Vooraf.
In dit verhaal beschrijven we vooral de gang van zaken met betrekking tot de wat jaren lang genoemd werd Zending onder de Joden, zoals die – vooral na de Tweede Wereldoorlog – door de Gereformeerde Kerken in de stad Groningen uitgevoerd werd.

Maar we beginnen met een inleidend verhaal over het ontstaan, de ontwikkeling en (heel belangrijk) de fundamentele herbezinning van de landelijke gereformeerde Arbeid onder Israël en later Kerk en Israël, zoals de Zending onder de Joden ook genoemd werd. Daarna gaan we verder met de ontwikkelingen op dit gebied in de stad Groningen. Dankzij een uitvoerig deelarchief over dit onderwerp in het Archief van De Gereformeerde Kerk te Groningen-Zuid (zie de inventarisnummers 1110 tot en met 1126) kunnen we daarover veel vertellen.
De relatie Kerk en Israël heeft zich tussen 1926 en 2026 totaal veranderd. Veel kerkleden nu ervaren de scherpe toon van destijds (‘Wie zich niet bekeert gaat verloren’) als pijnlijk, evenals de doop van onderduikers na de bevrijding. Gevolg is dat de gereformeerde Jodenzending tussen 1896 en 1964 vaak onbenoemd blijft in de kerkelijke geschiedschrijving, hoewel toch duidelijk vermeld in de archiefbronnen. Vandaar dat we dit onderwerp op deze website niet uit te weg gaan.
1. Ontstaan, ontwikkeling en herbezinning van de landelijke gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’.
Inleiding.
Op 17 juni 1892 ontstonden De Gereformeerde Kerken in Nederland door het samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), respectievelijk afkomstig uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886.
De betrokkenheid van De Gereformeerde Kerken in Nederland bij het Joodse volk kent een lange en intensieve geschiedenis, die diep verankerd is in theologische overtuigingen en historische omstandigheden. Wat aanvankelijk werd opgevat als een vanzelfsprekende en noodzakelijke vorm van zending, is langzamerhand onderwerp geworden van kritische bezinning, ook binnen de Kerken zelf. Deze ontwikkeling weerspiegelt niet alleen veranderende maatschappelijke en politieke realiteiten, maar raakt ook fundamentele vragen over de verhouding tussen Kerk en Israël, over Zending en over de reikwijdte van theologische betrokkenheid.
In het kort wordt hieronder eerst de (landelijke) geschiedenis van de gereformeerde Arbeid onder Israël geschetst, geplaatst binnen de context van het Neocalvinisme, met aandacht voor zowel de oorspronkelijke visie als de latere herwaardering.
Vroege initiatieven en kerkelijke verankering.

Al vóór de Vereniging van 1892 bestond binnen de gereformeerde kring in ons land georganiseerde aandacht voor de Zending onder de Joden. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk werd in 1875 een Commissie voor de Zending onder Israël ingesteld, met als expliciet doel ‘Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’.

In de beginfase speelden ds. E. Kropveld (1840-1920), zelf afkomstig uit het Jodendom, en ds. J. van Andel (1839-1910) een belangrijke rol. In 1877 bracht de commissie haar eerste rapport uit dat door de synode besproken werd. Uit het rapport bleek dat alom in de Christelijke Gereformeerde Kerk positief gereageerd werd op het besluit van de synode.

De werkzaamheden van de Commissie bestonden voornamelijk uit het verspreiden van lectuur, het doen van huis-aan-huiscolportage en het stimuleren van gebedsbijeenkomsten binnen de kerkelijke gemeenten. Tegelijk leefde de wens om te komen tot een meer samenhangende en theologisch doordachte aanpak.
Ná de ‘Vereniging’ van de Kerken in 1892 werd deze arbeid voortgezet binnen de nieuw gevormde Gereformeerde Kerken in Nederland. Omdat de Dordtse Kerkorde geen specifieke bepalingen kende voor Jodenzending, bleef de institutionele inbedding van dit werk afhankelijk van synodale besluiten en van de theologische accenten die binnen de Kerken de toon aangaven. Daarmee was van meet af aan sprake van een zekere kwetsbaarheid en interne spanning.
Neocalvinisme en innerlijke spanning.

