De Kamper Theologische School in de 19de eeuw (1)

Opleiding, studentenleven en kerkelijke invloed van de Theologische School te Kampen.

Inleiding.

In het midden van de negentiende eeuw ontstond in Kampen een instelling die een grote rol zou gaan spelen in het kerkelijk leven van Nederland: de Theologische School van de Kerk van de Afscheiding, opgericht op 6 december 1854.

Aanvankelijk werden de lessen van de ‘School der Kerk’ gegeven in de woningen van de vroegste Afgescheiden predikanten. Hier de woning van ds. T.F. de Haan (1791-1868) in Groningen, waar ook les gegeven werd door ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant van ons land.

Wat aanvankelijk begon als een kleine opleiding met een handvol docenten en studenten, groeide in de loop van enkele decennia uit tot een belangrijk centrum voor de vorming van gereformeerde predikanten.

Elders op deze website bespraken we het tot stand komen van de Theologische School in Kampen, die in 1854 opgericht werd. Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van de Theologische School in Kampen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarbij wordt aandacht besteed aan het onderwijs, het studentenleven, de organisatie van de studie en de bredere betekenis van de instelling voor kerk en samenleving.

Waar moest de school komen?

Alleen al over de keuze van de vestigingsplaats van ‘de School der Kerk’ is veel te doen geweest. Op meerdere plaatsen in het land werkten vóór 1854 Afgescheiden predikanten – meestal vanuit hun woning – als opleiders van aanstaande predikanten. Dat kon natuurlijk niet zo blijven. Er zou een definitief, eigen onderdak moeten komen. De nabijheid van een rijksuniversiteit (met een bibliotheek) was daarvoor aantrekkelijk.

Als stichtingsplaatsen passeerden Franeker, Utrecht, Amsterdam, Groningen, Arnhem, Zwolle, Meppel (c.q. Hoogeveen), Amersfoort, Kampen en Leiden de revue. Al die plaatsen hadden hun eigen voor- en vooral nadelen, onder meer doordat de er al werkende docenten teveel hun ‘eigen richting’ binnen de Afscheiding vertegenwoordigden om er een ‘algemene opleiding’ te beginnen.  Men wilde immers eenheid en geen onderlinge strijd over standpunten en meningen. Uiteindelijk bleef Kampen als de beste gegadigde over. In ieder geval was dat de ‘goedkoopste’ vestigingsplaats.

De eerste pagina van de ‘Handelingen van de Curatoren der op te rigten Theologische School (…) te Kampen, gehouden in september 1854’. Ds. Van Velzen tekende voor de authenticiteit van het verslag.

Het bestuur van de school werd gevormd door een vertegenwoordiger uit elk van de provincies, die curatoren genoemd werden. De school kreeg ook een eigen officieel orgaan, namelijk De Bazuin. De inhoud van dat blad moest meewerken aan de gewenste eenheid in de opleiding!

De eerste docenten.

Als eerste docenten werden vier predikanten benoemd: ds. T.F. de Haan (1791-1868), die in Groningen had gedoceerd en ‘ijsselijk geleerd’ genoemd werd, al had hij moeite met het omgaan met andere mensen; ds. S. van Velzen (1809-1896), die in Amsterdam les had gegeven, en die het ook nogal eens aan de stok had met anderen; ds. A. Brummelkamp (1811-1888), die in Arnhem doceerde, en tenslotte ds. Helenius de Cock (1824-1894), zoon van de eerste Afgescheiden predikant, ds. Hendrik de Cock (1801-1842).

De eerste docenten van de Theologische School in Kampen. V.l.n.r.: ds. T.F. de Haan (1791-1868), ds. S. van Velzen (1809-1896), ds. A. Brummelkamp (1811-1888) en ds. H. de Cock, jr. (1801-1842).

