De Kamper Theologische School in de 19de eeuw (2)

Studentenleven en corps.

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – De studenten in Kampen beperkten zich niet tot studie alleen. Net als aan andere opleidingen ontstond er een levendig verenigingsleven.

Het vaandel van de studentenvereniging FQI.

Aanvankelijk organiseerden studenten hun eigen bijeenkomsten in zogenaamde ‘vrije kransen’, waarin zij als vrije vogels buiten het toezicht van docenten discussieerden.

In 1863 werd een studentencorps opgericht. Tien jaar later kreeg het een naam: Fides Quaerit Intellectum (‘Het geloof zoekt te verstaan’). Het corps kende een bestuur, een senaat en verscheidene tradities. De voorzitter – vaak praetor genoemd – vertegenwoordigde de studenten tegenover de docenten. Het corps organiseerde feesten, verkiezingen en jaarlijkse vieringen. De verjaardag van het corps werd plechtig herdacht en nieuwe leden werden ceremonieel geïnstalleerd. Zulke tradities versterkten het gevoel van gemeenschap onder de studenten.

Met de groei van het aantal studenten ontstonden ook zgn. disputen: kleinere groepen waarin studenten regelmatig samenkwamen om theologische of filosofische vraagstukken te bespreken. Deze disputen boden ruimte voor intensieve studie en debat. Enige tijd was er zelfs een geheime vereniging met als doel de hele school onder controle te krijgen. De studenten waren opstandig omdat de toestand op de school niet was zoals zij die wensten.

Opstand…

Docent Maarten Noordtzij (1840-1915).

De studentenonrust kwam in 1879 tot een dieptepunt: op corpsfeesten – zeggen de notulen van de Kuratoren – werden allerlei ‘treurige feiten’ gepleegd. Die schandalen en enkele andere zaken werden aanleiding tot een scheuring in het studentencorps, waarbij een minderheid van vijfentwintig studenten er met de corps-eigendommen vandoor ging, die alleen door dreiging met uitsluiting van de studie weer terugkwamen. Uit de vele bekende feiten noemen we nog, dat studenten een der kamers van de School bezetten, met het gevolg dat de energieke, niet voor een kleintje vervaarde, toen 39-jarige docent Maarten Noordtzij (1840-1915) de deur intrapte, waarmee de bezetting was opgeheven. De rust keerde spoedig weer.

Zondagschool en maatschappelijke betrokkenheid.

Naast hun studie en verenigingsleven waren veel studenten actief in het zondagschoolwerk. In de arme wijken van Kampen gaven zij onderwijs aan kinderen uit arbeidersgezinnen.

Dit werk had een duidelijke sociale dimensie. De studenten probeerden kinderen uit achtergestelde buurten in contact te brengen met de Bijbel en het kerkelijk leven. Tegelijkertijd kregen zij zelf ervaring in het omgaan met verschillende groepen binnen de samenleving.

Volgens sommige waarnemers heeft dit zondagschoolwerk bijgedragen aan het behoud van een sterke orthodoxe traditie in de stad. De studenten speelden daarmee een rol die verder reikte dan hun eigen opleiding.

Ds. D.K. Wielenga (1842-1902) was van 1882 tot 1902 aan de Theologische School in Kampen verbonden.

Wonen bij hospita’s.

De meeste studenten woonden bij hospita’s in de stad. Zij huurden een kamer (‘een kast’) – vaak de beste kamer van het huis – en namen hun maaltijden bij het gezin van de hospita.

Het leven op kamers had zijn eigen regels en gewoonten. De hospita zorgde voor het eten, de was en het schoonmaken van de kamer. ’s Morgens werd de student gewekt door een klop op de deur, zodat hij op tijd bij de colleges kon zijn.

Soms ontstonden er conflicten over geld, gedrag of huishoudelijke zaken. In zulke gevallen konden docenten bemiddelen. Het docentencollege fungeerde dan als een soort rechtbank waarin geschillen werden besproken.

Hoewel de meeste relaties tussen studenten en hospita’s goed waren, kon het dus soms ook tot problemen leiden. In enkele gevallen moesten disciplinaire maatregelen worden genomen: een student kon  dan door de kerkenraad van Kampen onder kerkelijke censuur geplaatst worden.

Toelating tot de studie.

Om tot de opleiding te worden toegelaten moest een kandidaat verschillende stappen doorlopen. Allereerst moest hij een attest van zijn kerkenraad overleggen waaruit bleek dat hij geschikt werd geacht voor het predikantschap. Daarnaast moest hij aantonen dat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien.

Stadsgezicht van Kampen.

