‘De Vrije Kerk’ (1875-1898): een kerk in beweging – 2

‘De Vereniging van 1892’.

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Een beslissende wending in de geschiedenis van De Vrije Kerk kwam met de Doleantie van 1886 onder leiding van dr. Abraham Kuyper (1837-1920). Vanaf dat moment werd de vraag steeds dringender of de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Dolerende Kerken zich met elkaar moesten verenigen.

‘De Vrije Kerk’, jaargang 1891.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk liepen de meningen hierover sterk uiteen – zoals we regelmatig gemeld hebben – en het tijdschrift werd een van de belangrijkste spreekbuizen van hen die de ‘Vereniging’ bepleitten.

Ds. Beuker werkte zijn standpunt uitvoerig uit. Volgens hem bezaten beide kerkformaties dezelfde gereformeerde belijdenis en mocht het historische verschil in de ontstaansgeschiedenis geen blijvende scheiding rechtvaardigen. Kerkelijke verdeeldheid vond hij uiteindelijk onschriftuurlijk. Zijn tegenstanders vonden echter dat de Dolerenden onvoldoende afstand hadden genomen van hun hervormde verleden en dat een ‘Vereniging’ van beide kerken daarom voorbarig was. Deze discussie beheerste een groot deel van de jaargangen tussen 1887 en 1892 en maakte het tijdschrift tot een vrijwel doorlopende en heel interessante kroniek van het ‘verenigingstraject’.

De jaren 1888 tot 1892 vormen zonder twijfel het hoogtepunt van het blad. Vrijwel ieder nummer bevat verslagen van classicale en synodale vergaderingen, reacties op brochures, analyses van kerkpolitieke ontwikkelingen en beschouwingen over de voortgang van de ‘Vereniging’. Uit Beukers correspondentie blijkt bovendien hoe intensief hij zich persoonlijk voor dit proces inzette. Volgens zijn biograaf hield hij via De Vrije Kerk “de menigte uitgebreid op de hoogte” en bleef hij voortdurend uitleggen waarom kerkelijke vereniging noodzakelijk was.

Toen in 1892 De Gereformeerde Kerken in Nederland werden gevormd, had De Vrije Kerk zijn oorspronkelijke taak grotendeels volbracht. “Met de ‘Vereniging van 1892’ verloor De Vrije Kerk zijn oorspronkelijke functie als orgaan van de Christelijke Gereformeerde richting. Het tijdschrift bleef echter nog enkele jaren verschijnen. De ondertitel werd aangepast aan de nieuwe kerkelijke situatie en de inhoud kreeg een breder gereformeerd karakter. Uiteindelijk verscheen de laatste aflevering in december 1898, waarmee een vierentwintig jaargangen omspannende geschiedenis werd afgesloten.”

Ds. Beuker naar Amerika.

Ds. Beuker was de oprichter van ‘De Grensbode’.

Voor ds. Beuker zelf begon vervolgens een nieuw hoofdstuk. In 1893 emigreerde hij namelijk naar Noord-Amerika, waar hij hoogleraar werd aan het Calvin Theological Seminary behorende tot de Christian Reformed Church. Ook daar bleef hij actief als schrijver. Hij was in 1897 mede-oprichter van De Gereformeerde Amerikaan, dat in 1916 definitief werd opgeheven. Ook was ds. Beuker als gereformeerd predikant in het Duitse Emlichheim tien jaar eerder, in 1883, oprichter van het nog steeds bestaande blad De Grensbode, bestemd voor de Evangelisch-Altreformierte Kirche in Duitsland. Daarmee zette hij zijn journalistieke en kerkelijke arbeid voort in een internationale context.

Dr. Kuyper zwaaide Ds. Beuker uit in een artikel in ‘De Heraut’, van 16 april 1893.

Van Beuker naar Bos.

