De Gereformeerde Kerk te Heerjansdam

Inleiding.

Op 26 juli 1838 werd de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente‘ te Heerjansdam, toen een dorp met nog geen 750  inwoners, geïnstitueerd onder leiding van ds. H.P. Scholte (1805-1868) van Utrecht. Een overzicht in hoofdlijnen.

Kaart: Google.

Geïnstitueerd.

De instituering van de Christelijke Afgescheiden Gemeente te Heerjansdam vond plaats in de woning van Hendrik (‘Hein’) en Maartje Kuiper te Develsluis, in het aanpalende Kleine Lindt. Zij hadden zich al in 1836 van de hervormde kerk afgescheiden, samen met Adolf Broekhuizen. Cornelis van der Poel volgde op 18 april 1836, toen hij de hervormde kerkenraad meedeelde dat hij die kerk verliet. Ruim een jaar later was het Cornelis Janssen die zich op 9 augustus 1837 van dat kerkverband losmaakte. Het waren er aanvankelijk dus maar weinigen die die stap zetten: de gemeente telde bij de instituering slechts veertien belijdende leden met in totaal zo’n vijftig zielen.

Direct na de dienst op 26 juli 1838 in huize Kuiper, waar ook de ouderlingen en diakenen waren gekozen, werden dezen door ds. Scholte in hun ambt bevestigd. Het waren de toen 39-jarige  Dingeman de Haan uit Ridderkerk en Pieter van Zijl als ouderlingen, en Teunis Barnhard en Hendrik Kuiper als diakenen.

De kleine gemeente had niet alleen in Heerjansdam lidmaten, maar ook in plaatsen in de omgeving, zoals te Barendrecht – tot daar in 1841 een Christelijke Afgescheidene Gemeente geïnstitueerd werd – in Groote Lindt, Kleine Lindt, Rijsoord, Ridderkerk en in Hendrik-Ido-Ambacht.

Wisselende kerkplaatsen.

De verdraagzame 36-jarige burgemeester J. van ’t Hoff van Heerjansdam had kort na de instituering – nadat hij van de Officier van Justitie in Dordrecht een schrijven ontvangen had over het verbieden van eventuele ‘ongeoorloofde godsdienstige bijeenkomsten’ in zijn woonplaats – diaken Barnhard bij zich geroepen en gevraagd of de Afgescheiden Gemeente ook diensten hield waarbij meer dan twintig personen aanwezig waren. ‘Soms wel en soms niet’, had Barnhard geantwoord. De burgemeester had hem toen aangeraden ook eens ergens ánders, bijvoorbeeld in Rijsoord, een bijeenkomst te houden, ‘opdat het gepeupel niet al te warm wordt gemaakt’. Voor de rest deelde de burgemeester aan de Officier mee dat hij gerust kon zijn, omdat op het gedrag van de Afgescheidenen in Heerjansdam niets aan te merken was. Als resultaat van de suggestie van de burgemeester besloot de kerkenraad inderdaad afwisselend in Heerjansdam en in Rijsoord samenkomsten te houden.

De Dorpsstraat in Heerjansdam, lang geleden.

Van ‘dat gepeupel’ hadden ze namelijk wel degelijk last: bij Hein Kuiper op Develsluis waren de ramen al eens ingegooid en werden kerkgangers uitgescholden en met stenen bekogeld. Daarom waren ze al eens verkast, onder meer naar het huis van Bastiaan Kooiman in Kleine Lindt en van Jacob van Solingen in Rijsoord. De plaats waar men in 1840 meestal bijeenkwam, ‘de tegenwoordige plaats der openbare godsdienstoefening’ – welke is niet precies bekend – werd overigens volgens de notulen ‘met 1 januari 1841 gesloten’. De reden daarvan is niet bekend. De gemeente telde toen bijna zestig leden, van wie zestien belijdende leden.

De kerkdiensten waren meestal ‘leesdiensten’, waar een ouderling een preek van een bijzonder degelijke gereformeerde predikant (uit het verre verleden) las en die ook verder de dienst leidde. Leesdiensten vormden ook toen soms niet de meest inspirerende bijeenkomsten, zodat sommigen toestemming vroegen om zo nu en dan eens – lopend – naar Dordrecht te gaan om daar een dienst bij te wonen waarin ‘een echte predikant’ voorging.

Ds. P.M. Dijksterhuis (1814-1882).

Vanaf 1841 stond daar ds. P.M. Dijksterhuis (1814-1882) die men verkoos boven de preeklezer van Heerjansdam. De kerkenraad liet de beslissing om naar Dordrecht te gaan over aan het geweten van de betreffende kerkgangers. Sommigen gingen inderdaad zo nu en dan naar Dordrecht.

Koninklijke erkenning en de eerste eigen kerk (1842).

Toen – zoals al opgemerkt – in januari 1841 de vaste kerkplaats gesloten werd, moest men in elk geval  op zoek naar een ander onderkomen. Dat was dan ook de reden dat vlasboer Jacob de Haan op 10 februari 1841 in Heerjansdam op eigen naam, maar ten behoeve van de Afgescheiden Gemeente, voor fl. 2.250 een ‘erf met huis, schuur en woonkeet’ kocht. Het geheel werd verbouwd tot kosterswoning voor Jan van Zijl en de rest werd ingericht als kerkruimte. De kerk – omschreven als ‘een kleine, maar nette kerk der Afgescheidenen’ – stond ongeveer op de plaats van het latere gemeentehuis aan de Dorpsstraat. De burgemeester had tegen die bepaalde plaats echter bezwaren wegens ‘verschillende omstandigheden, zowel ten aanzien van de rust en ongestoorde Godsdienstoefening van andere gezindheden als van die der Adressanten’. Hij weigerde toestemming. Er bestond immers een wettelijke regel dat twee kerken minstens tweehonderd meter van elkaar verwijderd moesten zijn.

