De Haagse Dolerende kerkgebouwen

De ‘Bazarlaankerk’ (1886) en de ‘Westerkerk’ (1888).

Het feit dat op de hoek van de Lange Beestenmarkt en de Herderinnestraat in ‘s-Gravenhage ooit een kerk stond, is nu, in 2026,  bijna onvoorstelbaar.

De twee in dit verhaal besproken kerkgebouwen.

Ongeveer vijftien meter vanaf de straathoek stond daar tot 1979 op nummer 86 de voormalige gereformeerde Westerkerk. Het was destijds de oudste van de nog resterende kerkgebouwen van gereformeerde signatuur. Hoewel… dat is niet helemaal waar.

De Doleantie in Den Haag.

De Westerkerk ontstond uit de tweede grote afscheidingsbeweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk: de Doleantie. In december 1886 verslechterde de verhouding tussen de hervormde kerkelijke besturen en de door dr. A. Kuyper (1837-1920) en Doleantie-jurist dr. F.L. Rutgers (1836-1917) geïnspireerde kerkenraad van Amsterdam definitief. Naar aanleiding van de zogenoemde attestenkwestie schorste de classis de Amsterdamse kerkenraad.

In Den Haag was de sympathie voor de geschorsten groot. Dat bleek onder meer uit bijdragen in het tijdschrift De Boodschapper en uit steunbetuigingen van de staatslieden L.W.C. Keuchenius en P.J. Elout van Soeterwoude. Die steun was niet verrassend. De Haagse Reveilkring rond Groen van Prinsterer had jarenlang grote invloed uitgeoefend. Bovendien had het optreden van de modernistische hervormde predikant J.C. Zaalberg veel weerstand opgeroepen. Ook na diens vertrek in 1876 bleef de strijd tussen orthodoxe en vrijzinnige hervormden in Den Haag voortduren.

Ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913).

Op 30 december 1886 kwamen de orthodoxe hervormden, onder leiding van de christelijk-gereformeerde predikant ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913), bijeen in de splinternieuwe vergaderzaal aan de Bazarlaan. Daar beraadslaagden zij over hun reactie op de gebeurtenissen in Amsterdam. Hoewel dit gebouw oorspronkelijk niet als kerk was gebouwd en later bekendstond als evangelisatielokaal, geldt het feitelijk als de oudste kerk van de Doleantie.

De Bazarlaankerk.

De Bazarlaankerk met bovenwoning.

De vergaderzaal lag net buiten de toenmalige singels, bij de Hoge Wal, in een nieuw stadsuitbreidingsgebied. Op 25 mei 1886 had aannemer en eigenaar A.D. Alderwereld vergunning gekregen om op de grond van een voormalige tuin aan de Bazarlaan 21 een vergaderzaal met bovenwoningen te bouwen. Dankzij de contacten van Alderwereld met de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), zoals de nieuwe kerk zich noemde, kreeg het pas voltooide gebouw vrijwel direct een kerkelijke bestemming.

Van 1886 tot 16 december 1906, enkele dagen voordat de Noorderkerk in gebruik werd genomen, deed de Bazarlaankerk vrijwel onafgebroken dienst als tweede kerkgebouw. Alleen rond 1888 was er een korte onderbreking. Het gebouw bestond uit een eenvoudige rechthoekige zaal met een traditionele kansel tegen de achterwand en een orgel boven de ingang. Mogelijk waren de kansel en het orgel afkomstig uit de in 1896 gesloten Wagenstraatkerk.

Ds. G.H. van Kasteel (1850-1931).

Vanaf augustus 1890 kreeg de gemeente met ds. G.H. van Kasteel (1850-1931) en zijn opvolgers een vaste predikant. Daarmee was de Bazarlaankerk, ondanks haar voorlopige karakter, een volwaardige kerk geworden.

Nadat de gereformeerden het gebouw hadden verlaten, werd de zaal omstreeks 1910 verhuurd aan de Vrije Evangelische Gemeente, een kerkgenootschap dat oorspronkelijk was voortgekomen uit de Afscheiding van 1834 en zich in 1881 had verenigd in de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.

Rond 1920 verkocht de familie Alderwereld het gebouw aan de Hersteld Apostolische Zendingsgemeente in de Eenheid der Apostelen (HAZEA). Dit kerkgenootschap was onder Duitse invloed ontstaan uit een scheuring binnen de Katholiek-Apostolische Kerk (de Irvingianen) uit 1860. Toen deze gemeente ongeveer negentig jaar later (in de jaren vijftig van de twintigste eeuw) geleidelijk verdween, kwam het gebouw uiteindelijk leeg te staan. In 1978 werd het betrokken door de Centrale Directie PTT, die het liet slopen en het terrein inrichtte als kleine parkeerplaats.

