Kerk en Israël in de stad Groningen (1)

Vooraf.

In dit verhaal beschrijven we vooral de gang van zaken met betrekking tot de wat jaren lang genoemd werd Zending onder de Joden, zoals die  – vooral na de Tweede Wereldoorlog – door de Gereformeerde Kerken in de stad Groningen uitgevoerd werd.

Het Generale Deputaatschap voor de Jodenzending was na de Tweede Wereldoorlog enige tijd gevestigd in het pand Pauwenlaan 81 in Den Haag (gebouwd in 1929).

Maar we beginnen met een inleidend verhaal over het ontstaan, de ontwikkeling en (heel belangrijk) de fundamentele herbezinning van de landelijke gereformeerde Arbeid onder Israël en later Kerk en Israël, zoals de Zending onder de Joden ook genoemd werd. Daarna gaan we verder met de ontwikkelingen op dit gebied in de stad Groningen. Dankzij een uitvoerig deelarchief over dit onderwerp in het Archief van De Gereformeerde Kerk te Groningen-Zuid (zie de inventarisnummers 1110 tot en met 1126) kunnen we daarover veel vertellen.

De relatie Kerk en Israël heeft zich tussen 1926 en 2026 totaal veranderd. Veel kerkleden nu ervaren de scherpe toon van destijds (‘Wie zich niet bekeert gaat verloren’) als pijnlijk, evenals de doop van onderduikers na de bevrijding. Gevolg is dat de gereformeerde Jodenzending tussen 1896 en 1964 vaak onbenoemd blijft in de kerkelijke geschiedschrijving, hoewel toch duidelijk vermeld in de archiefbronnen. Vandaar dat we dit onderwerp op deze website niet uit te weg gaan.

1. Ontstaan, ontwikkeling en herbezinning van de landelijke gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’.

Inleiding.

Op 17 juni 1892 ontstonden De Gereformeerde Kerken in Nederland door het samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), respectievelijk afkomstig uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886.

De betrokkenheid van De Gereformeerde Kerken in Nederland bij het Joodse volk kent een lange en intensieve geschiedenis, die diep verankerd is in theologische overtuigingen en historische omstandigheden. Wat aanvankelijk werd opgevat als een vanzelfsprekende en noodzakelijke vorm van zending, is langzamerhand onderwerp geworden van kritische bezinning, ook binnen de Kerken zelf. Deze ontwikkeling weerspiegelt niet alleen veranderende maatschappelijke en politieke realiteiten, maar raakt ook fundamentele vragen over de verhouding tussen Kerk en Israël, over Zending en over de reikwijdte van theologische betrokkenheid.

In het kort wordt hieronder eerst de (landelijke) geschiedenis van de gereformeerde Arbeid onder Israël geschetst, geplaatst binnen de context van het Neocalvinisme, met aandacht voor zowel de oorspronkelijke visie als de latere herwaardering.

Vroege initiatieven en kerkelijke verankering.

Ds. E. Kropveld (1840-1920) en ds. J. van Andel (1839-1910).

Al vóór de Vereniging van 1892 bestond binnen de gereformeerde kring in ons land georganiseerde aandacht voor de Zending onder de Joden. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk werd in 1875 een Commissie voor de Zending onder Israël ingesteld, met als expliciet doel ‘Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’.

Het Besluit van de Chr. Geref. Synode van 1875.

In de beginfase speelden ds. E. Kropveld (1840-1920), zelf afkomstig uit het Jodendom, en ds. J. van Andel (1839-1910) een belangrijke rol. In 1877 bracht de commissie haar eerste rapport uit dat door de synode besproken werd. Uit het rapport bleek dat alom in de Christelijke Gereformeerde Kerk positief gereageerd werd op het besluit van de synode.

Het eerste rapport van de Commissie aan de Chr. Geref. Synode van 1877.

