De eerste voorgangers.
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Toen het beroepingswerk na maanden nog geen resultaat opleverde adviseerde de classis uiteindelijk een godsdienstonderwijzer te zoeken. Daartoe nam de kerkenraad contact op met de Vrienden der Waarheid in Amsterdam.

Die (rechtzinnig-hervormde) evangelisatievereniging – met afdelingen in het hele land – stelde zich ten doel overal ‘waar het rechte Woord Gods niet gehoord wordt‘ evangelisten c.q. godsdienstonderwijzers aan te stellen.
Oefenaar N. van der Blom (van 1889 tot 1891).
Zo kwam men aan de naam van Nicolaas van der Blom (1850-1934) uit Hees bij Nijmegen. Deze 39-jarige godsdienstonderwijzer werd aangesteld en begon in 1889 met zijn werk in Wageningen.

Van der Blom werd meteen tot ouderling en spoedig daarna tot preses van de kerkenraad gekozen. ‘Hij werkt in Wageningen met vrucht. Zijn stichtelijk woord wordt graag gehoord. Hij gaat regelmatig voor en preekt op de man af, is soms diep ontroerd door het woord dat hij zelf spreekt en dat kennelijk ook in zijn eigen hart dringt’. Het ging goed met de geestelijke verzorging van de gemeente. In 1891 nam Van der Blom afscheid.

Tot de komst van oefenaar De Beer werden de catechisaties verzorgd door oefenaar Cornelis Pieneman (1863-1912). Belangrijk is op te merken dat deze oefenaar zich later als predikant aansloot bij de als ‘strenger in de leer’ beschouwde ‘Gereformeerde Kerk onder ‘t Kruis’; dat tekent de ‘geestelijke ligging’ van de Dolerende Kerk van Wageningen in die tijd.
Oefenaar B.S. de Beer (1891 tot 1893).
Zijn opvolger was dus oefenaar B.S. de Beer (1857-1915) uit Huizen, die men in Wageningen wel kende, omdat hij daar al eerder was voorgegaan en kennelijk goed beviel. Hij werd weliswaar ouderling maar werd niet tot preses gekozen, omdat hij niet gemakkelijk in de omgang was en soms veel te lang preekte. Eens duurde een kerkdienst 2 uur en een kwartier; toen waarschuwde de kerkenraad hem dat – als het weer zo lang zou duren – hij niet meer zou mogen voorgaan. Nog voor de komst van de eerste officiële predikant, in 1893, vertrok oefenaar De Beer naar Vinkeveen.
“De Gereformeerde Kerk te Wageningen” (1892).
Al snel na de Doleantie namen de generale synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk en van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) (respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie) contact met elkaar op om te spreken over de landelijke ineensmelting van beide kerken.

Op 17 juni 1892 konden de toenmalige leidslieden van beide kerken het samengaan als De Gereformeerde Kerken in Nederland aankondigen. Het waren ds. S. van Velzen (1809-1896) namens de Christelijke Gereformeerde Kerk, en dr. A. Kuyper (1837-1920) namens de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende). Ook in Wageningen veranderde daarom de naam van de Dolerende Kerk in ‘De Gereformeerde Kerk te Wageningen’.
Ds. C.L.F. Van Schelven (van 1893 tot 1929).
Dat de beroepen predikant, de toen vijfendertigjarige ds. C.L.F. Van Schelven (1858-1933) uit Oude en Nieuwe Wetering (waar hij de Doleantie geleid had) naar Wageningen kwam, was voor ds. Eisma aanleiding hem te schrijven: “Zelden heb ik zoo veel ontroering en blijdschap gezien als toen uw bericht van aanneming bij den kerkeraad inkwam en bekend gemaakt werd”. En daar was, zoals we zagen, alle aanleiding voor. Het op hem uitgebrachte beroep was het drieëntwintigste en de Dolerende Kerk van Wageningen was nu vijf jaar vacant geweest!

