Hoe ‘Rehoboth’ in Bellingwolde kwam (2)

Het provinciale evangelisatiewerk in Bellingwolde en omgeving.

Ds. E. de Jong (van 1927-1931).

( < Naar deel 1 ) – Na het vertrek van de ijverige colporteur Brasz, die de beide kerken van 1908 tot 1925 gediend had, werd in de kerken te Bellingwolde en Nieuw-Beerta de behoefte gevoeld opnieuw een predikant te beroepen.

Ds. E. de Jong (1900-1983).

Het verzoek werd bij de classis neergelegd, die fl. 800 per jaar toezegde als een predikant benoemd zou worden. Ook de particuliere synode werd gevraagd fl. 300 bij te dragen uit de kas van de provinciale ‘Deputaten voor de Evangelisatie’. Dezen vonden echter dat die steun behoorde te worden verleend uit de kas van de ‘Deputaten voor Hulpbehoevende Kerken’. Maar toen werd meegedeeld dat het de bedoeling was dat de te benoemen predikant ook het evangelisatiewerk ter hand zou nemen, gingen de Deputaten voor Evangelisatie ermee akkoord. Daarmee waren de financiën in elk geval geregeld! Nu nog een dominee.

In combinatie met Nieuwe Schans (1927 tot 1956).

Ds. E. de Jong (1900-1983).

In de zomer van 1927 nam kandidaat E. de Jong (1900-1983) uit Rotterdam het beroep aan. Hij zou, net als destijds ds. Buwalda, als predikant van Bellingwolde in combinatie met Nieuw-Beerta worden aangesteld, ‘wiens arbeid [behalve uit het gewone predikantswerk] voor een groot deel zal bestaan in evangelisatiewerk’ (de kerk van Nieuw-Beerta kreeg dat jaar trouwens een andere naam: in het vervolg werd gesproken over de ‘Gereformeerde Kerk te Nieuwe Schans’).

De predikant deed op 25 september 1927 intrede en verrichtte zijn werk ‘met opgewektheid’. Zijn zo nu en dan bij de particuliere synode binnenkomende rapporten maakten er melding van dat ‘te Bellingwolde en Nieuwe Schans het zaad des Evangelies geregeld wordt uitgestrooid, in Nieuwe Schans zelfs ‘met veel vrucht’. Het werk, onder meer bestaande uit huisbezoek, zondagsschool, lectuurverspreiding en bijeenkomsten, ‘bleef niet ongezegend’.

Vandaar dat de provinciale Deputaten voor Evangelisatie in 1931 hun spijt betuigden “dat ds. De Jong deze beide kleine en zwakke kerken ging verlaten. Hij heeft zondag jl. [31 mei 1931] afscheid genomen en gaat naar Pematang Siantar aan de oostkust van Sumatra. Met groote waardering moet van den door dezen zoo ijverigen dienaar gedurende vier jaren te Bellingwolde en Nieuwe Schans verrichten arbeid gesproken worden”.

Ds. D.K. Wielenga J.D.zn. (van 1932 tot 1938).

Op 7 februari 1932, ruim acht maanden na het vertrek van ds. De Jong, werd de nieuwe predikant aan beide kerken verbonden. Het was kandidaat D.K. Wielenga J.D.zn. (1905-1983) uit Franeker. Over zijn werkzaamheden in Bellingwolde en omgeving weten we gelukkig meer dan die van zijn voorganger, omdat de particuliere synode hem verzocht jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden op te sturen. De predikant deed dat getrouw.

Zondagsschool, lectuurverspreiding en huisbezoek.

Ds. D.K. Wielenga J.D.zn. (1905-1983).

In het gehucht De Lethe, tussen het B.L. Tijdenskanaal en de grens met Duitsland, ten oosten van Bellingwolde, werd zondagsschool gehouden. We lezen niets over het bestaan van een evangelisatielokaal in dat dorp, zodat de zondagsschool gehouden zal zijn in een particuliere woning, wat in die tijd veel meer gebeurde. Het zondagsschoolwerk in De Lethe werd gedaan door een onderwijzer van de christelijke school te Bellingwolde, en deze kon zich verheugen in het feit dat het aantal niet-gereformeerde kinderen op zijn zondagsschool ongeveer twintig bedroeg. Ook de zondagsschool in Bellingwolde liep goed: ‘Het aantal leerlingen neemt toe en het kerstfeest is op een goede wijze gevierd’; er waren zelfs ouders bij!