De overgang van ds. Beuker naar ds. T. Bos (1846-1916) als redacteur van De Vrije Kerk betekende niet alleen een personele wisseling, maar markeerde ook een duidelijke verschuiving in de inhoud en toon van het blad. Deze verandering hing nauw samen met de gewijzigde kerkelijke situatie. Onder ds. Beuker stond de kerkelijke eenheid centraal. In de jaren voorafgaand aan de Vereniging van 1892 was De Vrije Kerk vrijwel een kroniek van de pogingen om de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Dolerende Kerken samen te brengen. Beuker schreef uitvoerig over kerkrecht, synoden en de noodzaak van kerkelijke ‘Vereniging’. Hoewel hij stevige discussies niet uit de weg ging, kenmerkte zijn optreden zich door een vredelievende, irenische, grondhouding: hij zocht naar verbinding en probeerde tegenstellingen te overbruggen op basis van de gereformeerde belijdenis.

Ds. T. Bos (1846-1916).

Toen ds. Bos in 1895 de redactie overnam (gesteund door ds. H. Dijkstra (1851-1922) en ds. J. Hessels (1836-1907), was de ‘Vereniging’ inmiddels al enkele jaren een feit. Daarmee verdween de vraag óf de kerken zich moesten verenigen naar de achtergrond en kwam een nieuwe vraag centraal te staan: hoe moesten de jonge Gereformeerde Kerken zich verder ontwikkelen? De aandacht verschoof daardoor van de kerkvereniging naar de inrichting, koers en identiteit van het nieuwe kerkverband.

Ds. H. Dijkstra (1851-1921) was enige tijd mederedacteur van ‘De Vrije Kerk’.

Veranderingen.

Die inhoudelijke verschuiving ging gepaard met een andere stijl van redactie voeren. Bos stond bekend als een veel scherpere polemist dan zijn voorganger. Vanaf het midden van de jaren negentig voerde hij in De Vrije Kerk een intensieve en soms felle discussie met dr. Abraham Kuyper. Daarbij stonden onder meer de positie van de Vrije Universiteit, de opleiding van predikanten en verschillende leerstellige kwesties ter discussie. Zijn bijdragen riepen veel reacties op. Sommigen waardeerden zijn principiële opstelling, terwijl anderen meenden dat de openbare polemiek de kerkelijke eenheid eerder schaadde dan bevorderde.

Een belangrijk thema waarop Bos zich onderscheidde, was zijn krachtige verdediging van de Theologische School te Kampen. Hoewel ook Beuker aandacht besteedde aan de opleiding van predikanten, vormde dit onder zijn redactie geen centraal onderwerp. Voor Bos werd de opleiding echter een kernpunt van zijn kerkelijke strijd. Hij groeide uit tot een van de bekendste pleitbezorgers van de zelfstandige kerkelijke opleiding in Kampen tegenover de toenemende invloed van Kuypers Vrije Universiteit. Jarenlang zette hij zich in voor het behoud van wat hij aanduidde als de ‘eigen opleiding der kerken’, en als ‘het werk Gods’, een standpunt dat hij later als hoofdredacteur van De Wachter met dezelfde vasthoudendheid bleef verdedigen.

Ds. J. Hessels (1836-1907) was enige tijd mederedacteur van ‘De Vrije Kerk’.

Ook de geografische oriëntatie van het blad veranderde. Onder Beuker kende De Vrije Kerk een opvallend internationale blik. Regelmatig verschenen berichten over gereformeerde kerken in Duitsland, Schotland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika. Die internationale belangstelling vloeide voort uit Beukers uitgebreide buitenlandse contacten en zijn brede interesse voor de ontwikkeling van het gereformeerde protestantisme wereldwijd. Onder Bos verschoof het zwaartepunt daarentegen naar de interne ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. De aandacht ging vooral uit naar kerkelijke vraagstukken, de ontwikkeling van de gereformeerde leer en de opleiding van predikanten.

