Van ‘Classis’ naar ‘Synode’ in Amerika (31)

( < Naar deel 30 – Back to Part 30 ) — In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde  Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 5 en 6 september 1866Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

De in 1857 in gebruik genomen Christian Reformed Church in Grand Rapids, waar deze vergadering gehouden werd.

Classicale vergadering van 5 en 6 september 1866 gehouden in Grand Rapids.

Door regenachtig weer was ds. Van der Werp niet vroeg genoeg aanwezig, om volgens besluit der vorige vergadering des avonds te voren de predicatie te doen, reden waarom dat waargenomen is door ds. Van Leeuwen over ps. 133.

De afgevaardigden dezer vergadering zijn: 

Holland  – A. Krabshuis en G. Ham (ouderlingen);

Graafschap – Ds. D.J. van der Werp en P. Boven, H. Bouws en H. Strabbing (ouderlingen);

Zeeland – T. van den Bosch (ouderling) en E. Zagers en H. de Groot (diakenen);

Grand Rapids – Ds. W.H. van Leeuwen en J. Gelok, A. Pleune en Gouw (ouderlingen);

Grand Haven – H.W. Bartels (ouderling);

Paterson – A. Vermeulen (diaken).

Een kaartje van het gebied rond Holland, Michigan.

Van de andere gemeenten waren nog geen afgevaardigden gekomen.

Eerste zitting – 5 september 1866.

Art. 1 – De vergadering is deze ochtend geopend door ds. Van Leeuwen met het lezen van 1 Tim. 2 en met het zingen van psalm 135 de verzen  1 en 12, waarna gebed.

Art. 2 – Overgegaan werd tot het verkiezen van een scriba, waartoe de ouderling J. Gelok is benoemd, terwijl het presidentschap werd waargenomen ds. Van der Werp, die daarvoor aan de beurt is.

Ds. D.J. van der Werp 1811-1876) was preses van deze vergadering.

Art, 3 – Na gesproken te hebben over de voorgelezen lastbrieven werden deze in orde bevonden, hoewel het afgekeurd wordt dat (1) Grand Rapids geen lastbrief had, omdat die gemeente oordeelde, dat de meeste kerkenraadsleden toch aanwezig zouden zijn; (2) en Grand Haven wegens het kleine aantal kerkenraadsleden, omdat dit niet in overeenstemming is met een vroeger genomen besluit.

Art. 4 – Onderzoek werd gedaan naar aanleiding van de vorige notulen, nadat die waren voorgelezen. Geoordeeld is over Art. 10, dat de vrouw van Geert van Tubbergen is afgehouden [van het avondmaal], wat aan het oordeel van de kerkenraad wordt overgelaten. Art. 12 moest luiden ‘dat na lange en brede discussie het oordeel van de Classis was dat zij vroeger niet anders had kunnen handelen, maar dat […] ds. Van den Bosch leraar van Zeeland was. Daarop werd ds. Van den Bosch gevraagd, hoe hij dan nu onder die gemeente stond. Hij antwoordde dat zijn bedoeling was niet weer leraar van Zeeland te willen zijn, maar in zijn eer en recht hersteld wil worden.

Art. 5 – Er wordt onderzoek ingesteld naar de aanschrijving aan de gemeenten van de classis [over de te houden Classisvergadering van heden], waaruit bleek, dat dit niet naar de bepaalde orde had plaatsgehad, waardoor de gemeenten van Noordeloos en Vriesland niet waren vertegenwoordigd. Ds. Van Leeuwen werd om zijn nalatigheid als [Classicaal] Correspondent bestraft en besloten werd dat iedere kerkenraad in het vervolg veertien dagen te voren door de Correspondent moet worden aangeschreven.

Art. 6 – Naar aanleiding van Art. 9 der vorige vergadering doet ds. Van der Werp verslag van de inlichtingen die hij van de Dutch Reformed Church in Pella heeft ontvangen. [De commissie] is duidelijk geworden dat uit de leer, tucht en dienst [van de Dutch Reformed Church] gebleken was dat die kerk de valse kerk is. Ook is besloten het verslag van de Afscheiding uit het oosten in onze notulen op te nemen.

Art. 7 – Omdat het etenstijd is wordt gezongen psalm 25 vers 10 en gebeden door J. Gelok, en na het eten psalm 119 vers 53 en wordt gebeden door A. Pleune.