De predikant begon al snel met het houden van bijbellezingen in De Lethe. Hij las dan een bijbelgedeelte voor en hield een korte toespraak waarin het gelezene werd uitgelegd. Ook werd daar een evangelisatiemeisjesvereniging opgericht.

Deze foto symboliseert dat kerk en school in Bellingwolde bij elkaar hoorden. Een onderwijzer van de christelijke  school hield jaren lang de gereformeerde zondagsschool in De Lethe overeind.

Verder werd lectuur verspreid. Met Pasen werden in Bellingwolde zo’n duizend gedrukte ‘Paasboodschappen’ verspreid en met Kerst vijfhonderd ’Kerstboodschappen’, waarin de betekenis van die christelijke feestdagen werd uitgelegd. Ook werden evangelisatiebladen verspreid, vooral de Elisabethbode. Enige tijd daarna werd bij die gezinnen huisbezoek gedaan. Dat was om te onderzoeken of de lectuur gelezen werd, wat men ervan vond en vooral ook om met de mensen een gesprek aan te knopen over het geloof. Dit had tot gevolg “dat sommige menschen buiten de gemeente de godsdienstoefeningen in ‘Rehoboth’ bijwonen en de meeste kinderen uit die gezinnen de christelijke school en de catechisatie bezoeken. (…) Maar de tegenwerking van hervormde zijde is groot!” zo werd er aan toegevoegd.

Rehoboth en de voormalige gereformeerde pastorie (foto: Google).

‘Moet het werk eigenlijk wel doorgaan…?’

In 1936 vroegen de provinciale Deputaten voor Evangelisatie zich echter af of in Bellingwolde eigenlijk wel genoeg aan het eigenlijke evangelisatiewerk voor buitenkerkelijken werd gedaan. Het werk van de predikant zou daaruit immers ‘voor een groot deel’ moeten bestaan? Onder die voorwaarde werd uit de provinciale Evangelisatiekas fl. 300 per jaar verstrekt! Werd  het werk van de predikant niet veel teveel onder de eigen leden gedaan? Maar dan kon je dat toch geen evangelisatiewerk meer noemen?!

Als reactie op dat standpunt wilde ds. Wielenga ‘wel eens met de deputaten spreken over de grote moeilijkheden die men in Bellingwolde en Nieuwe Schans ondervindt’. Dat gesprek vond in september dat jaar plaats. Hij attendeerde de deputaten erop dat beide kerken op betrekkelijk grote afstand van elkaar lagen en dat vooral Bellingwolde veel zeer verspreid wonende leden had (de predikant was daaraan veel reistijd kwijt!), terwijl er grote behoefte was aan intense bearbeiding, juist ook van de eigen gemeenteleden.

Hij zei: “Het betrekkelijk lage peil waarop het geestelijk leven en het kerkelijk besef van veel gemeenteleden staat en de slapheid van de jeugd, zijn er de oorzaak van dat aan evangelisatiewerk in de eigenlijke zin van het woord door de predikant zeer weinig gedaan kan worden”. Hij diende zijn krachten vooral te wijden aan de eigen gemeenteleden. Deed hij dat niet, dan zouden die gemeenteleden zélf evangelisatieobjecten worden! Met andere woorden: eigenlijk was het gewone werk in de gemeente evangelisatiewerk! En als de particuliere synode haar steungeld introk, was de dominee verleden tijd en was het met de kerk van Bellingwolde gedaan!

Ds. N. Postema (1882-1962) van Veendam was in die tijd een van de provinciale Deputaten voor Evangelisatie.

De deputaten nemen een kijkje in Bellingwolde.

Daarom gingen de provinciale deputaten op 7 juli 1937 zelf maar eens een kijkje nemen in Bellingwolde en Nieuwe Schans. Het bezoek mondde uit in overleg met de beide kerkenraden, waarbij de deputaten herhaalden wat ze zich al eerder hadden afgevraagd: het evangelisatiewerk moest intensiever worden aangepakt, al vestigden de kerkenraden van Bellingwolde en Nieuwe Schans nogmaals de aandacht op ‘de moeilijkheden waarmee deze kleine kerken te worstelen’ hadden.

