Van ‘Classis’ naar ‘Synode’ in Amerika (33)

De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.

( < Naar deel 32 – Back to Part 32 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde  Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 20 februari 1867. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

De Classicale Vergadering gehouden te Holland op 20 februari 1867.

Art. 1 – De vergadering is geopend met te zingen Psalm 133 vers 1 en met gebed door ds. W.H. Frieling als preses.

Art. 2 – De lastbrieven zijn gelezen, inhoudende de  volgende afgevaardigden:

Grand Haven: de ouderlingen H.W. Bartels en C.  Noordhuis;

Graafschap: ds. D.J. van der Werp en de ouderling Hk.  Strabbing;

Holland: de ouderlingen A. Krabshuis en C. Pik;

Zeeland: de ouderlingen T. van den Bosch en R. Brinks;

Noordeloosds. K. van den Bosch en ouderling P.  Heiboer;

Niekerk: de ouderlingen F. Tibbe en T. Warners;

Grand Rapids: de ouderlingen A. Pleune en J. Gouw.

Dominee W.H. Frieling (1820-1905) was preses van deze vergadering.

Art. 3 – Met algemene stemmen is de ouderling A. Pleune tot  scriba der vergadering verkozen.

Art. 4 – Nadat ds. Van der Werp de notulen der vorige vergadering voorgelezen had, vraagt de preses of er ook aanmerkingen waren, waarop door ds. Van den  Bosch een kleine aanmerking wordt gemaakt en ds. Van der Werp vindt hier en daar een leemte.

Art. 5 – Besloten wordt dat, behalve de afgevaardigden, ook anderen aanwezig mogen zijn, onder voorwaarde [van geheimhouding].

Art. 6 – Men komt terug op Art. 5 [van de vorige notulen] betreffende de Commissie naar Zeeland, welke zaak tot de namiddag wordt uitgesteld; zodat overgegaan wordt tot Art. 8 over de Lage Prairie; de reden waarom daar geen  kerkdiensten worden gehouden is dat de gemeente aldaar door omstandigheden geen plaats [van samenkomst] had.

Art. 7 – Terugkomende op Art. 16, omdat er wegens gebrek aan stukken nog [geen voortgang gemaakt was]. Pleune zou wat vertalen, en dan zou met de zaak voortgang gemaakt worden.

Art. 8 – Art. 17 en Art. 23 zijn uitgevoerd, maar [er zijn] nog geen  antwoorden terugontvangen. Art. 24 [wordt] tot na de middag uitgesteld, [omdat dat behoort] tot de zaak van Zeeland.

Ds. K. van den Bosch, die in 1856 predikant te Noordeloos, Michigan, werd.

Art. 9 – Art. 30, waarin de gemeente Paterson verzoekt om de  verandering van de naam onzer kerk, waarover het oordeel is, dat men dat vooralsnog niet wenselijk acht.

Art. 10 – Betreffende de zaken in Cincinnatie van ds. Raidt  met de andere partij, zal men een Commissie van  twee leraren door [schriftelijke stemming] benoemen om er naar toe  te gaan, om die zaken te behandelen, waartoe  verkoren zijn ds. Van der Werp en ds. Van den  Bosch.

Art. 11 – Naar aanleiding van het bezwaar van ds. Van den Bosch en de vraag of het letterlijk dan wel praktisch uitvoerbaar is, onderzoekt de vergadering of het Kort Begrip als norm moet worden gehanteerd bij de toelating van leden. Ds. Van den Bosch wenst een letterlijke toepassing, terwijl het gevoelen van de classis is dat leer en levenswandel de grondslag moeten vormen. Dit wordt besproken, waarbij sommigen bezwaar maken.

Art. 12 – Op verzoek van de voorzitter verschaft ds. Van den Bosch opheldering over hetgeen hij verstaat onder toestemming ten aanzien van de financiën van een gemeente die voornemens is een predikant te beroepen.

Art. 13 – De morgenzitting ten einde zijnde heeft ds. Van der  Werp een zegen gevraagd voor het eten.

Art. 14 – Gezongen is Psalm 86 vers 6 en gedankt na het eten en een  zegen gevraagd door ds. Van den Bosch.

Een kaartje van het gebied rond Holland, Michigan.