De verdere ontwikkeling van de gereformeerde Jodenzending vond plaats tegen de achtergrond van het opkomende Neocalvinisme, waarvan dr. Abraham Kuyper (1837-1920) de meest invloedrijke vertegenwoordiger was. Deze stroming legde sterk de nadruk op “Gods soevereiniteit over alle terreinen des levens” en riep op tot actieve presentie in Kerk, maatschappij en cultuur. Vanuit dit perspectief lag zendingsarbeid voor de hand.
Toch bracht het neocalvinistische denken ook spanningen met zich mee, met name door het scherpe ‘antithese-denken’. Kuyper formuleerde de verhouding tot het Jodendom namelijk nadrukkelijk als een tegenstelling tussen Christus en het Jodendom. Volgens hem diende de bekering van individuele Joden in principe plaats te vinden via de algemene evangelisatiearbeid, terwijl een afzonderlijke Zending onder Joden slechts beperkt gerechtvaardigd was, bijvoorbeeld ter bestrijding van de rabbijnse leer. Deze benadering werkte door in het woordgebruik van het Deputaatschap van de Synode, dat sprak over ‘Zending onder de Joden’ en met die term nam men impliciet afstand van een blijvende theologische betekenis van Israël als volk van God.

Tegelijkertijd bleef binnen de gereformeerde wereld ook een andere overtuiging bestaan, waarin Israël een eigen en blijvende plaats in Gods heilsplan behield. Deze uiteenlopende visies kwamen al scherp naar voren tijdens de Jodenzending Conferentie van 1889 in Amsterdam en bleven nog decennialang hun invloed uitoefenen op het beleid en de praktijk van het werk. Ook tijdens het Zending-Congres van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende), gehouden in januari 1890, werden noodzaak en inrichting van de Jodenzending besproken.

Structurering en uitbreiding van het werk.
Een nieuwe fase brak aan met de benoeming van Jacob van Nes (1886-1949), die in 1916 als missionair predikant voor de Arbeid onder Joden werd bevestigd. Onder zijn leiding kreeg het werk een duidelijke organisatorische structuur. In tal van kerkelijke gemeenten werden plaatselijke commissies opgericht, er kwam systematisch huisbezoek, en via publicaties, zoals de Messiasbode, werd het evangelie breed verspreid. Daarnaast werd sterk ingezet op toerusting en voorlichting binnen de Kerken zelf. Daarvoor werd vanaf 1925 door het Deputaatschap het Zendingsblad uitgegeven.
Den Haag fungeerde als belangrijk centrum, gevolgd door Amsterdam en later Rotterdam. Deze groei en professionalisering sloten nauw aan bij het neocalvinistische ideaal van doelgerichte organisatie en actieve verantwoordelijkheid. Tegelijk bleef het werk sterk bepaald door de opvatting dat de Christelijke Kerk in de plaats gekomen was van het Joodse volk (Israël) als het Verbondsvolk van God. Volgens die leer had het Nieuwe Verbond door Jezus Christus het Oude Verbond met Israël vervangen.

De Jodenzending onder leiding van Van Nes riep uiteenlopende reacties op. Sommige kerkleden steunden het werk enthousiast, terwijl anderen twijfels hadden over het nut, de effectiviteit én over de ethische legitimiteit van Zending onder Joden. Binnen Joodse kringen waren de reacties overwegend kritisch. Hoewel Van Nes soms werd erkend als beleefd en betrokken, werd zijn werk gezien als een bedreiging voor de Joodse religieuze identiteit. Vooral de ongevraagde verspreiding van zendingsmateriaal leidde tot weerstand.
Oorlogservaringen en fundamentele vragen.
De Tweede Wereldoorlog vormde een dramatische cesuur. Gereformeerde predikanten en gemeenten waren tijdens de oorlog vaak sterk betrokken bij hulp aan Joden, bij onderduik en bij pogingen om via kerkelijke verklaringen levens te redden. Toch betekende de bijna volledige vernietiging van het Nederlandse Jodendom een schokkende confrontatie. Na 1945 kwam steeds duidelijker de vraag op of voortzetting van de bestaande zendingspraktijk nog wel mogelijk of verantwoord was.
Ook de oprichting van de staat Israël in 1948 droeg bij aan deze herbezinning. Israël werd niet langer uitsluitend gezien als object van kerkelijke zorg, maar als een levende religieuze en politieke werkelijkheid. Binnen het Deputaatschap voor de Zending onder de Joden groeide het besef dat de traditionele missionaire benadering steeds moeilijker te rechtvaardigen was, zowel theologisch als moreel.