De werkzaamheden van de Commissie bestonden voornamelijk uit het verspreiden van lectuur, het doen van huis-aan-huiscolportage en het stimuleren van gebedsbijeenkomsten binnen de kerkelijke gemeenten. Tegelijk leefde de wens om te komen tot een meer samenhangende en theologisch doordachte aanpak.

Ná de ‘Vereniging’ van de Kerken in 1892 werd deze arbeid voortgezet binnen de nieuw gevormde Gereformeerde Kerken in Nederland. Omdat de Dordtse Kerkorde geen specifieke bepalingen kende voor Jodenzending, bleef de institutionele inbedding van dit werk afhankelijk van synodale besluiten en van de theologische accenten die binnen de Kerken de toon aangaven. Daarmee was van meet af aan sprake van een zekere kwetsbaarheid en interne spanning.

Neocalvinisme en innerlijke spanning.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

De verdere ontwikkeling van de gereformeerde Jodenzending vond plaats tegen de achtergrond van het opkomende Neocalvinisme, waarvan dr. Abraham Kuyper (1837-1920) de meest invloedrijke vertegenwoordiger was. Deze stroming legde sterk de nadruk op “Gods soevereiniteit over alle terreinen des levens” en riep op tot actieve presentie in Kerk, maatschappij en cultuur. Vanuit dit perspectief lag zendingsarbeid voor de hand.

Toch bracht het neocalvinistische denken ook spanningen met zich mee, met name door het scherpe ‘antithese-denken’. Kuyper formuleerde de verhouding tot het Jodendom namelijk nadrukkelijk als een tegenstelling tussen Christus en het Jodendom. Volgens hem diende de bekering van individuele Joden in principe plaats te vinden via de algemene evangelisatiearbeid, terwijl een afzonderlijke Zending onder Joden slechts beperkt gerechtvaardigd was, bijvoorbeeld ter bestrijding van de rabbijnse leer. Deze benadering werkte door in het woordgebruik van het Deputaatschap van de Synode, dat sprak over ‘Zending onder de Joden’ en met die term nam men impliciet afstand van een blijvende theologische betekenis van Israël als volk van God.

Het preadvies van de commissie die moest adviseren over ‘de stichting van Gereformeerde Kerken onder de Heidenen en de Zending onder de Joden’. Uit de ‘Acta van het Synodaal Convent’ van de Dolerende Kerken, gehouden in 1887.

Tegelijkertijd bleef binnen de gereformeerde wereld ook een andere overtuiging bestaan, waarin Israël een eigen en blijvende plaats in Gods heilsplan behield. Deze uiteenlopende visies kwamen al scherp naar voren tijdens de Jodenzending Conferentie van 1889 in Amsterdam en bleven nog decennialang hun invloed uitoefenen op het beleid en de praktijk van het werk. Ook tijdens het Zending-Congres van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), gehouden in januari 1890, werden noodzaak en inrichting van de Jodenzending besproken.

Het verslag van het Zending-Congres van de Dolerende Kerken.

Structurering en uitbreiding van het werk.

Een nieuwe fase brak aan met de benoeming van Jacob van Nes (1886-1949), die in 1916 als missionair predikant voor de Arbeid onder Joden werd bevestigd. Onder zijn leiding kreeg het werk een duidelijke organisatorische structuur. In tal van kerkelijke gemeenten werden plaatselijke commissies opgericht, er kwam systematisch huisbezoek, en via publicaties, zoals de Messiasbode, werd het evangelie breed verspreid. Daarnaast werd sterk ingezet op toerusting en voorlichting binnen de Kerken zelf. Daarvoor werd vanaf 1925 door het Deputaatschap het Zendingsblad uitgegeven. 

Den Haag fungeerde als belangrijk centrum, gevolgd door Amsterdam en later Rotterdam. Deze groei en professionalisering sloten nauw aan bij het neocalvinistische ideaal van doelgerichte organisatie en actieve verantwoordelijkheid. Tegelijk bleef het werk sterk bepaald door de opvatting dat de Christelijke Kerk in de plaats gekomen was van het Joodse volk (Israël) als het Verbondsvolk van God. Volgens die leer had het Nieuwe Verbond door Jezus Christus het Oude Verbond met Israël vervangen.