Koning Willem II erkende de Chr. Afgescheidene Gemeente te Heerjansdam.

Maar de kerkenraad wees er op dat de afstand tussen de hervormde kerk en die van de Afgescheidenen bijna 280 meter was en er dus wat dat betreft geen bezwaar tegen kon worden gemaakt. De kerkenraad ging in beroep en vroeg de koning om erkenning van de Christelijke Afgescheidene Gemeente en om verlof de kerk als zodanig te gebruiken. Op 12 oktober 1842 verleende de koning de Afgescheiden Gemeente van Heerjansdam de gevraagde erkenning en gaf daarmee tevens toestemming om de kerk aan de Dorpsstraat te gebruiken, wat overigens al sinds enige tijd gedaan werd.

De eerste dienst werd namelijk al op 1 december 1841 gehouden onder leiding van ds. G. Baaij (1792-1849) van Leerdam. Hij hield een preek naar aanleiding van Romeinen 8 vers 23: “En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams”.

Ds. G. Baaij (1792-1849) hield de eerste dienst in de kerk op 1 december 1841.

Op zoek naar een eigen predikant.

Al snel besloot de kerkenraad over te gaan tot het beroepen van een eigen predikant. Aanvankelijk had men student W. Gardenier (1819-1856) in het vizier, die bij ds. H.P. Scholte voor predikant had gestudeerd, zoals ook de andere zgn. ‘Vaders der Afscheiding’ studenten tot predikant opleidden. Immers, pas in 1854 werd in Kampen een officiële ‘School der Kerk’ opgericht. Hoe dan ook, Gardenier was door zijn leermeester van harte aanbevolen en ook de preses van de kerkenraad, Dingeman de Haan sr., voelde aanvankelijk wel voor hem. Toch veranderde hij later van mening ‘omdat hij de bekwaamheden tot het leeraarsambt in hem miste’. Gardenier werd het dus niet.

Heerjansdam buiten het kerkverband (1842-1853).

Ondertussen hadden de in Barendrecht woonachtige Afgescheidenen van Heerjansdam bij monde van Bastiaan Leeuwenburg aan de kerkenraad meegedeeld dat zij in Barendrecht een eigen gemeente wilden beginnen. Deze leden maakten zich inderdaad van Heerjansdam los, maar werden toch niet zelfstandig, omdat ze zich voegden bij de gemeente te Schiedam, waar ds. A. Brummelkamp (1811-1888) toen nog predikant was. Dat de kerkenraad zich daarmee niet kon verenigen was niet zo vreemd: het kostte inkomsten door kerkelijke bijdragen (c.q. plaatsenhuur in de kerk) en door verlies aan collecteopbrengsten; maar bovendien stond ds. Brummelkamp in die tijd bij sommigen bloot aan verdenking van enige onrechtzinnigheid. De classis en de provinciale vergadering brachten geen verandering in het kerkenraadsbesluit. Leeuwenburg had na verloop van tijd spijt. Hij keerde berouwvol naar de gemeente te Heerjansdam terug.

Juist in die tijd spitsten zich allerlei onenigheden tussen de hoofdfiguren van de Afscheiding toe, die er in 1842 toe leidden dat in Zuid-Holland twee Afgescheiden groepen ontstonden, namelijk tussen de aanhang van ds. H.P. Scholte (waaronder ‘vol overtuiging’ de gemeente te Heerjansdam, en die van Westmaas, Zuid-Beijerland, Leerdam en Schoonhoven) en de overige gemeenten. Toen ds. Scholte door de provinciale vergadering echter geschorst werd, kwamen de genoemde kerken, ook Heerjansdam, buiten het verband van de ‘Christelijke Afgescheidene Kerk’ te staan.

Ds. H.P. Scholte (1805-1868).

Niet iedereen was het met de positiekeuze van Heerjansdam eens. Bakker Willem van Zijl, 39 jaar oud, zegde samen met zijn vrouw het lidmaatschap van de gemeente op en sloot zich aan bij die van Dordrecht, ondanks het feit dat de kerkenraad hem daarom onder censuur plaatste. Want in 1 Timotheüs de verzen 3 tot 5 stond immers duidelijk: “Indien iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twistvragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen, verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken”. Dat kon Van Zijl in zijn zak steken! Daarom werden hij, zijn vrouw en drie anderen in 1845 zelfs van de gemeente te Heerjansdam ‘afgesneden’ (geëxcommuniceerd). Van Zijl bleef lid in Dordrecht tot in 1853 de gemeente van Heerjansdam zich met schuldbekentenis weer bij de Christelijke Afgescheidene Kerk voegde.

Ds. A.C. Tris (1848-1851).

Nog steeds was de kerkenraad ondertussen op zoek naar een eigen dominee. Meestal moest men zich behelpen met het preeklezen door een van ouderlingen, al kwam soms wel een classispredikant of een andere predikant uit de omgeving op de preekstoel, zoals ds. A.J. Betten (1813-1900) van Noordeloos, die de broeders in Heerjansdam nu en dan uit de brand hielp. Maar ook dat hield in 1847 op, toen hij toen naar Amerika emigreerde en zich daar aansloot bij de ‘Presbyterian Church’.

Ds. A.J. Betten (1813-1900).