De omstandigheden waarin deze opleiding ontstond waren bescheiden. Er was geen academisch gebouwencomplex, geen grote bibliotheek en nauwelijks een uitgewerkt leerplan. Toch ontwikkelde zich binnen deze bescheiden setting een opmerkelijk levendige academische gemeenschap. Studenten kwamen uit uiteenlopende sociale milieus, discussieerden intensief over theologische vraagstukken en namen actief deel aan kerkelijk en maatschappelijk werk.

De geschiedenis van de Kamper Theologische School is daarom niet alleen een verhaal over onderwijs, maar ook over gemeenschap, vorming en sociale mobiliteit. In deze omgeving werden predikanten gevormd die in tal van gemeenten binnen en buiten Nederland werkzaam zouden zijn.

Colleges in woonhuizen.

In de beginjaren had de Theologische School dus geen eigen gebouw. De colleges werden gegeven in de woningen van de docenten, verspreid over verschillende delen van de stad. Deze situatie was voor buitenstaanders soms aanleiding tot enige spot. De plaatselijke krant merkte bijvoorbeeld op dat de nieuwe opleiding vooral leek te bestaan uit een netwerk van particuliere leskamers.

Ds. A. Brummelkamp (1811-1888). Docent Theologische School 1854, Emeritus docent 1882.

De werkelijkheid week overigens niet veel van dat beeld af. Zo ontving een van de docenten, ds. Brummelkamp, zijn studenten in het souterrain van zijn woning aan de Nieuwmarkt. Docent Van Velzen gaf les in een achterkamer aan de Oudestraat. Docent De Cock had zijn studeerkamer ingericht als lesruimte in een ruim huis aan de rand van de stad.

Hoewel deze kleinschalige opzet aanvankelijk goed functioneerde, bracht zij ook problemen met zich mee. Studenten vormden al snel kleine groepen rond hun eigen docent. Daardoor ontstonden onderlinge verschillen in stijl, voorkeur en soms zelfs in theologische accenten. De opleiding had weliswaar één doel, maar werd in de praktijk op verschillende plaatsen en op verschillende manieren vormgegeven.

Toch had deze situatie ook voordelen. Het onderwijs vond plaats in een persoonlijke sfeer, waarin docenten hun studenten goed leerden kennen. Het contact tussen docent en student was intensief en vaak ook pastoraal van aard. Voor veel studenten vormde deze nabijheid een belangrijk element van hun opleiding.

Spanningen binnen het docentencorps.

De ‘ijsselijk geleerde’ ds. T.F. de Haan (1791-1868).

Zoals in veel jonge instellingen ontstonden ook binnen het docentencorps spanningen. Verschillen in karakter en theologische visie konden gemakkelijk tot conflicten leiden. Een van de docenten, ds. T.F. de Haan, stond er bijvoorbeeld om bekend dat hij zijn collega’s geregeld beschuldigde van afwijkingen in de leer. Soms waren die beschuldigingen overdreven, soms hadden zij een serieuze achtergrond.

Het is opmerkelijk dat de meeste docenten in zulke situaties bereid bleken hun eigen positie ondergeschikt te maken aan het belang van de school. Meermalen werd zelfs voorgesteld dat een van hen zou terugtreden als dat de eenheid van de opleiding ten goede zou komen.

Uiteindelijk besloten de curatoren – het bestuur van de school – in 1860 dat een van de betrokken docenten, ds. De Haan, inmiddels op leeftijd, rust verdiende. Hij werd formeel uit zijn functie ontheven, al bleef hij nog wel betrokken bij het onderwijs. Studenten bezochten hem geregeld om aanvullende lessen Hebreeuws te volgen of om filosofische vragen te bespreken.

Nieuwe docenten en reorganisaties.

Ds. A. Steketee (1846-1913), van 1872 tot 1882 docent in Kampen.