Jan Gelok (1824-1889) was scriba van deze vergadering.

Art. 8 – Grand Haven verklaart nog geen gevolg gegeven te hebben aan Art. 15 van de vorige notulen, maar ze zullen dit bij de eerste gelegenheid doen.

Art. 9 – Omtrent Artikel 16 [van de vorige notulen] verklaart ds. Van Leeuwen er geen heil in te zien om naar de Lage Prairie te gaan, omdat die gemeente volgens hem verloren is. De classis oordeelt de zaak [eerst nog maar] eens aan te zien, maar intussen de kerkenraad en de leden door de Correspondent te [laten] vermanen.

Art. 10 – Naar aanleiding van Art. 17 [van de vorige notulen] doet ds. Van der Werp verslag van zijn reis naar Pella en Ridott, en verklaart dat hij in Pella een gemeente gesticht heeft van 62 leden, en een te Ridott met 32 leden.

Art. 11 – Ook doet Zijn Eerw. – naar aanleiding van Art. 10 van de vorige notulen – verslag van zijn bevindingen. De leden daar [in Pella en Ridott] willen niet uit elkaar [er was kennelijk onenigheid in die gelederen om tot de Classis te gaan behoren] en ze kunnen [daarom] ook niet goed worden opgenomen in onze Classis als er enigen tegen waren.

De opzieners van Grand Rapids vragen een nadere behandeling van eenzelfde [soort] zaak […]. Omdat de Classis meer licht in de zaak wil hebben, worden door de preses enige  besluiten voorgelezen van van de Christelijke Afgescheidene Kerk in Nederland, waar die zaak gerechtvaardigd wordt. Verdere behandeling wordt uitgesteld tot de volgende Classis en in biddende overweging aan ieder lid aanbevolen wordt

Art. 12Gemeentelijke Zaken – De afgevaardigde van Paterson wordt verzocht verslag te doen van de ellende met hun leraar ds. Bechthold die hun gemeente had verlaten vanwege zijn onverenigdheid met ons kerkelijk standpunt, en omdat hij zich verenigd heeft met de Duits Hervormden, wat pas duidelijk werd na een gesprek met onze tegenstanders. Ook in zijn leer openbaarde zich een ‘algemene geest’ [een te ruim standpunt]. Onze kerk werd door hem beschuldigd van te ‘eng’ te zijn in de kerkelijke opvattingen. Hij zelf stelde zich echter ‘ruim’ op, een houding die je bij [veel andere] genootschappen tegenkomt. Hij had verklaard, niets met onze Classis te maken te willen hebben. De kerkenraad had besloten hem gedurig te onderhouden, ook over het [door hem geschreven artikel in het] weekblad De Hope en over het verwerpen van [de oprichting van] een maandblad voor onze kerk. De kerkenraad had hem er zo lang over gesproken dat hij alles van zich afgeworpen had en zich had aangesloten bij de Duits Hervormden. Hij heeft zijn bediening in de gemeente neergelegd omdat hij het niet met de kerk eens is. De afgevaardigde [van Paterson] verzoekt ook ernstig, in het belang van de gemeente,  dat een leraar met hem meegaat [om daar orde op zaken te stellen].

Ds. W.H. van Leeuwen (1807-1882).

Als Classicaal Correspondent las ds, Van Leeuwen enige brieven voor die van die leraar [ds. Bechthold] ontvangen waren. Ds. Bechthold vertelt daarin dat het neerleggen van zijn ambt veroorzaakt was door een [onbekende] man, die hem ervan beschuldigde dat hij slechts ‘de halve Jezus’ predikte. Volgens hem zou de kerkenraad daar een belangrijke oorzaak van zijn. Ook verdedigt hij zijn preek waarin hij zeg dat de kerk overal is waar ‘een rijke Jezus en een arme zondaar’ verkondigd wordt en waar het kwade weggedaan werd. Maar de kerkenraad kon dit niet beoordelen. De kerkenraad beperkte ‘de kerk’ tot binnen hun muren, waar hij tegen was, en hij bouwde zijn zaligheid niet op het verwerpen van andersdenkenden. Ds. Van Leeuwen had hem schriftelijk vermaand, hem en de kerkenraad terecht gewezen om op kerkelijk terrein [overeenkomstig de kerkelijke regels] te handelen, maar ds. Bechthold schrijft in zijn toestand en in de door hem afgelegde weg te volharden en niet het minste berouw te hebben. Hij verklaart blijdschap en vreugde te hebben om verlost te zijn van achter de grendels van het Sektarisme.