Het interieur van de kerk aan de Bazarlaan.

De instituering van de Haagse Dolerende Kerk.

Hoe dan ook, tijdens de eerste bijeenkomst van de Dolerenden werd besloten de Haagse hervormde kerkenraad op te roepen de banden met de ‘synodale hiërarchie’ eveneens te verbreken. Tijdens een tweede vergadering, op 5 januari 1887 – een week vóór het Gereformeerd Kerkelijk Congres in Amsterdam dat de Doleantie landelijk zou organiseren – werd een comité van uitvoering benoemd. Veel leden daarvan zouden op 26 juni 1887 ook deel uitmaken van de eerste kerkenraad. Onder hen bevonden zich Keuchenius en C.D. van Schouwenburg, die zich eerder al had onderscheiden binnen de kiesvereniging Evangelie en Belijdenis.

De pogingen om hervormde kerkenraadsleden voor de Doleantie te winnen mislukten. Nadat de nodige stukken waren uitgewisseld en bemiddelingspogingen waren gestrand, werd de gemeente op 26 juni 1887 officieel opnieuw geïnstitueerd. Hiervan werd zowel de Koning als het Haagse gemeentebestuur officieel in kennis gesteld.

‘De Heraut’, 10 juli 1887.

Het woord ‘opnieuw’ werd bewust gebruikt. De Dolerenden beschouwden zichzelf namelijk op grond van de Dordtse Kerkorde van 1619 als de rechtmatige voortzetting van de hervormde kerk en meenden daarom de gehele Haagse hervormde gemeente, met ongeveer 62.000 leden, te vertegenwoordigen. Op 28 juli 1887 verklaarde de hervormde kerkenraad de Dolerenden schuldig aan ‘verstoring van orde en rust in de kerk’ en zette hen uit het lidmaatschap van de Hervormde Kerk.

Omdat de juridische strijd over de kerkelijke goederen nog jaren zou duren, werd de Vereniging ‘De Kerkelijke Kas’ opgericht om als rechtspersoon te kunnen optreden.

De bouw van de Westerkerk.

De Westerkerk.

In augustus en september 1887 onderzocht deze Vereniging verschillende locaties voor een nieuw kerkgebouw, onder meer aan de Brouwersgracht, Paulus Potterstraat, Van Ostadestraat en Hooftskade.

Het doorslaggevende aanbod kwam echter van C.D. van Schouwenburg. Op 19 september 1887 bood hij, onder strikte geheimhouding, de panden Lange Beestenmarkt 86 en Herderinnestraat 22 met de grote achterliggende tuin aan. Daarnaast stelde hij een gunstige hypotheekconstructie op lijfrentebasis beschikbaar ter waarde van 16.000 gulden. Van Schouwenburg bezat meerdere panden op deze straathoek, waar in de jaren tachtig veel werd herverkaveld. Dat verklaart mogelijk zijn wens om de onderhandelingen discreet te houden.

Op 5 december 1887 werd de bouwvergunning verleend, nadat de daar in de buurt staande Lutherse Kerk had verklaard geen bezwaar te hebben. Architect H. Wesstra jr., die ook het naastgelegen gebouw van de Nederlands-Indische Spoorweg-Maatschappij had ontworpen, diende op 3 maart 1888 zijn bouwtekeningen in.

De bouw kostte 24.200 gulden en duurde ongeveer zeven maanden. Aannemers A. Nater en B. de Baan voerden het werk uit. Zonder bijzondere plechtigheden werd de kerk op 18 november 1888 ingewijd. De naam Zuiderkerk had men liever gekozen, maar die was al in gebruik bij de Hervormde Kerk. Daarom kreeg het gebouw de naam Westerkerk.

De Westerkerk.

De inwijding viel samen met de bevestiging van de eerste predikant, ds. J.C. Sikkel (1855-1920). Hij groeide uit tot een markante figuur binnen zowel het Haagse kerkelijke leven als de gereformeerde sociale beweging.

De kerk stond in een weinig opvallende straat met kleine bedrijven, werkplaatsen, slijterijen en later garages. Een historisch element in de omgeving was het Hofje van Wouw. De kerk zelf had een toegangsportiek met drie deuren en drie kleine torenspitsen. Tot ergernis van de oud-gereformeerde predikant G. Maliepaard (1862-1897) beschikte het gebouw bovendien over een bliksemafleider.