Het werd dus tijd om door te pakken. Op 30 maart 1848 waren de manslidmaten aanwezig op de kerkenraadsvergadering – wat daar overigens lange jaren gewoonte was. Aanwezig was ook de 31-jarige ds. A.C. Tris (1817-1907) uit Groede, die daar dat jaar echter – zonder dat de kerkenraad van Heerjansdam ervan op de hoogte was – geschorst was. Maar hij had meegedeeld dat hij overtuigd aanhanger van ds. Scholte was, wat de kerkenraad met blijdschap vervuld had. Gevraagd of hij het beroep op de bepaalde voorwaarden wilde aannemen, antwoordde ds. Tris dat hij daartoe bereid was, als althans gezorgd kon worden dat de gemeente van Zuid-Beijerland (geïnstitueerd in 1836) één derde deel van de preekbeurten zou kunnen krijgen. Heerjansdam was niet in staat meer dan fl. 400 traktement te geven; met het afstaan van een derde deel van de preekbeurten aan Zuid-Beijerland zou die gemeente in de kosten kunnen bijdragen. Kortom: beide gemeenten zouden hem in combinatie moeten beroepen. Maar… wilde Zuid-Beijerland dat wel? Dat was onbekend.

Jacob de Haan, hier op latere leeftijd toen hij in Pella (Iowa) woonde.

En toen volgde een periode van duisternis. Er bestaan geen ondertekende notulen over die periode. Wel was ds. Tris tussen april 1848 en 3 mei 1851 werkzaam voor de combinatie van beide gemeenten. De toestand in de gemeente te Heerjansdam was bovendien erg verward. Ds. Tris had al tijdens de moeilijkheden in Zeeland in 1847 aangegeven dat hij vastbesloten was naar Amerika te gaan. Eenmaal in Heerjansdam zag hij zichzelf daar op zijn plaats. Maar hij had ondertussen ook Pietertje van Dam (dochter van diaken Jacob de Haan) leren kennen en met haar wilde hij graag trouwen! Ook Pietertje was die mening toegedaan: omdat ‘wanneer zij daartégen stond, zij dan tegen Gods weg zoude staan’.

Maar het liep heel anders. Wel had ds. Tris op 30 maart 1848 mondeling verklaard het beroep onvoorwaardelijk te hebben aangenomen, en twee dagen later had Pietertje verklaard met de predikant te willen trouwen en had vader De Haan toestemming gegeven, maar kort daarna ‘werd het huwelijksverkeer [de verloving] afgebroken’ – volgens ds. Tris ‘zonder aanvoering van voldoende redenen die voor God bestaan kunnen’. Als Pietertje nu met iemand anders zou gaan trouwen, zou hij, ds. Tris, wel naar Amerika móeten vertrekken. Ondertussen had ds. Tris het beroep naar Heerjansdam nog steeds niet schriftelijk aangenomen. Hij was dus ook noch in Heerjansdam, noch in Zuid-Beijerland in het ambt bevestigd. Tris bleef zeggen dat eerst met Zuid-Beijerland tot overeenstemming gekomen moest worden over het traktement. Of… – zo vroegen kerkenraadsleden – had dat allemaal te maken met de perikelen rond Pietertje? Preses Dingeman de Haan en andere kerkenraadsleden dachten van wél en noemden Tris ‘onoprecht’. Tris hield echter vol dat het alleen was omdat Nieuw-Beijerland de preekregeling nog niet had aangenomen. De meeste gemeenteleden wilden Tris trouwens best als predikant in hun midden houden.

De vroegere diaken van Heerjansdam, Jakob de Haan, ligt in Pella (Iowa) begraven.

Verwarring.

Maar op een gegeven moment, in 1848, ging het dieper. Vader De Haan (diaken) meende dat het maar de vraag was of bij de predikant wel ‘kennis der genade’ was. De preses deed er nog een schepje boven op: hij meende dat ds. Tris ‘een ongeheiligd hart heeft en van het Middelaarswerk van den Borg Christus niet genoegzaam kan voorstellen, omdat hij er voor zichzelven niets van verstaat, en daarom met zich zelven begint en eindigt, en daarom nog nooit iets van het waarachtige leven, waarin het voor God bestaat, uit zijnen mond gehoord te hebben’ (of dat te maken had met het feit dat ds. Tris overtuigd aanhanger was van ‘het Duizendjarig Rijk’, is onbekend).

De verwarring werd groter: Jacob de Haan wilde zijn lidmaatschap opzeggen, iemand anders dreigde ‘de leeraar aanstaande zondag in het openbaar te zullen tegenspreken’, een ander had liever dat ds. Tris in het geheel niet op de kansel zou komen. Maar andere kerkenraadsleden vroegen Dingeman de Haan en De Haan hun opmerkingen met bewijzen te staven, vooral toen verwezen werd naar ‘wat door Tris in Zeeland gedaan was’. Wat dat precies was is in enige mist gehuld. De notulen van de Zeeuwse provinciale vergadering van 4 januari 1848, waardoor ds. Tris werd afgezet, vermelden als reden (door Smits geciteerd): ‘Uit kracht van langdurige handelingen en onderscheidene provinciale vergaderingen (…) is de provinciale vergadering over moeten gaan om den Heer A.C. Tris, vroeger Leeraar van de gem. Groede, onbekwaam te verklaren tot deze bediening doordien Z.Ed. verregaande onkunde openbaarde opzichtens de dierbaarste en eenvoudigste waarheden des Christendoms en als daar zijn het begin der werkingen Gods ter zalig- en heerlijkmaking der uitverkorenen, waarbij in alle opzichten duidelijk is gebleken dat genoemde Heer vanwegen zijn twistgierig bestaan zelfs ongeschikt is om tot stichting in het onderling verkeer werkzaam te zijn’.

Preses Dingeman de Haan, hier op latere leeftijd, toen hij in Pella (Iowa) woonde.

