Van ‘Classis’ naar ‘Synode’ in Amerika (34)

De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.

( < Naar deel 33 – Back to Part 33 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde  Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 20 februari 1867. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

Classicale vergadering gehouden te Noordeloos op 2 en 3 oktober 1867.

Art. 1. De vergadering wordt geopend met het zingen van psalm 119 vers 3 en gebed door Ds. K. van den Bosch.

Art. 2. De lastbrieven worden gelezen en met enige terechtwijzigingen goedgekeurd. Daaruit blijkt dat zijn afgevaardigd:

Grand Rapids – Ds. R. Duiker en ouderling J. Gelok.

Graafschap – Ds. D.J. van der Werp en ouderling H. Strabbing.

Noordeloos – Ds. K. van den Bosch en ouderling Diepenhorst.

Zeeland – de ouderlingen T. van den Bosch en R. Brinks.

Vriesland – Ds. W.H. Frieling en ouderling H. Scheepers.

Holland – Ds. J. de Beer en ouderling Hogesteege.

Niekerk [bij Graafschap, geïnstitueerd in 1866 door gemeenteleden te Graafschap, zodat de mensen in die omgeving makkelijker naar de kerk konden komen]– de ouderlingen F. Tibbe en J. Warners.

Ridott – de diakenen E. Ammermann en H. Bode. [Ridott ligt in het uiterste noorden van de staat Illinois, aan de andere kant van het Michigan Meer.]

Grandhaven – ouderling H.W. Bartels en diaken Uittermark.

Een kaartje van het gebied rond Holland, Michigan.

Art. 3. Daar Ds. K. van den Bosch volgens beurt het presidium waarneemt, wordt ouderling Gelok tot scriba verkozen.

Art. 4. Er wordt besloten de studenten tot de vergadering toe te laten, met uitzondering van sommige zaken, waarbij het aan het oordeel van de vergadering wordt overgelaten of zij daarbij aanwezig mogen zijn. Op dezelfde wijze wordt ook kandidaat Zeebuit toegelaten, die de vergadering wenst bij te wonen en als kandidaat in de kerk beschouwd wenst te worden. Hierop zal later worden teruggekomen.

Art. 5. De notulen van de vorige Classis worden gelezen en met enige aanmerkingen goedgekeurd.

Art. 6. Ds. Van der Werp en Ds. Van den Bosch doen verslag van de door hen uitgevoerde commissie te Cincinnati. Zij verklaren dat allen verenigd zijn, behalve Ds. Raidt, en dat daaruit een gemeente in vereniging met onze kerk is gesticht. De beide Bondszegels, de doop en het Avondmaal, zijn bediend, zodat deze gemeente thans onder onze kerk behoort.

Art. 7. De artikelen 11 en 12 van de vorige Classis vervallen, aangezien de Algemene Vergadering ten aanzien van art. 11 heeft besloten bij het aannemen van lidmaten de regel van het Kort Begrip te blijven volgen. Ten aanzien van art. 12 is besloten dat handopening in onze kerkorde niet voorkomt, maar dat men alleen advies kan geven.

Art. 8. De opdracht die aan Ds. Frieling was gegeven, is door Ds. de Beer op de Grote Vergadering overgenomen. De bevestiging van Ds. Van Leeuwen, vermeld in art. 18 van de vorige vergadering, is door Ds. de Beer verricht. Art. 19, betreffende het traktement van Ds. Van den Bosch, is op de Algemene Vergadering gewijzigd.

Ds. W.H. Frieling (1820-1905)..

Art. 9. Volgens de constructiebrief van Grand Rapids wordt gevraagd hoe te handelen met het lidmaat D. Kuiper, die onder kerkelijke behandeling is wegens ongegronde bezwaren tegen sommige zaken in de gemeente, onbewezen beschuldigingen tegen de kerkenraad en verwaarlozing van de openbare godsdienst. Dit wordt door Ds. Van der Werp, Ds. Duiker en ouderling Gelok toegelicht. De vergadering oordeelt dat hem, na voorafgaande vermaning, eenvoudig schriftelijk het besluit van de Christelijke Afgescheiden Kerk in Nederland moet worden toegezonden, dat hij niet meer tot de gemeente behoort. Dit omdat hij niet schuldig is aan bijzondere zonde in leer of leven en hij de kerkenraad de gelegenheid ontneemt om met hem te spreken en met hem te handelen. Na onderzoek van de toestand van de gemeente blijkt deze gunstig te zijn.