De kop van de in 1917 door ds. Jac. van Nes opgerichte ‘Messiasbode’.

De Jodenzending onder leiding van Van Nes riep uiteenlopende reacties op. Sommige kerkleden steunden het werk enthousiast, terwijl anderen twijfels hadden over het nut, de effectiviteit én over de ethische legitimiteit van Zending onder Joden. Binnen Joodse kringen waren de reacties overwegend kritisch. Hoewel Van Nes soms werd erkend als beleefd en betrokken, werd zijn werk gezien als een bedreiging voor de Joodse religieuze identiteit. Vooral de ongevraagde verspreiding van zendingsmateriaal leidde tot weerstand.

Oorlogservaringen en fundamentele vragen.

De Tweede Wereldoorlog vormde een dramatische cesuur. Gereformeerde predikanten en gemeenten waren tijdens de oorlog vaak sterk betrokken bij hulp aan Joden, bij onderduik en bij pogingen om via kerkelijke verklaringen levens te redden. Toch betekende de bijna volledige vernietiging van het Nederlandse Jodendom een schokkende confrontatie. Na 1945 kwam steeds duidelijker de vraag op of voortzetting van de bestaande zendingspraktijk nog wel mogelijk of verantwoord was.

Ook de oprichting van de staat Israël in 1948 droeg bij aan deze herbezinning. Israël werd niet langer uitsluitend gezien als object van kerkelijke zorg, maar als een levende religieuze en politieke werkelijkheid. Binnen het Deputaatschap voor de Zending onder de Joden groeide het besef dat de traditionele missionaire benadering steeds moeilijker te rechtvaardigen was, zowel theologisch als moreel.

Het Zendingscentrum te Baarn aan de Wilhelminalaan 3, waar jarenlang ook het ‘Deputaatschap voor de Zending onder de Joden’ gevestigd was.

Van missionaire pretentie naar ontmoeting.

Door deze veranderingen werden zowel het beleid als de gebruikte terminologie langzamerhand aangepast. In 1958 werd voor het eerst een bepaling over ‘Arbeid onder Joden’ opgenomen in de Kerkorde, al bleef de term ‘Zending’ gehandhaafd. Deze term riep vooral ook in Israël weerstand op en leidde in 1961 tot een naamswijziging van het Deputaatschap in ‘Evangelieverkondiging onder Israël’ en later tot ‘Kerk en Israël’.

In de jaren zeventig verschoof het accent verder. Intensieve Bijbelstudie, internationale contacten en gesprekken met Joodse partners leidden tot het beëindigen van het bezoekwerk aan individuele Joodse adressen. In plaats van een eenzijdige zendingsopdracht kwamen begrippen als luisteren, gelijkwaardigheid en wederkerigheid centraal te staan. Het initiatief Nes Ammim, bedoeld als christelijke presentie in Israël zonder zendingsdoel, werd een zichtbaar teken van deze nieuwe oriëntatie, al ging het gepaard met stevige interne discussies.

Het synodebesluit van 1988 vormde een belangrijk ijkpunt. Daarin werd uitgesproken “dat de Kerken geroepen zijn hun blijvende verbondenheid met Israël gestalte te geven en ruimte te scheppen voor wederzijds getuigenis, zonder de pretentie van eenzijdige bekering”.

Ds. W.J.J. Velders (1882-1939) was van 1922 tot 1926 de eerste Amsterdamse gereformeerde predikant voor de ‘Zending onder de Joden’.

Huidige beoordeling en blijvende vragen.

Tegen deze achtergrond wordt de gereformeerde Jodenzending vandaag met gemengde gevoelens bezien. Enerzijds getuigt zij van betrokkenheid, ernst en een diep gevoelde roeping. Anderzijds wordt zij kritisch geëvalueerd, ook door de Kerken zelf, mede vanwege het gebrek aan erkenning van de eigen religieuze integriteit van het Jodendom. Vooral het neocalvinistische activisme, dat ‘Zending onder Joden’ als vanzelfsprekend beschouwde, roept achteraf fundamentele vragen op.

