [met de datum waarop de vergadering gehouden zou worden] bekend, zodat zij in dezen niet vrij te pleiten zijn. De broeders H. Schepers, ouderling, en J. Haitsema, diaken, worden echter voor deze keer tot de vergadering toegelaten.

Een tekening van de Christian Reformed Church in Vriesland (Michigan).

Art. 6 – De preses ziet dat gemeenteleden in de vergadering aanwezig zijn en vraagt of die leden mogen blijven met het oog op een eerder besluit. Ds. Van der Werp brengt in het midden hoeveel ellende dit op de vorige Classis had veroorzaakt door ‘praten’ over behandelde zaken door de leden. De vergadering besluit daarom dat alle leden die verzocht hebben tegenwoordig te mogen zijn, moeten beloven de verhandelde zaken voor zich te houden en niet in of buiten de gemeente te verbreiden, onder bedreiging van kerkelijke behandeling; ze beloven het.

Art. 7 – De preses breng in rondvraag of er ook aanmerkingen waren op de Classicale preek van de vorige avond. Het bleek dat slechts enkele afgevaardigden tegenwoordig geweest zijn; zij verklaren ten aanzien van de rechtzinnigheid geen aanmerkingen te hebben.

Art. 8 – Men gaat over tot vaststelling van de notulen der vorige vergadering en de behandeling ervan.

Artikel 6 wordt eerst behandeld; daaruit bleek dat daaraan is voldaan. ֍ Daarop volgt Artikel 10. Die gemeente klaagt over het niet nakomen van het besluit daarin vermeld. Ds. Van den Bosch verklaart door ongesteldheid des lichaams die reis niet te hebben kunnen doen, net als ds. Van der Werp vanwege zwakheid des lichaams en de toestand van zijn vrouw. ֍ Betreffende Artikel 11 vraagt de preses of de zaak van de familie T. van den Bosch in orde was, hetwelk met ‘ja’ beantwoord wordt. ֍ [Naar aanleiding van] Artikel 14 [wordt gevraagd] of er nader onderzoek is gedaan aangaande de wettigheid van ds. Van den Bosch als leraar te Zeeland. Dit [onderwerp] wordt verschoven [naar het moment] dat de zaken  van die gemeente behandeld worden. ֍ Artikel 15: de zaak van br. G. Haan, of deze zijn studie verder kan voortzetten. Opgemerkt wordt dat hij zijn bezittingen al heeft verkocht en zich in Graafschap gevestigd heeft, waar hij voor eigen rekening onderwijs ontvangt bij ds. Van der Werp. ֍ Artikel 18 komt in behandeling, maar omdat het middag is wordt de vergadering gesloten met het zingen van psalm 25 vers 10 en dankzegging door ds. Van Leeuwen.

Tweede Zitting.

Ds. Douwe J. van der Werp 1811-1876) opende de tweede zitting van deze Classis.

De middagzitting wordt geopend met het zingen van psalm 25 vers 4 en met gebed door ds. Van der Werp.

Art. 9 – Men komt terug op Artikel 18 betreffende [het maken van] een nauwkeurig verslag van de redenen en de oorzaken van onze afscheiding van de Dutch Reformed Church. De uit het Engels vertaalde notulen uit het jaar 1822 [toen de kerkscheuring speelde] van de Afgescheiden Kerk uit het Oosten worden voorgelezen. De Classis oordeelt, hoewel de gronden van de scheiding van die Kerk wettig genoeg waren, wij desondanks behoefte hebben aan feiten die wij zelf meegemaakt hebben. Daarom zal dit stuk in overweging worden genomen bij een volgende gelegenheid. ֍ Betreffende Artikel 19 deelt ds. Van Leeuwen een brief mee van de gemeente te Paterson aangaande die leden die zich over een vroegere Classis beklaagd hadden over kerkelijke mishandeling [waarmee bedoeld wordt: een huns inziens ondervonden onjuiste kerkelijke behandeling]. Daaruit bleek dat genoemde leden terechtgewezen zouden worden door de commissie van de Classis, om zich opnieuw met de gemeente te verenigen, omdat zij zich zelf hadden laten royeren en zich daarom van een verder beroep op de Classis hadden beroofd. ֍ Artikel 20, betreffende de brandverzekering, zal nader behandeld worden bij de ‘gemeentelijke zaken’.