Art. 10. Vriesland heeft niets ter behandeling op de Classis en verklaart dat de toestand van de gemeente eveneens wenselijk is.

Art. 11. Zeeland vraagt hoe te handelen met H. Marling, aangezien hij de kerkenraad niet wil erkennen totdat de Classis een eerder besluit omtrent Ds. Van den Bosch en Zeeland intrekt. De zitting wordt gesloten met het zingen van psalm 143 vers 10 en dankzegging door Ds. Van der Werp.

Middagzitting

Art. 12. De vergadering wordt geopend met het zingen van psalm 119 vers 17 en gebed door Ds. De Beer.

Art. 13. De onderhavige zaak komt in behandeling. Marling verschijnt zelf in de vergadering. De preses richt het woord tot hem. Daar hij in hoofdzaak hetzelfde verklaart als de afgevaardigden van Zeeland hebben meegedeeld, wordt Marling vermaand tot onderwerping, zij het dan met protest. Dit wordt door hem aangenomen. Zeeland vraagt vervolgens nog om een vaste consulent, aangezien Ds. Frieling daartoe benoemd is en deze benoeming ook heeft aangenomen.

Art. 14. Noordeloos heeft niets ter behandeling op de Classis en verklaart dat alles in de gemeente in goede orde is.

Art. 15. Holland en Niekerk vragen of de vergadering de combinatie van beide gemeenten mag ontbinden. Nadat hierover de nodige inlichtingen zijn ingewonnen, voldoet de Classis aan dit verzoek, met de toelichting dat iedere gemeente nu een beroep op Ds. de Beer uitbrengt en Zijne Eerwaarde de vrijheid geeft om te kiezen. De gemeente die daardoor vacant wordt, zal een andere leraar beroepen.

Ds. K. van den Bosch (1818-1897) was preses van deze vergadering.

Art. 16. Voorts wordt gevraagd om een regeling voor het bedienen van de vacante gemeenten. De vergadering oordeelt dat men bij het oude moet blijven. De kerkenraden worden opgewekt hun leraren op billijke wijze af te staan, zodat iedere gemeente viermaal per jaar het Avondmaal kan ontvangen. Niekerk vraagt wat de gemeente een leraar die daar komt prediken als vergoeding moet geven. De vergadering oordeelt hierover geen bepaling te kunnen maken, maar dat iedere gemeente naar vermogen moet handelen.

Niekerk vraagt verder om een bepaling omtrent de overkomst van een leraar uit Nederland. Er wordt besloten dat, wanneer hij binnen één jaar vertrekt, drie vierde van hetgeen voor hem is uitgegeven moet worden teruggegeven; bij vertrek binnen twee jaar de helft en bij vertrek binnen drie jaar een vierde. Na vier jaar is hij daarvan vrij.

Art. 17. Niekerk vraagt of leden die dichtbij een andere gemeente wonen, niet tot die gemeente behoren. De vergadering oordeelt dat, wanneer dit te veel in het oog loopt, deze leden moeten worden opgewekt hun attestatie te brengen naar de gemeente waar zij het dichtst bij wonen. Om de vrede te bewaren, moet men hierbij echter voorzichtig handelen.

Niekerk vraagt verder om een wettige grensscheiding, zodat leden die dichtbij een andere gemeente wonen, worden vermaand zich daarbij te voegen. De vergadering oordeelt hierin niet te kunnen treden, omdat het leden betreft die reeds bij een gemeente behoren. Met nieuwe leden zal men echter zoveel mogelijk zonder aanstoot handelen. Wanneer leden een attestatie vragen om naar een andere gemeente te gaan, moeten zij eerst hun schuld aanzuiveren.

Art. 18. Niekerk vraagt of leden van de ene gemeente bij een andere gemeente aan het Avondmaal mogen deelnemen. De vergadering oordeelt dat men hen niet zonder attest van hun kerkenraad mag toelaten.