Van missionaire pretentie naar ontmoeting.
Door deze veranderingen werden zowel het beleid als de gebruikte terminologie langzamerhand aangepast. In 1958 werd voor het eerst een bepaling over ‘Arbeid onder Joden’ opgenomen in de Kerkorde, al bleef de term ‘Zending’ gehandhaafd. Deze term riep vooral ook in Israël weerstand op en leidde in 1961 tot een naamswijziging van het Deputaatschap in ‘Evangelieverkondiging onder Israël’ en later tot ‘Kerk en Israël’.
In de jaren zeventig verschoof het accent verder. Intensieve Bijbelstudie, internationale contacten en gesprekken met Joodse partners leidden tot het beëindigen van het bezoekwerk aan individuele Joodse adressen. In plaats van een eenzijdige zendingsopdracht kwamen begrippen als luisteren, gelijkwaardigheid en wederkerigheid centraal te staan. Het initiatief Nes Ammim, bedoeld als christelijke presentie in Israël zonder zendingsdoel, werd een zichtbaar teken van deze nieuwe oriëntatie, al ging het gepaard met stevige interne discussies.
Het synodebesluit van 1988 vormde een belangrijk ijkpunt. Daarin werd uitgesproken “dat de Kerken geroepen zijn hun blijvende verbondenheid met Israël gestalte te geven en ruimte te scheppen voor wederzijds getuigenis, zonder de pretentie van eenzijdige bekering”.

Huidige beoordeling en blijvende vragen.
Tegen deze achtergrond wordt de gereformeerde Jodenzending vandaag met gemengde gevoelens bezien. Enerzijds getuigt zij van betrokkenheid, ernst en een diep gevoelde roeping. Anderzijds wordt zij kritisch geëvalueerd, ook door de Kerken zelf, mede vanwege het gebrek aan erkenning van de eigen religieuze integriteit van het Jodendom. Vooral het neocalvinistische activisme, dat ‘Zending onder Joden’ als vanzelfsprekend beschouwde, roept achteraf fundamentele vragen op.
Slotbeschouwing.
De geschiedenis van de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ laat zien hoe theologische overtuigingen zich ontwikkelen in wisselwerking met historische ervaringen. Wat ooit werd gezien als gehoorzaamheid aan een duidelijke roeping, wordt vandaag herlezen in het licht van de Holocaust, van dialoog en van verbondenheid. Juist deze spanning maakt duidelijk dat deze geschiedenis vraagt om een zorgvuldige, kritische en eerlijke omgang, waarin zowel overtuiging als zelfkritiek een plaats hebben.
2. De ‘Zending onder de Joden’ in de stad Groningen.
Overzicht van de kerkelijke situatie in de stad Groningen (1892-1944).
De Gereformeerde Kerk te Groningen ontstond op 30 juni 1925, toen de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Gemeente (1834) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk ‘doleerende’ (1887) samen verder gingen als De Gereformeerde Kerk te Groningen. Dat was ruim dertig jaar nadat de landelijke ‘Vereniging van 1892′ tot stand kwam. Tussen 1892 en 1925 was door beide Groninger Kerken met veel strubbelingen en hobbels toegewerkt naar de ‘Ineensmelting’, wat vaak eigenlijk alleen te zien was aan de veranderde naamgeving van beide kerken: de Christelijke Gereformeerde Gemeente heette tussen 1892 en 1925 – overeenkomstig de besluiten van de Generale Synode – ‘De Gereformeerde Kerk te Groningen A’, en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) werd toen ‘De Gereformeerde Kerk te Groningen B’ genoemd. Beide kerken waren tot de eenwording in 1925 geheel zelfstandig.
In 1944 leidde een sinds de jaren ‘30 gevoerde kerkstrijd tot de Vrijmaking, waardoor de zogenoemde Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) ontstonden. Dat hield voor de Gereformeerde Kerk te Groningen een halvering van het ledental in. Dit had, zo zullen we merken, ook consequenties voor het werk van de plaatselijke Zending onder de Joden.
A. De vooroorlogse Zending onder de Joden (tot 1940).
Over het vooroorlogse werk betreffende de gereformeerde Zending onder Joden in de stad Groningen weten we niet veel. Bekend is dat de Christelijke Gereformeerde Gemeente met dit werk al aan het eind van de negentiende eeuw een begin gemaakt had, maar de notulen van de kerkenraad en de berichtgeving in haar ‘Groningsch Kerkblad’ reppen er niet of nauwelijks over. De notulen van de betreffende commissie zijn niet bewaard gebleven.
Wel weten we dat de Groninger Dolerende Kerk al snel met de Evangelisatie onder Joden begon. Zo is bekend dat na jaren van arbeid de kerkenraad in 1895 negatief beschikte op een vraag van de Episcopaalse predikant ds. A.C. Adler (1835-1907), die zich ook met de Zending onder de Joden bezighield. Hij vroeg namelijk of hij in een gereformeerde (Dolerende) evangelisatiedienst voor de Joden mocht voorgaan. De kerkenraad vond dat niet wenselijk “omdat wij zelf Zending onder de Joden hebben”.