Ds. J.C. Sikkel (1855-1920).

Het interieur bestond uit een rechthoekige kerkzaal met links de traditionele kansel en het doophek, terwijl zich aan de overzijde een brede galerij bevond. De kerk bood plaats aan ongeveer duizend bezoekers. In de bloeitijd bleek dat aantal vaak onvoldoende.

Aan de achterzijde bevond zich een klein balkon waarop het orgel stond, gebouwd door de Leidse orgelmaker Jan van Gelder. Vanwege de weinig aansprekende romantische klank werd het instrument in 1955 gerestaureerd. Na een tweede restauratie werd het in april 1975 verkocht aan de Hofrustkerk in Rijswijk.

Via een gang aan de linkerachterzijde bereikte men de uitbouw aan de Herderinnestraat, waar zich de consistorie, de kosterswoning en tot 1962 het kerkelijk bureau bevonden. Rechts achter de kerk lag een vierkante tuin.

De Westerkerk bood regelmatig onderdak aan classicale en synodale vergaderingen. Zij beschikte bovendien over een zogenoemde ‘hofbank’, waarop rond 1900 de in Nederland verblijvende Zuid-Afrikaanse president Paul_Kruger (1825-1904) plaatsnam.

Na de landelijke ‘Vereniging’ van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Dolerenden in 1892 werd de kerk aangeduid als Gereformeerde Kerk B. Na de plaatselijke samenvoeging in 1904 verviel deze toevoeging. Bij de organisatorische herindeling van 1925 werd de Westerkerk het centrum van wijk III (Oost).

Het interieur van de Westerkerk.

Restauratie en einde van de kerk.

Door de sterke ontvolking van de Haagse binnenstad ging de kerkenraad zich rond 1960 beraden op de toekomst van de Westerkerk. Nieuwbouw elders kreeg voorrang, maar men besloot desondanks het gebouw te behouden en grondig te moderniseren.

Tijdens de restauratie van 1963-1964, onder leiding van architect J. Pontier van Maasdijk, kerkte de gemeente tijdelijk in de Zuiderkerk, evenals later in 1973. De galerijen werden afgesloten, de oude kansel en kerkbanken verdwenen en voor het orgel werd een modern liturgisch centrum gebouwd, afgeschermd door een halfronde wand. De kerk kreeg nieuwe stoelen; het aantal zitplaatsen daalde van ongeveer duizend naar vierhonderd.

Ook de panden aan de Herderinnestraat werden volledig bij de kerk betrokken en ingericht voor modern jeugd- en kerkelijk werk. Op 25 maart 1964 werd de vernieuwde Westerkerk feestelijk opnieuw in gebruik genomen.

De toekomst bleek echter van korte duur. Op 29 maart 1973 verwoestte een grote brand vooral het jeugdcentrum. Hoewel de kerkzaal in juni alweer bruikbaar was, was de totale schade zo groot dat herstel niet langer verantwoord werd geacht.

Op 6 januari 1974 vond de afscheidsdienst plaats. De gemeente verhuisde vervolgens naar de Lutherse Kerk aan de Burgwal.

Het leegstaande gebouw werd daarna gekraakt en stond op de nominatie om gesloopt te worden. In de nacht van 13 december 1975 brak opnieuw brand uit, waardoor de krakers hals over kop moesten vertrekken.

Begin september 1979 begon uiteindelijk de sloop, nauwelijks een jaar nadat ook de Bazarlaankerk was verdwenen. De heer J. Stahlecker wist daarbij de grootste torenspits te redden voor zijn kloostertuin.

Na de sloop bleef het terrein nog drie jaar braak liggen. Vervolgens zou moderne woningbouw het straatbeeld een nieuw aanzien geven.

Bronnen onder meer:

Ch. Dumas (red.), Waar Hagenaars kerkten. Geschiedenis van de Haagse kerken gebouwd voor 1900. Den Haag, 1983

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde kerken in Nederland. Leusden, 1992

Jaarboeken  (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English: 

The Doleantie Church Buildings of The Hague.

The Bazarlaan Church (1886) and the Westerkerk (1888).

The fact that a church once stood on the corner of Lange Beestenmarkt and Herderinnestraat in The Hague is now, in 2026, almost unimaginable.

Until 1979, the former ‘gereformeerde’ Westerkerk stood at number 86, about fifteen metres from the street corner. At the time, it was the oldest remaining church building of the ‘gereformeerde’  tradition. Although… that is not entirely true.

The Doleantie in The Hague.