De predikant was vast van plan de in de hervormde kerk ‘achtergebleven gereformeerden’ naar de ware kerk terug te roepen, namelijk naar de Dolerende Kerk. Dat lukte niet goed. Weliswaar kerkten af en toe hervormden in de gereformeerde kerk, maar ingeschreven als lid waren ze niet. En… wat hij erger vond was, dat sommige gereformeerden zich in de hervormde kerk lieten zien! Vandaar dat hij zijn plan aanpaste en zich in het vervolg inzette voor de consolidatie van de eigen kerk…!
Hij stak niet onder stoelen of banken dat hij niets van de hervormde kerk moest hebben en een jongeman of jonge vrouw die van plan was te trouwen met iemand uit ‘het leervrij en tuchtloos Genootschap’ (zoals hij de hervormde kerk betitelde), kreeg bezoek van de predikant. Streng keek hij toe op de schending van de zondagsrust: gemeentelijke sproeiwagens, op zondag werkende postbodes, op de dag des Heren gespeelde voetbalwedstrijden en andere publieke vermakelijkheden, werden door hem veroordeeld. Hij waakte ook over de jeugd: aan de burgemeester werd verzocht een bioscoopverbod in te stellen voor personen tot 16 jaar. En vrouwelijke gemeenteleden dienden ‘in eerbaar gewaad’ aan het avondmaal te komen.

De predikant werd in 1911 ziek en dat bleef hij ook gedurende een deel van het jaar daarop. Zijn werk werd deels overgenomen door emerituspredikant ds. R. van Giffen (1859-1938) die toen als ouderling in de kerk van Wageningen dienst deed. Na die ziekteperiode kwamen klachten binnen over de weer aangetreden ds. Van Schelven. Over zijn preken, die volgens sommige critici, te weinig oog hadden voor de bevindelijkheid (de innerlijke beleving van het geloof). Het was bij de predikant (volgens sommigen) teveel gericht op het verstandelijke, op de belijdenis en de traditie. Ook vonden sommigen dat zijn huisbezoekwerk (en ook dat van de ouderlingen) niet was om over naar huis te schrijven.
In 1917 werd de Vereniging ‘De Kerkelijke Kas’ opgeheven. Er kwam een Commissie van Beheer. Men ging dat jaar ook over tot het systeem van de vaste kerkelijke bijdragen. Tot die tijd werden de zitplaatsen verhuurd, wat een behoorlijke som geld opleverde.
De Jongelingsvereniging (JV).
Op 14 april 1873 was in Wageningen een Jongelingsvereniging op Gereformeerde Grondslag opgericht. De grondslag was ‘Gods Heilig Woord, zoals omschreven en verklaard in de belijdenisgeschriften van De Gereformeerde Kerken’. Ze was toegankelijk voor jongens vanaf ongeveer 16 jaar. Ook ontstond al gauw een Knapenvereniging voor jongens tot 16 jaar (in 1885 werd die club al genoemd). Vermoedelijk ontstond de Knapenvereniging op initiatief van de Jongelingsvereniging.

Let wel: de oprichting (in 1873) en de eerste werkzaamheid van de Jongelingsvereniging waren dus allemaal nog binnen de hervormde kerk, in de tijd dat de Doleantie nog niet had plaatsgevonden. Zelfs na de instituering van de Dolerende Kerk ging deze JV nog enige tijd in het hervormde spoor verder. Tót 1891, want toen werd met veel moeite een nieuw reglement opgesteld (mogelijk in verband met een scheuring binnen de Jongelingsvereniging). In januari 1892 werd het nieuwe reglement goedgekeurd. De naam van de JV werd: Gereformeerde Jongelingsvereniging ‘Eén ding is nodig’. De vereniging had (deels) gekozen voor de Dolerende Kerk, hoewel alle ‘gereformeerde’ jongeren (ook uit de hervormde kerk) welkom waren, ook al waren ze geen lid van de Gereformeerde Kerk.
De JV vergaderde in de Christelijke School, maar na een ruzie met het schoolbestuur moesten ze de school op stel en sprong verlaten en vergaderden daarna enige tijd bij de leden thuis, maar kregen uiteindelijk tegen betaling van een kleine huursom toegang tot de consistorie van de kerk. De Knapenvereniging volgde de Jongelingsvereniging. Op 5 mei 1895 besloot de JV zich onder toezicht van de Gereformeerde Kerk te Wageningen te stellen, en hoorde dus sindsdien ook officieel tot de Gereformeerde Kerk.
Rond 1905 verkeerde de JV al enige tijd in een malaise: het ledental liep terug en het was niet ongewoon dat de vergaderingen door niet meer dan zo’n vier leden bezocht werden. Al gauw gingen de JV en in haar spoor de Knapenvereniging ter ziele.
Heropgericht (1909).
Maar in oktober 1909 werd de Jongelingsvereniging heropgericht en stond ze onder leiding van predikantszoon I. van Schelven. In 1912 richtten de jongens de Knapenvereniging Samuel op. Maar daarvoor was aanvankelijk onvoldoende leiding te vinden, zodat uiteindelijk pas in 1917 de oprichting met succes vervolgd werd, toen zich voldoende leiding aanmeldde. Op verzoek van de JV werd een jeugdouderling aangesteld die de band tussen het jeugdwerk van de JV en de KV en de kerkenraad moest belichamen.
De Meisjevereniging (1893).