De Classis, dit alles gehoord en overwogen hebbende, besluit: om ds. Bechthold, die weigert een commissie te ontvangen, of op onze Classis te komen, een vermaan- en bestraffingsbrief toe te zenden met aankondiging van Gods oordelen over zijn handelingen. De afgevaardigde vraagt handopening [toestemming] om een andere leraar voor die gemeente te beroepen, wat toegestaan wordt. Ds. Van Leeuwen wordt benoemd om mee te gaan naar Paterson, om daar de bestraffingsbrief te overhandigen, er te preken, en de stemming en beroeping [van een predikant] te leiden en de welstand der gemeente te bevorderen.

Art. 13 – De ouderling van Grand Haven zegt dat er in de gemeente een lid is, dat zich schuldig maakt aan laster tegen ds. Van Leeuwen en de gemeente, waarom zij, na vermaand te zijn, onder de eerste trap van censuur is geplaatst. De laster bestond hieruit, dat zij zei, dat goddeloze leden in de gemeente werden opgenomen, vooral een [lid, genaamd] Waardenier, die ervan beschuldigd wordt als bankroetier [gefailleerde] Nederland te hebben verlaten. Br. Pleune is opgedragen hierover te schrijven aan ds. Van Dieke. Ook volharden die vrouw met haar man in het zich onttrekken aan de gemeente en lid te worden van de Dutch Reformed Church. Besloten wordt om die leden er schriftelijk kennis van te geven dat zij vanwege hun onttrekking aan de kerk niet meer gerekend worden bij de gemeente te behoren.

Art. 14 – De afgevaardigden van Zeeland verzoeken dat de Classis een eind maakt aan de ellendige toestanden in hun gemeente. Daartoe wordt besloten na een aantal vragen gesteld te hebben, waaruit bleek dat de gemeente Zeeland niet onder censuur staat, dat volgens de vorige notulen ds. Van den Bosch geen leraar is van Zeeland, dat de gemeente niet bekwaam is een leraar te beroepen en ook niet rijp is voor [het zenden van] een commissie. De Classis gaat er mee akkoord dat ds. Van der Werp met ouderling Bouws nog zal proberen wat zij kunnen doen. Er wordt kennis van gegeven hoe R. Brinks na schuldbelijdenis weer als lid was aangenomen, met de bepaling dat hij voor de Classis schuldbelijdenis moet doen. Daar hij aanwezig is, heeft hij dat ook gedaan. Daarin wordt berust.

Een log house waarin de pioniers te Zeeland (Michigan) woonden.

Art. 15 – De zitting van deze dag wordt gesloten met het zingen van psalm 26 vers 6 en met dankzegging door broeder Vermeulen.

Tweede zitting, 6 september 1866.

Art. 16 – De volgende dag is de ochtendzitting geopend met het zingen van psalm 43 vers 3 en met gebed door br. Gouw.

Art. 17Algemene Zaken –  Ds. Van der Werp brengt ter tafel een verzoek van zestien huisgezinnen in Wisconsin, die nog nergens bij behoord hebben, en die eerst een Commissie naar Zijn Eerw. gestuurd hadden om onderzoek naar onze kerk te doen. Ze vragen nu dat Zijn Eerw. komt om [daar] een gemeente te stichten. Ze vragen om hen in hun zwakheid te dragen om de oude psalmberijming te blijven zingen [die van ds. Peter Datheen (1531-1588)], zoals uit hun voorgelezen brief blijkt. Zij verklaren de kerk ook geheel vrij te laten [in haar gebruiken]. De vergadering geeft daartoe vrijheid aan ds. Van der Werp, mits werkende om hen daar vanaf te krijgen[ dus om de berijming van Datheen te laten vallen], en zoo niet, om anderen vrij te laten die de Nieuwe Berijming [die van 1773] zingen.

Petrus Dathenus (1531-1588). Zijn psalmen werden ook bij grote hagenpreken tijdens de Tachtigjarige Oorlog gezongen.