Toen De Haan en Dingeman de Haan geen krimp geven nam de meerderheid van de kerkenraad in samenwerking met enkele manslidmaten afstand van hun opmerkingen en beschuldigen hen van laster. Kort daarop, in 1849, emigreren zowel De Haan als Dingeman de Haan naar Pella in Iowa (link), in navolging van hun geliefde ds. H.P. Scholte, die dat stadje in 1847 had gesticht en daar in alle opzichten de grote leider was.

De vroegere preses van de kerkenraad van Heerjansdam, Dingeman de Haan. ligt in Pella (Iowa) begraven.

Ds. Tris bleef echter gewoon in Heerjansdam aan het werk. Eerst ontstonden nog wat problemen over het wel of niet toelaten tot het doen van belijdenis des geloofs van een viertal doopleden. De kerkenraad achtte hen onbekwaam, maar ds. Tris was het daar niet mee eens en achtte hen wél gerechtigd tot het doen van belijdenis. Deze notulen bleven ongetekend.

Bastiaan Molendijk.

En begin 1849 verscheen Bastiaan Molendijk, toen 24 jaar oud, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, niet op de kerkenraadsvergadering. Kennelijk ging het over het wel of niet kerkelijk inzegenen van zijn huwelijk met Jaantje de Kuiper, ‘bij voorkeur in afwezigheid van ds. Tris’, bijvoorbeeld als deze in Nieuw-Beijerland – telkens De Hitsert genoemd – preekte. ‘De bruid’ – zo schreef ds. Tris aan Bastiaan Molendijk – ‘behoort in allen gevalle eerst belijdenis in de gemeente af te leggen in eene vergadering waarin de leeraar tegenwoordig is’, maar ook Molendijk zélf diende schuldbelijdenis af te leggen. We mogen raden waarover het precies ging, want meer duidelijkheid wordt ons niet verschaft.

Op 4 mei 1851 preekte ds. Tris voor het laatst in Heerjansdam. De vacante periode die toen volgde strekte zich uit over maar liefst ongeveer dertig jaar. Pas op 25 oktober 1881 deed de volgende predikant, ds. M. Dee, intrede.

In de vacaturetijd keerde de rust in de gemeente terug. Het ledental van de kleine gemeente steeg van 86 in 1856 naar 134  in 1871. De kerkenraadsvergaderingen werden nog steeds bijgewoond door de manslidmaten, zodat zij konden meespreken over allerlei kerkelijke zaken, al zal het stemrecht toch wel bij de kerkenraadsleden gelegen hebben (hopen we).

Vele jaren lang, van 1834 tot 1869, bestond de kerkenraad trouwens uit slechts twee man: ouderling Floris Nugteren en zijn broer, diaken Simon Nugteren. Floris ging vaak voor in de kerkdiensten waar hij preken van zeer orthodoxe predikanten uit het verre verleden las en ook verder de diensten leidde. Zij handelen gezamenlijk ook de tuchtzaken af, zoals die in 1853, betreffende Mattheus Groenendijk die zich gedurende enige tijd van de gemeente verwijderde, maar na schuldbekentenis mocht terugkeren.

1853: terug in het kerkverband.

In datzelfde jaar, 1853, keerde de gemeente van Heerjansdam ook weer terug tot het kerkverband van de Christelijke Afgescheidene Kerk. Toen was het de beurt aan de kerkenraad om schuld te bekennen en te belijdenen en wel op de classisvergadering te Dordrecht. Men verklaarde dat de classis Dordrecht behoorde tot de ware kerk, namelijk de Christelijke Afgescheidene Kerk. Of de kerkenraad besefte dat hij gedwaald had? Ja, zeker, de kerkenraad gaf een ‘volkomen antwoord’, en ‘Barendrecht’ hielp een handje, want haar afgevaardigde verklaarde te weten dat de kerkenraad het ook méende! Heerjansdam kwam dus terug, ‘waarover de blijdschap der broederen zich algemeen liet gevoelen, dat de Heere Zijn verstrooide schapen tot Zijn kudde leidde’, zo melden de classicale notulen. Ook andere individuele leden die in de loop van de jaren – ten tijde van ds. Tris – hun lidmaatschap opgezegd hadden, werden bezocht en naar de kudde teruggevoerd.

Opnieuw geschorst… (1853).

Ds. A. Brummelkamp (1811-1888).

Wel werd de kerkenraad dus weer in het kerkverband opgenomen, toch was het enige tijd later weer hommeles en werd de kerkenraad gedurende zes weken ‘door het kerkverband’, de classis van 26 oktober 1853, in zijn bediening geschorst. Die schorsing gold ook voor de gemeente van Heerjansdam. De reden was, dat men ds. W. van Leeuwen (1810-1886) van Putten wilde beroepen als predikant, aanhanger van ds. A. Brummelkamp, die in die tijd hier en daar als niet rechtzinnig genoeg werd beschouwd; hij men vond hem ‘te ruim in verschillende opzichten’, en sommige provinciale synoden hadden hem daarom geschorst. Van Leeuwen behoorde tot degenen die Brummelkamp steunden en dat was verdacht. De classis schorste daarom kerkenraad en gemeente (die achter de kerkenraad bleef staan) en de provinciale synode gaf de classis gelijk. De generale synode liet de beslissing verder aan de classis over. Op 2 augustus 1854 werd de schorsing opgeheven nadat de gebroeders Nugteren toegaven gedwaald te hebben. Zo werden kerkenraad en gemeente dus voor de tweede keer toegelaten tot de gemeenschap der kerk. Ds. Van Leeuwen vertrok in 1857 trouwens naar Amerika, waar hij zich aansloot bij de ‘Reformed Church’.