Slotbeschouwing.

De geschiedenis van de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ laat zien hoe theologische overtuigingen zich ontwikkelen in wisselwerking met historische ervaringen. Wat ooit werd gezien als gehoorzaamheid aan een duidelijke roeping, wordt vandaag herlezen in het licht van de Holocaust, van dialoog en van verbondenheid. Juist deze spanning maakt duidelijk dat deze geschiedenis vraagt om een zorgvuldige, kritische en eerlijke omgang, waarin zowel overtuiging als zelfkritiek een plaats hebben.

2. De ‘Zending onder de Joden’ in de stad Groningen.

Overzicht van de kerkelijke situatie in de stad Groningen (1892-1944).

De Gereformeerde Kerk te Groningen ontstond op 30 juni 1925, toen de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Gemeente (1834) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk ‘doleerende’ (1887) samen verder gingen als De Gereformeerde Kerk te Groningen. Dat was ruim dertig jaar nadat de landelijke ‘Vereniging van 1892′ tot stand kwam. Tussen 1892 en 1925 was door beide Groninger Kerken met veel strubbelingen en hobbels toegewerkt naar de ‘Ineensmelting’, wat vaak eigenlijk alleen te zien was aan de veranderde naamgeving van beide kerken: de Christelijke Gereformeerde Gemeente heette tussen 1892 en 1925 – overeenkomstig de besluiten van de Generale Synode – ‘De Gereformeerde Kerk te Groningen A’, en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) werd toen ‘De Gereformeerde Kerk te Groningen B’ genoemd. Beide kerken waren tot de eenwording in 1925 geheel zelfstandig.

In 1944 leidde een sinds de jaren ‘30 gevoerde kerkstrijd tot de Vrijmaking, waardoor de zogenoemde Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) ontstonden. Dat hield voor de Gereformeerde Kerk te Groningen een halvering van het ledental in. Dit had, zo zullen we merken, ook consequenties voor het werk van de plaatselijke Zending onder de Joden.

A. De vooroorlogse Zending onder de Joden (tot 1940).

Over het vooroorlogse werk betreffende de gereformeerde Zending onder Joden in de stad Groningen weten we niet veel. Bekend is dat de Christelijke Gereformeerde Gemeente met dit werk al aan het eind van de negentiende eeuw een begin gemaakt had, maar de notulen van de kerkenraad en de berichtgeving in haar ‘Groningsch Kerkblad’ reppen er niet of nauwelijks over. De notulen van de betreffende commissie zijn niet bewaard gebleven.

Wel weten we dat de Groninger Dolerende Kerk al snel met de Evangelisatie onder Joden begon. Zo is bekend dat na jaren van arbeid de kerkenraad in 1895 negatief beschikte op een vraag van de Episcopaalse predikant ds. A.C. Adler (1835-1907), die zich ook met de Zending onder de Joden bezighield. Hij vroeg namelijk of hij in een gereformeerde (Dolerende) evangelisatiedienst voor de Joden mocht voorgaan. De kerkenraad vond dat niet wenselijk “omdat wij zelf Zending onder de Joden hebben”.

Ds. J.J. Miedema (1869-1936) van de Geref. Kerk te Groningen  B.

Dat Zendingswerk werd vooral vanaf 1907, na de komst van de Dolerende predikant ds. J.J. Miedema (1869-1936), vrij gericht onder diens leiding uitgevoerd (ds. Miedema was van 1907 tot 1935 aan de kerk van Groningen verbonden en was ook lid van het gereformeerde Generale Deputaatschap voor de Zending onder de Joden). De Dolerende kerkenraad vond dit werk zo belangrijk dat men deze arbeid het liefst samen met Kerk A wilde uitvoeren. In december 1911 werd de kerkenraad van Kerk A dan ook gevraagd of men daarvoor voelde. Kerk A ging akkoord en zo werd een gezamenlijke commissie op poten gezet.