Art. 15 – Grand Rapids brengt een geschil naar voren betreffende de kerkelijke beheerders (’trustees’) van een gemeente. De classis wenst de verontrusten gerust te stellen door te bepalen dat, indien leden van een kerkenraad hun bevoegdheden als beheerders misbruiken om zich meester te maken van hetgeen aan de Heere toebehoort, zij onderworpen zullen worden aan vermaning, tucht en censuur.

Voorts wordt met betrekking tot de vrijmetselarij besloten dat, nadat alle mogelijke pogingen tot terechtbrenging zonder resultaat zijn gebleven, degenen die lid zijn van deze beweging uit de kerk zullen worden uitgesloten.

Art. 16 – De ‘Vereniging’ te Zeeland [van de gemeente met de predikant] is door het Classicaal Comité aldaar als volgt tot stand gebracht: Op de vergadering te Zeeland van 21 december 1866 werd de kwestie tussen ds. Van den Bosch en de gemeente van Zeeland behandeld en werd getracht deze te op te lossen. Er werd besloten dat de juiste weg was om al het voorgevallene te vergeten en opnieuw te beginnen, en dat ds. Van den Bosch deze gemeente zou dienen, evenals de andere gemeenten.

Ds. Van den Bosch wenste dat zijn eer werd hersteld en dat de leden zouden erkennen gezondigd te hebben door hem niet als predikant van Zeeland te erkennen. Na veel bespreking verklaarde broeder Verweyen [van de gemeente Zeeland] dat, indien hij gezondigd had, dit uit onwetendheid was geschied, hetgeen ook de andere leden konden toegeven, met uitzondering van broeder Everts, die zich daartoe nog niet kon brengen. Alle overige aanwezige leden konden zich hiermee verenigen.

Ook ds. Van den Bosch nam hiermee genoegen, en zo stemde hij erin toe de gemeente te dienen evenals de andere gemeenten. De gemeente van Zeeland beloofde op haar beurt trouw gebruik te zullen maken van de diensten van Zijne Eerwaarde. Dit werd namens het comité ondertekend door A. Krabshuis.

Voorts bepaalt de classis dat, indien ds. Van den Bosch predikant van Zeeland zal zijn, hij op wettige wijze beroepen moet worden. Ds. Frieling, ds. Van den Bosch en diaken De Groot zullen naar Zeeland gaan om toezicht te houden op deze gang van zaken.

Ds. Jacobus de Rooy werd later predikant in Paterson, N.J.

Art. 17 – Is besloten dat Ds. Frieling met een geleide naar Ridott zal gaan en dat de gemeente GibsVille gewaarschuwd zal worden voor een rondreizende  prediker, met name De Rooij. Op de beide andere zaken,  brandverzekering en meinedigheid, had ds. Van der  Werp al geantwoord.

Art. 18.  De gemeente Paterson, vraagt om de bevestiging van ds. Van Leeuwen door een Leeraar van de Classis, waarover besloten wordt dat, indien ds. De Beer [?] komen zal,  hij verzocht wordt via Paterson te gaan om ds. Van  Leeuwen [aldaar] te bevestigen.

Art. 19 – De voorzitter vraagt de afgevaardigden van Noordeloos of daar alles geschiedt overeenkomstig Gods Woord en de kerkorde. Hierop wordt bevestigend geantwoord.

Zij verzoeken de Classis om steun voor de gemeente naar aanleiding van de brand bij J. Vogel en Co. te Noordeloos. Voorts verzoeken zij ondersteuning wegens het tekort in het traktement van ds. Van den Bosch. Hierover ontstaat uitvoerige discussie. Tenslotte wordt aan ds. Van den Bosch gevraagd welk traktement hij verlangt. Hij antwoordt tevreden te zijn met hetzelfde bedrag als de minst bezoldigde predikanten ontvangen, namelijk 500 dollar.

Ds. W.H. van Leeuwen (1807-1882) werd predikant in Paterson, N.J..

Dit wordt goedgekeurd en de meerderheid besluit dat hij dit bedrag zal ontvangen, terwijl het tekort door de Classis zal worden aangevuld. Ds. Van den Bosch belooft daarop geen werkzaamheden meer op het landbouwbedrijf te verrichten.

Verder hebben zij nog een vraag betreffende de aard en de grondslag van het geloof met betrekking tot Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, welke door ds. Van den Bosch ter sprake was gebracht. Deze kwestie blijft echter onbehandeld.