Art. 19. Niekerk vraagt hoe te handelen met J. Vinke, die onder kerkelijke censuur staat en in het wereldlijk recht is vervallen omdat hij zijn vrouw heeft geslagen. Er wordt geoordeeld hem met naam en zonde bekend te maken en, indien dit vruchteloos is, tot de afsnijding over te gaan.

Art. 20. Niekerk vraagt of men de notulen van de Classis niet zal laten drukken. Dit wordt verwezen naar de Grote Vergadering.

Art. 21. Graafschap vraagt of een gemeente in een andere gemeente mag rondgaan om te collecteren. De vergadering oordeelt dat dit alleen mag met toestemming van de betreffende kerkenraad.

Art. 22. Graafschap vraagt wie men onder ons mag laten prediken. De vergadering antwoordt: niemand buiten onze kerk en die van Nederland, uit de Christelijke Afgescheidene Kerk, tenzij zij van de nodige attesten zijn voorzien. Zij zullen dan worden toegelaten.

Jan Gelok (1824-1889) was scriba van deze bijeenkomst.

Algemene zaken

Art. 23. Er komt een vraag ter tafel of onze kerk ook oefenaars erkent. Er wordt geoordeeld dit vooralsnog uit te stellen.

Art. 24. Een persoon, Nikolaas Smit, onlangs uit Nederland gekomen, laat vragen of hij kan worden opgeleid of onderzocht tot leraar. De vergadering oordeelt dat genoemde persoon eerst een jaar en zes weken lidmaat van onze kerk moet zijn voordat men daartoe zou kunnen besluiten.

Art. 25. Ds. Duiker stelt een persoon, Jacob Noordewier, en Ds. Van der Werp een ander, Willem Greeve, voor om uit de kas voor behoeftige studenten tot het leraarsambt te worden opgeleid. Na voldoende toelichting en onderzoek wordt daartoe besloten. Daarbij wordt bepaald dat de leraren van de Classis als commissie op zich nemen hen te onderzoeken wanneer dit nodig is, toezicht over hen te houden en te beoordelen wat hun zal worden toegelegd. Tevens wordt bepaald dat geen leraar over zijn eigen studenten zal oordelen.

Art. 26. Ds. de Beer moet wegens zenuwongesteldheid de vergadering verlaten. Omdat het reeds laat is, wordt de vergadering verdaagd tot de volgende morgen en gesloten met het zingen van psalm 134 vers 3, gebed en dankzegging door Ds. Duiker.

Art. 27. De vergadering wordt de volgende morgen geopend met het zingen van psalm 122 vers 3 en gebed door Ds. Frieling.

Art. 28. Er komen twee brieven ter tafel, een van A. Donker en een van S. Dijkstra te Grandhaven. De eerste dient om zich tegen de kerkenraad te verdedigen, de andere bevat beschuldigingen tegen de kerkenraad. Ouderling Bartels geeft hierover inlichtingen. Daarop wordt besloten dat deze zaken te Grandhaven zullen worden behandeld door een commissie: de consulent die daar komt te prediken, samen met een ouderling van zijn gemeente. De eerste persoon moet zijn beschuldigingen bewijzen of intrekken en de zaak van de laatste persoon moet worden onderzocht.

Ds. R. Duiker (1825-1917).

Art. 29. Er is een brief ingekomen van G. Haan uit Grand Rapids. De vergadering kan deze niet behandelen, aangezien de inhoud ervan op de laatste Algemene Vergadering is behandeld en men moet blijven bij hetgeen toen daarover is besloten.

Art. 30. Er is een brief van G. Ham uit Zeeland, waarin hij zich beklaagt over de harde behandeling door de kerkenraad, omdat hij te Noordeloos aan het Avondmaal heeft deelgenomen. De kerkenraad ontkent dit. De vergadering oordeelt dat dit wel in orde zal komen, aangezien het met andere zaken in verband staat.

Art. 31. Aan ouderling A. Krabshuis uit Holland, die in de vergadering aanwezig is, wordt een adviserende stem verleend.

Art. 32. Er wordt een brief gelezen van de kerkenraad van Pella over diaken P. Gaas, die trouweloos zijn bediening heeft verlaten, openbare scheurmaking zoekt, zich aan laster schuldig maakt, zijn lidmaatschap heeft opgezegd en de kerkenraad heeft verboden in zijn huis te komen. Zijn vrouw, die eveneens lidmaat is, volgt hem hierin. De vergadering oordeelt dat met alle omzichtigheid de kerkelijke tucht op hem moet worden toegepast.