Art. 10 – Gemeentelijke zaken –  De afgevaardigden van de gemeente Graafschap vragen advies over een bepaalde persoon die, gehuwd met de broer van zijn overleden vrouw, die samen een kind hebben verwekt, en vroeger leden waren van de Dutch Reformed Church. Zij werden [op grond van] ‘verboden bloedverwantschap’ afgesneden en opgenomen in de Schotse Kerk onder voorwaarde dat zij gescheiden van tafel en bed als broeder en zuster zouden leven. Nu vragen zij [deze twee leden] zich te mogen verbinden met de gemeente te Graafschap op dezelfde voorwaarden als zij bij de Schotse Kerk waren aangenomen. De broeders vragen hoe zij met zulke leden moeten handelen.

Een replica van de ‘log church’ van de Christian Reformed Church in Graafschap, opgericht in 1849. Foto: Duane Hall.

De Classis oordeelt dat deze personen geheel gescheiden van elkaar [moeten] samenwonen, voordat zij als leden van de gemeente kunnen worden opgenomen, om zo openbaar te laten zien dat zij echt gescheiden zijn. Verder brengen die broeders Afgevaardigden ter tafel hoe verder te handelen met het gecensureerde lid G. van Tubbergen, die met zijn vrouw in boosheid uitgebarsten is en hun afscheidsbriefjes al hebben ingeleverd. De vergadering oordeelt die afscheidsbriefjes niet aan te nemen, maar met de censuur langs kerkelijke weg met hen voort te gaan.

Art. 11 – De broeders Afgevaardigden van de Gemeente Grand Rapids brengen – naar aanleiding van het voorgevallene te Graafschap – in het midden dat er ook een lidmaat der gemeente bij hen is, die gehuwd is met de vrouw van de overleden broer van zijn eerste vrouw; terwijl zij bovendien in het huwelijk verbonden zijn door ds. Van den Bosch, hoewel zo’n huwelijk volgens hen [de afgevaardigden van Graafschap] behoort tot de graden van te nauwe bloedverwantschap, en ook strijdig is met de wetten des lands, terwijl die vrouw door de kerkenraad [toch] als lid van de gemeente is opgenomen. De broeders vragen nu hoe te handelen in deze zaak.

De Classis oordeelt deze leden te onderwijzen over hun verkeerdheid en te vermanen, en na langdurige arbeid (echter zonder de gewone regel van ‘afsnijding’) hen buiten de gemeenschap der Kerk te stellen.

Verder vragen de broeders advies van de Classis over het voortgaan tot de tweede trap van censuur betreffende het lid B. de Vlieger sr., staande onder de eerste trap wegens herhaalde dronkenschap. De Classis verleent daarvoor toestemming onder de voorwaarde hem nog enige tijd onder beproeving te stellen.

Tenslotte [vragen de afgevaardigden van Graafschap] hoe te handelen met een lidmaat der gemeente, die des zondags enige werkzaamheden moet verrichten in de bierbrouwerij waarvan hij zegt dat het beslist noodzakelijk is. De Classis kan daarover niet goed oordelen, evenmin als over de behandeling der bijen op de Dag des Heeren, daar de bijenhouders beweren dat ook dat onmisbaar is, en raadt dus aan om die zaken nader te onderzoeken en in overweging te nemen.

First Christian Reformed Church in Zeeland, Michigan.