[Opmerking van de redactie van GereformeerdeKerken.info: De passage over Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus lijkt te verwijzen naar de bekende vragen 20–23 over het ware geloof en de toe-eigening van Christus. Uit deze notulen blijkt dat hierover een vraag was ingebracht, maar dat de classis deze niet meer heeft behandeld.]

Ds. Douwe J. van der Werp (1811-1876).

Art. 20 – Besloten is dat de afgevaardigden van iedere gemeente naar de Classis in het vervolg moeten zijn voorzien van zowel een instructie als lastbrieven

Art. 21 – Holland verzocht, als ds. de Beer [?] komt, ondersteuning  voor een nieuw kerkgebouw, [een verzoek dat] als voorbarig  beschouwd wordt.

Art. 22 – Paterson verzocht dat de [komende] ‘grote vergadering’ te  Grand Rapids wordt gehouden en dat de reiskosten  gezamenlijk gedragen worden. Het eerste verzoek wordt toegestemd [deze zal gehouden worden op] de eerste woensdag in de maand Juni 1867; maar iedere gemeente moet de reiskosten  van zijn afgevaardigden zelf blijven dragen.

Art. 23 – De vergadering is besloten met te zingen Psalm 134 vers 3 en dankzegging door de preses.

Bron:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, 1937

Deel 34 volgt binnekort.

Translation into English:

The first ecclesiastical assemblies of the Christian Reformed Church.

( < Back to Part 32 ) – In our series on the ecclesiastical assemblies of the Seceders who emigrated to America, belonging since 1857 to the then-established Christian Reformed Church (as further explained in part 1), we continue with the meeting of December 12, 1866. Clarifying or additional remarks by the editors of GereformeerdeKerken.info are placed in brackets [].

The Classis Meeting Held at Holland on February 20, 1867.

Article 1 – The meeting was opened with the singing of Psalm 133:1 and prayer by Rev. W.H. Frieling as chairman (praeses).

Article 2 – The credentials were read, indicating the following delegates:

Grand Haven: Elders H.W. Bartels and C. Noordhuis.

Graafschap: Rev. D.J. van der Werp and Elder Hk. Strabbing.

Holland: Elders A. Krabshuis and C. Pik.

Zeeland: Elders T. van den Bosch and R. Brinks.

Noordeloos: Rev. K. van den Bosch and Elder P. Heiboer.

Niekerk: Elders F. Tibbe and T. Warners.

Grand Rapids: Elders A. Pleune and J. Gouw.

Article 3 – By unanimous vote, Elder A. Pleune was elected clerk (scriba) of the meeting.

Article 4 – After Rev. Van der Werp had read the minutes of the previous meeting, the chairman asked whether there were any comments. Rev. Van den Bosch made a minor remark, and Rev. Van der Werp noted some omissions here and there.

Article 5 – It was decided that, besides the delegates, others might also be present, on the condition of confidentiality.

Article 6 – The assembly returned to Article 5 concerning the committee sent to Zeeland, but the matter was postponed until the afternoon. It then proceeded to Article 8 regarding Lage Prairie. The reason no church services were being held there was that, due to circumstances, the congregation had no place of worship.

Article 7 – Returning to Article 16: because of a lack of documents, no progress had yet been made. Pleune was to translate some material, after which the matter would be continued.

Article 8 – Articles 17 and 23 had been carried out, but no replies had yet been received. Article 24 was postponed until the afternoon because it belonged to the Zeeland matter.

Article 9 – Article 30 concerned a request from the congregation of Paterson regarding changing the name of the church. The judgment was that such a change was not considered desirable at present.

Article 10 – Concerning the affairs in Cincinnati involving Rev. Raidt and the opposing party, it was decided to appoint a committee of two ministers by written ballot to travel there and handle the matter. Rev. Van der Werp and Rev. Van den Bosch were elected.

Article 11 – In response to an objection raised by Rev. Van den Bosch and the question whether a matter should be applied literally or practically, the assembly examined whether the Kort Begrip (“Compendium of Christian Doctrine”) ought to serve as the norm in admitting members.

Rev. Van den Bosch desired a literal application, whereas the opinion of the classis was that doctrine and conduct should form the basis. This was discussed, and some raised objections.