Maar vervolgens lezen we ook daarover weinig tot niets; de notulenboeken van de commissie zijn – zoals al opgemerkt – niet bewaard gebleven. Wel weten we dat de evangelisatie onder Joden in de stad voornamelijk inhield het brengen van huisbezoeken, het uitdelen van traktaatjes en van het blad De Messiasbode (dat vanaf de oprichting in 1917 speciaal aan dit onderwerp gewijd was), en het houden van bijeenkomsten. Vooral die laatste hebben het nooit ver gebracht.

Ds. Jac. van Nes.

Ds. Jac. van Nes (1886-1949), ‘Zendeling onder de Joden’.

In 1912 verbond candidaat Jac. Van Nes (1886-1949) uit Rijsoord zich als hulppredikant aan de Groninger Kerk B. Hij had enige tijd daarvoor al een keer in de Zuiderkerk van Kerk B gepreekt, en dat was goed bevallen. De reden van zijn aanstelling was dat het kerkelijk werk voor ds. Miedema te zwaar werd. Van Nes’ werk in de stad bestond uit het vervullen van vacaturebeurten, het waarnemen van enkele catechisaties, het bezoeken van patiënten in de ziekenhuizen en het doen van huisbezoek. Ook zou hij (algemene) evangelisatiebijeenkomsten in de Kostverlorenbuurt leiden. Van Nes begon per 1 januari 1912, en meteen werd ook voor het volgende winterhalfjaar afgesproken.

Hoewel Van Nes zich in die tijd voor zover bekend niet of nauwelijks met de Zending onder de Joden bezighield, “kreeg hij, geïnspireerd door ds. Miedema, het volk van de Joden lief” en kreeg hij interesse voor dat werk. Dat bleef niet onopgemerkt, want de Generale Deputaten voor de Zending onder de Joden vroegen de kerkenraad hem af te staan voor het volgen van een studie aan het Institutum Judaïcum in Leipzig, zodat hij zich daar verder kon bekwamen tot de prediking onder de Joden. De kerkenraad stemde daarmee in, wat door Van Nes op prijs gesteld werd, want dat werk trok hem zeer aan. Vandaar dat zijn werk in Groningen met ingang van 1 april 1914 beëindigd werd.

Ds. Jac. van Nes werd bevestigd als predikant voor de Zending onder de Joden in de Oosterkerk in Den Haag.

Na zijn studie werd kandidaat Van Nes op 17 mei 1916 door ds. Miedema bevestigd in het ambt van ‘predikant in algemene dienst voor de Zending onder de Joden’. Deze gebeurtenis vond plaats in de gereformeerde Oosterkerk in Den Haag, aan welke kerk hij sindsdien ambtelijk verbonden was.

Van Nes – we komen hem later weer tegen – begon zich in 1917 dus toe te leggen op het Zendingswerk onder de Joden; hij was de pionier op dat gebied. In de eerste helft van het  jaar werden in Den Haag traktaten onder de Joodse stadsbewoners verspreid. Ook hield hij veel toespraken en in 1917 richtte bij het landelijke maandblad De Messiasbode op, waarvan het eerste nummer in mei van dat jaar verscheen. Ook in de stad Groningen werd het blad verspreid. We weten dat het blad vlak voor de Tweede Wereldoorlog in de stad Groningen ongeveer 800 abonnees telde.

Over het werk onder de Groninger Joodse bevolking weten we ook daarna weinig; ds. Miedema en de betreffende commissie zullen zich er ongetwijfeld ook daarna mee bezig gehouden hebben. Maar in de kerkenraadsnotulen wordt nauwelijks iets vermeld.

Na de oorlog.

Veel van de vergaderingen van de Groninger ‘Commissie voor Zending onder de Joden’ vonden na de oorlog plaats in de Zuiderkerk, totdat dat door de ‘Vrijmaking’ (van 1944) tien jaar later, vanaf 1954 niet meer mogelijk was (foto Wikipedia).