In 1893 wordt de zgn. Dameskrans genoemd. Deze was de voorloper van de Meisjesvereniging, die later werd opgericht. In het begin was de dameskrans eigenlijk een naaikrans, al namen de dames ook geestelijk voedsel tot zich, in de vorm van het lezen van Bijbelgedeelten en het houden van voordrachten. Toen de Meisjesvereniging ‘Martha’ er eenmaal was, werd ze in 1894 door de JV gevraagd een kleed te maken voor het harmonium in de kerk. Na lang aarzelen wilden ze het wel doen, maar tegen betaling van fl. 6. En toen in 1910 de JV een jaarvergadering hield, en de MV uitgenodigd was deze bij te wonen, bleek de deelname van de meisjes zich te beperken tot het schenken van koffie. Of de dames dat voor herhaling vatbaar achtten betwijfelen we.
Het kerkelijk leven.
In de eerste jaren van de twintigste eeuw was de diaconie natuurlijk ook werkzaam. Zo werd in 1900 adhesie betuigd aan een verzoek aan H.M. de Koningin om een staatspensioen voor ouderen in te stellen. Maar ook plaatselijk waren de diakenen actief. Jaarlijks werd fl. 10 bijgedragen voor de aanstelling van een pleegzuster in Wageningen.

Rond 1900 werd in Wageningen een Zendingscommissie opgericht, terwijl in 1911 de commissie uitgebreid en actiever werkzaam werd. Men zamelde geld in voor de kerkelijke zendingsarbeid op Soemba en Java (twee belangrijke zendingsvelden van De Gereformeerde Kerken in Nederland), onder meer door de verkoop van Zendingskalenders. Verder organiseerde de commissie Zendingszondagen met toespraken, met als doel de gemeenteleden te interesseren voor de Zendingsarbeid.
In 1917 werd – zoals we al zagen – de Knapenvereniging Samuel opgericht, bestemd voor jongens tot 16 jaar. Als ze die leeftijd bereikt hadden mochten ze toetreden tot de JV.

In de jaren van de Eerste Wereldoorlog (de ‘Grote Oorlog’ genoemd), van 1914 tot 1918, werden meerdere bidstonden gehouden voor de vrede.
In de maatschappij werden na de oorlog allerlei veranderingen zichtbaar die ook aantrekkingskracht hadden op gemeenteleden en waaraan de kerk wel of niet toegaf: zo mochten gemeentevergaderingen vanaf 1919 ook door vrouwelijke gemeenteleden bijgewoond worden; aangeraden werd lid te worden van een christelijke vakbeweging (in 1909 was in Arnhem het CNV opgericht); ook waren er gemeenteleden die ijverden voor het algemeen kiesrecht, die ter bevordering daarvan deelnamen aan een betoging (dat vond de kerkenraad vermanenswaardig); anderen namen deel aan een werkstaking. Ook dat achtte de kerkernaad niet toelaatbaar.
De predikant leed sinds 1920 steeds erger aan doofheid. Gesprekken op straat konden verderop duidelijk gevolgd worden; catechisanten zeiden een paar coupletten van het Wilhelmus op als ze catechismusvragen moesten beantwoorden (fijn dat de catechisanten het Wilhelmus tenminste kenden!); dat de kinderen daarom bijzonder te spreken waren over de catechisaties verbaasde de ouders, die uiteindelijk ontdekten wat er gaande was en gingen klagen bij de kerkenraad. Deze zorgde ervoor dat telkens een ouderling de catechisaties bijwoonde.