Art. 12 – De broeders afgevaardigden van de Gemeente Zeeland vragen hoe te handelen aan sterfhuizen [de woningen van overledenen], of daar een [preek] tot stichting gehouden moet worden, ja of nee. Het oordeel van de vergadering is om naar bevind van zaken te handelen tot de meeste stichting. ֍ Zij brengen een brief in de vergadering, inhoudende afscheiding van ons kerkgenootschap van ouderling R. Brinks, omdat, zoals hij zegt, wij niet handelen overeenkomstig de regels van de Dordtse vaderen [c.q. overeenkomstig de Dordtse Kerkorde]. De Classis neemt zijn afscheiding aan. ֍ Verder klaagt die gemeente over de weinige preekbeurten [die ze in die gemeente van de predikanten krijgen].

Maar eerst komt men terug  op de behandeling van Artikel 14 dat voor die gemeente [van belang is]. Ds. Van der Werp verklaart hoe in zijn tijd met de zaak van ds. Van den Bosch en die Gemeente is gehandeld, en voelt zich daarover bezwaard, omdat die gemeente vanaf die tijd achteruit gaat en aan het verbrokkelen is [‘stervende is’]. Ds. Van den Bosch legt die gang van zaken van begin tot eind uit en beweert dat [de gemeente van] Noordeloos zo nu en dan ineengesmolten was met [de gemeente van] Zeeland. Na lange en brede discussie oordeelt de Classis dat men op vroegere vergaderingen naar de geschiedenis had moeten handelen en niet naar de vorm, wat duidelijker is geworden door nadere kennisneming van zaken, en dat dus de Classis ds. Van den Bosch had behoren te blijven erkennen als leraar van de gemeente Zeeland. Verder wordt die zaak aan ds. Van den Bosch en de Gemeente te Zeeland overgelaten om broederlijk in liefde met elkaar te handelen.

Art. 13 – De broeders afgevaardigden van de Gemeente Holland vragen of hun gemeente met het zuidelijk deel van de gemeente van Graafschap samen een predikant zou kunnen beroepen. De Classis oordeelt dat zij voor die zaak nog niet rijp zijn, maar als ze het daarover eens kunnen worden, zal men daarover nader oordelen.

Art. 14 – De afgevaardigden van Vriesland vragen hoe te handelen met leden die de Rustdag doorbrengen bij bijen, onder het voorwendsel dat dit strikt noodzakelijk zou zijn. Het algemeen oordeel is, dat zij ernstig vermaand zullen worden zich daarvan te onthouden.

Art. 15 – Tenslotte vraagt de broeder Afgevaardigde van de gemeente van Grand Haven hoe te handelen met een lid dat verkozen is als ouderling der gemeente met een meerderheid van één stem, en of dat wettig is. Hij brengt ook zelf andere bezwaren in, zoals [het feit] dat die stemming niet is uitgevoerd in het bijzijn van de consulent. De Classis oordeelt dat het beter is de stemming over te doen en dan in tegenwoordigheid van de consulent.

Ds. W.H. van Leeuwen (1807-1882) zal naar de gemeente in Lage Prairie gaan.

Art. 16 – Er is een brief binnengekomen van de kerkenraad van de Gemeente te Lage Prairie met de mededeling dat zij geen afgevaardigden konden sturen wegens onvermogen in het bestrijden der reiskosten. Ook verzoeken ze de Classis om een Commissie te sturen in verband met de treurige toestand van die gemeente. Ds. Van Leeuwen wordt verzocht er heen te gaan en de voorkomende zaken naar zijn beste oordeel aldaar te behandelen.

Art. 17 Algemene Zaken – Ds. Van der Werp vraagt inlichtingen over hoe te handelen met een uitnodiging van enige personen uit Pella (Iowa), die verklaren zich gedrongen te voelen om zich tot Zijn Eerwaarde te wenden, [met het verzoek] daar te komen tot behoud der Waarheid, daar zij zich niet langer kunnen verenigen met de Dutch Reformed Church aldaar. De Classis oordeelt dat ds. Van der Werp daar heen zal gaan met volmacht om naar bevind van zaken te handelen, overeenkomstig Gods Woord en onze aangenomen Kerkorde. Zijn Eerwaarde wordt ook gemachtigd – ingevolge een brief met dezelfde inhoud van enige personen te Ridott, Illinois, om daar een gemeente te stichten.