Art. 33. Pella geeft verder kennis dat er grote hoop bestaat dat hun beroepen leraar, Ds. Koopman, zal komen. De vergadering benoemt Ds. Duiker en Ds. Frieling als commissie om Ds. Koopman te onderzoeken en te bevestigen.

Art. 34. Er komt een brief uit Cincinnati, waarin de kerkenraad vraagt hoe te handelen, aangezien de kerkvoogden daar het werk van de diakenen verrichten. De vergadering oordeelt dat dit werk aan de diakenen moet worden overgedragen.

Art. 35. Er is een schriftelijk verzoek van leden uit Cincinnati om student W. Greeve nooit beroepbaar te stellen voor hun gemeente. De vergadering oordeelt dit verzoek niet te mogen inwilligen.

Art. 36. Er is een brief uit de Lage Prairie, waarin de toestand van hun kleine gemeente wordt verklaard en wordt meegedeeld dat zij om wettige redenen nog geen leraar kunnen verzoeken.

Art. 37. Er is een verzoek van N. van Balen, uit naam van vele anderen, om een leraar naar Muskegon te zenden en daar een gemeente te stichten. Daartoe wordt Ds. D.J. van der Werp benoemd.

Ds. D.J. van der Werp 1811-1876).

Art. 38. Er is een brief van Paterson met het verzoek:
a. om de naam van onze kerk te veranderen in Hollands Gereformeerd;
b. om de kerk in meer Classes te verdelen.

Beide verzoeken worden verwezen naar de Algemene Vergadering.

Art. 39. Ds. van Leeuwen vraagt autorisatie om, indien mogelijk, te Rochester een gemeente te stichten. De vergadering oordeelt dit toe te staan. In het vervolg zal iedere leraar, wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd en de Classis niet bijeen is, de Klassikale Commissie raadplegen; anders moet hij advies van de Classis vragen.

Art. 40. Ds. Frieling doet verslag dat hij een gemeente heeft gesticht en verklaart niet geweten te hebben dat daarover een klassikaal besluit bestond, aangezien de nood het vorderde. De vergadering oordeelt dat de leraren in dergelijke omstandigheden die vrijheid mogen hebben.

Art. 41. De kerkenraad van Paterson verklaart niet meer te zullen collecteren voor de gemeente Noordeloos, omdat Ds. K. van den Bosch voor het beroep naar Cincinnati heeft bedankt. De vergadering oordeelt dit te moeten afkeuren, omdat dit niet in de juiste orde voorkomt. Het betreft geen vraag maar een verklaring, die tot de Grote Vergadering behoort.

Paterson verklaart verder te protesteren tegen het beroep van Pella op Ds. Koopman, dat voor de derde maal op Zijne Eerwaarde is uitgebracht. De Classis oordeelt dat dit protest onrechtvaardig is, aangezien dit beroep op een eerdere vergadering door de Classis is goedgekeurd, waarbij Zijne Eerwaarde Ds. van Leeuwen tegenwoordig was.

Art. 42. Ridott verzoekt met hun afgevaardigden een leraar uit de Classis te mogen ontvangen om twee zondagen bij hen te blijven, teneinde doop en Avondmaal te bedienen. Daartoe wordt Ds. Van den Bosch verkozen.

Art. 43. Daar het middag wordt, wordt deze zitting gesloten met Ps. 133:1 en de dankzegging door broeder Diepenhorst.

Art. 44. Des namiddags wordt de vergadering geopend met Ps. 86:6 en gebed door broeder Hoogesteeger.

Art. 45. De broeders van Ridott vragen hoe te handelen met ouderling Denekas en het lidmaat Berent Arends. Aangezien de zaak van Ds. de Beer hiermee in verband staat, wil hij deze niet hier ter tafel brengen, maar afgevaardigden naar Ridott zenden op kosten van die gemeente, waarover reeds geruime tijd tijdens het eten was gesproken.