In de jaren zeventig en tachtig kreeg de Theologische School nieuwe impulsen door de komst van verschillende docenten. Onder hen bevonden zich figuren die later grote invloed zouden uitoefenen op de gereformeerde theologie. Na het overlijden van ds. De Haan in 1868 was het docentencorps enige tijd kleiner; pas enkele jaren later werden nieuwe docenten benoemd: ds. A. Steketee (1846-1913) in 1872; drie jaar later volgde ds. M. Noordtzij (1840-1915). In 1882 werd ds. Steketee ontslagen en werd een drietal nieuw docenten aangetrokken: dr. H. Bavinck (1854-1921), ds. L. Lindeboom (1845-1933) en ds. D.K. Wielenga (1841-1902). Daarmee begon een fase van geleidelijke uitbreiding en professionalisering van de opleiding.

Dr. H. Bavinck (1854-1921).

De reorganisatie van 1882 betekende een belangrijk moment in deze ontwikkeling. Behalve de benoeming van nieuwe docenten werd het onderwijs opnieuw gestructureerd. Daarmee kwam er meer samenhang in het curriculum en kreeg de opleiding een duidelijker academisch profiel.

De veranderingen bleven niet beperkt tot het onderwijs alleen. Ook de organisatie van de vooropleiding en de huisvesting van de school werden aangepakt. Aanvankelijk was hoofdonderwijzer C. Mulder  (1837-1914) aan de vooropleiding verbonden. Die instelling begon zich geleidelijk te ontwikkelen van een kleinschalig seminarie tot een meer gestructureerde zelfstandige opleiding, bekend geworden als het Gereformeerd Gymnasium in Kampen.

Hoofdonderwijzer Coenraad Mulder (1837-1914).

‘De krans’: een bijzondere traditie.

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de schoolgemeenschap was de invoering van de zogenaamde ‘krans’. In 1858 besloten de curatoren dat er voortaan wekelijks een gezamenlijke bijeenkomst zou plaatsvinden waarin studenten en docenten elkaar ontmoetten. Deze bijeenkomsten vonden plaats op vrijdagavond en hadden een half-officieel karakter. Studenten lazen er opstellen voor, presenteerden preekschetsen of hielden korte voordrachten. Daarna volgde een uitvoerige bespreking.

De krans vervulde meerdere functies. In de eerste plaats diende zij als oefening in spreken en argumenteren. Studenten leerden hun gedachten helder onder woorden te brengen en kritiek te verwerken. Daarnaast had de bijeenkomst een sociale functie: zij bracht de verschillende groepen binnen de school samen.

Ds. S. van Velzen (1819-1896).

De sfeer tijdens deze avonden was vaak informeel. Er werd chocolade geschonken en men zat dicht bij elkaar rond een tafel. Toch konden de discussies soms scherp zijn. Vooral een van de oudere docenten, ds. Van Velzen, stond bekend om zijn bijtende sarcasme wanneer een student zich onvoldoende had voorbereid.

Voor veel studenten vormden deze bijeenkomsten een belangrijk onderdeel van hun vorming. Hier leerden zij niet alleen spreken in het openbaar, maar ook luisteren, reageren en hun standpunten verdedigen.

Groei van gebouwen en voorzieningen.

Het huis van ds. Helenius de Cock (1824-1894) – hij gaf daar aanvankelijk les – werd in 1869 omgebouwd tot het schoolgebouw Oudestraat.

Na verloop van tijd bleek dat de verspreide lesruimten niet langer voldeden. De opleiding groeide en het aantal studenten nam toe. Daarom werd besloten om de woning van ds. De Cock in de Oudestraat geleidelijk om te vormen tot een echt schoolgebouw.

In de tuin van het pand werd een gehoorzaal gebouwd waar grotere bijeenkomsten konden plaatsvinden. Later werd het complex verder uitgebreid. Toen het aantal studenten tegen het einde van de jaren zeventig richting de honderd ging, werd een nieuw gebouw opgetrokken op de plaats van een oude tuinmuur.

De Theologische School na de verbouwing van 1894.

