Ds. H.J. Kouwenhoven (van 1929 tot 1964).
( < Naar deel 2 – Back to Part 2 ) – Het beroepingswerk verliep deze maal een stuk soepeler dan de vorige keer. Op 13 oktober 1929 deed de opvolger van ds. Van Schelven intrede in Wageningen. Het was ds. H.J. Kouwenhoven (1894-1978) uit Leidschendam.

Een van de eerste initiatieven van de predikant was de oprichting van de Gereformeerde Mannenvereniging ‘Calvijn’, die in 1930 plaatsvond. In de kerk zag de predikant zijn gehoor steeds toenemen; ‘zijn preken waren bevattelijker en minder lang dan die van zijn voorganger’. De kerkenraad stond eveneens pal voor de gereformeerde belijdenis en was voorzichtig met nieuwe zaken. Dat kon bijvoorbeeld geconstateerd worden bij de bespreking van synoderapporten over onderwerpen als ‘de uitbouw van de belijdenis’, het wel of niet aanvragen van het ‘promotierecht’ van de Theologische Hogeschool in Kampen, de bespreking van een ‘nieuw catechisatie leerboek’ en ook vooral de synodebesprekingen over de uitbreiding van de Gezangen.

De kerkenraad hield zich ook bezig met hervormde gemeenteleden die gereformeerd wilden worden, maar zich niet waardig achtten aan het avondmaal te gaan (‘avondmaalsmijding’). Hoe moest de kerkenraad met hen omgaan? En wat moest de kerkenraad aan met die vader die op zondag in een café als kelner wat bijverdiende om de financiën van zijn gezin op peil te houden in plaats van hulp te vragen van de diaconie? De man werd vermaand en zegde zijn lidmaatschap van de kerk op…
Studentenpastoraat.

In Wageningen werd nog niet gedacht aan de aanstelling van een studentenpredikant, zoals dat in andere steden gebeurde omdat het aantal gereformeerde studenten aan de Landbouw Hogeschool in Wageningen (nog) gering was. De meeste gereformeerde studenten sloten zich aan bij de Wageningse afdeling van de landelijke studentenvereniging SSR (Societas Studiosorum Reformatorum). De reden ervan is niet zeker, maar in 1941 verzocht de kerkenraad aan de gereformeerde studenten samen eens te spreken over wat genoemd werd ‘hun levenswandel’ (de kerkenraad vond vermoedelijk dat de studenten een wat ‘losse levensstijl’ tentoonstelden, vooral met betrekking tot het lid worden van de SSR). Het is onbekend wat ervan terecht gekomen is, maar in ieder geval klaagden de studenten een jaar later over de weinige bemoeienis van de Gereformeerde Kerk met de studenten. Bij de hervormden, zo schreven ze, werden speciale studentendiensten gehouden!
De weinige bemoeienis leidde er kennelijk toe dat Wageningse studenten zich aansloten bij het neutrale Wagenings Studenten Corps. De kerkenraad vond dat bedenkelijk, sprak er over, en vroeg daarover zelfs advies bij de hoogleraren van de Vrije-Universiteit en de Theologische Hogeschool in Kampen. Moest de kerkenraad de kerkelijke tucht toepassen? Zover kwam het niet. Wel werd in 1943 nog voorgesteld een studentenpredikant aan te stellen, maar tijdens de discussie daarover bleek dat er – door de oorlogsomstandigheden – eigenlijk bijna geen studenten meer in Wageningen verbleven.
De oorlogsdreiging.

Want intussen was het oorlog geworden! Ds. Kouwenhoven verzeilde voor de oorlog nog in zwaar weer toen hij als reserve-officier in de dreigende dertiger jaren (Hitler was in Duitsland aan de macht gekomen!) mogelijk als legerpredikant zou moeten opkomen. De kerkenraad sprak daar uitvoerig over en gaf eind december 1935 alvast te kennen dat de predikant dan zou worden beschouwd als te zijn overgegaan ‘tot een andere staat des levens’. Dat hield dus in dat hij dan geen predikant van de gemeente van Wageningen meer zou zijn. Daarover ontstonden grote verschillen van mening binnen de kerkenraad. Zelfs de generale synode werd gevraagd een uitspraak te doen over de vraag of het wel of niet verenigbaar was met het ambt van predikant als die predikant reserve-officier was (dat was ds. Kouwenhoven al toen hij in Wageningen beroepen werd). Het liep met een sisser af.