De kosten van de studie waren niet gering. Een jaar studie kostte ongeveer 250 gulden, een bedrag dat voor veel gezinnen aanzienlijk was. Toch slaagden veel studenten erin de opleiding te volgen, vaak met steun van kerkelijke fondsen of particuliere weldoeners.

Na toelating werd de student ingeschreven in het Album der Studenten van de Theologische School. Daarmee begon een studie die gemiddeld vijf jaar duurde.

Vooropleiding en studieprogramma.

Omdat veel studenten uit eenvoudige milieus kwamen en niet altijd een uitgebreide schoolopleiding hadden gevolgd, werd een vooropleiding ingericht. Een onderwijzer gaf vakken als Nederlands, moderne talen, wiskunde en geschiedenis. Deze vooropleiding was bedoeld om studenten voldoende kennis en vaardigheden te geven voordat zij aan de eigenlijke theologische studie begonnen.

De theologische studie zelf bestond uit verschillende onderdelen. Studenten kregen onderwijs in Bijbeluitleg, kerkgeschiedenis, dogmatiek en praktische vakken zoals predikkunde en catechetiek. Daarnaast werd aandacht besteed aan klassieke talen, filosofie en logica.

Het programma was ambitieus, maar moest voortdurend worden aangepast aan de uiteenlopende achtergronden van de studenten.

Het zegel van de vroegere Theologische Hogeschool te Kampen.

Examens en beroepbaarheid.

De examens vormden een belangrijk onderdeel van de studie. Aanvankelijk werden zij afgenomen door de curatoren van de school. Deze bestuurders (uit elke provincie één) hadden de verschillende vakken onderling verdeeld en ondervroegen de kandidaten tijdens openbare zittingen. Een bijzonder moment vormde het laatste examen, waarbij de student een preek moest houden. Als hij slaagde, werd hij onmiddellijk beroepbaar gesteld als predikant.

Hoewel dit systeem soms kritiek kreeg, functioneerde het jarenlang als een belangrijk onderdeel van de opleiding.

Studie en dagelijks leven.

Het dagelijks leven van de studenten werd sterk bepaald door het collegeprogramma. Colleges vonden plaats in de ochtenduren, meestal van negen tot half twee. Op vrijdagavond was er ‘krans’, terwijl donderdag vaak werd gebruikt voor studie, vergaderingen of ontspanning.

De lessentabel in het schooljaar 1859-1860 (bron: ‘Tot de prediking tot het Woord des geloofs’).

De vakanties waren relatief kort: vier weken in de zomer en twee weken rond Pasen. Veel studenten gebruikten deze tijd om familie te bezoeken of om in gemeenten te helpen bij kerkelijk werk.

Het leven in Kampen had daarnaast ook ontspannende kanten. Studenten maakten wandelingen in de omgeving of gingen in de winter schaatsen op de bevroren wateren rond de stad.

Theologische ontwikkeling.

In de eerste decennia van de school was het onderwijs sterk gebaseerd op oudere gereformeerde handboeken uit de zeventiende en achttiende eeuw. Pas later kwam er meer aandacht voor nieuwe theologische ontwikkelingen.

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw kreeg de school een belangrijke impuls door de komst van nieuwe docenten die academisch waren gevormd. Zij brachten een meer wetenschappelijke aanpak van de theologie met zich mee. Het waren dr. H. Bavinck (1854-1921), ds. L. Lindeboom (1845-1933) en ds. D.K. Wielenga (1841-1902).

Deze ontwikkeling betekende niet dat de oude traditie werd losgelaten. Integendeel, men probeerde het gereformeerde erfgoed te verbinden met nieuwe vormen van wetenschappelijk onderzoek.

Publicaties en intellectueel klimaat.

Docent Helenius de Cock schreef onder meer een boek over zijn vader, ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in ons land.

De docenten van de school waren actief in verschillende kerkelijke tijdschriften. Twee daarvan waren ‘‘De Bazuin’ (het officiële weekblad van de Theologische School), en ‘De Vrije Kerk,‘ dat jarenlang geredigeerd werd door dr. H. Beuker (1834-1893).

Daarnaast verschenen boeken, redevoeringen en pamfletten waarin actuele kwesties werden besproken. Sommige van deze publicaties hadden een grote invloed binnen de Gereformeerde Kerken. Een van deze publicaties was een levensbeschrijving van ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in ons land; het boek was geschreven door zijn zoon ds. Helenius de Cock (1824-1894).

Door deze publicitaire activiteit kreeg de school ook buiten Kampen bekendheid. De instelling werd een belangrijk centrum van discussie en reflectie binnen de gereformeerde wereld.