In de jaren negentig volgden opnieuw uitbreidingen. Nieuwe collegezalen werden gebouwd en de voorgevel van het complex kreeg het karakteristieke uiterlijk dat nog lange tijd met de school zou worden geassocieerd.

De ontwikkeling van de gebouwen weerspiegelde de groei van de instelling zelf. Wat ooit begonnen was als een verzameling huiskamers, werd geleidelijk een herkenbaar academisch centrum.

Naar deel 2 (slot) >

Transation into English:

The Kampen Theological School in the Nineteenth Century (1).

Training, student life and ecclesiastical influence of the Theological School in Kampen.

Introduction.

In the middle of the nineteenth century an institution arose in Kampen that would come to play a major role in the ecclesiastical life of the Netherlands: the Theological School of the Church of the Secession, founded on 6 December 1854.

What initially began as a small training program with a handful of lecturers and students grew within a few decades into an important center for the formation of ‘gereformeerde’ ministers.

Elsewhere on this website the establishment of the Theological School in Kampen, founded in 1854, has already been discussed. This article describes the development of the Theological School in Kampen during the second half of the nineteenth century. Attention is given to the teaching, student life, the organization of study, and the broader significance of the institution for church and society.

Where should the school be located?

Even the choice of the location for “the School of the Church” caused much debate. Before 1854, Secessionist ministers in several places throughout the country worked—usually from their own homes—as instructors of future ministers. Naturally, this situation could not continue indefinitely. A permanent and independent location would have to be established. Proximity to a state university (with a library) was considered attractive.

Possible locations included Franeker, Utrecht, Amsterdam, Groningen, Arnhem, Zwolle, Meppel (or Hoogeveen), Amersfoort, Kampen and Leiden. All these places had their own advantages and especially disadvantages, partly because the teachers already working there represented too strongly their own “direction” within the Secession to begin a truly “general training program.” After all, unity was desired rather than internal disputes over positions and opinions. In the end, Kampen remained as the best candidate. In any case, it was the “cheapest” location.

The board of the school consisted of a representative from each province, who were called curators. The school also received its own official journal, De Bazuin. The content of that periodical was intended to contribute to the desired unity in the training.

The first lecturers.

Four ministers were appointed as the first lecturers:

  • Rev. T.F. de Haan (1791–1868), who had taught in Groningen and was described as “terribly learned,” although he had difficulty dealing with other people;

  • Rev. S. van Velzen (1809–1896), who had taught in Amsterdam and who also frequently clashed with others;

  • Rev. A. Brummelkamp (1811–1888), who had taught in Arnhem;

  • and finally Rev. Helenius de Cock (1824–1894), the son of the first Secessionist minister, Rev. Hendrik de Cock (1801–1842).

The circumstances in which this program was created were modest. There was no academic complex of buildings, no large library, and hardly any developed curriculum. Yet within this modest setting a remarkably lively academic community emerged.

Students came from diverse social backgrounds, discussed theological issues intensively, and actively participated in church and social work.

The history of the Kampen Theological School is therefore not only a story about education but also about community, formation, and social mobility. In this environment ministers were trained who would later serve in many congregations both inside and outside the Netherlands.

Lectures in private homes.

In its early years the Theological School did not have its own building. Lectures were given in the homes of the lecturers, scattered throughout different parts of the city. For outsiders this situation sometimes became a source of mild ridicule. The local newspaper remarked, for example, that the new institution seemed to consist mainly of a network of private classrooms.

In fact, the reality did not differ much from that description. One of the lecturers, Rev. Brummelkamp, received his students in the basement of his home on the Nieuwmarkt. Lecturer Van Velzen taught in a back room on the Oudestraat. Lecturer De Cock had converted his study into a teaching space in a large house on the edge of the city.

Although this small-scale arrangement functioned reasonably well at first, it also created problems. Students soon formed small groups around their own lecturer. As a result, differences arose in style, preferences, and sometimes even theological emphases. Although the training had one goal, in practice it was shaped in different places and in different ways.