Het kerkgebouw verbrand (1858) en een nieuwe kerk (1959).

De groei van de gemeente had ondertussen enige stagnatie ondervonden. Tussen de jaren 1840 en 1850 waren nogal wat gemeenteleden naar Amerika geëmigreerd vanwege de economische toestanden, maar ook vanwege de ‘onvrijheid op godsdienstig gebied’.

Op 4 juni 1858 kreeg Heerjansdam te maken met een ramp. In anderhalf uur tijd brandden vijftien huizen en een schuur tot de grond toe af, waardoor achtentwintig gezinnen dakloos werden. Ook de kerk van de Afgescheidenen brandde volledig af. Het kerkgebouw was niet verzekerd; een  verzekering afsluiten werd als zonde beschouwd.

De eerste steen werd gelegd door de driejarige Jacob de Haan (foto: ‘Anderhalve eeuw…’).

Onmiddellijk werd door de kerkelijke gemeente geld bijeen gebracht en met hulp van de classis en van andere Afgescheiden Kerken in het land kon al snel worden overgegaan tot de bouw van een nieuwe kerk. Zelfs de docenten van de vier jaar eerder opgerichte Theologische School in Kampen gaven geld om een nieuwe kerk te kunnen bouwen. Van buiten de gemeente werd zo fl. 1.267 ontvangen. Zo kon een nieuwe kerk gebouwd worden. De kerk – die fl. 2.286 kostte – werd in 1859 in gebruik genomen. In 1882, toen ds. Dee aan de kerk van Heerjansdam verbonden werd, moest de kerk worden vergroot omdat het gebouw te weinig plaats bood aan de groeiende aantallen kerkgangers. Het gebouw had dezelfde grondvorm als de kerk die tot 1954 in gebruik bleef.

Hier staat de gereformeerde kerk naast het gemeentehuis.

‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ (1869).

In 1869 vond een landelijke kerkenfusie plaats tussen de ‘Christelijke Afgescheidene Kerk’ en de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’. Het laatstgenoemde kerkverband was rond 1838 ontstaan door allerlei verschillen van inzicht, onder meer over de vraag welke kerkorde de Christelijke Afgescheidene Kerk zou aannemen én of de Afgescheidenen bij de overheid eigenlijk wel vrijheid van godsdienst mochten aanvragen. Zo ontstond na verloop van tijd een behoorlijk aantal ‘Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis’, die een eigen kerkelijk leven leidden. In de jaren ’60 van de negentiende eeuw begon men echter te overleggen over eenheid. Dat liep niet op rolletjes, maar toch kon in 1869 de eenheid hersteld worden, zodat men gezamenlijk verder kon, zij het onder een andere naam: ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Sindsdien heette ook de gemeente van Heerjansdam dan ook ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’.

Ds. M. Dee (1881-1884).

Ds. M. Dee (1843-1895).

Weliswaar keerde na het vertrek van ds. Tris in de gemeente een betrekkelijke rust terug, maar toch leed de gemeente onder de zeer lange vacaturetijd die dertig jaar duurde: van 1851 tot 1881. Hoe Floris Nugteren ook trachtte de gemeente zo goed mogelijk voor te gaan, toch ontbrak de vaste hand van een predikant, al kwamen zo nu en dan classis- of andere predikanten op de preekstoel. Wel werd de kerkenraad uitgebreid, die nog steeds uit twee man bestond: de trouwe gebroeders Nugteren. In 1878 werd een Jongelingsvereniging opgericht onder de naam ‘Samuel’. Deze JV trachtte in 1882 een knapenvereniging op te richten als voorportaal naar de JV. Onder meer zagen ook een meisjes- en een Vrouwenvereniging het licht.

Kandidaat M. Dee (1843-1895) deed op 30 oktober 1881 intrede in Heerjansdam en het gemeenteleven begon weldra bloei te vertonen. Het ledental en het aantal kerkgangers groeide en de kerkenraad werd uitgebreid. Om een kerkenraad te kiezen waren manslidmaten nodig: in 1884 werden maar liefst 48 stemmen uitgebracht, een aantal dat de jaren daarvoor vaak rond of iets boven de tien schommelde.

De kerk vergroot (1882).

De gereformeerde kerk van 1859, die in 1954 buiten gebruik gesteld werd.

Het kerkbezoek nam zozeer toe dat al in 1882 de noodzaak gevoeld werd het kerkje te vergroten. Aanvankelijk wilde men een nieuwe kerk bouwen, maar dat zou maar liefst fl. 6.500 gaan kosten, een bedrag dat op dat moment niet kon worden opgebracht. De plannen verdwenen dus in de bureaula.

Ds. J.J. Koopmans (1886-1891).

Ds. Dee nam op 30 augustus 1884 afscheid van de gemeente van Heerjansdam wegens vertrek naar Kockengen, welke gemeente hij elf jaar diende. De kerkenraad nam het beroepingswerk natuurlijk weer ter hand en bracht eind 1885 een beroep uit op ds. J.J. Koopmans (1859-1923).

Ds. J.J. Koopmans (1859-1923).

Eerder hadden vier andere predikanten voor een beroep bedankt. Ds. Koopmans nam het beroep echter aan en deed op 14 februari 1886 intrede. De predikant had veel met een zwakke gezondheid te kampen. Door een val in september 1887 was hij enige tijd uitgeschakeld, en nadat hij half januari 1888 weer op de preekstoel stond kwam nog geen veertien dagen later de volgende klap. Hij gaf bloed op en mocht van de dokter voorlopig niet preken. Pas in september kon hij weer voorgaan in de dienst. Op 15 februari 1891 preekte hij afscheid in Heerjansdam en vertrok naar de kerk te Naaldwijk.