Ondanks het feit dat de dertiger jaren economisch gezien een zeer slechte periode was (in oktober 1929 veroorzaakt door de ‘beurscrash’ op Wall Street te New York) liep het kerkelijk leven in Wageningen naar verluidt goed: trouw catechisatiebezoek, veel avondmaalsgangers en een bloeiend verenigingsleven. Wel zat de diaconie ten gevolge van de crisisjaren op zwart zaad. Vandaar dat in 1935 daarvoor een speciale collecte werd gehouden.
De kerkdiensten.

Men had het er al eerder over gehad, maar in 1928 vond men het toch tijd worden het oude orgel te vervangen. Men had al enige tijd een ‘derde collecte’ gehouden voor dat doel en bovendien werd in 1928 een bazaar georganiseerd in gebouw ‘Patrimonium’ tegenover de kerk. Men had daarmee maar liefst fl. 3.000 opgehaald. In 1929 kon bij de fa. Valcks en Van Kouteren een nieuw orgel met zeven stemmen gekocht worden, voorzien van één klavier en een vrij pedaal. Bovendien was er een windmachine aan verbonden, zodat er geen orgeltrapper meer nodig was om de blaasbalg al trappend van lucht te voorzien. De Noorderkerk was niet groot, dus het orgel paste daar precies.
De kerkzang bestond natuurlijk voornamelijk uit het zingen van psalmen. Maar er was in de Gereformeerde Kerken desondanks een flinterdun bundeltje ‘Eenige Gezangen’ in gebruik, met een klein aantal rechtstreeks uit de Bijbel overgenomen gezangen die door de synode goed genoeg bevonden werden om in de kerkdiensten te zingen. In 1933 begon de kerk van Wageningen met het zingen van deze gezangen, maar ‘voorzichtig en met wijs beleid’.
Mobilisatie- en oorlogstijd.

De in Wageningen gelegerde militairen werden kerkelijk en in de gezinnen goed opgevangen. Maar vanwege de toename van de oorlogsdreiging moest de regering besluiten tot algemene mobilisatie. Direct na het begin van de oorlog werd Wageningen gedurende korte tijd geëvacueerd; de stad leed grote schade door de bombardementen. Ook de hervormde kerk op de Markt werd verwoest. Hoewel de gereformeerde kerkenraad aan de hervormde kerkenraad aanbood hun diensten in de gereformeerde kerk te houden, hielden de hervormden hun diensten in de aula van de Landbouwhogeschool.
In oorlogstijd werd verscheidene keren een gezamenlijke bidstond gehouden van de Gereformeerde Kerk, de Hervormde Gemeente en de Gereformeerde Gemeente, waarbij alle drie de predikanten voorgingen. In 1942 begonnen de interkerkelijke zangdiensten en een jaar later werd gezamenlijk de Reformatie van de zestiende eeuw herdacht. Toen het nieuwe hervormde kerkgebouw in gebruik genomen werd, voerde ook ds. Kouwenhoven daar het woord.

In de oorlog bleef de predikant in de gebeden de Koningin gedenken, maar verder gebeurde in het kerkelijk leven veel in het verborgene, zoals hulp aan de Joden en het verbergen van onderduikers. Het kerkelijk leven verflauwde echter vanaf 1943, wat geweten werd aan de doorstane ellende van de oorlog. Onder meer de ‘gemengde huwelijken’ kregen er de schuld van. Daarom besloot de kerkenraad vroegtijdig contact op te nemen met jongelui die liefdesbanden aanknoopten met hervormde jongelui. De kerkelijke tucht werd verscherpt en het catechisatieonderwijs werd op het punt van het ‘kerkbesef’ extra grondig aangepakt. Ook werd besloten om als kerkenraad regelmatiger op bezoek te gaan bij ontrouwe kerkleden.