Vandaar dat we nu overstappen naar hetgeen in de Martinistad ná de oorlog op dit gebied gebeurde. Daarbij bekijken we eerst de grote lijnen van de werkzaamheden, onderverdeeld in een achttal periodes, met als toegift hier en daar een overzicht van een aantal specifieke gebeurtenissen uit die periodes, opgediept uit het archief.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Naar deel 2 >

Translation into English:

Church and Israel in the City of Groningen (1).

Introduction.

In this account we mainly describe the course of events concerning what for many years was called the Mission to the Jews, as it was carried out—especially after the Second World War—by the Gereformeerde Kerken in Nederland in the city of Groningen.

But we begin with an introductory narrative about the origin, development, and (very importantly) the fundamental rethinking of the nationwide ‘gereformeerde’ Work among Israel, later called Church and Israel—the name also given to the Mission to the Jews. After that we turn to developments in this field in the city of Groningen. Thanks to an extensive sub-archive on this subject in the archives of the Gereformeerde Kerk te Groningen-Zuid (see inventory numbers 1110 through 1126), much can be told about it.

The relationship between the Church and Israel has changed completely between 1926 and 2026. Many church members today experience the sharp tone of that time (“Whoever does not convert will be lost”) as painful, as well as the baptism of people in hiding after the liberation. As a result, the Reformed mission to the Jews between 1896 and 1964 often remains unmentioned in church historiography, even though it is clearly recorded in archival sources. That is why we do not avoid this subject on this website.

1. Origin, development, and reconsideration of the nationwide ‘gereformeerde’ “Work among Israel”.

Introduction.

On 17 June 1892, the Gereformeerde Kerken in Nederland came into being through the merger of the Christelijke Gereformeerde Kerk and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), originating respectively from the Secession of 1834 and the Doleantie of 1886.

The involvement of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Nederland with the Jewish people has a long and intense history, deeply rooted in theological convictions and historical circumstances. What was initially regarded as a self-evident and necessary form of mission gradually became the subject of critical reflection—even within the churches themselves. This development reflects not only changing social and political realities, but also touches fundamental questions about the relationship between Church and Israel, about mission, and about the scope of theological engagement.

Below, a brief outline is first given of the (national) history of the ‘gereformeerde’ Work among Israel, placed within the context of Neocalvinism, with attention both to its original vision and its later reassessment.

Early initiatives and ecclesiastical anchoring.

Even before the Union of 1892, organized attention to mission among the Jews already existed within ‘gereformeerde’ circles in our country. Within the Christelijke Gereformeerde Kerk, a Commission for Mission among Israel was established in 1875, with the explicit aim “to bring Israel to the feet of its Messiah.”

In the early phase, Rev. E. Kropveld (himself of Jewish origin) and Rev. J. van Andel played an important role. In 1877 the commission submitted its first report, which was discussed by the synod. It showed that throughout the Christelijke Gereformeerde Kerk there was a positive response to the synod’s decision.

The commission’s work consisted mainly of distributing literature, conducting door-to-door colportage, and encouraging prayer meetings within church congregations. At the same time, there was a desire to develop a more coherent and theologically well-considered approach.

After the “Union” of 1892, this work continued within the newly formed Gereformeerde Kerken in Nederland. Because the Dordt Church Order contained no specific provisions regarding mission to the Jews, the institutional embedding of this work depended on synodical decisions and on the theological emphases prevailing within the churches. From the outset, therefore, there was a certain vulnerability and internal tension.

Neocalvinism and internal tension.

The further development of ‘gereformeerde’ mission to the Jews took place against the background of emerging Neocalvinism, whose most influential representative was Dr. Abraham Kuyper. This movement strongly emphasized “God’s sovereignty over all areas of life” and called for active presence in church, society, and culture. From this perspective, missionary work was self-evident.

