Opleiding, studentenleven en kerkelijke invloed van de Theologische School te Kampen.
Inleiding.
In het midden van de negentiende eeuw ontstond in Kampen een instelling die een grote rol zou gaan spelen in het kerkelijk leven van Nederland: de Theologische School van de Kerk van de Afscheiding, opgericht op 6 december 1854.

Wat aanvankelijk begon als een kleine opleiding met een handvol docenten en studenten, groeide in de loop van enkele decennia uit tot een belangrijk centrum voor de vorming van gereformeerde predikanten.
Elders op deze website bespraken we het tot stand komen van de Theologische School in Kampen, die in 1854 opgericht werd. Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van de Theologische School in Kampen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarbij wordt aandacht besteed aan het onderwijs, het studentenleven, de organisatie van de studie en de bredere betekenis van de instelling voor kerk en samenleving.
Waar moest de school komen?
Alleen al over de keuze van de vestigingsplaats van ‘de School der Kerk’ is veel te doen geweest. Op meerdere plaatsen in het land werkten vóór 1854 Afgescheiden predikanten – meestal vanuit hun woning – als opleiders van aanstaande predikanten. Dat kon natuurlijk niet zo blijven. Er zou een definitief, eigen onderdak moeten komen. De nabijheid van een rijksuniversiteit (met een bibliotheek) was daarvoor aantrekkelijk.
Als stichtingsplaatsen passeerden Franeker, Utrecht, Amsterdam, Groningen, Arnhem, Zwolle, Meppel (c.q. Hoogeveen), Amersfoort, Kampen en Leiden de revue. Al die plaatsen hadden hun eigen voor- en vooral nadelen, onder meer doordat de er al werkende docenten teveel hun ‘eigen richting’ binnen de Afscheiding vertegenwoordigden om er een ‘algemene opleiding’ te beginnen. Men wilde immers eenheid en geen onderlinge strijd over standpunten en meningen. Uiteindelijk bleef Kampen als de beste gegadigde over. In ieder geval was dat de ‘goedkoopste’ vestigingsplaats.

Het bestuur van de school werd gevormd door een vertegenwoordiger uit elk van de provincies, die curatoren genoemd werden. De school kreeg ook een eigen officieel orgaan, namelijk De Bazuin. De inhoud van dat blad moest meewerken aan de gewenste eenheid in de opleiding!
De eerste docenten.
Als eerste docenten werden vier predikanten benoemd: ds. T.F. de Haan (1791-1868), die in Groningen had gedoceerd en ‘ijsselijk geleerd’ genoemd werd, al had hij moeite met het omgaan met andere mensen; ds. S. van Velzen (1809-1896), die in Amsterdam les had gegeven, en die het ook nogal eens aan de stok had met anderen; ds. A. Brummelkamp (1811-1888), die in Arnhem doceerde, en tenslotte ds. Helenius de Cock (1824-1894), zoon van de eerste Afgescheiden predikant, ds. Hendrik de Cock (1801-1842).

De omstandigheden waarin deze opleiding ontstond waren bescheiden. Er was geen academisch gebouwencomplex, geen grote bibliotheek en nauwelijks een uitgewerkt leerplan. Toch ontwikkelde zich binnen deze bescheiden setting een opmerkelijk levendige academische gemeenschap. Studenten kwamen uit uiteenlopende sociale milieus, discussieerden intensief over theologische vraagstukken en namen actief deel aan kerkelijk en maatschappelijk werk.
De geschiedenis van de Kamper Theologische School is daarom niet alleen een verhaal over onderwijs, maar ook over gemeenschap, vorming en sociale mobiliteit. In deze omgeving werden predikanten gevormd die in tal van gemeenten binnen en buiten Nederland werkzaam zouden zijn.
Colleges in woonhuizen.
In de beginjaren had de Theologische School dus geen eigen gebouw. De colleges werden gegeven in de woningen van de docenten, verspreid over verschillende delen van de stad. Deze situatie was voor buitenstaanders soms aanleiding tot enige spot. De plaatselijke krant merkte bijvoorbeeld op dat de nieuwe opleiding vooral leek te bestaan uit een netwerk van particuliere leskamers.

De werkelijkheid week overigens niet veel van dat beeld af. Zo ontving een van de docenten, ds. Brummelkamp, zijn studenten in het souterrain van zijn woning aan de Nieuwmarkt. Docent Van Velzen gaf les in een achterkamer aan de Oudestraat. Docent De Cock had zijn studeerkamer ingericht als lesruimte in een ruim huis aan de rand van de stad.
Hoewel deze kleinschalige opzet aanvankelijk goed functioneerde, bracht zij ook problemen met zich mee. Studenten vormden al snel kleine groepen rond hun eigen docent. Daardoor ontstonden onderlinge verschillen in stijl, voorkeur en soms zelfs in theologische accenten. De opleiding had weliswaar één doel, maar werd in de praktijk op verschillende plaatsen en op verschillende manieren vormgegeven.
Toch had deze situatie ook voordelen. Het onderwijs vond plaats in een persoonlijke sfeer, waarin docenten hun studenten goed leerden kennen. Het contact tussen docent en student was intensief en vaak ook pastoraal van aard. Voor veel studenten vormde deze nabijheid een belangrijk element van hun opleiding.
Spanningen binnen het docentencorps.