Kortom…

Terugkijkend kan het verschil tussen beide redacteuren kernachtig worden samengevat. Beuker was vooral de bouwer: hij gebruikte De Vrije Kerk om kerkelijke eenheid te bevorderen, historische bezinning te stimuleren en het gereformeerde kerkrecht toe te lichten. Bos trad meer op als bewaker. Hij zag het als zijn taak de gereformeerde beginselen binnen het nieuwe kerkverband met hand en tand te verdedigen en waarschuwde tegen ontwikkelingen die volgens hem afbreuk deden aan het gereformeerde karakter van de kerken.

Ds. F.M. ten Hoor (1835-1934) werkte mee als redactioneel medewerker van ‘De Vrije Kerk’ .

Dat betekent niet dat Bos minder kerkelijk of minder gericht op eenheid was dan Beuker. Beide redacteuren stonden voor andere historische opgaven. Waar Beuker zich vooral inzette voor het tot stand brengen van de kerkelijke vereniging, richtte Bos zich op het bewaren van de identiteit van de nieuw gevormde Gereformeerde Kerken. Juist die veranderde context verklaart waarom De Vrije Kerk onder zijn leiding een duidelijk strijdbaarder karakter kreeg.

Anders geformuleerd: onder Beuker is het blad vooral een venster op de weg naar de ‘Vereniging van 1892’. Lees je de jaargangen uit de jaren 1887–1892 achter elkaar, dan zie je bijna maand voor maand hoe de argumenten zich ontwikkelen, hoe synodebesluiten worden gewogen en hoe de stemming in de kerk verandert. Dat maakt het tijdschrift uitzonderlijk waardevol als historische bron.

Onder Bos verandert het blad geleidelijk in een forum voor de interne discussies binnen de Gereformeerde Kerken. Daarmee krijgt het een andere functie: niet langer het bijeenbrengen van twee kerkformaties, maar het doordenken en soms ook bestrijden van de koers van de nieuw gevormde kerken.

Tenslotte.

Tegenwoordig beschouwen historici De Vrije Kerk als een van de belangrijke bronnen voor de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de periode 1875–1892. Het tijdschrift biedt niet alleen een uitvoerige documentatie van de totstandkoming van de ‘Vereniging van 1892’, maar geeft tevens een unieke inkijk in het denken van de gematigd-verenigingsgezinde richting binnen de kerk. Daarnaast bevat het een schat aan kerkrechtelijke beschouwingen, historische studies over de Afscheiding en berichten over gereformeerde kerken in het buitenland. Voor onderzoekers vormt het daarom een noodzakelijke aanvulling op De Bazuin, De Heraut en de officiële synodeverslagen.

Ds. A. Littooij (1834-1909) werkte mee aan de inhoudelijke invulling van ‘De Vrije Kerk’.

Het blad De Vrije Kerk verscheen voor het laatst in de maand december van 1898. Als mogelijke oorzaken van de opheffing van het blad kunnen gelden dat de markt verzadigd raakte: er waren meer gereformeerde kerkbladen: De Bazuin, De Heraut, Het Kerkblad, De Wachter, enz. Bovendien maakte het oorspronkelijke doel van het blad, het bevorderen van het samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (dolerende) de verschijning van het blad na de ‘Vereniging van 1892’ minder urgent. Ook wordt wel gehoord dat na het vertrek van ds. Beuker met zijn levendige schrijfstijl de interesse in het blad minder werd. Dat laatste zal naar onze bescheiden mening een belangrijke rol gespeeld hebben…

Bronnen onder meer:

G.J. Beuker, Abgeschiedenes Streben nach Einheit. Leben und Wirken Henricus Beukers, 1834-1900. Kampen, 1996

Handelingen van de synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerk. 2 dln. Kampen, 1988

De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.