Yet Neocalvinist thinking also brought tensions, particularly through its sharp “antithesis thinking.” Kuyper formulated the relationship to Judaism explicitly as an opposition between Christ and Judaism. According to him, the conversion of individual Jews should in principle occur through general evangelistic work, while a separate mission to Jews was only partially justified—for example, to counter rabbinic teaching. This approach influenced the terminology of the Synod’s Deputies, who spoke of “Mission to the Jews,” thereby implicitly distancing themselves from any continuing theological significance of Israel as the people of God.

At the same time, another conviction remained within the ‘gereformeerde’ world: that Israel retained its own continuing place in God’s plan of salvation. These differing views emerged sharply at the Jewish Mission Conference of 1889 in Amsterdam and continued to influence policy and practice for decades. The necessity and structure of mission to the Jews were also discussed at the Mission Congress of the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), held in January 1890.

Structuring and expansion of the work.

A new phase began with the appointment of Jacob van Nes, who in 1916 was ordained as a missionary minister for work among Jews. Under his leadership the work acquired a clear organizational structure. Local committees were established in many congregations, systematic home visitation was introduced, and publications were widely distributed. Strong emphasis was also placed on training and information within the churches themselves.

Den Haag functioned as an important centre, followed by Rotterdam. This growth and professionalization closely aligned with the Neocalvinist ideal of purposeful organization and active responsibility. At the same time, the work remained strongly shaped by the view that the Christian Church had replaced the Jewish people (Israel) as God’s covenant people—that the New Covenant through Jesus Christ had replaced the Old Covenant with Israel.

The Jewish mission under Van Nes provoked diverse reactions. Some church members supported the work enthusiastically, while others had doubts about its usefulness, effectiveness, and ethical legitimacy. Within Jewish circles reactions were largely critical. Although Van Nes was sometimes recognized as courteous and committed, his work was seen as a threat to Jewish religious identity—especially the unsolicited distribution of missionary material.

War experiences and fundamental questions.

The Second World War marked a dramatic turning point. During the war, ‘gereformeerde’ ministers and congregations were often deeply involved in helping Jews, providing hiding places, and attempting to save lives through church declarations. Yet the near-complete destruction of Dutch Jewry was a shocking confrontation. After 1945 the question increasingly arose whether continuation of the existing missionary practice was still possible or responsible.

The establishment of the state of Israël in 1948 also contributed to this reconsideration. Israel was no longer seen solely as an object of church concern, but as a living religious and political reality. Within the Deputies for Mission to the Jews, awareness grew that the traditional missionary approach was becoming increasingly difficult to justify—both theologically and morally.

From missionary claim to encounter.

These changes gradually led to adjustments in both policy and terminology. In 1958, a provision on “Work among Jews” was included in the Church Order for the first time, although the term “mission” remained. This term provoked resistance, particularly in Israel, and in 1961 the Deputies were renamed “Proclamation of the Gospel among Israel,” later “Church and Israel.”

In the 1970s the emphasis shifted further. Intensive Bible study, international contacts, and conversations with Jewish partners led to the discontinuation of visits to individual Jewish addresses. Instead of a one-sided missionary mandate, concepts such as listening, equality, and reciprocity became central. The initiative Nes Ammim—intended as a Christian presence in Israel without missionary purpose—became a visible sign of this new orientation, though it was accompanied by intense internal debate.

The synod decision of 1988 formed an important milestone. It declared “that the churches are called to give form to their continuing bond with Israel and to create space for mutual witness, without the pretension of one-sided conversion.”

Present evaluation and enduring questions.

Against this background, ‘gereformeerde’ mission to the Jews is now viewed with mixed feelings. On the one hand, it testifies to commitment, seriousness, and a deeply felt calling. On the other hand, it is critically evaluated—even by the churches themselves—partly because of the lack of recognition of Judaism’s own religious integrity. Especially Neocalvinist activism, which regarded mission to the Jews as self-evident, now raises fundamental questions in retrospect.

Concluding reflection.