Ds. J.G. Geelkerken (1879-1960) van Amsterdam-Zuid was in 1926 door de generale synode afgezet als predikant, omdat hij niet instemde met het besluit van de synode van Assen, maar de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de bomen en de sprekende slang in de paradijs in het midden liet. Vanaf die tijd werd van (aanstaande) kerkenraadsleden gevraagd in te stemmen met de besluiten van de synode van Assen. Merkwaardig was trouwens dat ds. Van Schelven in 1926 geen aanstalten heeft gemaakt de Doleantie te herdenken, toen die dat jaar vijftig jaar eerder plaatsvond.
Op aandringen van de kerkenraad vroeg de predikant in verband met zijn gezondheid emeritaat aan. Op 28 april 1929 nam hij afscheid.
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Wageningen (2).
The first leaders.
( < Back to Part 1 ) – When calling a minister produced no results after months, the classis finally advised seeking a religion teacher. Thus the church council contacted the Friends of the Truth in Amsterdam. That (‘hervormde’) evangelistic association—with branches across the country—aimed to appoint evangelists or religion teachers “everywhere where the true Word of God is not heard.”
N. van der Blom (1889–1891).
Thus they obtained the name of Nicolaas van der Blom (1850–1934) from Hees near Nijmegen. This 39-year-old religion teacher was appointed and began his work in Wageningen in 1889.
Van der Blom was immediately chosen as elder and soon after as moderator of the church council. “He works in Wageningen with fruit. His edifying word is gladly heard. He regularly leads services and preaches directly to the people, sometimes deeply moved by the word he himself speaks and which evidently penetrates his own heart.” The pastoral care of the congregation went well. In 1891 Van der Blom departed.
Until the arrival of exhorter De Beer, catechism was taught by exhorter Cornelis Pieneman (1863–1912). It is important to note that this exhorter later joined, as minister, the “stricter” ‘Gereformeerde’ Church under the Cross; this marks the “spiritual character” of the Dolerende Church of Wageningen at that time.
B.S. de Beer (1891–1893).
His successor was exhorter B.S. de Beer (1857–1915) of Huizen, already known in Wageningen because he had previously conducted services there and was apparently well liked. He was made elder but not chosen as moderator because he was not easy to get along with and sometimes preached far too long. Once a service lasted 2 hours and 15 minutes; the church council then warned him that if it lasted that long again, he would no longer be allowed to lead services. Before the first official minister arrived in 1893, De Beer left for Vinkeveen.
The ‘Gereformeerde’ Church of Wageningen (1892).
Soon after the Doleantie, the general synods of the Christian Reformed Church and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) (arising respectively from the Secession and the Doleantie) contacted one another to discuss a possible union.
On June 17, 1892, the leaders of both churches were able to announce their merger as The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. They were Rev. S. van Velzen (1809–1896) on behalf of the Christian Reformed Church, and Dr. A. Kuyper on behalf of the Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende). Therefore, the name of the Dolerende Church in Wageningen also changed to “The ‘Gereformeerde’ Church of Wageningen.”
Rev. C.L.F. Van Schelven (1893–1929).
That the called minister, the then thirty-five-year-old Rev. C.L.F. Van Schelven (1858–1933) of Oude and Nieuwe Wetering (where he had led the Doleantie), came to Wageningen prompted Rev. Eisma to write to him: “Rarely have I seen so much emotion and joy as when your letter of acceptance arrived at the church council and was announced.” And with good reason, as we saw. The call extended to him was the twenty-third, and the Dolerende Church of Wageningen had now been vacant for five years!
The minister was firmly determined to call the “remaining ‘gereformeerde’ people” in the ‘Hervormde’ Church back to the true church, namely to the Dolerende Church. This did not go well. Although occasionally ‘hervormde’ members attended the ‘Gereformeerde’ church services (i.e., the Dolerende church), they did not register as members. And—what he found worse—some members of his own ‘gereformeerde’ congregation showed up in the ‘Hervormde’ Church! Therefore he adjusted his plan and henceforth focused on consolidating the congregation itself.
He made no secret of his disapproval of the ‘Hervormde’ Church. Any young man or woman planning to marry someone from “the doctrinally free and discipline-less Society” (as he called the ‘Hervormde’ Church) would receive a pastoral visit. He strictly supervised observance of Sunday rest: municipal sprinkling trucks, postal workers laboring on Sunday, football matches played on the Lord’s Day, and other public amusements were all condemned by him. He also kept watch over the youth: the mayor was asked to implement a cinema ban for persons under 16. Female members were to come to the Lord’s Supper “in modest attire.”
In 1911 the minister became ill, and remained partially so during the following year. His duties were partly taken over by emeritus minister Rev. R. van Giffen (1859–1938), who then served as elder in Wageningen. After this period complaints arose concerning the returned Rev. Van Schelven: about his sermons, which according to critics had too little focus on the experiential (inner experience of faith). According to some, he emphasized too much the intellectual, the confession, and tradition. Others found his pastoral visitation (and that of the elders) lacking.