Art. 18 – De broeder afgevaardigde H. Slag van [de Stad] Holland brengt ter tafel of men ook zal meewerken aan het verspreiden van Bijbels onder de heidenen [in Nederland]. De Classis oordeelt om ieder daarin vrij te laten, maar dat een weg geopend zal worden om de gelden die daarvoor onder ons gecollecteerd worden, op te sturen naar de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk in Nederland, om het te besteden aan het uitdelen van Bijbels onder de heidenen.

Ouderling Jan Gelok (1824-1889) wilde graag weten hoe het met ‘de wedergeboorte’ zat.

Art. 19 – De br. Afgevaardigde J. Gelok van Grand Rapids vraagt, of het leerstuk der wedergeboorte gelijk gesteld moet worden met het natuurlijk geboren worden, eerst leven en vrucht, en daarna de geboorte, óf dat men stellen moet de wedergeboorte aanstonds bij de instorting van het eerste leven. De Classis oordeelt het eerste een dwaling te zijn en het laatste in overeenstemming te zijn met de gevoelens onder Godzalige Godgeleerden [bedoeld worden orthodoxe theologen uit de zeventiende en achttiende eeuw (de ‘oudvaders’), zoals ds. B. Smijtegelt (1665-1739) en anderen].

Art. 20 – De broeders afgevaardigden van Noordeloos vragen om een betere nakoming van Classicale besluiten. Zij menen daarin een leemte te vinden, omdat er vroeger besloten was om te collecteren voor het tekort van het traktement van hun leraar, ds. Van den Bosch, hetgeen niet meer wordt gedaan door Graafschap en nu ook [niet meer door] Grand Rapids. De Classis oordeelt dat het over het algemeen moeilijk is om de gemeenten hiermee te bezwaren. Verder wordt ds. Van Leeuwen opgedragen om te onderzoeken of ‘het gemeente worden’ [c.q. de instituering] van Noordeloos wel duidelijk is genotuleerd.

Art. 21 – De gemeente van Noordeloos blijft bij haar protest tegen het besluit van de Classis betreffende het overtreden van het vroegere Classicaal besluit met betrekking tot het collecteren voor het tekort van het traktement van hun leraar, [zie] het vorige Artikel.

Art. 22 – Er wordt door het Comité verslag gedaan van de ingekomen gelden voor de opleiding tot het leraarsambt; gebleken is dat op 1 juni 1866 in kas was een bedrag van $ 378.96.

Art. 23 – Ds. Van den Bosch vraagt of het een leraar opgelegd mag worden om lasten der gemeente te dragen, het welk ontkennend wordt beantwoord.

Art. 24 – Besloten is dat de eerstvolgende Classicale Vergadering gehouden zal worden op de eerste woensdag in de maand September, hetwelk – overeenkomstig een vorig besluit – een dubbele Classis zal zijn, [die gehouden zal worden] te Grand Rapids, terwijl de avond te voren de vergadering zal worden geopend met een Classicale preek door ds. Van der Werp. De vergadering wordt daarop gesloten met het zingen van psalm 134 vers 3 en dankzegging door br. Ouderling Gelok.

Bron:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, 1937

Deel 31 volgt. 

Translation into English:

From ‘Classis’ to ‘Synod’ in America (30).

The first ecclesiastical assemblies of the ‘Christian Reformed Church’.

( < Back to Part 29  ) – In our series on the ecclesiastical assemblies of the Seceders who emigrated to America, belonging since 1857 to the then established Christian Reformed Church (as further explained in part 1), we continue with the meeting of June 6, 1866. Explanatory or supplementary remarks by the editors of GereformeerdeKerken.info are placed between [ ].