Article 12 – At the chairman’s request, Rev. Van den Bosch explained what he understood by obtaining consent with regard to the finances of a congregation intending to call a minister.

Article 13 – The morning session having ended, Rev. Van der Werp asked a blessing upon the meal.

Article 14 – Psalm 86:6 was sung, thanks were offered after the meal, and a blessing was requested by Rev. Van den Bosch.

Article 15 – Grand Rapids brought forward a dispute concerning the trustees of a congregation. The classis wished to reassure those who were concerned by determining that, if members of a church council should abuse their authority as trustees in order to seize what belongs to the Lord, they would be subject to admonition, discipline, and censure.

Furthermore, regarding Freemasonry, it was decided that after all possible efforts at correction had been made without success, those who were members of that organization would be excluded from the church.

Article 16 – The “reconciliation” in Zeeland had been brought about by the Classical Committee there in the following manner.

At the meeting in Zeeland on December 21, 1866, the dispute between Rev. Van den Bosch and the congregation of Zeeland was addressed, and an attempt was made to settle it. It was decided that the proper course was to forget everything that had occurred and make a fresh start, and that Rev. Van den Bosch would serve this congregation just as he served the other congregations.

Rev. Van den Bosch desired that his honor be restored and that the members acknowledge that they had sinned by not recognizing him as the minister of Zeeland. After much discussion, Brother Verweyen of the Zeeland congregation declared that if he had sinned, it had been through ignorance, which the other members were also willing to admit, with the exception of Brother Everts, who was not yet able to do so. All the other members present were able to agree with this.

Rev. Van den Bosch was also satisfied with this, and thus consented to serve the congregation just as he served the other congregations. The congregation of Zeeland, for its part, promised faithfully to make use of the services of his Reverence. This was signed on behalf of the committee by A. Krabshuis.

Furthermore, the classis determined that if Rev. Van den Bosch was to be the minister of Zeeland, he must be properly called according to lawful procedure. Rev. Frieling, Rev. Van den Bosch, and Deacon De Groot would go to Zeeland to supervise this process.

Article 17 – It was decided that Rev. Frieling would go to Ridott with an escort and that the congregation of Gibsville would be warned about an itinerant preacher named De Rooij.

As for the other two matters, fire insurance and perjury, Rev. Van der Werp had already answered them.

Article 18 – The congregation of Paterson requested that Rev. Van Leeuwen be installed by a minister of the classis. It was decided that if Rev. De Beer should come, he would be asked to pass through Paterson and install Rev. Van Leeuwen there.

Article 19 – The chairman asked the delegates from Noordeloos whether everything there was being conducted according to God’s Word and the Church Order. They answered in the affirmative.

They requested assistance from the classis for the congregation because of the fire at J. Vogel & Co. in Noordeloos. They also requested support because of a deficiency in Rev. Van den Bosch’s salary.

An extensive discussion followed. Finally, Rev. Van den Bosch was asked what salary he desired. He replied that he would be satisfied with the same amount received by the lowest-paid ministers, namely $500.

This was approved, and the majority decided that he would receive that amount, while any deficiency would be supplied by the classis. Rev. Van den Bosch then promised that he would no longer perform work on the farm.

They also had a question concerning the nature and foundation of faith with reference to Lord’s Day 7 of the Heidelberg Catechism, a matter that had been raised by Rev. Van den Bosch. However, this issue remained untreated.

Editorial note from GereformeerdeKerken.info: The passage concerning Lord’s Day 7 of the Heidelberg Catechism appears to refer to the well-known Questions and Answers 20–23 regarding true faith and the appropriation of Christ. These minutes indicate that a question concerning this matter was submitted, but that the classis did not deal with it further.

Article 20 – It was decided that in the future the delegates from every congregation must come to classis provided with both written instructions and credentials.

Article 21 – Holland requested support for a new church building if Rev. De Beer should come. The request was considered premature.

Article 22 – Paterson requested that the upcoming “major assembly” be held at Grand Rapids and that the travel expenses be shared collectively.

The first request was granted, and the meeting would be held on the first Wednesday of June 1867. However, each congregation was to continue paying the travel expenses of its own delegates.

Article 23 – The meeting was closed with the singing of Psalm 134:3 and thanksgiving by the chairman.

Source:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church, 1857–1880. Grand Rapids, 1937.

Part 34 to follow soon.