De Vrijmaking.

In de oorlog werden de in de jaren ’30 opnieuw aan de oppervlakte gekomen kerkelijke leergeschillen ‘uitgevochten’ (onder meer die over de betekenis van de doop), die in 1944 tot een uitbarsting kwamen door de zogenaamde ‘Vrijmaking’. Dr. K. Schilder (1890-1952) en anderen waren het oneens met besluiten van de Generale Synode over allerlei leerstukken. Omdat deze hoogleraar in Kampen zich bij die besluiten niet wilde neerleggen werd hij geschorst en afgezet, wat officieel op 11 augustus 1944 tot de ‘Vrijmaking’ leidde, waardoor de ‘Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)’ ontstonden. In Wageningen was het aantal gemeenteleden dat zich van de Gereformeerde Kerken afscheidde en zich bij de ‘Vrijmaking’ voegde, gering, mede dankzij de gedwongen evacuatie van Wageningen, die van oktober 1944 tot juni 1945 duurde.
Op 1 oktober 1944 moesten de inwoners van Wageningen namelijk op last van de Duitsers hun woningen verlaten. Men vluchtte richting Ede en Bennekom. Op 17 april 1945 werd Wageningen bevrijd. Korte tijd later, op 4 mei, capituleerde de Duitse admiraal Von Friedeburg namens de Duitse troepen ten overstaan van de Britse veldmaarschalk Montgomery. Op 5 mei 1945 werd Hotel De Wereld door generaal Charles Foulkes namens de geallieerden uitgekozen als locatie voor de onderhandelingen met kolonel-generaal Johannes Blaskowitz van de Duitse troepen, over de overgave van de Duitse bezetter in Nederland.

Generaal Foulkes zou deze locatie hebben uitgekozen vanwege de ligging van Wageningen aan het toenmalige front, de afwezigheid van burgers vanwege de evacuatie en de symboliek van de naam “De Wereld“. Z.K.H. Prins Bernhard was bij de onderhandelingen aanwezig.
In die tijd verbleef ds. Kouwenhoven in Scherpenzeel waar hij hulpdiensten verrichtte en ook zoveel mogelijk gemeenteleden opzocht. Op 3 en 10 juni 1945 hielden gereformeerden en hervormden gezamenlijke diensten; het gereformeerde kerkgebouw was nog intact, zodat het toen ter beschikking kon worden gesteld van de hervormden (hun kerkgebouw was zwaar beschadigd) en van het Leger des Heils, die er hun diensten hielden. Overigens is opvallend dat hervormden en gereformeerden op 30 oktober 1945 een gezamenlijke bidstond hielden voor het welslagen van de hervormde synode!
De diaconie.
De diaconie richtte in 1944 het Comité Zusterhulp op. Deze vijfendertig dames – van wie vijf door de diaconie benoemd werden tot ‘diacones’ – hadden tot taak hulp te verlenen in de kerkelijke gemeente aan hen die dat behoefden. Ze werden voor een jaar benoemd.
Jeugdwerk.
Zoals al eerder aangegeven bestond in de kerk van Wageningen al lange tijd een Jongelingsvereniging en een Knapenvereniging genaamd Samuel.

Daar bleef het echter niet bij. Op initiatief van ds. Kouwenhoven werd op 15 januari 1935 de Gereformeerde Jeugdcentrale opgericht. Deze bestond uit vertegenwoordigers van de kerkenraad, van de Jongelingsvereniging, de Meisjesvereniging en de Knapenvereniging.
In februari 1932 ontstond ook de Kleine meisjesvereniging ‘Mirjam’, op initiatief van de Jeugdcentrale. De nieuwe vereniging was bestemd voor meisjes tot ongeveer 16 jaar. Daarna konden ze overstappen naar de Meisjesvereniging voor 16+’ers, ‘Martha’ genaamd.