Art. 18 – Ds. Van der Werp stelt voor om godsdienstige kinderboeken te laten drukken, om die aan de leerlingen van de Catechisaties en Zondagsscholen te geven. Dit als tegengif tegen de vele Amerikaanse traktaat- en Sabbathsboekjes. Besloten wordt dat iedere gemeente met de meeste stichting [daaraan] zal [mee-] werken, dat ds. Van der Werp naar de kosten zal informeren en dat ds. Van Leeuwen een intekening bij alle gemeenten opent [om te zien] hoeveel zij er van willen afnemen, om er op de volgende Classis over de oordelen.

Ast. 19 – Ter tafel wordt gebracht om voor onze kerk een kerkelijk maandblad uit te geven. Dat wordt goed gevonden als ds. Van der Werp eerst naar de kosten informeert en als ds. Van Leeuwen onderzoekt hoeveel bladen door iedere gemeente worden afgenomen, om dan – als het de kosten kan bestrijden – op de volgende Classis een redactie te kiezen.

Art. 20 – Grand Haven vraagt naar het aantal [te verrichten]  huisbezoeken, waarop de Classis verwijst naar kerkenorde en de omstandigheden te handelen.

Art. 21 – Ds. Van der Werp vraagt voor de gemeente Pella en Ridott handopening tot het beroepen van een leraar, hetgeen wordt toegestaan.

Ds. H.P. Scholte (1805-1868) vertrok in 1847 met zo’n achthonderd ‘volgelingen’ naar Iowa, waar hij de stad Pella stichtte.

Art. 22 – Ds. Van Leeuwen vraagt om de gemeenten in twee of meer Classes te verdelen. Dit wordt tot een volgende Classis uitgesteld.

Art. 23 – Holland vraagt of het niet goed zou zijn dat de jeugd meer onderwezen wordt in de Bijbelse Geschiedenis. De classis oordeelt onderzoek te moeten doen om hiervoor een goed onderwijsboekje als handleiding  te verkrijgen.

Art. 24 – Ook brengt de ouderling van Holland in het midden dat de laatste prediking van ds. Van Leeuwen, in die gemeente vrij wat botsing had teweeg gebracht, waarover zij Zijn Eerw. hadden vermaand. Maar hij had alles staande gehouden en verdedigd. Ze leggen aan de vergadering voor wie gelijk heeft: zij of Zijn Eerw. De eerste zaak die ds. Van Leeuwen in zijn prediking gezegd had is, ‘dat God niet verheerlijkt wordt in het verderf der goddelozen’. De tweede is ‘dat er geen wettische en Evangelische bekering is’. De preses vraagt aan ds. Van Leeuwen of Zijn Eerw. zulks geleerd heeft, waarin hij toestemde, met als aanvulling ‘dat God alleen in Christus verheerlijkt was’.

Hierop neemt ds. Van der Werp het woord en bewijst dat Gods deugden verheerlijkt zijn geworden in de staat der rechtheid, toen Christus als Middelaar nog onbekend was. Verder weerlegt Zijn Eerw. de stelling van ds. Van Leeuwen met Spreuken 16 vers 4, Exodus 14 vers 4 en Exodus 16 en 17. Daarop oordeelt de Classis dat ds. Van Leeuwen die uitdrukkingen als strijdende met de leer der Gereformeerde Kerken moet intrekken, waartoe Zijn Eerw. uiteindelijk overgaat [zulks te doen].

Art. 25 – Wordt gevraagd of de ouderlingen voor de lessenaar of op de preekstoel zullen voorgaan [in de kerkdiensten]; geoordeeld wordt voor de lessenaar.

Art. 26 – Er wordt gevraagd hoe ver de studenten zijn met hun studies en ds. Van der Werp verklaart begonnen te zijn hen voorstellen [preken] te laten houden, maar dat er nog veel aan vrijmoedigheid ontbreekt.

Art. 27 – Br. Barles vraagt of een ouderling [de kerkdienst] eindigen mag met het laatste vers uit de Avondzang te bidden. Dat mag geschieden.

Art. 28 – De volgende vergadering zal gehouden worden op de tweede woensdag in december, te Vriesland, en zal geopend worden door ds. Van den Bosch.

Ds. K. van den Bosch. (1818-1897).