Ds. Wielenga kon zich in het standpunt van de deputaten niet schikken. Hij kreeg in november dat jaar een beroep van de kerk van Capelle aan den IJssel, nam dat aan en nam op 6 februari 1938 afscheid van Bellingwolde en Nieuwe Schans.

Ds. T. Lopers (van 1939 tot 1946).

Ds. T. Lopers (1905-1979).

De gemeente was vijftien maanden vacant geweest toen op 4 juni 1939 ds. T. Lopers (1905-1979), (hulppredikant in Winschoten) bevestigd werd als predikant van Bellingwolde en Nieuwe Schans. In die vacante periode ‘was de evangelisatie-arbeid zo goed mogelijk voortgezet’. Daarbij lag de nadruk kennelijk op het werk in het naburige gehucht De Lethe: ‘De zondagsschool daar was geregeld gehouden’ en werd nog steeds geleid door de onderwijzer van de christelijke school van Bellingwolde. Hij verrichtte dat werk ‘met ambitie en nauwgezetheid’. De inmiddels in dat buurtschap opgerichte ‘kleine meisjesvereniging’ had ‘goederen [vooral kleding] vervaardigd die met kerstfeest aan behoeftige gezinnen werden uitgereikt’.

Het gereformeerde Tractaatgenootschap ‘Filippus’ gaf ter verspreiding bij het evangelisatiewerk onder meer scheurkalenders uit (hier het ‘schild’ van de  kalender uit 1881). Op het middelste rode vlak werd dan de scheurkalender geplakt, bestaande uit 365 blaadjes met dagteksten.

Bovendien waren onder niet-kerkelijke mensen in Bellingwolde en wijde omgeving maar liefst zeshonderd christelijke scheurkalenders uitgereikt (een zeer gewild evangelisatiemiddel in die tijd). “Deze kalenders heeft men persoonlijk aangeboden, mede met de bedoeling om aan de menschen de gelegenheid te bieden er iets voor te offeren in een busje”. Inmiddels was in De Lethe ook een vrouwenvereniging opgericht “en de christelijke school [in Bellingwolde], die hier een voortreffelijk evangelisatiemiddel is, verzorgt een leesbibliotheek”.

Geen wonder dat men blij was dat ds. Lopers de gelederen kwam versterken: ‘Dit zal onder de zegen des Heeren de evangelisatiearbeid ten goede komen’. In het oorlogsjaar 1940-1941 was op 13 april openbare geloofsbelijdenis afgelegd door een man en een vrouw, ‘beiden objecten van evangelisatiearbeid’. Ook een andere broeder die, na langer dan een jaar afzonderlijk [catechetisch] onderwijs te hebben genoten, deed op 13 april belijdenis’

Oorlog…

In 1941 en 1942 werden de werkzaamheden in De Lethe echter bijna een jaar lang op een laag pitje gezet omdat de predikant wegens de oorlogsomstandigheden in dienst moest als veldprediker. Maar bij terugkomst bleek dat het werk weliswaar stagnatie had ondervonden, maar toch enigszins door vrijwilligers op gang gehouden was (zoals natuurlijk de zondagsschool). De deputaten konden in 1942 dus ondanks alles rapporteren dat “terugziende op den evangelisatiearbeid in het verleden jaar verricht, wij met dankbaarheid constateeren dat deze in stijgende lijn is voortgezet”.

Ds. T. Lopers (1905-1979).

Toch speelden de oorlogsomstandigheden in Bellingwolde de volgende jaren het evangelisatiewerk parten. “Huisbezoek werd bemoeilijkt door spertijd en doordat vele mannelijke personen ondergedoken waren. Sommige zieke evangelisatieobjecten werden door de predikant bezocht. In Bellingwolde werden de diensten in ‘Rehoboth’ door tien tot vijftien niet-gereformeerden bezocht. In De Lethe kon het werk zoveel mogelijk doorgang vinden. Verscheidene buitenkerkelijke belangstellenden volgden daar de catechisatie van ds. Lopers en een van hen zal binnenkort belijdenis afleggen”.