De broeders uit Ridott verzoeken dat Ds. de Beer schuld belijdt, omdat hij tegen zijn opdracht in bij de Duitse Hervormden en niet bij hen heeft gepredikt. Ds. de Beer is van oordeel hierin niet gezondigd te hebben, maar wil het ter wille van de vrede en van die gemeente toch doen en belijdt schuld, waarna hij de broeders de hand geeft.

Art. 46. Er is een brief van Steamboot Rock in Iowa, met het verzoek daar een gemeente van onze kerk te stichten en de voorganger, E. Meinders, die bij de Presbyteriaanse kerk heeft gestudeerd, indien mogelijk tot leraar te bevorderen. Er wordt besloten een commissie daarheen te zenden om de gemeente te stichten en Meinders voorlopig te onderzoeken. Daartoe worden Ds. Duiker en Ds. Frieling benoemd.

Ds. D. Postma (1818-1890).

Art. 47. Ds. Van der Werp doet verslag van zijn correspondentie naar Zuid-Afrika. Hij leest de antwoorden van Ds. Postma en Beijer voor, die ieder een afzonderlijke brief hebben gezonden. De vergadering draagt Zijne Eerwaarde op de correspondentie met deze broeders voort te zetten en het doel bekend te maken: men wil geen Bijbels, maar geld voor Bijbelverspreiding aan hen toezenden.

Art. 48. De kerkvisitatoren doen verslag van hun werkzaamheden en verklaren alles in goede orde te hebben bevonden.

Art. 49. Ouderling Diepenhorst doet verslag van de gelden die voor hun gemeente zijn binnengekomen ter aanvulling van het traktement van hun leraar. Door nalatigheid of misverstand van sommige gemeenten was er tot 1 juli 1867 een bedrag van 13 dollar en 26 cent tekort; nu is opnieuw 50 dollar ontvangen.

Art. 50. De collecte voor de Studentenkas bedroeg:

Graafschap – $ 16.90
Grandhaven – $ 5.02
Vriesland – niet aanwezig.

Art. 51. Aan Ds. Van der Werp wordt $ 20.29 uitbetaald voor correspondentie- en reiskosten van de visitatoren.

Art. 52. Ds. R. Duiker wordt benoemd tot Classikaal Penningmeester.

Art. 53. J. Gelok wordt op zijn verzoek ontslagen als lid van de Classikale Commissie. Ds. Duiker wordt in zijn plaats benoemd.

Art. 54. De volgende Classis zal worden gehouden te Niekerk, op de tweede woensdag in januari 1868.

Art. 55. Deze vergadering wordt gesloten met het zingen van Ps. 134:3 en de dankzegging door Ds. Van den Bosch.

K. van den Bosch, Praeses.

Bron:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church, 1857-1880. Grand Rapids, Michigan, 1937

Translation into English:

The First Church Assemblies of the Christian Reformed Church.

( < Back to Part 33  ) – In our series on the ecclesiastical assemblies of the Seceders who emigrated to America, belonging since 1857 to the then-established Christian Reformed Church (as further explained in part 1), we continue with the meeting of December 12, 1866. Clarifying or additional remarks by the editors of GereformeerdeKerken.info are placed in brackets [].

Classis Meeting held at Noordeloos on October 2 and 3, 1867.

Art. 1. The meeting is opened by singing Ps. 119:3 and prayer by Rev. K. van den Bosch.

Art. 2. The credentials are read and approved with some corrections. From these it appears that the following have been delegated:

Grand Rapids – Rev. R. Duiker and Elder J. Gelok.

Graafschap – Rev. D.J. van der Werp and Elder H. Strabbing.

Noordeloos – Rev. K. van den Bosch and Elder Diepenhorst.

Zeeland – Elders T. van den Bosch and R. Brinks.

Vriesland – Rev. W.H. Frieling and Elder H. Scheepers.

Holland – Rev. J. de Beer and Elder Hogesteege.

Niekerk – Elders F. Tibbe and J. Warners.

Ridott [Illinois]– Deacons E. Ammermann and H. Bode.

Grandhaven – Elder H.W. Bartels and Deacon Uittermark.

Art. 3. Since Rev. K. van den Bosch, according to the appointed rotation, presides over the meeting, Elder Gelok is elected clerk.