De kerkenraad had overigens geen direct toezicht op de Jeugdcentrale. Maar hij bemoeide zich er indien nodig wel degelijk mee. Zo ontdekte de predikant dat op de Kleine Meisjesvereniging werd voorgelezen uit een leesboek. Hoho, dat was niet de bedoeling! De meisjes moesten elke vergadering in ieder geval twee studieonderwerpen behandelen. Ook vond de dominee het gebruikte voorleesboek niet van de juiste kwaliteit.
Ook de Meisjesvereniging ‘Martha’ kreeg met een vermanende kerkenraad te maken. De meisjes wilden een soort van toneelstuk houden over het zeer bekende boek ‘Christenreis naar de Eeuwigheid’ van de Engelsman John Bunyan. De kerkenraad vond echter dat ‘een samenspraak in stichtelijke vorm veroordeeld moest worden’.
Als je als clubleid(st)er aangesteld wilde worden, moest je zorgen dat je niet met een hervormde jongen of een hervormd meisje verkering kreeg. Want dan kon je het clubleid(st)erschap wel op je buik schrijven. Veel te gevaarlijk door een mogelijk slechte beïnvloeding van de jeugd!
Een nieuwe kerk (1935).

De Noorderkerk begon te klein te worden om de kerkgangers een plaats te geven, zodat men in de jaren ‘30 begon na te denken over de bouw van een nieuwe, grotere kerk. Er werd dus een bouwfondscommissie benoemd.
We moeten trouwens niet vergeten dat de jaren ‘30 – zoals al opgemerkt- de zgn. ‘crisisjaren’ waren, toen de wereldeconomie in elkaar stortte door de beurscrash op Wall Street, in oktober 1929. Hoe dan ook, de gemeentevergadering van 2 maart 1931 gaf desondanks toestemming, en aan gemeentelid en architect A.F. Fresen werd opdracht gegeven een ontwerp met bouwtekeningen te maken. Aanvankelijk dacht men trouwens nog aan de verbouw van de Noorderkerk, wat slechts 70 plaatsen zou opleveren. De bouwfondscommissie werd omgezet in een bouwcommissie, die opdracht kreeg de oude kerk te verkopen en goede voorstellen te doen voor nieuwbouw.

Er waren wat tegenvallers: de verkoop van de Noorderkerk bracht minder op dan men gehoopt had (de baten waren fl. 4.000), en de grond voor de nieuwbouw kostte meer dan men had verwacht, namelijk in totaal fl. 7.500. En bovendien vond de hervormde Kerkvoogdij het erg vervelend dat de gereformeerden op de beoogde locatie (de tegenwoordige Ritzema Bosweg) een nieuwe kerk wilden bouwen, want ze hadden zelf ook het plan om in de directe nabijheid daarvan een kerk te bouwen. De kerkvoogdij maakte dus bezwaar tegen de gereformeerde kerkbouwplannen, maar deze bezwaren werden door Gedeputeerde Staten verworpen. Uiteindelijk werd de Noorderkerk verkocht aan de Gereformeerde Gemeente te Wageningen. Ook het gebouw Patrimonium, eigendom van de kerk, werd van de hand gedaan.
Omdat er onenigheid ontstond tussen twee gemeenteleden-architecten over de vraag wie van hen de kerk zou mogen bouwen, besloot de kerkenraad architect Boeyinga uit Amsterdam de plannen te laten maken. Deze werden goedgekeurd, de bouw kon beginnen. Op 18 maart 1935 vond de aanbesteding plaats en de uitkomst was dat de bouw werd gegund aan de firma Nijland en Stam uit Rijssen. Inclusief de grond en de inventaris kostte de nieuwe kerk ongeveer fl. 45.300.

Ds. Kouwenhoven legde op 25 juni 1935 de eerste steen voor de kerk en bovendien werd een oorkonde ingemetseld. Op 6 december van hetzelfde jaar werd de kerk door bouwcommissievoorzitter B.A. Boelema overgedragen aan de kerkenraad. Zo kon de eerste dienst gehouden worden onder leiding van ds. Kouwenhoven. Deze preekte over Jesaja 4 de verzen 5 en 6 (“En de Heere zal over alle woning van den berg Sion en over haar vergaderingen scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen”).