The Westerkerk originated from the second major secession movement within the ‘Hervormde’ Church: the Doleantie. In December 1886, relations between the governing bodies of the ‘Hervormde’ Church and the Amsterdam church council inspired by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920) and the Doleantie legal scholar Dr. F.L. Rutgers (1836–1917) finally broke down. As a result of the so-called attestenkwestie (certificate controversy), the classis suspended the Amsterdam church council.

In The Hague, sympathy for those who had been suspended was considerable. This was evident, among other things, from contributions to the magazine De Boodschapper and expressions of support from the statesmen L.W.C. Keuchenius and P.J. Elout van Soeterwoude. This support was hardly surprising. The Hague’s Réveil circle surrounding Groen van Prinsterer had exercised considerable influence for many years. Moreover, the activities of the modernist ‘Hervormde’ minister J.C. Zaalberg had provoked strong opposition. Even after his departure in 1876, the struggle between orthodox and liberal members of the ‘Hervormde’ Church in The Hague continued.

On 30 December 1886, the orthodox ‘Hervormde’ believers, under the leadership of the Christian Reformed minister Rev. F.P.L.C. van Lingen (1832–1913), gathered in the meeting hall on Bazarlaan. There they deliberated on their response to the events in Amsterdam. Although the building had not originally been constructed as a church and later became known as an evangelistic meeting hall, it can in fact be regarded as the oldest church of the Doleantie.

The Bazarlaan Church.

The meeting hall stood just outside the city’s former canals near Hoge Wal, in a newly developed urban expansion area. On 25 May 1886, the contractor and owner A.D. Alderwereld received permission to build a meeting hall with apartments above it on the site of a former garden at Bazarlaan 21. Thanks to Alderwereld’s contacts with the Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), as the new church called itself, the newly completed building was almost immediately given an ecclesiastical function.

From 1886 until 16 December 1906, just a few days before the Noorderkerk was brought into use, the Bazarlaan Church served almost continuously as the denomination’s second church building. There was only a brief interruption around 1888. The building consisted of a simple rectangular hall with a traditional pulpit against the rear wall and an organ above the entrance. The pulpit and organ may have come from the Wagenstraat Church, which closed in 1896.

From August 1890 onward, the congregation had a permanent minister in Rev. G.H. van Kasteel (1850–1931) and his successors. Despite its provisional character, the Bazarlaan Church had by then become a fully established church.

After the ‘gereformeerde’ congregation left the building, the hall was rented around 1910 to the Free Evangelical Church, a denomination that had originally emerged from the Secession of 1834 and had united in 1881 within the Union of Free Evangelical Churches.

Around 1920, the Alderwereld family sold the building to the Restored Apostolic Mission Church in the Unity of the Apostles (HAZEA). This denomination had arisen under German influence following a split within the Catholic Apostolic Church (the Irvingites) in 1860. When this congregation gradually disappeared about ninety years later, during the 1950s, the building eventually stood vacant. In 1978 it was taken over by the Central Directorate of the Dutch Postal and Telecommunications Service (PTT), which demolished it and converted the site into a small parking lot.

The Institution of the Doleantie Church in The Hague.

During the first meeting of the Doleantie supporters, it was decided to call upon the ‘Hervormde’ church council in The Hague to sever its ties with the “synodical hierarchy” as well. At a second meeting on 5 January 1887—one week before the ‘Gereformeerd’ Church Congress in Amsterdam, which would organize the Doleantie nationwide—an executive committee was appointed. Many of its members would also serve on the first church council established on 26 June 1887. Among them were Keuchenius and C.D. van Schouwenburg, who had already distinguished himself within the electoral association Evangelie en Belijdenis (“Gospel and Confession”).

Attempts to persuade members of the ‘Hervormde’ church council to join the Doleantie failed. After the necessary documents had been exchanged and mediation efforts had collapsed, the congregation was officially reconstituted on 26 June 1887. Both the King and the municipal authorities of The Hague were formally notified.

The word “reconstituted” was used deliberately. On the basis of the Church Order of Dordrecht of 1619, the Doleantie supporters regarded themselves as the legitimate continuation of the ‘Hervormde’ Church and therefore believed that they represented the entire ‘Hervormde’ congregation of The Hague, numbering approximately 62,000 members. On 28 July 1887, the ‘Hervormde’ church council declared the Doleantie supporters guilty of “disturbing the order and peace of the church” and expelled them from membership in the ‘Hervormde’ Church.

Because the legal struggle over church property would continue for several years, the Association “De Kerkelijke Kas” (“The Ecclesiastical Fund”) was established so that it could act as a legal entity.

The Construction of the Westerkerk.