The history of the ‘gereformeerde’ “Work among Israel” shows how theological convictions develop in interaction with historical experience. What was once seen as obedience to a clear calling is today reread in the light of the Holocaust, dialogue, and connectedness. Precisely this tension shows that this history requires careful, critical, and honest engagement, in which both conviction and self-criticism have their place.

2. The “Mission to the Jews” in the city of Groningen.

Overview of the church situation in the city of Groningen (1892–1944).

The Gereformeerde Kerk te Groningen came into being on 30 June 1925, when the local Christelijke Gereformeerde Congregation (1834) and the Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) (1887) continued together as one church. This occurred more than thirty years after the national Union of 1892. Between 1892 and 1925 both Groningen churches worked toward merger with many difficulties and obstacles, often visible mainly in changes of name: the Christelijke Gereformeerde Congregation became “Gereformeerde Kerk te Groningen A,” and the Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) became “Gereformeerde Kerk te Groningen B.” Both remained entirely independent until 1925.

In 1944, a church conflict that had been developing since the 1930s led to the Liberation (Vrijmaking), resulting in the formation of the Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). For the Groningen church this meant a halving of membership. As we shall see, this also had consequences for local mission work among the Jews.

A. Pre-war mission to the Jews (until 1940).

We know little about the pre-war ‘gereformeerde’ mission to Jews in Groningen. It is known that the Christelijke Gereformeerde Congregation began this work at the end of the nineteenth century, but the consistory minutes and its church paper hardly mention it. The committee’s minutes have not been preserved.

We do know that the Groningen Doleantie church soon began evangelization among Jews. After years of work, in 1895 the consistory declined a request from Episcopal minister A.C. Adler, who was also active in mission to the Jews. He asked to lead a ‘gereformeerde’ evangelistic service for Jews. The consistory considered this undesirable “because we ourselves have mission to the Jews.”

From 1907 onward, after the arrival of the Doleantie minister J.J. Miedema, the work was carried out more systematically under his leadership. The consistory considered the work so important that it wished to conduct it jointly with Church A. In December 1911 Church A was asked whether it agreed, and a joint committee was established.

However, little is recorded about this committee; its minute books have not survived. We do know that evangelization among Jews in the city mainly consisted of home visits, distributing tracts and a special periodical devoted to the subject, and holding meetings—though the latter never developed very far.

Rev. Jac. van Nes.

In 1912 candidate Van Nes from Rijsoord became assistant minister of Church B in Groningen. He had previously preached in the Zuiderkerk and had been well received. His appointment was due to the heavy workload of Rev. Miedema, who was also a member of the General Deputies for Mission to the Jews.

Van Nes’s work included filling vacancies, teaching catechism classes, visiting hospital patients, and conducting home visits. He also led general evangelistic meetings in the Kostverloren district. He began on 1 January 1912, and an extension was soon arranged.

Although at that time he was hardly involved in mission to the Jews, “inspired by Rev. Miedema, he came to love the Jewish people” and developed an interest in that work. This did not go unnoticed: the General Deputies asked the consistory to release him to study at the Institutum Judaïcum Leipzig so he could prepare further for preaching among Jews. The consistory agreed, and Van Nes’s work in Groningen ended on 1 April 1914.

After his studies he was ordained on 17 May 1916 by Rev. Miedema as “minister in general service for Mission to the Jews.” This took place in the Oosterkerk in The Hague, to which he was officially attached.

Van Nes—whom we will meet again later—devoted himself fully to mission among Jews from 1917 onward and became a pioneer in this field. In the first half of that year, tracts were distributed among Jewish residents of The Hague. He gave many lectures and founded a national monthly periodical devoted to this work. It was also distributed in Groningen, where shortly before the Second World War it had about 800 subscribers.

After the war.

We know little about the work among Groningen’s Jewish population afterward; Rev. Miedema and the committee were undoubtedly involved, but consistory minutes mention little.

We therefore now turn to what happened in the Martinistad after the war. We first examine the broad lines of activity, divided into eight periods, supplemented here and there by descriptions of specific events from the archives.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

To Part 2 >