Classis Meeting held on June 6, 1866 at [the city of] Holland.

The classical sermon was delivered the evening before by Rev. W.H. van Leeuwen, on 1 Corinthians 3:9, first part. The meeting is opened with the singing of Psalm 119:65 and with prayer by Rev. K. van den Bosch as chairman (preses), whose turn it was.

Art. 1 – The meeting proceeds to elect a clerk (scriba); by majority vote, brother elder J. Gelok is chosen.

Art. 2 – The credentials (letters of authorization) are submitted and read before the assembly with the question whether there were any objections. The delegates from the congregation at Holland had no credentials, because the consistory is small. However, the assembly judges that they should [also] be provided with credentials. For this meeting, the brothers will be admitted. Because a deacon had been delegated instead of an elder, there is some objection in the Classis, but after discussion back and forth, it is decided to grant him a seat for this occasion.

Art. 3 – Now that the meeting has been constituted, it appears that the following delegates from the congregations are present:

  • From Holland – A. Krabshuis (elder) and H.J. Slag (deacon)
  • From Graafschap – Rev. D.J. van der Werp and H. Bouws (elder)
  • From Noordeloos – Rev. K. van den Bosch and P. Heyboer (elder)
  • From Zeeland – T. van den Bosch (elder) and J. Gelok (elder)
  • From Grand Haven – C. Noordhuis

Art. 4 – The minutes of the previous meeting are read. After asking whether there were any objections, it appears there are none.

Art. 5 – The delegates from the congregation at Vriesland enter the meeting and declare that they have no credentials because their consistory had not received timely notice from the Classical Correspondent regarding when the Classis would meet; moreover, they were prevented by rain and thunderstorms from holding a consistory meeting in that short interval. The Classical Correspondent declares that he had requested Rev. Van den Bosch in due time to inform the consistory of Vriesland; the delegates [from Vriesland] at the previous Classis were aware of this [of the date of the meeting], so they cannot be excused in this matter. Nevertheless, the brothers H. Schepers, elder, and J. Haitsema, deacon, are admitted to the meeting for this occasion.

Art. 6 – The chairman observes that members of the congregation are present in the meeting and asks whether they may remain in view of a previous decision. Rev. Van der Werp remarks how much trouble this caused at the previous Classis through “talking” about matters discussed by those members. Therefore, the assembly decides that all members who have requested to be present must promise to keep the matters discussed confidential and not to spread them within or outside the congregation, under threat of ecclesiastical discipline; they make this promise.

Art. 7 – The chairman asks whether there were any remarks regarding the classical sermon of the previous evening. It appears that only a few delegates were present; they declare that they have no objections concerning its orthodoxy.

Art. 8 – The meeting proceeds to adopt the minutes of the previous meeting and to deal with their contents.

Article 6 is treated first; it appears that its requirements have been fulfilled.
֍ Then follows Article 10. That congregation complains about the failure to carry out the decision mentioned there. Rev. Van den Bosch declares that due to bodily illness he was unable to make the journey, as was also the case with Rev. Van der Werp due to physical weakness and the condition of his wife.
֍ Regarding Article 11, the chairman asks whether the matter of the family of T. van den Bosch was in order, which is answered in the affirmative.
֍ [With regard to] Article 14, it is asked whether further investigation has been made concerning the legitimacy of Rev. Van den Bosch as minister in Zeeland. This matter is postponed until the affairs of that congregation are treated.
֍ Article 15: the matter of brother G. Haan, whether he can continue his studies. It is noted that he has already sold his possessions and has settled in Graafschap, where he is receiving instruction at his own expense from Rev. Van der Werp.
֍ Article 18 is taken up, but as it is noon, the meeting is adjourned with the singing of Psalm 25:10 and thanksgiving by Rev. Van Leeuwen.

Second Session.

The afternoon session is opened with the singing of Psalm 25:4 and with prayer by Rev. Van der Werp.