Ds. Lopers kreeg eind 1945 een beroep van de kerk van Glanerbrug en nam op 8 april 1946 afscheid van Bellingwolde en Nieuwe Schans.

Vacant (van 1946 tot 1950).

Tijdens de bijna vier jaar durende vacante periode ontving de particuliere synode nauwelijks bijzonderheden over het evangelisatiewerk uit Bellingwolde en De Lethe. Hoewel de beide kerken (Bellingwolde en Nieuwe Schans) eigenlijk geen recht hadden op de provinciale financiële steun van fl. 300 (er was immers geen dominee) kregen beide kerken dat bedrag tóch uitgekeerd ‘voor het evangelisatiewerk in eigen kring’.

Ds. J.A.I. Záborszky (van 1950 tot 1955).

Ds. J.H.I. Záborszky (1894-1972).

Maar op 1 augustus 1950 kon dan toch – na vier vergeefse beroepen op andere predikanten te hebben uitgebracht – ds. J.A.I. Záborszky (1894-1972) uit Sneek aan beide kerken verbonden worden. In De Lethe liep alles nog steeds goed. Vandaar dat de predikant daar een eigen vergaderruimte wilde laten bouwen, zodat er om de veertien dagen een samenkomst gehouden kon worden; maar helaas, er was in het gehucht geen grond beschikbaar voor ‘een tente der samenkomst’. Desondanks werden de huisbezoeken bij de dertig buitenkerkelijke gezinnen gewoon voortgezet en in de zomermaanden wilde men in De Lethe openluchtbijeenkomsten gaan houden.

Ondertussen werd het evangelisatiewerk ook in Bellingwolde stevig aangepakt. In samenwerking met enkele andere orthodoxe gezindten was in 1952 in het dorp een ‘tentcampagne’ gehouden. En ook de lectuurverspreiding werd, zij het in bescheidener vorm dan in voorgaande jaren, voortgezet door Elisabethbodes en scheurkalenders rond te brengen en huisbezoeken te doen. De traditionele Paas- en Kerstboodschappen (uitgegeven door het gereformeerde Traktaatgenootschap ‘Filippus’) werden in en in de omgeving van Bellingwolde en Nieuwe Schans nog steeds bij duizenden verspreid. De bibliotheek, die in de jaren ’50 in de christelijke school in stand gehouden werd, werd nog steeds ook door buitenkerkelijken gebruikt.

Toch werd in 1956 geconstateerd dat de evangelisatiearbeid in Bellingwolde ‘nog slechts van geringe omvang’ was. Misschien omdat ds. Záborszky inmiddels vertrokken was? Hij had namelijk op 1 december 1955 afscheid genomen omdat hij met emeritaat ging. Er zou een nieuwe predikant moeten worden benoemd!

Ds. Záborszky (1894-1972) voor ‘Rehoboth’ in Bellingwolde.

Geen combinatie met Nieuwe Schans meer (vanaf 1956).

Ds. T. Holwerda (van 1956 tot 1966).

Op 27 mei 1956 deed ds. T. Holwerda (1898-1985) van Oldehove intrede in Bellingwolde. Vanaf dat jaar werd de combinatie met de kerk van Nieuwe Schans verbroken (Nieuwe Schans bleef vacant tot 25 februari 1982, toen die kerk een federatief samenwerkingsverband aanging met de hervormde gemeente van Beerta).

Na de zomer van 1957 werd in Bellingwolde ‘een begin gemaakt’ met een zondagsschool, met ongeveer tien buitenkerkelijke kinderen. Ze kwamen bij elkaar achter de kerk. Aanvankelijk liep het enkele jaren naar wens, maar in het seizoen 1962-1963 werd deze opgeheven omdat er ‘te weinig buitenkerkelijke kinderen’ op zaten. De moeilijkheid was dat in Bellingwolde al verscheidene vrijzinnig-hervormde zondagsscholen bestonden. Vandaar dat het zondagsschoolwerk, in plaats van ‘achter de kerk in Bellingwolde’, geconcentreerd werd in De Lethe, waar ruim twintig kinderen kwamen, ‘op twee na allemaal buitenkerkelijk’. Het seizoen 1965-1966 was daar ‘een goed jaar’.