Kampen als kerkelijk centrum.

In de loop van de negentiende eeuw groeide Kampen uit tot een belangrijk centrum van het gereformeerde kerkelijke leven. Veel predikanten in het land hadden hun opleiding hier ontvangen.

Na de kerkelijke ‘Vereniging van 1892’ veranderde de situatie enigszins. Er ontstond een tweede belangrijk centrum van theologische studie, namelijk die aan de Vrije Universiteit, gesticht door dr. Abraham Kuyper (1837-1920), vanaf 1886 de voorman van de Doleantie. Toch bleef ook Kampen een belangrijke rol spelen in de opleiding van predikanten.

De gereformeerde Burgwalkerk in Kampen werd in 1875 in gebruik genomen. Het gebouw is inmiddels aan de eredienst onttrokken.

Slotbeschouwing.

De geschiedenis van de Theologische School in Kampen laat zien hoe een kleine opleiding onder bescheiden omstandigheden kon uitgroeien tot een invloedrijke instelling. De combinatie van persoonlijke vorming, intensieve studie en een hechte gemeenschap gaf de opleiding een eigen karakter.

Hoewel het wetenschappelijke niveau in de beginperiode niet altijd hoog was, werd er wel een basis gelegd voor latere ontwikkelingen in de gereformeerde theologie. De school vormde generaties predikanten die een belangrijke rol speelden in kerk en samenleving.

Het verhaal van Kampen is daarmee niet alleen een geschiedenis van onderwijs, maar ook een geschiedenis van geloof, gemeenschap en maatschappelijke betrokkenheid. Vanuit eenvoudige leskamers groeide een centrum dat lange tijd een bepalende plaats innam binnen het Nederlandse gereformeerde kerkelijke leven. Tegenwoordig is de Kamper opleiding geïntegreerd in de Protestantse Theologische Universiteit Utrecht.

Bronnen onder meer:

Div. schr., Tot de prediking van het Woord des geloofs. Kampen, 1954

Jaap van Gelderen, De Theologische School in Kampen 1854-1896. Digitale Bibliotheek Overijssel. Zwolle, 2016

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Beatrice de Graaf en Gert van Klinken, Geschiedenis van de Theologische Universiteit in Kampen, 1854-2004. Kampen, 2005

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

Translation into English:

The Kampen Theological School in the 19th Century.

Student Life and Student Corps.

( < Back to Part 1 ) – The students in Kampen did not limit themselves to study alone. As at other institutions, a lively association life developed.

Initially, students organized their own gatherings in so-called “free circles,” in which they discussed freely, like free birds, outside the supervision of lecturers.

In 1863, a student corps was founded. Ten years later it received a name: Fides Quaerit Intellectum (“Faith seeks understanding”). The corps had a board, a senate, and various traditions. The chairman—often called praetor—represented the students to the faculty. The corps organized parties, elections, and annual celebrations. The anniversary of the corps was solemnly commemorated, and new members were ceremonially initiated. Such traditions strengthened the sense of community among students.

As the number of students grew, so-called disputations (disputen) also emerged: smaller groups in which students met regularly to discuss theological or philosophical questions. These disputations provided space for intensive study and debate. For a time, there was even a secret society whose aim was to gain control over the entire school. The students were rebellious because conditions at the school were not as they desired.

Rebellion…

Student unrest reached a low point in 1879: during corps festivities—according to the minutes of the curators—various “regrettable incidents” occurred. These scandals and several other matters led to a split within the student corps, in which a minority of twenty-five students made off with corps property, only returning it after threats of expulsion from their studies.

Among many known incidents, it is also recorded that students occupied one of the school’s rooms. The energetic and fearless 39-year-old lecturer Maarten Noordtzij then kicked in the door, bringing the occupation to an end. Calm soon returned.

Sunday School and Social Engagement.

In addition to their studies and association life, many students were active in Sunday school work. In the poorer neighborhoods of Kampen, they taught children from working-class families.

This work had a clear social dimension. Students sought to bring children from disadvantaged areas into contact with the Bible and church life. At the same time, they themselves gained experience interacting with different groups in society.

According to some observers, this Sunday school work contributed to maintaining a strong orthodox tradition in the city. In this way, the students played a role that extended beyond their own education.

Lodging with Hostesses.

Most students lived with hostesses (hospita’s) in the city. They rented a room (“a cupboard,” as it was called)—often the best room in the house—and took their meals with the hostess’s family.

Life in lodgings had its own rules and customs. The hostess took care of meals, laundry, and cleaning the room. In the morning, the student was woken by a knock on the door so he could attend lectures on time.