Art. 29 – De inkomsten voor de opleiding der studenten is tot en met 4 september een bedrag van $ 416.66.

Art. 30 – Ds. Van Leeuwen wordt verplicht om de gemeenten van Vriesland en Noordeloos hun nalatigheid te doen belijden en op hun plicht opmerkzaam te maken [verband houdende met het ontbreken van afgevaardigden].

Art. 31 – De vergadering is gesloten met psalm 134 vers 3 en met dankzegging door ds. Van der Werp.

w.g.  D.J. van der Werp – preses

Bron:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, 1937.

Translation into English:

From ‘Classis’ to ‘Synod’ in America (31).

( < Back to Part 30 ) – In our series on the ecclesiastical assemblies of the Seceders who emigrated to America, belonging since 1857 to the then-established Christian Reformed Church (as further explained in part 1), we continue with the meeting of September 5 and 6, 1866. Clarifying or additional remarks by the editors of GereformeerdeKerken.info are placed in brackets [].

Classical meeting held on September 5 and 6, 1866, in Grand Rapids.

Due to rainy weather, Rev. Van der Werp was not present early enough to deliver the sermon the evening before, according to the decision of the previous meeting; therefore, this was carried out by Rev. Van Leeuwen on Psalm 133.

The delegates to this meeting are:
Holland – A. Krabshuis and G. Ham (elders);
Graafschap – Rev. D.J. van der Werp and P. Boven, H. Bouws and H. Strabbing (elders);
Zeeland – T. van den Bosch (elder) and E. Zagers and H. de Groot (deacons);
Grand Rapids – Rev. W.H. van Leeuwen and J. Gelok, A. Pleune and Gouw (elders);
Grand Haven – H.W. Bartels (elder);
Paterson – A. Vermeulen (deacon).

No delegates had yet arrived from the other congregations.

First Session – September 5, 1866.

Art. 1 – The meeting was opened this morning by Rev. Van Leeuwen with the reading of 1 Timothy 2, the singing of Psalm 135 verses 1 and 12, followed by prayer.

Art. 2 – The meeting proceeded to elect a clerk (scriba), for which Elder J. Gelok was appointed, while the presidency was taken by Rev. Van der Werp, whose turn it was.

Art. 3 – After discussion of the credentials (letters of authorization), these were found to be in order, although it was disapproved that (1) Grand Rapids had no credentials, because that congregation judged that most council members would be present anyway; and (2) Grand Haven, due to the small number of council members, which is not in accordance with a previously adopted decision.

Art. 4 – An examination was made of the previous minutes after they had been read. Regarding Art. 10, it was judged that the wife of Geert van Tubbergen had been barred [from the Lord’s Supper], which is left to the judgment of the consistory. Article 12 was to read: “that after long and extensive discussion, the judgment of the Classis was that it could not have acted otherwise earlier, but that […] Rev. Van den Bosch was minister of Zeeland.” Rev. Van den Bosch was then asked how he now stood in relation to that congregation. He replied that it was not his intention to again be minister of Zeeland, but that he wished to be restored in his honor and rights.

Art. 5 – An inquiry was made regarding the notice sent to the congregations of the classis [about today’s meeting], from which it appeared that this had not taken place according to the prescribed order, with the result that the congregations of Noordeloos and Vriesland were not represented. Rev. Van Leeuwen was reprimanded for his negligence as Classical Correspondent, and it was decided that in the future each consistory must be notified by the Correspondent fourteen days in advance.

Art. 6 – In connection with Article 9 of the previous meeting, Rev. Van der Werp reports on the information he received from the Dutch Reformed Church in Pella. [The committee] has clearly found from doctrine, discipline, and service that this church is a false church. It was also decided to include in our minutes the report of the Secession from the East.

Art. 7 – Because it is mealtime, Psalm 25 verse 10 is sung and prayer is offered by J. Gelok; after the meal, Psalm 119 verse 53 is sung and prayer is offered by A. Pleune.

Art. 8 – Grand Haven declares that it has not yet complied with Article 15 of the previous minutes, but will do so at the first opportunity.

Art. 9 – Regarding Article 16 [of the previous minutes], Rev. Van Leeuwen declares that he sees no benefit in going to the Low Prairie, because according to him that congregation is lost. The classis judges that the matter should be observed for now, but in the meantime the consistory and members should be admonished by the Correspondent.