De catechisatie in de kerk in Bellingwolde (waar je na de zondagsschoolleeftijd heen kon) werd door ‘enkele buitenkerkelijke kinderen’ bezocht. Wat de lectuurverspreiding betreft werden jaarlijks tientallen Elisabethbodes en nog méér scheurkalenders uitgedeeld, en af en toe een bijbel of een kinderbijbel. In 1961 werd gerapporteerd dat de verspreiding van EB’s en kalenders ‘zeer toenam’; zo werden in 1963-1964 tweehonderdvijftig Elisabethbodes verspreid. Het daaraan gekoppelde huisbezoek werd gewoon voortgezet; in het seizoen 1957-1958 werden 92 huisbezoeken afgelegd, maar in 1960-1961 ruim tweehonderd, waaronder ook bezoeken aan buitenkerkelijke zieken en bejaarden, en ‘vele andere contacten met buitenkerkelijken’.

Een enigszins beschadigde foto van ds. T. Holwerda (1898-1985).

In het seizoen 1956-1957 werden samen met de Baptisten en de Hervormde Evangelisatie drie interkerkelijke samenkomsten georganiseerd met ruim dertig buitenkerkelijken; verder werd drie keer straatprediking gehouden. In latere jaren horen we daarover niets meer. Wel lazen we dat “de samenkomsten in De Lethe wegens gebrek aan belangstelling in het seizoen 1964-1965 stopgezet” werden.

De evangelisatieclubs en -verenigingen werden ‘door enkele buitenkerkelijken’ bezocht. We lazen dat in Bellingwolde in het seizoen 1959-1960 een begin gemaakt werd met een ‘jeugdvereniging met buitenkerkelijke meisjes en jongens tussen twaalf en zestien jaar’. In het jaar daarop werd ook gewerkt aan de oprichting van een tweede meisjesclub (het vinden van een leidster gaf echter problemen). Voor een tweede jongensclub was ‘geen vergaderruimte’ beschikbaar. Het aantal buitenkerkelijke ‘leerlingen’ van de clubs bedroeg in het seizoen 1962-1963 ongeveer dertig. Helaas moest in 1965 gemeld worden dat de evangelisatie-jongensclub in De Lethe wegens gebrek aan leiding was stopgezet, zodat men spoorslags op zoek moest naar een geschikt persoon om de club voort te zetten, maar ook het jaar daarop draaide de club nog niet.

Hoewel in het seizoen 1956-1957 ‘enkele onkerkelijken’ de vrouwen- en mannenvereniging bezochten, horen we daar verder niet veel meer over, behalve dat in De Lethe in elk geval in het seizoen 1965-1966 nog een evangelisatievrouwenclub bestond.

Ds. Holwerda ging per 1 januari 1966 met emeritaat, nam eind december afscheid van Bellingwolde en vertrok naar Vaassen.

Weer vacant (van 1966 tot 1973).

Na het vertrek van ds. Holwerda was ‘de kleine zwakke Gereformeerde Kerk van Bellingwolde’ enige jaren vacant. Men probeerde – net als voor 1956 – Bellingwolde voor de dienst des Woords weer met een andere kerk te combineren, maar die pogingen daartoe strandden aanvankelijk.

Het grootste deel van het evangelisatiewerk in deze tijd vond plaats in De Lethe. Mevrouw De Haan leidde er een vereniging van veertien onkerkelijke dames en er was een zondagsschool met ruim tien kinderen. Overal in het gehucht werden Elisabethbodes verspreid en de ‘contacten die ds. Holwerda legde en onderhield worden nu onderhouden door leden van de evangelisatiecommissie’, zo werd aan de particuliere synode meegedeeld.

Zoeken naar een oplossing.

Ds. P.B. Suurmond (1921-2010).

Ondertussen bleef echter de behoefte aan een predikant bestaan. Vandaar dat op 26 januari 1967 een vergadering gehouden werd van de provinciale Deputaten voor Evangelisatie met kerkenraadsleden van Bellingwolde en met de predikant en enkele kerkenraadsleden van Winschoten. Ook ds. P.B. Suurmond (1921-2010), de landelijke evangelisatiepredikant in algemene dienst, was aanwezig.