He nog betrekkelijk nieuwe orgel uit de oude Noorderkerk ging mee naar de nieuwe kerk. De lange collectestokken werden ter ruste gehangen aan de muur naast de preekstoel en werden vervangen door moderne doorgeefzakjes, wat de collecten aanmerkelijk bespoedigde. Vijf jaar na de ingebruikneming was de kerk schuldenvrij, want in 1944 werd door een financiële actie ruim fl. 10.000 bijeengebracht om de schulden definitief af te lossen. Een anoniem echtpaar schonk klapbanken voor de zijpaden, om het aantal zitplaatsen indien nodig te kunnen uitbreiden. Nu al werden plannen gemaakt voor de verbouw van de kerk en de bouw van een wijkgebouw voor de vergaderingen. Met andere woorden: het kerkelijk leven floreerde.

En verder…
In 1929 werd na jaren van aandringen overgegaan tot de samenstelling van een kaartsysteem om de namen en adressen van gemeenteleden bij te houden. Tot die tijd was het gebruikelijk deze gegevens (en meer) bij te houden in speciale, daarvoor bestemde grote folianten.
Op 23 maart 1938 werd het zgn. Damescomité Verjaringsfonds opgericht. Dit comité kwam bij verjaardagen van gemeenteleden even langs om een ‘feestgave’ te vragen ter gelegenheid van de verjaardag. Met het opgehaalde geld werden regelmatig heel zinvolle dingen voor de kerk aangeschaft. Direct na de oorlog zorgden de dames bijvoorbeeld voor bekleding van de kerkbanken en later financierden ze de gordijnen in de kerkenraadskamer en de vervanging van de kerkcollectezakjes.
Deel 4 (slot) volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheiden) Gereformeerde Kerken. Kampen, div. Jrg.
A. Bel, in: Predikanten en oefenaars. Biografisch woordenboek van de Kleine Kerkgeschiedenis, deel 4. Houten, 1998
G. Boelema. M. Bouw, J.A. Vierbergen, Terugblik … en vooruitzicht. 1888 – 29 april – 1988. Honderd jaar Gereformeerde Kerk te Wageningen. Wageningen, 1888
F.L. Bos, Archiefstukken betreffende de Afscheiding van 1834. Deel III. Kampen, 1942
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. Jrg.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. Jrg.
C.L.F. van Schelven, Openingswoord uitgesproken bij gelegenheid van de Particuliere Synode van Gelderland, gehouden te Wageningen 7 en 8 juni 1899. Wageningen, 1899
L. Vogelaar, In Koninklijke dienst. Predikanten, oefenaars en evangelisten, deel 3. Apeldoorn, 2019
H. van Vuuren, Hoe lief’lijk zijn Uw woningen o Heere der heirscharen. 1933-1983. Gereformeerde Gemeente Wageningen. Wageningen, 1984
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The Gereformeerde’ Church in Wageningen (3)
Rev. H.J. Kouwenhoven (from 1929 to 1964).
( < Back to Part 2 ) – This time, the calling process proceeded much more smoothly than the previous one. On 13 October 1929, the successor to Rev. Van Schelven was installed in Wageningen. It was Rev. H.J. Kouwenhoven (1894–1978) from Leidschendam.
One of the minister’s first initiatives was the establishment of the ‘gereformeerde’ Men’s Association “Calvin,” which took place in 1930. In the church, the minister saw his audience steadily increase; his sermons were more accessible and shorter than those of his predecessor. The church council likewise stood firmly for the ‘gereformeerde’ confessions and was cautious about innovations. This could be observed, for example, in discussions of synodical reports on topics such as “the expansion of the confession,” whether or not to apply for the “right of promotion” of the Theological College in Kampen, the discussion of a “new catechism textbook,” and especially the synodical debates about the expansion of the hymn repertoire.