Art. 10 – In connection with Article 17 [of the previous minutes], Rev. Van der Werp reports on his journey to Pella and Ridott, and declares that he established a congregation in Pella with 62 members and one in Ridott with 32 members.

Art. 11 – Also, in connection with Article 10 of the previous minutes, he reports his findings. The members there [in Pella and Ridott] do not want to separate [there was apparently disagreement about joining the Classis], and therefore cannot properly be admitted into our Classis if some are opposed.

The overseers of Grand Rapids request further consideration of a similar matter […]. Because the Classis desires more clarity, the chairman reads several decisions of the Christian Seceded Church in the Netherlands, in which that matter is justified. Further discussion is postponed until the next Classis and is recommended to each member for prayerful consideration.

Art. 12 – Congregational Matters – The delegate from Paterson is requested to report on the distress concerning their minister, Rev. Bechthold, who had left their congregation due to disagreement with our ecclesiastical position, and because he had joined the German Reformed, which only became clear after a discussion with our opponents. Also in his teaching, a “general spirit” [an overly broad standpoint] manifested itself. Our church was accused by him of being too “narrow” in its ecclesiastical views. He himself, however, adopted a “broad” stance, such as is found in [many other] denominations. He had declared that he wanted nothing to do with our Classis. The consistory had resolved to continue engaging him in discussion, also concerning [an article written by him in] the weekly De Hope and about the rejection of [the establishment of] a monthly magazine for our church. The consistory spoke with him about these matters for so long that he rejected everything and joined the German Reformed. He laid down his ministry in the congregation because he did not agree with the church. The delegate [from Paterson] also urgently requests, for the good of the congregation, that a minister go with him [to restore order].

As Classical Correspondent, Rev. Van Leeuwen read several letters received from that minister [Rev. Bechthold]. In them, Rev. Bechthold states that laying down his office was caused by an [unknown] man who accused him of preaching only “half a Jesus.” According to him, the consistory was a significant cause of this. He also defends his sermon in which he says that the church is everywhere where “a rich Jesus and a poor sinner” are proclaimed and where evil is put away. But the consistory could not accept this. The consistory confined “the church” within their walls, which he opposed, and he did not base his salvation on rejecting those of different opinions. Rev. Van Leeuwen had admonished him in writing and corrected both him and the consistory to act properly in ecclesiastical matters, but Rev. Bechthold writes that he persists in his position and course and has not the least regret. He declares that he has joy and gladness at being freed from behind the bars of sectarianism.

The Classis, having heard and considered all this, decides to send Rev. Bechthold—who refuses to receive a committee or come to our Classis—a letter of admonition and rebuke, with an announcement of God’s judgments upon his actions. The delegate requests permission to call another minister for that congregation, which is granted. Rev. Van Leeuwen is appointed to go to Paterson, to deliver the letter of rebuke, to preach there, and to lead the vote and calling [of a minister] and to promote the welfare of the congregation.

Art. 13 – The elder from Grand Haven reports that there is a member in the congregation who is guilty of slander against Rev. Van Leeuwen and the congregation; after being admonished, she has been placed under the first stage of censure. The slander consisted of her saying that ungodly members were admitted into the congregation, especially one [member named] Waardenier, who is accused of having left the Netherlands as a bankrupt. Brother Pleune has been instructed to write about this to Rev. Van Dieke. This woman and her husband also persist in withdrawing from the congregation and becoming members of the Dutch Reformed Church. It is decided to inform these members in writing that, due to their withdrawal from the church, they are no longer to be considered as belonging to the congregation.

Art. 14 – The delegates from Zeeland request that the Classis put an end to the miserable conditions in their congregation. It is decided to do so after asking a number of questions, from which it appears that the congregation of Zeeland is not under censure, that according to the previous minutes Rev. Van den Bosch is not minister of Zeeland, that the congregation is not capable of calling a minister, and is not yet ready for [the sending of] a committee. The Classis agrees that Rev. Van der Werp, together with Elder Bouws, will still attempt what they can do. It is reported how R. Brinks, after confession of guilt, was readmitted as a member, with the condition that he must make confession before the Classis. As he is present, he has done so, and this is accepted.