Dat Zendingswerk werd vooral vanaf 1907, na de komst van de Dolerende predikant ds. J.J. Miedema (1869-1936), vrij gericht onder diens leiding uitgevoerd (ds. Miedema was van 1907 tot 1935 aan de kerk van Groningen verbonden en was ook lid van het gereformeerde Generale Deputaatschap voor de Zending onder de Joden). De Dolerende kerkenraad vond dit werk zo belangrijk dat men deze arbeid het liefst samen met Kerk A wilde uitvoeren. In december 1911 werd de kerkenraad van Kerk A dan ook gevraagd of men daarvoor voelde. Kerk A ging akkoord en zo werd een gezamenlijke commissie op poten gezet.
Maar vervolgens lezen we ook daarover weinig tot niets; de notulenboeken van de commissie zijn – zoals al opgemerkt – niet bewaard gebleven. Wel weten we dat de evangelisatie onder Joden in de stad voornamelijk inhield het brengen van huisbezoeken, het uitdelen van traktaatjes en van het blad De Messiasbode (dat vanaf de oprichting in 1917 speciaal aan dit onderwerp gewijd was), en het houden van bijeenkomsten. Vooral die laatste hebben het nooit ver gebracht.
Ds. Jac. van Nes.

In 1912 verbond candidaat Jac. Van Nes (1886-1949) uit Rijsoord zich als hulppredikant aan de Groninger Kerk B. Hij had enige tijd daarvoor al een keer in de Zuiderkerk van Kerk B gepreekt, en dat was goed bevallen. De reden van zijn aanstelling was dat het kerkelijk werk voor ds. Miedema te zwaar werd. Van Nes’ werk in de stad bestond uit het vervullen van vacaturebeurten, het waarnemen van enkele catechisaties, het bezoeken van patiënten in de ziekenhuizen en het doen van huisbezoek. Ook zou hij (algemene) evangelisatiebijeenkomsten in de Kostverlorenbuurt leiden. Van Nes begon per 1 januari 1912, en meteen werd ook voor het volgende winterhalfjaar afgesproken.
Hoewel Van Nes zich in die tijd voor zover bekend niet of nauwelijks met de Zending onder de Joden bezighield, “kreeg hij, geïnspireerd door ds. Miedema, het volk van de Joden lief” en kreeg hij interesse voor dat werk. Dat bleef niet onopgemerkt, want de Generale Deputaten voor de Zending onder de Joden vroegen de kerkenraad hem af te staan voor het volgen van een studie aan het Institutum Judaïcum in Leipzig, zodat hij zich daar verder kon bekwamen tot de prediking onder de Joden. De kerkenraad stemde daarmee in, wat door Van Nes op prijs gesteld werd, want dat werk trok hem zeer aan. Vandaar dat zijn werk in Groningen met ingang van 1 april 1914 beëindigd werd.

Na zijn studie werd kandidaat Van Nes op 17 mei 1916 door ds. Miedema bevestigd in het ambt van ‘predikant in algemene dienst voor de Zending onder de Joden’. Deze gebeurtenis vond plaats in de gereformeerde Oosterkerk in Den Haag, aan welke kerk hij sindsdien ambtelijk verbonden was.
Van Nes – we komen hem later weer tegen – begon zich in 1917 dus toe te leggen op het Zendingswerk onder de Joden; hij was de pionier op dat gebied. In de eerste helft van het jaar werden in Den Haag traktaten onder de Joodse stadsbewoners verspreid. Ook hield hij veel toespraken en in 1917 richtte bij het landelijke maandblad De Messiasbode op, waarvan het eerste nummer in mei van dat jaar verscheen. Ook in de stad Groningen werd het blad verspreid. We weten dat het blad vlak voor de Tweede Wereldoorlog in de stad Groningen ongeveer 800 abonnees telde.
Over het werk onder de Groninger Joodse bevolking weten we ook daarna weinig; ds. Miedema en de betreffende commissie zullen zich er ongetwijfeld ook daarna mee bezig gehouden hebben. Maar in de kerkenraadsnotulen wordt nauwelijks iets vermeld.
Na de oorlog.

Vandaar dat we nu overstappen naar hetgeen in de Martinistad ná de oorlog op dit gebied gebeurde. Daarbij bekijken we eerst de grote lijnen van de werkzaamheden, onderverdeeld in een achttal periodes, met als toegift hier en daar een overzicht van een aantal specifieke gebeurtenissen uit die periodes, opgediept uit het archief.
© 2026. GereformeerdeKerken.info