The church council also dealt with members of the ‘Hervormde’ Church who wished to become ‘gereformeerd’ but did not consider themselves worthy to partake of the Lord’s Supper (“avoidance of communion”). How was the church council to deal with them? And what was the church council to do with that father who earned some extra income on Sundays by working as a waiter in a café to keep his family’s finances afloat, instead of asking for assistance from the diaconate? The man was admonished and subsequently resigned his church membership.
Student ministry.
In Wageningen, no thought was yet given to appointing a student minister, as was done in other cities, because the number of ‘gereformeerde’ students at the Agricultural College in Wageningen was (still) small. Most ‘gereformeerde’ students joined the Wageningen branch of the national student association SSR (Societas Studiosorum Reformatorum). The reason is uncertain, but in 1941 the church council requested that the ‘gereformeerde’ students meet together to discuss what was referred to as “their way of life” (the church council presumably felt that the students displayed a somewhat “loose lifestyle”). What came of this is unknown, but in any case, a year later the students complained about the limited involvement of the ‘gereformeerde’ Church with students. Among the ‘hervormden’, they wrote, special student services were held!
This limited involvement apparently led Wageningen students to join the neutral Wageningen Student Corps. The church council found this questionable, discussed it, and even sought advice on the matter from professors at the Free University of Amsterdam and the Theological College in Kampen. Should the church council apply ecclesiastical discipline? It did not come to that. In 1943, however, a proposal was again made to appoint a student minister, but during the discussion it became clear that—due to wartime circumstances—there were hardly any students left in Wageningen anyway.
The threat of war.
Meanwhile, war had broken out. Even before the war, Rev. Kouwenhoven found himself in serious difficulties when, as a reserve officer in the threatening 1930s (Hitler had come to power in Germany!), he might be called up as a military chaplain. The church council discussed this extensively and, at the end of December 1935, indicated in advance that in such a case the minister would be considered to have “passed over to another state of life.” This meant that he would no longer be a minister of the Wageningen congregation. This led to major differences of opinion within the church council. Even the General Synod was asked to issue a ruling on the question of whether or not it was compatible with the office of minister to be a reserve officer (Rev. Kouwenhoven already was one when he was called to Wageningen).
Despite the fact that the 1930s were economically a very poor period (caused in October 1929 by the Wall Street stock market crash in New York), church life in Wageningen reportedly flourished: faithful catechism attendance, many communicants at the Lord’s Supper, and a vibrant associational life. The diaconate, however, was left destitute as a result of the crisis years. Therefore, a special collection was held for this purpose in 1935.
Mobilization and wartime.
The soldiers stationed in Wageningen were well received both in church life and within families. However, due to the increasing threat of war, the government had to decide on general mobilization. Immediately after the outbreak of the war, Wageningen was briefly evacuated; the city suffered extensive damage from bombardments. The ‘Hervormde’ church on the Market Square was also destroyed. Although the ‘gereformeerde’ church council offered the ‘hervormde’ council the use of the ‘gereformeerde’ church building for their services, the ‘hervormden’ held their services in the auditorium of the Agricultural College.
During the war, joint prayer services were held several times by the ‘Gereformeerde’ Church, the ‘hervormde’ congregation, and the ‘Gereformeerde’ Congregation, with all three ministers officiating. In 1942, interdenominational singing services began, and a year later the Reformation of the sixteenth century was commemorated jointly. When the new ‘Hervormde’ church building was put into use, Rev. Kouwenhoven also spoke there.
During the war, the minister continued to remember the Queen in prayers, but otherwise much took place in church life in secrecy, such as assistance to Jews and the hiding of people in hiding. From 1943 onward, however, church life weakened, which was attributed to the hardships endured during the war. “Mixed marriages” were blamed. Therefore, the church council decided to make early contact with young people who formed romantic relationships with ‘Hervormde’ youth. Church discipline was tightened, and catechetical instruction was given extra emphasis on the point of “church consciousness.” It was also decided that the church council would visit unfaithful members more regularly.