In 1917 the Association “The Church Fund” was dissolved. A Board of Trustees was established. That year they also adopted a system of fixed church contributions. Until that time pews had been rented out, which generated considerable income.
The Young Men’s Association.
On April 14, 1873, a Young Men’s Association on ‘gereformeerde’ Foundation was founded in Wageningen. Its foundation was “God’s Holy Word, as described and explained in the confessional writings of the ‘gereformeerde’ Churches.” It was open to boys from about 16 years of age. Soon a Boys’ Association (Knapenvereniging) for boys under 16 also arose (already mentioned in 1885). Presumably it was founded on the initiative of the Young Men’s Association.
Note: the founding (in 1873) and early activity of the Young Men’s Association all took place within the ‘Hervormde’ Church, before the Doleantie had occurred. Even after the institution of the Dolerende Church, this YMA continued along ‘gereformeerde’ lines—until 1891, when after much effort a new set of rules was drawn up (possibly due to a split within the association). In January 1892 the new rules were approved. The association’s name became: ‘Gereformeerde’ Young Men’s Association “One Thing Is Needful.” The association had (partially) chosen the Dolerende Church, though all “’gereformeerde’” youth (including those from the ‘Hervormde’ state church) were welcome, even if they were not members of the ‘Gereformeerde’ Church.
The YMA met in the Christian School, but after a quarrel with the school board they had to leave immediately, met for some time in members’ homes, but eventually were granted access to the church consistory for a small rental fee. The Boys’ Association followed the Young Men’s Association. On May 5, 1895, the YMA decided to place itself under the supervision of the ‘Gereformeerde’ Church of Wageningen, and thus officially became part of it.
Around 1905 the YMA had long been in decline: membership dropped, and it was common for meetings to be attended by only about four members. Soon the YMA and, following it, the Boys’ Association ceased to exist.
Refounded (1909).
In October 1909 the Young Men’s Association was refounded and came under the leadership of I. van Schelven. In 1912 the boys founded the Boys’ Association Samuel. But insufficient leaders could be found, so only in 1917 could the founding be successfully resumed, when enough leaders volunteered. At the request of the YMA a youth elder was appointed to serve as the link between youth work (YMA and BA) and the church council.
The Girls’ Association (1893).
In 1893 a Ladies’ Circle is mentioned. This was the forerunner of the Girls’ Association, which was later founded. At first the ladies’ circle was basically a sewing circle, although they also took in spiritual nourishment in the form of Scripture readings and lectures. When the Girls’ Association “Martha” was established, the YMA asked them in 1894 to make a cover for the harmonium in the church. After long hesitation they agreed, but only for a fee of 6 guilders. And when in 1910 the YMA held its annual meeting and the GA was invited, the participation of the girls was limited to serving coffee. Whether the ladies considered it worth repeating is doubtful.
Church Life.
In the early twentieth century the diaconate was naturally also active. In 1900 they expressed support for a request to Her Majesty the Queen to institute a state pension for the elderly. Locally the deacons were active as well. Each year 10 guilders were contributed toward the appointment of a foster nurse in Wageningen.
Around 1900 a Mission Committee was founded in Wageningen, and in 1911 the committee expanded and became more active. Funds were collected for the mission work in Soemba and Java (two important mission fields of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands), including through the sale of Mission Calendars. They also organized Mission Sundays to interest church members in mission work.
In 1917 the Boys’ Association Samuel was founded (as already mentioned), intended for boys under 16. Upon reaching that age they could join the YMA.
During World War I (the “Great War”), from 1914 to 1918, several prayer meetings for peace were held.
After the war various societal changes appeared, which also attracted church members and to which the church either did or did not give in: from 1919 women were allowed to attend congregational meetings; members were encouraged to join a Christian labor union (the CNV had been founded in Arnhem in 1909); some members advocated universal suffrage and participated in demonstrations for it (which the church council found worthy of admonition); others participated in a strike. The church council also considered this unacceptable.
The minister suffered increasing deafness from 1920 onward. Conversations on the street could be clearly heard from afar; catechism students recited verses of the Wilhelmus when they had to answer catechism questions (fortunate, at least, that the children knew the Wilhelmus!). That the children spoke so proudly of the catechism classes puzzled the parents, who eventually discovered what was happening and complained to the church council. The council ensured that an elder attended each catechism class.
Rev. J.G. Geelkerken (1879–1960) of Amsterdam-South was deposed by the General Synod in 1926 because he did not agree with the synod of Assen but left “the sensory perceptibility” of the trees and the speaking serpent in paradise open to question. From that time onward, (future) church council members were required to agree with the synod’s decisions. Remarkably, Rev. Van Schelven made no effort in 1926 to commemorate the Doleantie, which had taken place fifty years earlier.
At the urging of the church council, the minister requested emeritation for health reasons. On April 28, 1929, he took his farewell.
Part 3 will follow soon.