Art. 4. It is decided to admit the students to the meeting, except in certain matters in which it is left to the judgment of the meeting whether they may be present. In the same manner, Candidate Zeebuit is also admitted, as he desires to attend the meeting and wishes to be regarded as a candidate in the church. This matter will be taken up again later.

Art. 5. The minutes of the previous Classis are read and approved with some remarks.

Art. 6. Rev. Van der Werp and Rev. Van den Bosch report on the commission carried out by them in Cincinnati. They declare that all are united except Rev. Raidt, and that a congregation has thereby been established in union with our church. Both seals of the covenant, Baptism and the Lord’s Supper, have been administered, so that this congregation now belongs to our church.

Art. 7. Articles 11 and 12 of the previous Classis are dropped, since the General Assembly, with regard to Art. 11, decided to continue following the rule of the Kort Begrip when admitting members. With regard to Art. 12, it was decided that the practice of handopening does not occur in our Church Order, but that one may only give advice.

Art. 8. The assignment that had been given to Rev. Frieling was taken over by Rev. de Beer at the General Assembly. The installation of Rev. Van Leeuwen, mentioned in Art. 18 of the previous meeting, was carried out by Rev. de Beer. Art. 19, concerning the salary of Rev. Van den Bosch, was amended at the General Assembly.

Art. 9. According to the constitution letter of Grand Rapids, the question is raised as to how to proceed with the member D. Kuiper, who is under ecclesiastical discipline because of unfounded objections against certain matters in the congregation, unproven accusations against the consistory, and neglect of public worship. This is explained by Rev. Van der Werp, Rev. Duiker, and Elder Gelok. The meeting judges that, after prior admonition, he should simply be sent in writing the decision of the Christian Seceded Church in the Netherlands that he no longer belongs to the congregation. This is because he is not guilty of any particular sin in doctrine or life, and because he deprives the consistory of the opportunity to speak with him and deal with him. After an examination of the condition of the congregation, it appears to be favorable.

Art. 10. Vriesland has nothing to bring before the Classis and declares that the condition of the congregation is likewise satisfactory.

Art. 11. Zeeland asks how to proceed with H. Marling, since he does not wish to recognize the consistory until the Classis withdraws an earlier decision concerning Rev. Van den Bosch and Zeeland. The session is closed by singing Ps. 143:10 and a prayer of thanksgiving by Rev. Van der Werp.

Afternoon Session

Art. 12. The meeting is opened by singing Ps. 119:17 and prayer by Rev. de Beer.

Art. 13. The matter at hand is taken up. Marling himself appears before the meeting. The president addresses him. Since he declares essentially the same as was reported by the delegates from Zeeland, Marling is admonished to submit, albeit with a protest. He agrees to this. Zeeland then further requests a permanent stated consul, since Rev. Frieling has been appointed to this position and has also accepted the appointment.

Art. 14. Noordeloos has nothing to bring before the Classis and declares that everything in the congregation is in good order.

Art. 15. Holland and Niekerk ask whether the meeting may dissolve the combination of the two congregations. After the necessary information has been obtained, the Classis grants this request, with the understanding that each congregation will now issue a call to Rev. de Beer and give His Reverence the freedom to choose. The congregation thereby becoming vacant shall call another minister.

Art. 16. A regulation is further requested concerning the serving of the vacant congregations. The meeting judges that the former practice should be continued. The consistories are urged to make their ministers available in a fair manner, so that each congregation may receive the Lord’s Supper four times a year. Niekerk asks what compensation a congregation should give a minister who comes there to preach. The meeting judges that it cannot make a regulation concerning this, but that each congregation should act according to its ability.

Niekerk further asks for a regulation concerning the coming over of a minister from the Netherlands. It is decided that, if he leaves within one year, three-fourths of what has been spent on him must be repaid; if he leaves within two years, one-half; and if he leaves within three years, one-fourth. After four years he shall be free from this obligation.

Art. 17. Niekerk asks whether members who live close to another congregation do not thereby belong to that congregation. The meeting judges that, when this is too conspicuous, such members should be urged to bring their certificates of membership to the congregation nearest to where they live. In order to preserve peace, however, this must be handled with caution.