Tijdens het predikantschap van ds. Koopmans overleed de ijverige Floris Nugteren, die zo veel jaren de gemeente van Heerjansdam naar beste kunnen had geleid. Inmiddels was de kerkenraad trouwens – anders dan in de tijd van de gebroeders Nugteren – uitgebreid tot drie ouderlingen en drie diakenen, wat door de groei van de gemeente geen overbodige luxe was.

De Doleantie.

In de tijd dat ds. Koopmans intrede deed, was in Amsterdam de Doleantie al bijna een feit. Ook elders in het land was het in de hervormde kerk onrustig. In Heerjansdam hield de hervormde kerkenraad zich er eveneens mee bezig. Moest iedereen die zich bij de kerkenraad aanmeldde om toegelaten te worden tot de hervormde kerk maar klakkeloos worden toegelaten?  In Amsterdam vond men van niet. Vrijzinnige aspirant-leden hoorden niet in de hervormde kerk thuis, vond men daar. Die kerkenraad weigerde dan ook vrijzinnige aspirant-leden toe te laten. Daarover ontstond een conflict.

De hervormde kerk te Heerjansdam.

Ook in Heerjansdam ging het daarover: in januari 1886 besprak de kerkenraad een brochure van prof. dr. Hoedemaker. Dat ging over diezelfde kwestie. Uiteindelijk besloot de kerkenraad van Heerjansdam de Synodale Commissie (het dagelijks bestuur van de landelijke hervormde kerk) te vragen een besluit te nemen over de vraag ‘of nog langer de ongeregelde, Godverzoekende en Christusonteerende toestand in de kerk mag voortduren’. Op 19 juni 1887 besprak de kerkenraad het antwoord: van de kerkenraad werd verwacht in Heerjansdam eventueel aanwezige Dolerenden zonder pardon ‘af te zetten en aftemaken’.

Dat antwoord schoot bij de kerkenraad in het verkeerde keelgat, reden waarom de preses voorstelde de brief terzijde te leggen, ten eerste omdat in Heerjansdam momenteel geen Dolerenden waren, maar ten tweede omdat de kerkenraad geen vrijheid had tegen eventueel aanwezige Dolerenden op te treden, ‘omdat zij tenminste Gods Woord boven alles stelden en de Waarheid beleden, terwijl de synode het ongeloof in de kerk de vrije hand liet’.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

De kerkenraad veroordeelde de Doleantie dus niet bij voorbaat. Maar toch waren er bezwaren toen in november 1887 verzocht werd een kerkcollecte voor de Vrije Universiteit’ te Amsterdam te houden; de VU was de door dr. A. Kuyper (1837-1920)  – de leider van de Amsterdamse Dolerenden – gestichte Universiteit. Hoewel de kerkenraad door middel van het lot besliste wél te collecteren besloot men die collecte toch maar niet ten goede te laten komen van de VU als geheel (de predikanten die daar opgeleid werden, waren in de hervormde kerk niet erkend), maar voor de medische faculteit van de Vrije Universiteit, waarvoor men in die tijd druk spaarde (de medische faculteit werd overigens pas in 1950 gesticht).

Ds. G. Vlug (1843-1912).

In Heerjansdam vond geen Doleantie plaats. Wel zegden enkele hervormden in die tijd hun lidmaatschap van de hervormde kerk op en sloten zich bij de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ aan (er was in Heerjansdam immers geen Dolerende Kerk). ‘Maar toch is in Heerjansdam ongetwijfeld voorbereidend gewerkt door de arbeid van ds. G. Vlug (1843-1912), de bekende predikant, die in Leiderdorp in 1886 met de Doleantie meeging en die enkele jaren te voren te Heerjansdam in de hervormde gemeente diende’.

Ds. A. den Hartogh (1891-1900).

Na het vertrek van ds. Koopmans nam de kerkenraad het beroepingswerk weer ter hand en op 26 april 1891 deed ds. A. den Hartogh (1862-1919) van Geesteren intrede in Heerjansdam.

Ds. A. den Hartogh (1862-1919).

Tijdens diens predikantschap vond de landelijke kerkenfusie plaats tussen de oorspronkelijk uit de Afscheiding van 1834 voortgekomen ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ uit de Doleantie. Dat gebeurde tijdens een historische synodezitting op 17 juni 1892. De verenigde kerken kregen een nieuwe naam: ‘De Gereformeerde Kerk in Nederland’. Ook in Heerjansdam veranderde de naam van de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ dus in ‘Gereformeerde Kerk te Heerjansdam’. Dát vond plaats op 6 juli 1892.

In 1893 werd een nieuwe pastorie gebouwd. De oude pastorie voldeed niet meer. Ds. Den Hartogh  woonde enige tijd in het schoolhuis, maar ondertussen werd geld gereserveerd voor de bouw van een nieuwe pastorie. Toen een geschikt stuk grond aan de Dorpsstraat gevonden werd, kon met de bouw begonnen worden en nog in december 1893 trok de predikant in de nieuwe pastorie. Deze werd tot 1968 als zodanig gebruikt.

Het was trouwens een moeilijke tijd voor de gemeente van Heerjansdam, veroorzaakt door de economische toestand waarin ons land in die tijd verkeerde. Die deed zich ook in Heerjansdam gevoelen: het vlasbedrijf, waar veel inwoners hun brood verdienden dreigde failliet te gaan. Er heerste werkloosheid en opnieuw ontstond een trek naar Amerika, vooral van beter gesitueerden: de reis moest tenslotte wel betaald worden. Slechts met veel inspanning kon het traktement van de predikant opgebracht worden.