The Church ‘Liberation’ (Vrijmaking).
During the war, theological differences that had resurfaced in the 1930s were again fiercely contested and culminated in 1944 in the so-called “Liberation” (Vrijmaking). Dr. K. Schilder (1890–1952) and others disagreed with decisions of the General Synod on various doctrinal issues. Because this professor in Kampen refused to submit to those decisions, he was suspended and deposed, which officially led on 11 August 1944 to the “Liberation,” resulting in the formation of the ‘Gereformeerde Churches (Liberated).”
In Wageningen, the number of congregation members who separated from the ‘Gereformeerde’ Churches and joined the ‘Church-Liberation’ was small, partly due to the forced evacuation of Wageningen, which lasted from October 1944 until June 1945.
On 1 October 1944, the inhabitants of Wageningen were ordered by the Germans to leave their homes. People fled toward Ede and Bennekom. On 17 April 1945, Wageningen was liberated. Shortly thereafter, on 4 May, German Admiral Von Friedeburg capitulated on behalf of the German troops to British Field Marshal Montgomery. On 5 May 1945, Hotel De Wereld was chosen by General Charles Foulkes on behalf of the Allies as the location for negotiations with Colonel General Johannes Blaskowitz of the German forces regarding the surrender of the German occupier in the Netherlands.
General Foulkes is said to have chosen this location because of Wageningen’s position on the then front line, the absence of civilians due to the evacuation, and the symbolism of the name “De Wereld” (“The World”). His Royal Highness Prince Bernhard was present at the negotiations.
During this time, Rev. Kouwenhoven stayed in Scherpenzeel, where he performed relief services and visited as many congregation members as possible. On 3 and 10 June 1945, ‘Gereformeerde’ and ‘Hervormde’ congregations held joint services; the ‘gereformeerde’ church building was still intact and could therefore be made available to the ‘hervormden’ (whose building was damaged) and to the Salvation Army, which also held its services there. Incidentally, it is striking that on 30 October 1945, ‘Hervormde’ and ‘Gereformeerde’ congregations held a joint prayer service for the success of the ‘hervormde’ synod!
The diaconate.
In 1944, the diaconate established the Sister Help Committee. These thirty-five women—five of whom were appointed by the diaconate as “deaconesses”—were tasked with providing assistance within the church congregation to those in need. They were appointed for one year.
Church services.
The matter had been discussed earlier, but in 1928 it was finally decided that the old organ should be replaced. A “third collection” had already been held for some time for this purpose, and in addition a bazaar was organized in 1928 in the building “Patrimonium” opposite the church. This raised no less than 3,000 guilders. In 1929, a new organ with seven stops could be purchased from the firm Valcks and Van Kouteren, equipped with one manual and a free pedal. It was also fitted with a wind machine, so that no organ bellows operator was needed anymore to pump air by foot. The Noorderkerk was not large, so the organ fit it perfectly.
Congregational singing naturally consisted mainly of psalms. Nevertheless, within the ‘Gereformeerde’ Churches a very thin booklet entitled “A Few Hymns” was in use, containing a small number of hymns directly taken from the Bible that the synod considered suitable for singing in worship services. In 1933, the Wageningen church began singing these hymns, but “cautiously and with wise restraint.”
Youth work.
As already indicated earlier, the church in Wageningen had long had a Young Men’s Association and a Boys’ Association called Samuel.
But it did not stop there. At the initiative of Rev. Kouwenhoven, the ‘gereformeerde’ Youth Central Committee was established on 15 January 1935. It consisted of representatives from the church council, the Young Men’s Association, the Girls’ Association, and the Boys’ Association.
In February 1932, the Small Girls’ Association “Miriam” was also founded at the initiative of the Youth Central Committee. This new association was intended for girls up to about 16 years of age. After that, they could move on to the Girls’ Association for those aged 16 and over, called “Martha.”
The church council did not have direct oversight of the Youth Central Committee. But it certainly did intervene when necessary. For example, the minister discovered that at the Small Girls’ Association a reading book was being read aloud. Oh no—that was not the intention! The girls were supposed to deal with at least two study topics at every meeting. The minister also felt that the reading book being used was not of the right quality.