Yet the situation also had advantages. Teaching took place in a personal atmosphere in which lecturers came to know their students well. Contact between teacher and student was intensive and often pastoral in nature. For many students this closeness formed an important element of their training.

Tensions within the teaching staff.

As in many young institutions, tensions also arose within the teaching staff. Differences in character and theological vision could easily lead to conflicts. One of the lecturers, Rev. T.F. de Haan, was known for regularly accusing his colleagues of doctrinal deviations. Sometimes these accusations were exaggerated; sometimes they had a serious basis.

It is noteworthy that in such situations most lecturers proved willing to subordinate their own position to the interests of the school. On several occasions it was even proposed that one of them should step down if this would benefit the unity of the training.

Eventually the curators—the governing board of the school—decided in 1860 that one of the lecturers involved, Rev. De Haan, who was already elderly, deserved rest. He was formally released from his position, although he remained involved in teaching. Students regularly visited him to receive additional Hebrew lessons or to discuss philosophical questions.

New lecturers and reorganizations.

In the 1870s and 1880s the Theological School received new impulses through the arrival of several lecturers. Among them were figures who would later exercise great influence on ‘gereformeerde’  theology.

After the death of Rev. De Haan in 1868 the teaching staff was smaller for some time. Only a few years later were new lecturers appointed: Rev. A. Steketee (1846–1913) in 1872; three years later Rev. M. Noordtzij (1840–1915) followed. In 1882 Rev. Steketee was dismissed and three new lecturers were appointed: Dr. H. Bavinck (1854–1921), Rev. L. Lindeboom (1845–1933), and Rev. D.K. Wielenga (1841–1902).

With this began a phase of gradual expansion and professionalization of the training program.

The reorganization of 1882 marked an important moment in this development. In addition to the appointment of new lecturers, the teaching program was restructured. This created greater coherence in the curriculum and gave the program a clearer academic profile.

The changes were not limited to teaching alone. The organization of the preparatory education and the housing of the school were also addressed. Initially the head teacher C. Mulder (1837–1914) was connected with the preparatory program. The institution gradually began to develop from a small-scale seminary into a more structured independent training institute, known as the ‘Gereformeerd’ Gymnasium in Kampen.

“The Circle”: a special tradition.

An important step in the development of the school community was the introduction of the so-called “circle” (de krans). In 1858 the curators decided that from then on a weekly gathering would take place where students and lecturers would meet together.

These meetings were held on Friday evenings and had a semi-official character. Students read essays, presented sermon outlines, or gave short lectures. Afterwards an extensive discussion followed.

The circle served several purposes. In the first place it functioned as an exercise in speaking and argumentation. Students learned to express their thoughts clearly and to process criticism. In addition, the meeting had a social function: it brought together the different groups within the school.

The atmosphere during these evenings was often informal. Chocolate was served and participants sat close together around a table. Yet the discussions could sometimes be sharp. One of the older lecturers in particular, Rev. Van Velzen, was known for his biting sarcasm when a student had not prepared sufficiently.

For many students these meetings formed an important part of their formation. Here they learned not only to speak in public but also to listen, respond, and defend their viewpoints.

Growth of buildings and facilities.

Over time it became clear that the scattered teaching spaces were no longer sufficient. The program grew and the number of students increased. It was therefore decided gradually to convert the house of Rev. De Cock on the Oudestraat into an actual school building.

In the garden of the property an auditorium was built where larger gatherings could take place. Later the complex was expanded further. When the number of students approached one hundred toward the end of the 1870s, a new building was erected on the site of an old garden wall.

Further expansions followed in the 1890s. New lecture halls were built, and the front façade of the complex received the characteristic appearance that would be associated with the school for a long time.

The development of the buildings reflected the growth of the institution itself. What had once begun as a collection of living rooms gradually became a recognizable academic center.

To Part 2 >