Per 1 januari 1900 werd aan ds. Den Hartogh emeritaat verleend. Dit hield verband met zijn gezondheidstoestand. Tot tweemaal toe moest hij daardoor zijn werkzaamheden een half jaar laten rusten. Emeritaat aanvragen bleek toen de enige mogelijkheid.

Ds. D. Pol (1901-1907).

Ds. Pol (1877-1958).

Ondanks de zwakke financiële situatie van de kerk nam de kerkenraad toch de stap opnieuw een predikant te beroepen. Kandidaat D. Pol (1877-1958) nam het beroep aan en deed op 19 mei 1901 intrede in Heerjansdam. Onder zijn leiding werd onder meer een zendingscommissie ingesteld om het werk van de gereformeerde zending onder de aandacht van de gemeenteleden te brengen en hen daarvoor warm te maken.

In 1903 werd in de kerk een galerij gebouwd. Het aantal zitplaatsen moest worden uitgebreid, al vonden meerdere kerkenraadsleden dat het eigenlijk niet nodig was, ‘omdat toch iederen zondag allen kunnen zitten’. Maar ook – zei ds. Pol – mensen van buíten de gemeente (denk aan de hervormden) moeten een plaats kunnen vinden en zo werd in 1903 besloten een galerij in de kerk aan te leggen. Ook werd dat jaar voor het eerst een kachel in de kerk neergezet.

Ds. Pol nam op 9 juni 1907 afscheid, wegens vertrek naar de kerk van Vlissingen.

Ds. M.A. van Pernis (1909-1915).

Ds. M.A. van Pernis (1909-1915).

Op 16 mei 1909, na een vacaturetijd van bijna twee jaar en na enkele vergeefs uitgebrachte beroepen, deed de opvolger van ds. Pol intrede in Heerjansdam. Het was kandidaat M.A. van Pernis (1881-1941). Toen de gemeente van Heerjansdam 75 jaar bestond hield hij de gedachtenisrede die ook in druk verscheen.

Nadat de kosten van de galerijbouw waren afbetaald werd op voorstel van voorzanger P. de Jong een orgelfonds ingesteld. De kerkenraad plaatste daartoe bussen in de kerk en de gemeenteleden bleken gul te geven, want op 18 juni 1913 kon voor het eerst een kerkorgel in gebruik genomen worden.

Op 24 oktober 1915 nam hij afscheid van Heerjansdam en vertrok naar de Gereformeede Kerk te Schoonrewoerd.

Ds. W.T. van Dam (1917-1918).

Ds. W.T. van Dam (1872-1918).

Ds. W.T. van Dam (1872-1918) van Willemstad volgde ds. Van Pernis op. Op 8 juni 1918 deed hij in Heerjansdam intrede. Slechts kort diende hij deze kerk, want ds. Van Dam overleed op 8 november 1918 ten gevolge van de griepepidemie die toen veel slachtoffers maakte.

Ds. H.R. Nieborg (1919-1929).

Ds. H.R. Nieborg (1862-1934).

Zijn opvolger, ds. H.R. Nieborg (1862-1934) van Geldermalsen deed op 14 december 1919 intrede. Mede op zijn initiatief werd alles in het werk gesteld om de schuld die nog op de kerk en op de pastorie rustte af te betalen. De gemeenteleden offerden daarvoor en zo kon in 1928 een orgelfonds worden ingesteld om te komen tot de aanschaf van een nieuw orgel. Het oude instrument (nog maar vijftien jaar in bedrijf) voldeed niet meer. Er werd een commissie ingesteld die actie ondernam. Geld werd ingezameld, en de burgemeester was een van de eersten die voor dit fonds een bijdrage leverde. Het nieuwe orgel werd overigens pas in december 1930 in gebruik genomen. Ds. Nieborg kreeg per 15 mei 1929 eervol emeritaat.

Ds. H.J. Kampherbeek (1929-1946).

Op 24 november 1929 deed kandidaat H.J. Kampherbeek (1903-1986) intrede in Heerjansdam. Tijdens diens predikantschap werd op 8 december 1930 het orgel, waarvoor sinds 1928 gespaard werd, in gebruik genomen. Het instrument was gebouwd door orgelbouwers Valckx en Van Kouteren.

Ds. H.J. Kampherbeek (1903-1986).

Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Kerk te Heerjansdam werd op 26 juli 1938 een herdenkingsbijeenkomst gehouden. De predikant had ondertussen een interessant gedenkboekje samengesteld onder de titel: ‘De Geschiedenis der Gereformeerde Kerk van Heerjansdam’. Nog tijdens het predikantschap van ds. Kampherbeek werden plannen gemaakt te komen tot  de bouw van een nieuwe kerk. De tand des tijds had het gebouw al flink aangetast en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd nauwelijks onderhoud gepleegd. Ook werd alvast een bouwfonds ingesteld.

De Tweede Wereldoorlog.

Over het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Heerjansdam werd in de notulen van de kerkenraad nauwelijks iets opgetekend. ‘Bewust werd er niet veel geschreven, men wilde elkaar niet in gevaar brengen’. Toch is het een en ander bekend: zo werd men regelmatig opgeschrikt door luchtalarm’. Om de kerk zo snel mogelijk te kunnen ontruimen werd een tweede in-/uitgang  in het kerkgebouw aangebracht. Ook de verwarming gaf problemen vanwege de brandstoffenschaarste. Vandaar dat de kerkenraad het besluit nam om de deurtjes van de kerkbanken op te stoken om de kerk te kunnen verwarmen.