Conflicts sometimes arose over money, behavior, or household matters. In such cases, lecturers could mediate. The faculty then functioned as a kind of court where disputes were discussed.

Although most relationships between students and hostesses were good, problems could arise. In some cases, disciplinary measures were taken: a student could be placed under ecclesiastical censure by the church council of Kampen.

Admission to Study.

To be admitted to the program, a candidate had to go through several steps. First, he had to submit a certificate from his church council stating that he was considered suitable for the ministry. He also had to demonstrate that he could provide for his own livelihood.

The costs of study were not insignificant. A year of study cost about 250 guilders, a considerable sum for many families. Nevertheless, many students managed to pursue the program, often with support from church funds or private benefactors.

After admission, the student was registered in the Album of Students of the Theological School. This marked the beginning of a course of study that lasted on average five years.

Preparatory Education and Curriculum.

Because many students came from modest backgrounds and had not always received extensive schooling, a preparatory program was established. A teacher provided instruction in subjects such as Dutch, modern languages, mathematics, and history. This preparatory training was intended to equip students with sufficient knowledge and skills before beginning formal theological study.

The theological program itself consisted of several components. Students received instruction in biblical exegesis, church history, dogmatics, and practical subjects such as homiletics and catechetics. Attention was also given to classical languages, philosophy, and logic.

The program was ambitious but had to be continually adapted to the diverse backgrounds of the students.

Examinations and Eligibility for Ministry.

Examinations formed an important part of the program. Initially, they were administered by the curators of the school. These administrators (one from each province) divided the subjects among themselves and examined candidates during public sessions.

A special moment was the final examination, in which the student had to deliver a sermon. If he passed, he was immediately declared eligible for appointment as a minister.

Although this system sometimes received criticism, it functioned for many years as an important part of the program.

Study and Daily Life.

The daily life of students was largely determined by the lecture schedule. Lectures took place in the morning, usually from nine until half past one. On Friday evening there was “circle” (krans), while Thursday was often used for study, meetings, or relaxation.

Vacations were relatively short: four weeks in the summer and two weeks around Easter. Many students used this time to visit family or assist congregations with church work.

Life in Kampen also had its relaxing aspects. Students took walks in the surrounding area or went ice skating in winter on the frozen waters around the city.

Theological Development.

In the first decades of the school, teaching was strongly based on older ‘gereformeerde’ manuals from the seventeenth and eighteenth centuries. Only later did more attention emerge for new theological developments.

In the 1880s, the school received an important impulse through the arrival of new academically trained lecturers. They introduced a more scholarly approach to theology. Among them were Herman Bavinck, Lucas Lindeboom, and Daniël Karel Wielenga.

This development did not mean that the old tradition was abandoned. On the contrary, efforts were made to connect the ‘gereformeerde’ heritage with new forms of scholarly research.

Publications and Intellectual Climate.

The lecturers of the school were active in various church periodicals. Two of these were De Bazuin (the official weekly of the Theological School) and De Vrije Kerk, which for many years was edited by Hendrik Beuker.

In addition, books, lectures, and pamphlets were published discussing current issues. Some of these publications had a major influence within the ‘Gereformeerde’ Churches. One such publication was a biography of Hendrik de Cock, the first Secession minister in the Netherlands; it was written by his son Helenius de Cock.

Through this publishing activity, the school gained recognition beyond Kampen. The institution became an important center of discussion and reflection within the ‘gereformeerde’ world.

Kampen as an Ecclesiastical Center.

Over the course of the nineteenth century, Kampen grew into an important center of ‘Gereformeerde’ Church life. Many ministers in the country had received their training there.

After the church “Union of 1892,” the situation changed somewhat. A second important center of theological study emerged: the Vrije Universiteit, founded by Abraham Kuyper, the leader of the Doleantie from 1886 onward. Nevertheless, Kampen continued to play an important role in the training of ministers.

Concluding Reflection.

The history of the Theological School in Kampen shows how a small institution, under modest circumstances, could grow into an influential establishment. The combination of personal formation, intensive study, and a close-knit community gave the school its distinctive character.

Although the academic level in the early period was not always high, a foundation was laid for later developments in ‘gereformeerde’ theology. The school trained generations of ministers who played an important role in church and society.

The story of Kampen is therefore not only a history of education, but also a history of faith, community, and social engagement. From simple classrooms grew a center that long held a defining place within Dutch ‘Gereformeerde’ church life. Today, the Kampen program has been integrated into the Protestant Theological University in Utrecht.

© 2026. GereformeerdeKerken.info