In August and September 1887, this Association investigated several locations for a new church building, including sites on Brouwersgracht, Paulus Potterstraat, Van Ostadestraat, and Hooftskade.

The decisive offer, however, came from C.D. van Schouwenburg. On 19 September 1887, under conditions of strict confidentiality, he offered the properties at Lange Beestenmarkt 86 and Herderinnestraat 22 together with the large garden behind them. In addition, he made available a favourable mortgage arrangement based on a life annuity, valued at 16,000 guilders. Van Schouwenburg owned several properties on this street corner, where extensive redevelopment was taking place during the 1880s. This may explain his wish to keep the negotiations confidential.

Planning permission was granted on 5 December 1887 after the nearby Lutheran Church had declared that it had no objections. Architect H. Wesstra Jr., who had also designed the neighbouring building of the Netherlands-Indies Railway Company, submitted his drawings on 3 March 1888.

Construction cost 24,200 guilders and took approximately seven months. Contractors A. Nater and B. de Baan carried out the work. Without any special ceremonies, the church was dedicated on 18 November 1888. The preferred name had been Zuiderkerk (“South Church”), but since that name was already in use by the ‘Hervormde’ Church, the building instead became known as the Westerkerk (“West Church”).

The Westerkerk.

The dedication coincided with the installation of its first minister, Rev. J.C. Sikkel (1855–1920). He would become a prominent figure in both church life in The Hague and the ‘gereformeerde’ social movement.

The church stood in an unassuming street lined with small businesses, workshops, liquor stores, and later garages. One historic feature of the neighbourhood was the Hofje van Wouw almshouse. The church itself had an entrance porch with three doors and three small spires. To the annoyance of the Old-‘Gereformeerde’ minister G. Maliepaard (1862–1897), the building was also equipped with a lightning rod.

The interior consisted of a rectangular sanctuary with the traditional pulpit and baptismal enclosure on the left, while a broad gallery occupied the opposite side. The church could accommodate approximately one thousand worshippers. During its heyday, even that capacity often proved insufficient.

At the rear was a small balcony housing the organ, built by the Leiden organ builder Jan van Gelder. Because its Romantic tonal character was considered uninspiring, the instrument was restored in 1955. Following a second restoration, it was sold in April 1975 to the Hofrustkerk in Rijswijk.

A corridor at the left rear led to the extension along Herderinnestraat, which contained the consistory, the sexton’s residence, and, until 1962, the church office. Behind the church, on the right, lay a square garden.

The Westerkerk regularly hosted meetings of both the classis and the national synod. It also possessed a so-called “court pew,” on which the South African President Paul Kruger (1825–1904), while residing in the Netherlands around 1900, was seated.

Following the nationwide union of the Christian Reformed Church and the Doleantie churches in 1892, the congregation became known as ‘Gereformeerde’ Church B. After the local merger in 1904, this designation was dropped. During the organizational restructuring of 1925, the Westerkerk became the centre of District III (East).

Restoration and the End of the Church.

As the population of The Hague’s city centre declined sharply, the church council began around 1960 to consider the future of the Westerkerk. Although priority was given to constructing a new church elsewhere, it was nevertheless decided to retain the existing building and modernize it thoroughly.

During the restoration of 1963–1964, carried out under the direction of architect J. Pontier van Maasdijk, the congregation temporarily worshipped in the Zuiderkerk, as it would again in 1973. The galleries were closed off, the old pulpit and pews were removed, and a modern liturgical centre was constructed in front of the organ, screened by a semicircular wall. The church received new chairs, reducing the seating capacity from approximately one thousand to four hundred.

The buildings on Herderinnestraat were also fully incorporated into the church complex and adapted for modern youth work and congregational activities. On 25 March 1964, the renovated Westerkerk was ceremonially reopened.

Its future, however, proved to be short-lived. On 29 March 1973, a major fire destroyed much of the youth centre. Although the sanctuary was usable again by June, the overall damage was so extensive that full restoration was no longer considered justifiable.

The farewell service took place on 6 January 1974. The congregation subsequently moved to the Lutheran Church on Burgwal.

The vacant building was then occupied by squatters and earmarked for demolition. During the night of 13 December 1975, another fire broke out, forcing the squatters to flee in haste.

Demolition finally began in early September 1979, scarcely a year after the Bazarlaan Church had also disappeared. During the demolition, Mr. J. Stahlecker succeeded in rescuing the largest of the church’s spires for his monastery garden.

After demolition, the site remained vacant for another three years. It was eventually redeveloped with modern housing, giving the streetscape an entirely new appearance.