The Girls’ Association “Martha” also had to deal with an admonishing church council. The girls wanted to stage a kind of play about the very well-known book The Pilgrim’s Progress by the Englishman John Bunyan. The church council, however, felt that “a dialogue in edifying form should be condemned.”
If you wanted to be appointed as a club leader, you had to make sure that you were not courting a ‘hervormde’ boy or girl. Otherwise, you could forget about being a club leader altogether. Far too dangerous because of the possible negative influence on the youth!
A new church (1935).
The Noorderkerk began to become too small to accommodate the worshippers, so in the 1930s people began to think about building a new, larger church. A building fund committee was therefore appointed.
We should not forget that the 1930s—as already noted—were the so-called “crisis years,” when the global economy collapsed due to the Wall Street crash in October 1929. Be that as it may, the congregational meeting of 2 March 1931 nevertheless gave permission, and congregation member and architect A.F. Fresen was commissioned to produce a design with construction drawings. Initially, people even considered renovating the Noorderkerk, which would have yielded only 70 additional seats. The building fund committee was converted into a building committee, which was tasked with selling the old church and making sound proposals for new construction.
There were some setbacks: the sale of the Noorderkerk yielded less than hoped (the proceeds were 4,000 guilders), and the land for the new building cost more than expected, namely a total of 7,500 guilders. Moreover, the ‘Hervormde’ Church Wardens found it very unpleasant that the ‘gereformeerden’ intended to build a new church at the intended location (the present Ritzema Bosweg), because they themselves also planned to build a church in the immediate vicinity. The church wardens therefore objected to the ‘gereformeerde’ church building plans, but these objections were rejected by the Provincial Executive. Eventually, the Noorderkerk was sold to the ‘Gereformeerde’ Congregation in Wageningen. The building Patrimonium, also owned by the church, was likewise sold.
Because a dispute arose between two congregation-member architects over which of them should be allowed to build the church, the church council decided to have the plans drawn up by architect Boeyinga from Amsterdam. These were approved, and construction could begin. The tender took place on 18 March 1935, and the outcome was that the construction was awarded to the firm Nijland and Stam from Rijssen. Including the land and the furnishings, the new church cost approximately 45,300 guilders.
On 25 June 1935, Rev. Kouwenhoven laid the first stone for the church, and a commemorative document was also built into the wall. On 6 December of the same year, the church was handed over to the church council by building committee chairman B.A. Boelema. Thus, the first service could be held under the leadership of Rev. Kouwenhoven. He preached on Isaiah 4, verses 5 and 6:
“Then the LORD will create over all of Mount Zion and over those who assemble there a cloud of smoke by day and a glow of flaming fire by night; over everything that is glorious there will be a canopy. It will be a shelter and shade from the heat of the day, and a refuge and hiding place from the storm and rain.”
The still relatively new organ from the Noorderkerk was moved to the new church. The long collection poles were retired and hung on the wall next to the pulpit and replaced by modern passing bags, which considerably sped up the collections. Five years after its inauguration, the church was debt-free, for in 1944 a financial campaign raised more than 10,000 guilders to eliminate the debts definitively. An anonymous couple donated folding benches for the side aisles, so that the number of seats could be expanded if necessary. Plans were already being made for the renovation of the church and the construction of a parish hall for meetings. In other words, church life was flourishing.
And further…
In 1929, after years of urging, a card-index system was introduced to keep track of the names and addresses of congregation members. Until then, it had been customary to keep these details (and more) in special large folio volumes designed for that purpose.
On 23 March 1938, the so-called Ladies’ Birthday Fund Committee was established. This committee would visit congregation members on their birthdays to ask for a “festive gift” on the occasion of the birthday. The money collected was regularly used to purchase very useful items for the church. Immediately after the war, for example, the ladies provided upholstery for the church pews, and later they financed the curtains in the church council room and the replacement of the church collection bags.
Part 4 (final part) will follow shortly.