Zoals in veel jonge instellingen ontstonden ook binnen het docentencorps spanningen. Verschillen in karakter en theologische visie konden gemakkelijk tot conflicten leiden. Een van de docenten, ds. T.F. de Haan, stond er bijvoorbeeld om bekend dat hij zijn collega’s geregeld beschuldigde van afwijkingen in de leer. Soms waren die beschuldigingen overdreven, soms hadden zij een serieuze achtergrond.
Het is opmerkelijk dat de meeste docenten in zulke situaties bereid bleken hun eigen positie ondergeschikt te maken aan het belang van de school. Meermalen werd zelfs voorgesteld dat een van hen zou terugtreden als dat de eenheid van de opleiding ten goede zou komen.
Uiteindelijk besloten de curatoren – het bestuur van de school – in 1860 dat een van de betrokken docenten, ds. De Haan, inmiddels op leeftijd, rust verdiende. Hij werd formeel uit zijn functie ontheven, al bleef hij nog wel betrokken bij het onderwijs. Studenten bezochten hem geregeld om aanvullende lessen Hebreeuws te volgen of om filosofische vragen te bespreken.
Nieuwe docenten en reorganisaties.

In de jaren zeventig en tachtig kreeg de Theologische School nieuwe impulsen door de komst van verschillende docenten. Onder hen bevonden zich figuren die later grote invloed zouden uitoefenen op de gereformeerde theologie. Na het overlijden van ds. De Haan in 1868 was het docentencorps enige tijd kleiner; pas enkele jaren later werden nieuwe docenten benoemd: ds. A. Steketee (1846-1913) in 1872; drie jaar later volgde ds. M. Noordtzij (1840-1915). In 1882 werd ds. Steketee ontslagen en werd een drietal nieuw docenten aangetrokken: dr. H. Bavinck (1854-1921), ds. L. Lindeboom (1845-1933) en ds. D.K. Wielenga (1841-1902). Daarmee begon een fase van geleidelijke uitbreiding en professionalisering van de opleiding.

De reorganisatie van 1882 betekende een belangrijk moment in deze ontwikkeling. Behalve de benoeming van nieuwe docenten werd het onderwijs opnieuw gestructureerd. Daarmee kwam er meer samenhang in het curriculum en kreeg de opleiding een duidelijker academisch profiel.
De veranderingen bleven niet beperkt tot het onderwijs alleen. Ook de organisatie van de vooropleiding en de huisvesting van de school werden aangepakt. Aanvankelijk was hoofdonderwijzer C. Mulder (1837-1914) aan de vooropleiding verbonden. Die instelling begon zich geleidelijk te ontwikkelen van een kleinschalig seminarie tot een meer gestructureerde zelfstandige opleiding, bekend geworden als het Gereformeerd Gymnasium in Kampen.

‘De krans’: een bijzondere traditie.
Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de schoolgemeenschap was de invoering van de zogenaamde ‘krans’. In 1858 besloten de curatoren dat er voortaan wekelijks een gezamenlijke bijeenkomst zou plaatsvinden waarin studenten en docenten elkaar ontmoetten. Deze bijeenkomsten vonden plaats op vrijdagavond en hadden een half-officieel karakter. Studenten lazen er opstellen voor, presenteerden preekschetsen of hielden korte voordrachten. Daarna volgde een uitvoerige bespreking.
De krans vervulde meerdere functies. In de eerste plaats diende zij als oefening in spreken en argumenteren. Studenten leerden hun gedachten helder onder woorden te brengen en kritiek te verwerken. Daarnaast had de bijeenkomst een sociale functie: zij bracht de verschillende groepen binnen de school samen.

De sfeer tijdens deze avonden was vaak informeel. Er werd chocolade geschonken en men zat dicht bij elkaar rond een tafel. Toch konden de discussies soms scherp zijn. Vooral een van de oudere docenten, ds. Van Velzen, stond bekend om zijn bijtende sarcasme wanneer een student zich onvoldoende had voorbereid.
Voor veel studenten vormden deze bijeenkomsten een belangrijk onderdeel van hun vorming. Hier leerden zij niet alleen spreken in het openbaar, maar ook luisteren, reageren en hun standpunten verdedigen.
Groei van gebouwen en voorzieningen.

Na verloop van tijd bleek dat de verspreide lesruimten niet langer voldeden. De opleiding groeide en het aantal studenten nam toe. Daarom werd besloten om de woning van ds. De Cock in de Oudestraat geleidelijk om te vormen tot een echt schoolgebouw.
In de tuin van het pand werd een gehoorzaal gebouwd waar grotere bijeenkomsten konden plaatsvinden. Later werd het complex verder uitgebreid. Toen het aantal studenten tegen het einde van de jaren zeventig richting de honderd ging, werd een nieuw gebouw opgetrokken op de plaats van een oude tuinmuur.

In de jaren negentig volgden opnieuw uitbreidingen. Nieuwe collegezalen werden gebouwd en de voorgevel van het complex kreeg het karakteristieke uiterlijk dat nog lange tijd met de school zou worden geassocieerd.
De ontwikkeling van de gebouwen weerspiegelde de groei van de instelling zelf. Wat ooit begonnen was als een verzameling huiskamers, werd geleidelijk een herkenbaar academisch centrum.