Niekerk further asks for a lawful boundary division, so that members who live close to another congregation may be admonished to join it. The meeting judges that it cannot enter into this matter, since these are members who already belong to a congregation. With new members, however, every effort should be made to act without giving offense. When members request a certificate of membership in order to go to another congregation, they must first settle any debts or obligations they have.

Art. 18. Niekerk asks whether members of one congregation may partake of the Lord’s Supper in another congregation. The meeting judges that they may not be admitted without a certificate from their consistory.

Art. 19. Niekerk asks how to proceed with J. Vinke, who is under ecclesiastical censure and has come under civil law because he struck his wife. It is judged that he should be publicly named together with his sin and, if this proves fruitless, that excommunication should follow.

Art. 20. Niekerk asks whether the minutes of the Classis should not be printed. This is referred to the General Assembly.

Art. 21. Graafschap asks whether one congregation may go around in another congregation to collect money. The meeting judges that this may be done only with the permission of the consistory concerned.

Art. 22. Graafschap asks whom they may allow to preach among us. The meeting answers: no one outside our church and that of the Netherlands, from the Christian Seceded Church, unless they are provided with the necessary certificates. They shall then be admitted.

General Matters

Art. 23. The question is brought before the meeting whether our church also recognizes oefenaars (lay preachers). It is judged that this matter should for the time being be postponed.

Art. 24. A person named Nikolaas Smit, who has recently come from the Netherlands, asks whether he can be trained or examined for the ministry. The meeting judges that the said person must first have been a member of our church for one year and six weeks before such a decision could be made.

Art. 25. Rev. Duiker proposes a person named Jacob Noordewier, and Rev. Van der Werp proposes another, Willem Greeve, to be trained for the ministry from the fund for needy students. After sufficient explanation and examination, this is approved. It is further determined that the ministers of the Classis shall constitute a committee to examine them whenever necessary, to supervise them, and to determine what shall be allotted to them. It is also determined that no minister shall pass judgment on his own students.

Art. 26. Rev. de Beer must leave the meeting because of a nervous ailment. Since it is already late, the meeting is adjourned until the following morning and closed by singing Ps. 134:3, prayer, and thanksgiving by Rev. Duiker.

Art. 27. The meeting is opened the following morning by singing Ps. 122:3 and prayer by Rev. Frieling.

Art. 28. Two letters are brought before the meeting, one from A. Donker and one from S. Dijkstra of Grandhaven. The first is intended as a defense against the consistory; the other contains accusations against the consistory. Elder Bartels provides information concerning these matters. It is then decided that these matters shall be dealt with at Grandhaven by a committee consisting of the consul who comes there to preach, together with an elder from his congregation. The first person must prove or retract his accusations, and the matter concerning the latter person must be investigated.

Art. 29. A letter has been received from G. Haan of Grand Rapids. The meeting cannot deal with it, since its contents were addressed at the last General Assembly and one must abide by what was decided there concerning it.

Art. 30. There is a letter from G. Ham of Zeeland, in which he complains about the harsh treatment by the consistory because he partook of the Lord’s Supper at Noordeloos. The consistory denies this. The meeting judges that this matter will surely be resolved, since it is connected with other matters.

Art. 31. Elder A. Krabshuis of Holland, who is present at the meeting, is granted an advisory vote.

Art. 32. A letter is read from the consistory of Pella concerning Deacon P. Gaas, who has unfaithfully abandoned his office, seeks to cause a public schism, is guilty of slander, has resigned his membership, and has forbidden the consistory to enter his house. His wife, who is likewise a member, follows him in this. The meeting judges that ecclesiastical discipline must be applied to him with the utmost caution.

Art. 33. Pella further reports that there is great hope that their called minister, Rev. Koopman, will come. The meeting appoints Rev. Duiker and Rev. Frieling as a committee to examine and install Rev. Koopman.

Art. 34. A letter comes from Cincinnati, in which the consistory asks how to proceed, since the church trustees there are performing the work of the deacons. The meeting judges that this work must be transferred to the deacons.

Art. 35. There is a written request from members in Cincinnati that student W. Greeve never be declared eligible for a call to their congregation. The meeting judges that this request cannot be granted.

Art. 36. There is a letter from Lage Prairie, explaining the condition of their small congregation and stating that, for lawful reasons, they cannot yet request a minister.