Vastgesteld werd dat de kerk van Bellingwolde ‘een voorpost was in een onkerkelijke, vrijzinnige streek’. Het was belangrijk dat deze kleine zwakke kerk zelfstandig bleef om zo ‘als een lichtend licht en een zoutend zout’ te zijn. Zou misschien samen met de kerk van Winschoten één predikant beroepen kunnen worden? Wel werd de vraag gesteld: ‘De gemeente van Bellingwolde veroudert; kan die predikant over vijf jaar dan eigenlijk nog wel gehandhaafd blijven?’ Maar Winschoten breidde in die tijd sterk uit, waardoor de stad op termijn vast en zeker een fulltime predikant nodig zou hebben.

Afgesproken werd dat Bellingwolde pogingen in het werk zou stellen een predikant te beroepen met inspraak van de kerk van Winschoten. Die predikant zou dan twee dagen per week werken onder onkerkelijken en kerkelijken te Winschoten of Blijham, en de rest van de week kerkenwerk en evangelisatiearbeid in Bellingwolde verrichten. ‘In de toekomst zou Winschoten wegens uitbreiding de predikant van Bellingwolde kunnen overnemen, maar misschien was Bellingwolde zélf na vijf jaar ook wel zo uitgebreid dat een fulltime predikant nodig was. Hoe dan ook, het beroepingswerk werd ter hand genomen.

Tot slot.

Uit de archieven van de Particuliere Synode vernemen we vanaf dat moment nauwelijks tot niets meer over de werkzaamheden van de predikanten in Bellingwolde. Toch tot slot nog het volgende.

Ds. J. Sap (van 1973 tot 1977) en ds. W. van Dommelen (van 1979 tot 1991).

Ds. J. Sap (1932-2007).

Op 3 juni 1973 deed ds. J. Sap (1932-2007) intrede als predikant van Bellingwolde, maar tegelijk ook als evangelisatiepredikant voor de classis Winschoten, met als brandpunten Finsterwolde, Beerta en Nieuwe Schans (waar intussen het gereformeerd sociaal-cultureel werk ‘In Veilige Haven’ gevestigd was). De pastorie in Bellingwolde werd toen juist ‘uitgebreid gerenoveerd’; ds. Sap en zijn gezin verbleven daarom enkele maanden in de op dat moment leegstaande pastorie van Oostwold.

Bellingwolde kwam in die tijd niet meer voor op de lijst van de provinciale financiële steunverlening. Wel ontving de classis Winschoten financiële ondersteuning voor het werk van de evangelisatiepredikant in die classis.

Na het vertrek van ds. Sap, in 1977, trad ds. W. van Dommelen (*1946) op 27 mei 1979 aan als predikant voor de pastorale arbeid in Bellingwolde en voor de ‘evangelisatiearbeid in Oost-Groningen’. Per 1 april 1991 werd hij echter benoemd tot missionair predikant voor de Particuliere Synode Groningen. Over de werkzaamheden in Bellingwolde van de predikanten Sap en Van Dommelen bericht het archief van de  Particuliere Synode verder niets.

En daarna…

Van november 1996 tot oktober 2001 was ds. A. Nicolai (*1957) aan de Gereformeerde Kerk van Bellingwolde verbonden; hij vertrok daarna naar de kerk van Barneveld. Emeritus-predikant ds. J. Bijlefeld (1926-2014) – als predikant verbonden aan de plaatselijke Hervormde Gemeente – nam daarna tot december 2002 in de Gereformeerde Kerk het pastoraat op zich.

Vanaf december 2002 tot april 2008 was ds. H. Veltman (*1946) predikant; hij werd als eerste door beide kerkenraden gezamenlijk benoemd. Want na een federatief samenwerkingsverband met de hervormde gemeente (sinds 2004) werd in 2006 de Protestantse Gemeente Bellingwolde gevormd, toen de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente samengingen.

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Bellingwolde.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Bellingwolde tussen 1894 en 2004 (bron: Jaarboeken GKN).

Bronnen onder meer:

Archief van de Particuliere Synode der Gereformeerde Kerken in de provincie Groningen. Groninger Archieven, Groningen.

G.J. Kok, ‘Een geheel bijzonder arbeidsveld…’. De evangelisatiearbeid der Particuliere Synode Groningen van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1878-2004). Groningen, 2010

© 2019. GereformeerdeKerken.info