Art. 9 – The assembly returns to Article 18 concerning [the preparation of] an accurate account of the reasons and causes of our secession from the Dutch Reformed Church. The minutes from the year 1822 [when the church division took place] of the Seceded Church from the East, translated from English, are read. The Classis judges that, although the grounds for that Church’s separation were sufficiently valid, we nevertheless have need of facts that we ourselves have experienced. Therefore, this document will be considered on a future occasion.
֍ Concerning Article 19, Rev. Van Leeuwen reports a letter from the congregation at Paterson regarding those members who had complained to a previous Classis about ecclesiastical mistreatment [that is, what they considered improper church discipline]. It appears that those members would be admonished by the Classis committee to reunite with the congregation, since they had allowed themselves to be removed and thereby deprived themselves of further appeal to the Classis.
֍ Article 20, concerning fire insurance, will be dealt with further under “congregational matters”.

Art. 10 – Congregational matters – The delegates from the congregation of Graafschap ask advice regarding a certain person who, having married the brother of his deceased wife, and together having conceived a child, had previously been members of the Dutch Reformed Church. They were cut off on account of “prohibited consanguinity” and admitted into the Scottish Church on the condition that they would live separately as brother and sister. Now they [these two members] request to be admitted to the congregation at Graafschap under the same conditions as in the Scottish Church. The brothers ask how they should deal with such members.

The Classis judges that these persons must live entirely separately from one another before they can be admitted as members of the congregation, in order to demonstrate publicly that they are truly separated. Furthermore, the delegates present how to proceed with the censured member G. van Tubbergen, who, together with his wife, has erupted in anger and has already submitted their letters of withdrawal. The assembly judges not to accept these letters of withdrawal, but to continue with them under ecclesiastical censure in the proper churchly manner.

Art. 11 – The delegates from the congregation of Grand Rapids report—following what occurred at Graafschap—that there is also a member in their congregation who is married to the wife of the deceased brother of his first wife; moreover, they were married by Rev. Van den Bosch, although such a marriage, according to them [the delegates of Graafschap], belongs to the degrees of too close consanguinity and is also contrary to the laws of the land, while that woman has nevertheless been admitted as a member of the congregation by the consistory. The brothers now ask how to proceed in this matter.

The Classis judges that these members should be instructed concerning their error and admonished, and after prolonged effort (however without applying the usual rule of “excommunication”), they should be placed outside the communion of the Church.

Furthermore, the brothers ask advice from the Classis about proceeding to the second stage of censure concerning the member B. de Vlieger Sr., who is under the first stage due to repeated drunkenness. The Classis grants permission for this, on the condition that he be kept under probation for some more time.

Finally, [the delegates of Graafschap] ask how to deal with a member of the congregation who must perform certain work on Sundays in the brewery, which he claims is absolutely necessary. The Classis cannot judge this well, nor the matter of tending bees on the Lord’s Day, as beekeepers also claim this to be indispensable, and therefore advises further investigation and consideration of these matters.

Art. 12 – The brethren delegates of the Congregation of Zeeland ask how to act in houses of the deceased [homes where someone has died], whether an edifying address [sermon] should be given there or not. The judgment of the assembly is that one should act according to the circumstances for the greatest edification.

They submit a letter to the assembly, containing the secession from our church denomination by Elder R. Brinks, because, as he says, we do not act in accordance with the rules of the Dordrecht fathers [i.e., in accordance with the Church Order of Dort]. The Classis accepts his secession.

Furthermore, that congregation complains about the small number of preaching services [they receive from ministers].

But first, the discussion returns to Article 14, which is of importance for that congregation. Rev. Van der Werp explains how, in his time, the matter concerning Rev. Van den Bosch and that congregation was handled, and he feels troubled about it, because since that time the congregation has declined and is fragmenting [“is dying”]. Rev. Van den Bosch explains the course of events from beginning to end and asserts that [the congregation of] Noordeloos was at times merged with [the congregation of] Zeeland. After long and extensive discussion, the Classis judges that in earlier meetings one ought to have acted according to the historical situation and not according to formalities, which has become clearer through further examination of the matter, and that therefore the Classis ought to have continued to recognize Rev. Van den Bosch as minister of the Zeeland congregation. Furthermore, the matter is left to Rev. Van den Bosch and the congregation at Zeeland to deal with one another in brotherly love.