Art. 37. There is a request from N. van Balen, on behalf of many others, to send a minister to Muskegon and establish a congregation there. Rev. D.J. van der Werp is appointed for this purpose.

Art. 38. There is a letter from Paterson requesting:

a. that the name of our church be changed to Hollands Gereformeerd;

b. that the church be divided into more Classes.

Both requests are referred to the General Assembly.

Art. 39. Rev. van Leeuwen requests authorization, if possible, to establish a congregation at Rochester. The meeting grants permission. In the future, whenever a minister is invited to do so and the Classis is not in session, he shall consult the Classical Committee; otherwise, he must seek the advice of the Classis.

Art. 40. Rev. Frieling reports that he has established a congregation and declares that he did not know that a Classis decision concerning this existed, since necessity required it. The meeting judges that ministers may have this freedom under such circumstances.

Art. 41. The consistory of Paterson declares that it will no longer collect for the congregation of Noordeloos because Rev. K. van den Bosch declined the call to Cincinnati. The meeting judges that this must be disapproved, since this does not appear to be in proper order. It is not a question but a declaration, which belongs before the General Assembly.

Paterson further declares that it protests against Pella’s call to Rev. Koopman, which has been extended to His Reverence for the third time. The Classis judges this protest to be unjust, since this call was approved by the Classis at an earlier meeting, at which His Reverence Rev. van Leeuwen was present.

Art. 42. Ridott requests, through their delegates, to be permitted to receive a minister from the Classis who will remain with them for two Sundays in order to administer Baptism and the Lord’s Supper. Rev. Van den Bosch is elected for this purpose.

Art. 43. Since it is becoming noon, this session is closed with Ps. 133:1 and thanksgiving by Brother Diepenhorst.

Art. 44. In the afternoon the meeting is opened with Ps. 86:6 and prayer by Brother Hoogesteeger.

Art. 45. The brethren from Ridott ask how to proceed with Elder Denekas and the member Berent Arends. Since Rev. de Beer’s case is connected with this, he does not wish to bring it before the meeting here, but proposes that delegates be sent to Ridott at the expense of that congregation, a matter that had already been discussed at some length during the meal.

The brethren from Ridott request that Rev. de Beer confess his guilt because, contrary to his assignment, he preached among the German ‘gereformeerden’ rather than among them. Rev. de Beer is of the opinion that he has not sinned in this matter, but is nevertheless willing to do so for the sake of peace and for the sake of that congregation, and confesses his guilt, after which he gives the brethren his hand.

Art. 46. There is a letter from Steamboot Rock in Iowa, requesting that a congregation of our church be established there and that the minister, E. Meinders, who studied at the Presbyterian church, be advanced to the ministry if possible. It is decided to send a committee there to establish the congregation and to examine Meinders provisionally. Rev. Duiker and Rev. Frieling are appointed for this purpose.

Art. 47. Rev. Van der Werp reports on his correspondence with South Africa. He reads the replies of Rev. Postma and Beijer, each of whom has sent a separate letter. The meeting instructs His Reverence to continue the correspondence with these brethren and to make the purpose known: they do not wish to send Bibles to them, but money for the distribution of Bibles.

Art. 48. The church visitors report on their work and declare that they have found everything to be in good order.

Art. 49. Elder Diepenhorst reports on the funds received for their congregation to supplement the salary of their minister. Through negligence or misunderstanding on the part of some congregations, there was a shortage of 13 dollars and 26 cents as of July 1, 1867; now another 50 dollars has been received.

Art. 50. The collection for the Student Fund amounted to:

Graafschap – $16.90
Grandhaven – $5.02
Vriesland – not present.

Art. 51. Rev. Van der Werp is paid $20.29 for correspondence and travel expenses of the church visitors.

Art. 52. Rev. R. Duiker is appointed Classical Treasurer.

Art. 53. J. Gelok is, at his request, released as a member of the Classical Committee. Rev. Duiker is appointed in his place.

Art. 54. The next Classis shall be held at Niekerk, on the second Wednesday of January 1868.

Art. 55. This meeting is closed by singing Ps. 134:3 and thanksgiving by Rev. Van den Bosch.

K. van den Bosch, President.

Source:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, Michigan 1937