Ondertussen raakten ook de predikant en gemeentelid L. de Kool betrokken bij het verzet tegen de Duitsers. Gemeentesecretaris De Kool werd in januari 1944 oneervol ontslagen omdat hij weigerde de Tweede Distributie stamkaarten uit te schrijven. Het ontslag stelde hem echter in staat zich nog dieper in het verzet te begeven. Ten behoeve van het landelijke verzet werd geregeld aan welgestelde gemeenteleden gevraagd geld te geven.

Een paard dat gevorderd was dook voor één nacht onder in de pastorie. De predikantswoning werd later trouwens door de Duitsers gevorderd; de gereformeerde predikant werd in de gelegenheid gesteld zijn intrek te nemen in de hervormde pastorie, waar dus de hervormde predikant woonde. De predikanten huisden elk aan een kant van de hal achter de voordeur. Dit ‘Samen-op-Wegproces’ duurde zes weken. Omdat men bang was dat de kerk door bombardementen vernield zou kunnen worden werd het kostbaarste bezit in de kerk, het orgel, uit de kerk weggehaald en opgeslagen in de lagere school. Het werd later in de nieuwe kerk teruggezet.

Ds. A.J. Bos (1946-1949).

Ds. A.J. Bos (1906-1986).

Na de oorlog, op 2 juni 1946, vertrok ds. Kampherbeek naar Heemse. Hij werd opgevolgd door ds. A.J. Bos (1906-1986) van Helmond, die op 15 december 1946 intrede deed. Op 16 oktober 1949 nam hij afscheid van Heerjansdam wegens vertrek naar de Gereformeerde Kerk te Marum (Gr.).

Ds. J.A. Bouwmeester (1951-1956).

Ds. J.A. Bouwmeester (*1910).

Ds. J.A. Bouwmeester (*1910) – predikant op Artikel 8 DKO, ‘singuliere gaven’ – deed op 3 juni 1951 intrede in de kerk te Heerjansdam. Mede omdat er een nieuwe kerk op stapel stond, en die klus hem aanlokkelijk voorkwam, nam hij het beroep dat Heerjansdam op hem uitbracht, aan.

Een nieuwe kerk (1954).

Hier wordt de eerste paal geslagen voor de nieuwe kerk (foto: ‘Anderhalve eeuw’…’).

In 1950 werden de eerste stemmen gehoord die pleitten voor de bouw van een nieuwe kerk. Het bestaande kerkgebouw voldeed niet meer aan de eisen des tijds en werd bouwvallig. Acties werden opgezet om geld bijeen te brengen. Omdat de burgerlijke gemeente op de plaats van de kerk het gemeentehuis wilde bouwen, bood die voor de grond fl. 10.000. De kerkenraad accepteerde het bod en zocht ondertussen naar een andere plaats voor de nieuwe kerk. Men vond (ook aan de Dorpsstraat) een boomgaard, die geschikt bleek voor het gewenste doel. Deze kon in januari 1953 voor fl. 5.000 worden gekocht van de heer Labrijn. Het geld van de gemeenteleden stroomde binnen en alles leek gesmeerd te zullen verlopen.

De nieuwe gereformeerde ‘Boomgaardkerk’ te Heerjansdam, die in december 1954 in gebruik genomen werd.

Alleen waren er problemen met architect Knevel. Hij leverde een tekening van iemand anders als zijnde zíjn werk. Besloten werd toen de architecten Hupkes en Van Asperen uit Rotterdam in de arm te nemen. De eerste paal werd op 8 april 1954 door Jan Visser de grond in geslagen en nog hetzelfde jaar, op 16 december 1954, kon de nieuwe kerk in gebruik genomen worden. De toenmalige predikant ds. J.A. Bouwmeester leidde de dienst en hield een preek naar aanleiding van Openbaring 21 vers 27: ‘In haar zal niets onreins binnenkomen’. De naam ‘Boomgaardkerk’ is goed gekozen!

Tenslotte.

De gereformeerde ‘Boomgaardkerk’ te Heerjansdam (foto: Reliwiki).

Bij de ingebruikneming van deze nieuwe kerk sluiten we het verhaal over Heerjansdam af. De gedenksteen die in 1859 in de muur van de toen in gebruik genomen kerk werd geplaatst door de driejarige Jacob de Haan, kreeg in de nieuwe kerk aan de Dorpsstraat een plaatsje onder de trap die naar de hoofdingang leidt.

Toen de ‘Boomgaardkerk’ in 1954 in gebruik genomen werd kon de oude kerk worden afgebroken. Hier nog iets van het interieur (foto: ‘Anderhalve eeuw…’).

Nadat ds. Bouwmeester in januari 1956 afscheid genomen had wegens vertrek naar Australië waren meerdere predikanten aan de kerk van Heerjansdam verbonden. Sinds september 2008 maakt de Gereformeerde Kerk te Heerjansdam deel uit van de Protestantse Gemeente Heerjansdam-Kijfhoek. De ‘Boomgaardkerk’ is nog steeds als een van de drie protestantse kerkgebouwen in deze PKN-gemeente in gebruik.

Ledentallen.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Heerjansdam van 1898 tot 2008.

Bronnen onder meer:

E.J. Bruins en R.P. Swierenga, Family Quarrels in the Dutch Reformed Churches in the Nineteenth Century. Grand Rapids, 1999

D. de Jong-Van Turenhout e.a., Anderhalve eeuw Gereformeerde Kerk in Heerjansdam, 1838-1988. Heerjansdam, 1988

H.J. Kampherbeek, De geschiedenis der Gereformeerde Kerk van Heerjansdam, 1838 – 28 juli – 1938. Heerjansdam, 1938

C. Smits, De Afscheiding van 1834, Tweede deel, Classis Dordrecht c.a., Dordrecht, 1974

© 2017. GereformeerdeKerken.info