Art. 13 – The brethren delegates of the Congregation of Holland ask whether their congregation, together with the southern part of the congregation of Graafschap, may call a minister jointly. The Classis judges that they are not yet ready for this matter, but if they can come to agreement, it will be considered further

Art. 15 – Finally, the brother delegate of the congregation of Grand Haven asks how to deal with a member who has been elected as elder of the congregation by a majority of one vote, and whether that is lawful. He also raises other objections himself, such as that the vote was not conducted in the presence of the consulent. The Classis judges that it is better to redo the vote, and then in the presence of the consulent.


Art. 16 – A letter has been received from the consistory of the congregation at Lage Prairie, stating that they were unable to send delegates due to inability to cover travel expenses. They also request that the Classis send a committee in connection with the distressing condition of that congregation. Rev. Van Leeuwen is requested to go there and handle the matters arising according to his best judgment.


Art. 17 – General Matters – Rev. Van der Werp asks for guidance on how to respond to an invitation from several persons in Pella (Iowa), who declare themselves compelled to turn to him, requesting that he come there for the preservation of the Truth, as they can no longer unite with the Dutch Reformed Church there. The Classis judges that Rev. Van der Werp shall go there with authority to act according to circumstances, in agreement with God’s Word and our adopted Church Order. He is also authorized—following a letter of the same content from several persons in Ridott, Illinois—to establish a congregation there.

Art. 18 – The brother delegate H. Slag from the city of Holland brings forward whether they should cooperate in the distribution of Bibles among the heathen [in the Netherlands]. The Classis judges to leave everyone free in this matter, but that a way shall be opened to send the funds collected among us for this purpose to the Christian Seceded ”Gereformeerde’ Church in the Netherlands, to be used for distributing Bibles among the heathen.

Art. 19 – The brother delegate J. Gelok from Grand Rapids asks whether the doctrine of regeneration should be equated with natural birth—first life and fruit, and then birth—or whether regeneration must be placed immediately at the infusion of the first life. The Classis judges the former to be an error and the latter to be in agreement with the views held among godly theologians [i.e., orthodox theologians of the seventeenth and eighteenth centuries].

Art. 20 – The brethren delegates of Noordeloos request better observance of Classical decisions. They believe there is a deficiency in this, because it had previously been decided to collect funds for the shortfall in the salary of their minister, Rev. Van den Bosch, which is no longer being done by Graafschap and now also not by Grand Rapids. The Classis judges that it is generally difficult to burden the congregations with this. Furthermore, Rev. Van Leeuwen is instructed to investigate whether the “becoming a congregation” [i.e., the formal institution] of Noordeloos has been clearly recorded in the minutes.

Art. 21 – The congregation of Noordeloos maintains its protest against the decision of the Classis concerning the violation of the earlier Classical decision regarding the collection for the shortfall in their minister’s salary (see the previous article).

Art. 22 – The Committee reports on the funds received for training for the ministry; it appears that as of June 1, 1866, a total of $378.96 was in the treasury.

Art. 23 – Rev. Van den Bosch asks whether a minister may be required to bear the financial burdens of the congregation, which is answered in the negative.

Art. 24 – It is decided that the next Classical Meeting shall be held on the first Wednesday of the month of September, which—according to a previous decision—shall be a double Classis, to be held at Grand Rapids, and that on the preceding evening the meeting shall be opened with a classical sermon by Rev. Van der Werp. The meeting is then closed with the singing of Psalm 134, verse 3, and thanksgiving by Brother Elder Gelok.
Source:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church

1857–1880. Grand Rapids, 1937

Part 31 to follow soon.