Art. 15 – The session of this day is closed with the singing of Psalm 26 verse 6 and with thanksgiving offered by Brother Vermeulen.

Second session, September 6, 1866.

Art. 16 – The next day the morning session was opened with the singing of Psalm 43, verse 3, and with prayer by brother Gouw.

Art. 17 – General Matters – Rev. Van der Werp presents a request from sixteen households in Wisconsin, who have not previously belonged anywhere and who had first sent a committee to his Reverence to investigate our church. They now request that he come there to establish a congregation. They ask to be borne with in their weakness to continue singing the old psalm versification [that of Rev. Peter Datheen (1531–1588)], as appears from their letter that was read. They also declare that they leave the church entirely free [in its practices]. The assembly grants Rev. Van der Werp permission to do so, provided he works to lead them away from this [that is, to abandon Datheen’s versification], and if not, to allow others freedom who sing the New Versification [that of 1773].

Art. 18 – Rev. Van der Werp proposes to have religious children’s books printed, to distribute them to the students of catechism classes and Sunday schools, as an antidote to the many American tracts and Sabbath booklets. It is decided that each congregation shall cooperate in whatever way is most edifying, that Rev. Van der Werp shall inquire about the costs, and that Rev. Van Leeuwen shall open a subscription among all the congregations [to determine] how many they wish to take, so that the matter may be judged at the next Classis.

Art. 19 – It is proposed to publish a monthly church periodical for our church. This is approved, provided Rev. Van der Werp first inquires about the costs and Rev. Van Leeuwen investigates how many copies each congregation will take, so that—if it can cover the costs—an editorial board may be chosen at the next Classis.

Art. 20 – Grand Haven asks about the number of house visits [to be conducted], to which the Classis refers them to act according to the Church Order and the circumstances.

Art. 21 – Rev. Van der Werp requests authorization on behalf of the congregations of Pella and Ridott to call a minister, which is granted.

Art. 22 – Rev. Van Leeuwen requests that the congregations be divided into two or more Classes. This is postponed until a subsequent Classis.

Art. 23 – Holland asks whether it would not be good for the youth to receive more instruction in Biblical History. The Classis judges that investigation should be made to obtain a suitable instructional booklet as a guide for this purpose.

Art. 24 – An elder from Holland also brings forward that the most recent sermon of Rev. Van Leeuwen had caused considerable friction in that congregation, about which they had admonished his Reverence. However, he had maintained and defended everything. They submit to the assembly who is right: they or his Reverence. The first point Rev. Van Leeuwen had stated in his preaching is “that God is not glorified in the destruction of the wicked.” The second is “that there is no legal and evangelical conversion.” The chairman asks Rev. Van Leeuwen whether he had taught this, which he admits, adding “that God is glorified only in Christ.”

Rev. Van der Werp then takes the floor and demonstrates that God’s attributes were glorified in the state of rectitude, when Christ as Mediator was still unknown. Furthermore, his Reverence refutes Rev. Van Leeuwen’s position with Proverbs 16:4, Exodus 14:4, and Exodus 16 and 17. Thereupon the Classis judges that Rev. Van Leeuwen must retract these expressions as conflicting with the doctrine of the Reformed Churches, which he ultimately agrees to do.

Art. 25 – It is asked whether the elders should lead [the services] from in front of the lectern or from the pulpit; it is judged that it should be from the lectern.

Art. 26 – Inquiry is made into how far the students have progressed in their studies, and Rev. Van der Werp declares that he has begun to have them deliver trial sermons, but that there is still much lacking in confidence.

Art. 27 – Brother Barles asks whether an elder may conclude [the service] by praying the last verse of the evening hymn; this is permitted.

Art. 28 – The next meeting shall be held on the second Wednesday of December, at Vriesland, and shall be opened by Rev. Van den Bosch.

Art. 29 – The income for the training of students amounts, up to and including September 4, to $416.66.

Art. 30 – Rev. Van Leeuwen is instructed to have the congregations of Vriesland and Noordeloos confess their negligence and to call them to attention regarding their duty [in connection with the absence of delegates].

Art. 31 – The meeting is closed with Psalm 134, verse 3, and with thanksgiving by Rev. Van der Werp.

Signed,
D. J. van der Werp – chairman

Source:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857–1880. Grand Rapids, 1937.