J.C. Schaeffer, De plaats van Abraham Kuyper in ‘De Vrije Kerk’. Amsterdam, 1997

De Vrije Kerk (met verschillende ondertitels), Amsterdam/Leiden, jaargangen 1875–1898

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

‘De Vrije Kerk’ (1875-1898): A Church In Motion – 2.

( < Back to Part 1 ) – A decisive turning point in the history of De Vrije Kerk came with the Doleantie of 1886, led by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920). From that moment onward, the question became increasingly pressing as to whether the Christian Reformed Church and the Dolerende Churches should unite with one another.

Within the Christian Reformed Church, opinions on this matter differed greatly, and the journal became one of the most important mouthpieces for those who advocated the “Union.”

Beuker worked out his position at length. According to him, both church formations held the same ‘gereformeerde’ confession, and the historical difference in their origins could not justify a lasting separation. In his view, ecclesiastical division was ultimately contrary to Scripture. His opponents argued that the Doleerende churches had not sufficiently distanced themselves from their ‘Hervormde’ Church past and that a “Union” was therefore premature. This discussion dominated a large part of the volumes published between 1887 and 1892 and turned the journal into an almost continuous chronicle of the process leading toward union.

The years 1888 to 1892 were undoubtedly the high point of the journal. Almost every issue contained reports of classis and synodical meetings, responses to pamphlets, analyses of ecclesiastical and political developments, and reflections on the progress of the union. Beuker’s correspondence also reveals how intensely he personally committed himself to this process. According to his biographer, through De Vrije Kerk he “kept the multitude extensively informed” and continually argued why ecclesiastical union was necessary.

When De Gereformeerde Kerken in Nederland (the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands) were formed in 1892, De Vrije Kerk had largely fulfilled its original purpose. “With the Union of 1892, De Vrije Kerk lost its original function as an organ of the Christian Reformed movement. The journal nevertheless continued to appear for several more years. The subtitle was adapted to the new ecclesiastical situation, and the content acquired a broader ‘gereformeerd’ character. Eventually, the final issue appeared in December 1898, bringing to a close a history spanning twenty-four volumes.”

To America.

For Rev. Beuker, a new chapter then began. In 1893 he left for North America, where he became a professor at Calvin Theological Seminary, belonging to the Christian Reformed Church. There, too, he remained active as a writer and publisher. In 1897 he was a co-founder of De Gereformeerde Amerikaan, which was permanently discontinued in 1916.

Rev. Beuker had also founded De Grensbode ten years earlier, in 1883, while serving as a ‘gereformeerde’ minister in Emlichheim, Germany. The journal was intended for the Evangelical Old ‘Gereformeerde’ Church (Evangelisch-Altreformierte Kirche) in Germany. In this way, he continued his journalistic and ecclesiastical work in an international context.

From Beuker to Bos.

The transition from Rev. Beuker to Rev. T. Bos (1846–1916) as editor of De Vrije Kerk meant more than simply a change of personnel; it also marked a clear shift in the content and tone of the journal. This change was closely connected with the altered ecclesiastical situation.

Under Rev. Beuker, ecclesiastical unity was central. In the years leading up to the Union of 1892, De Vrije Kerk was almost a chronicle of the efforts to bring the Christian Reformed Church and the Dolerende Churches together. Beuker wrote extensively about church polity, synods, and the necessity of ecclesiastical union. Although he did not shy away from vigorous debates, his approach was characterized by an irenic attitude: he sought connection and attempted to bridge differences on the basis of the ‘gereformeerde’ confession.

When Rev. Bos took over the editorship in 1895, supported by Rev. H. Dijkstra (1851–1922) and Rev. J. Hessels (1836–1907), the Union had already been a fact for several years. The question of whether the churches should unite therefore receded into the background, and a new question came to the forefront: how should the young ‘Gereformeerde’ Churches develop further? Attention consequently shifted from church union to the organization, direction, and identity of the new church federation.

Changes.

This shift in content was accompanied by a different editorial style. Bos was known as a much sharper polemicist than his predecessor. From the mid-1890s onward, he engaged in an intensive and sometimes fierce debate with Abraham Kuyper in De Vrije Kerk. Among the issues under discussion were the position of the Free University, the training of ministers, and various doctrinal matters. His contributions elicited many responses. Some appreciated his principled stance, while others believed that the public polemics harmed rather than promoted ecclesiastical unity.

An important issue on which Bos distinguished himself was his vigorous defense of the Theological School at Kampen. Although Beuker also devoted attention to the training of ministers, this had not been a central theme under his editorship. For Bos, however, ministerial education became a central point of his ecclesiastical struggle. He became one of the best-known advocates of independent ecclesiastical theological education in Kampen, in opposition to the increasing influence of Kuyper’s Free University. For years he worked to preserve what he called the “churches’ own theological training,” a position that he later continued to defend with the same persistence as editor-in-chief of De Wachter.

The geographical orientation of the journal also changed. Under Beuker, De Vrije Kerk had a notably international outlook. Reports regularly appeared about ‘Gereformeerde’ churches in Germany, Scotland, North America, and South Africa. This international interest stemmed from Beuker’s extensive foreign contacts and his broad interest in the development of ‘gereformeerd’ Protestantism around the world.

Under Bos, by contrast, the emphasis shifted toward internal developments within the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. Attention focused primarily on ecclesiastical questions, the development of ‘gereformeerde’ doctrine, and the training of ministers.

In short…

Looking back, the difference between the two editors can be characterized succinctly. Beuker was above all a builder: he used De Vrije Kerk to promote ecclesiastical unity, encourage historical reflection, and explain ‘gereformeerde’ church polity. Bos acted more as a guardian. He regarded it as his task to defend the ‘gereformeerde’ principles within the new church federation tooth and nail and warned against developments that, in his view, undermined the ‘gereformeerde’ character of the churches.

This does not mean that Bos was less ecclesiastically minded or less committed to unity than Beuker. Both editors faced different historical challenges. Whereas Beuker was primarily committed to bringing about ecclesiastical union, Bos focused on preserving the identity of the newly formed ‘Gereformeerde’ Churches. It was precisely this changed context that explains why De Vrije Kerk acquired a distinctly more combative character under his leadership.

Put differently: under Beuker, the journal was primarily a window onto the road toward the “Union of 1892.” If you read the volumes from 1887–1892 one after another, you can see almost month by month how the arguments developed, how synodical decisions were weighed, and how the mood within the church changed. This makes the journal exceptionally valuable as a historical source.

Under Bos, the journal gradually became a forum for the internal discussions within the ‘Gereformeerde’ Churches. It therefore acquired a different function: no longer bringing two church formations together, but thinking through—and sometimes also challenging—the course taken by the newly formed churches.

Finally.

Today, historians regard De Vrije Kerk as one of the important sources for the history of the Christian Reformed Church during the period 1875–1892. The journal not only provides extensive documentation of the establishment of the “Union of 1892,” but also offers a unique insight into the thinking of the moderate pro-union faction within the church. In addition, it contains a wealth of reflections on church polity, historical studies of the Secession (Afscheiding), and reports on ‘Gereformeerde’ Churches abroad. For researchers, it therefore constitutes a necessary supplement to De Bazuin, De Heraut, and the official synodical reports.

The journal De Vrije Kerk appeared for the last time in December 1898. Possible reasons for the discontinuation of the journal include the fact that the market had become saturated: there were more ‘gereformeerde’ church journals, such as De Bazuin, De Heraut, Het Kerkblad, De Wachter, and others. Moreover, the journal’s original purpose—the promotion of cooperation between the Christian Reformed Church and the Netherduitse ‘Gereformeerde’ Churches—made its continued publication less urgent after the “Union of 1892.” It is also sometimes said that after Rev. Beuker’s departure, the interest in the journal declined because of the loss of his lively writing style.