Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Haarlem en daarna (3)

5. In vogelvlucht van 1916 naar nu.

Inleiding.

( < Naar deel 1 ) ( < Naar deel 2 ) – Zo waren dan de drie Gereformeerde Kerken op 29 december 1916 tot één geheel samengesmeed, ‘De Gereformeerde Kerk te Haarlem’.

Het kerkje aan het Klein Heiligland van Kerk B werd na de ingebruikname van de Wilhelminakerk aan de Gedempte Oude Gracht afgebroken.

In snelle vogelvlucht vervolgen we de geschiedenis tot 1 oktober 1953 – toen de kerk van Haarlem gesplitst werd in twee zelfstandige Gereformeerde Kerken: ‘Noord’ en ‘Zuid’ – en nóg sneller volgen we de ontwikkelingen daarna.

De beide predikanten die een groot deel van de samensprekingen over eenwording hadden meegemaakt, ds. W. Ringnalda (1858-1925) en ds. D. Tibben (1849-1921), waren daarna nog ongeveer anderhalf jaar aan de kerk van Haarlem verbonden. Ds. Ringnalda ging in 1918 met emeritaat en nam op 16 april afscheid, enkele maanden later gevolgd door collega ds. Tibben, die dat jaar óók met emeritaat ging en in juli afscheid nam.

Grote veranderingen.

Ds. G.R. Kuijper (1887-1950).

De jaren daarna brachten grote veranderingen voor Haarlems Gereformeerde Kerk. Weliswaar was ds. S. Datema (1868-1957) enkele maanden voor de samensmelting van de drie kerken naar Haarlem gekomen, maar hij vertrok pas in 1921 naar Driebergen. Omdat de kerk van Haarlem nog twee predikanten nodig had bracht de kerkenraad een beroep uit op ds. G.R. Kuijper (1887-1950) van Alblasserdam, die op 18 april 1918 intrede deed en tot 14 februari 1926 predikant in Haarlem was. Op 1 november 1922 deed ds. J. Brinkman (1877-1959) van Vlissingen intrede; deze bleef tot 26 november 1926 aan de kerk van Haarlem verbonden, toen hem ontheffing uit het ambt verleend werd.

Ds. J.W. Siertsema (1890-1953).

Ds. J.W. Siertsema (1890-1953) van Zeist deed op 15 juli 1926 intrede en bleef lange tijd aan de kerk van Haarlem verbonden, tot diens emeritaat per 1 jan 1951.

De Wilhelminakerk (1921).

De grootste veranderingen in de navolgende jaren vonden toch wel plaats op het gebied van de kerkbouw. De beide in gebruik zijnde kerkjes aan het Klein Heiligland en de Gedempte Oude Gracht waren te klein en te bouwvallig geworden. De kerkenraad besloot daarom het ‘Oude Grachtkerkje’ in 1919 af te breken en op dezelfde plaats een nieuwe, grotere kerk te bouwen. Bovendien werd het kerkje aan het Klein Heiligland – dat inmiddels de naam ‘Kruiskerk’ gekregen had – na het gereedkomen van de nieuwe kerk buitengebruik gesteld.

De Wilhelminakerk (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Op 31 augustus 1921, de verjaardag van Koningin Wilhelmina, kon de grote kerk aan de Gedempte Oude Gracht in gebruik genomen worden. Dat de naam ‘Wilhelminakerk’ luidde, behoeft geen betoog.

In 1981 – ‘de Wil’ bestond toen zestig jaar – werden van bij elkaar gespaard geld twee klokken en een wijzerplaat voor de kerktoren aangeschaft en werd bovendien een torenhaan geplaatst. De haan werd ingewijd door heus gekraai, voortspruitend uit een bandopname die in de toren door de koster onverwachts werd afgedraaid.

Het nieuwe orgel.

Het orgel was in 1983 uitgespeeld en werd toen vervangen door een uit 1932 daterend instrument uit de voormalige gereformeerde Mathenesserkerk te Rotterdam. Het was destijds gebouwd door de fa. J. de Koff en Zn. te Utrecht.

De Kloppersingelkerk (1927).

Dat de Gereformeerde Kerk van Haarlem in de twintiger en dertiger jaren groeide was er de oorzaak van dat naast de ‘Noorderkerk’ aan de Ridderstraat en de ‘Wilhelminakerk’ aan de Gedempte Oude Gracht een derde kerk nodig werd.

De plattegrond van de Kloppersingelkerk. I: Beneden – 2. Galerijen (ill.: Kerkbouw en den Kloppersingellerk).

Architect B.T. Boeyinga bouwde een waar monument op een waaiervormige plattegrond met centraal de preekstoel, daarboven het orgel en met grote galerijen met vier trapopgangen, die rechtstreeks in verbinding stonden met de kerkruimte, daarvan gescheiden door deuren. In de kerkzaal en op de galerijen konden 1200 kerkgangers een zitplaats vinden. Boeyinga bouwde de kerk op uit “drie schepen die elkaar in één punt treffen onder een scherpe hoek, zodat het exterieur van de kerk drie hoge puntgevels en snijdende zadeldaken” vertoonde, met in het interieur een gecompliceerde houten gewelfconstructie. Hij sloot zich in zijn ontwerp aan bij de ideeën van de grote gereformeerde roerganger dr. A. Kuyper (1837-1920), die zijn beschouwingen over liturgie en eredienst had ontwikkeld in zijn kerkelijk weekblad ‘De Heraut’ (in 1911 in boekvorm uitgegeven als ‘Onze Eeredienst’).

De Kloppersingelkerk te Haarlem werd later Koningkerk genoemd.

Een belangrijk uitgangspunt bij deze kerkbouw werd kort en goed weergegeven in wat de pers bij de ingebruikneming van de monumentale Kloppersingelkerk schreef: ‘De zitplaatsen in het kerkruim zijn zoo, dat de gemeente rondom het Woord geschaard zit’. Het exterieur van de kerk werd rondom verrijkt door manshoge kopsculpturen van reformatoren, onder andere die van dr. Kuyper; ze werden vervaardigd door Theo van Rhijn. De kerk werd in 1927 in gebruik genomen. Op 30 september 1927 hield de architect een lezing, speciaal voor de leden van Haarlems Gereformeerde Kerk, met uitvoerige bijzonderheden over de door hem gebouwde kerk (de toespraak werd kort daarop in druk uitgegeven). Sinds 1960 werd het bedehuis ‘Koningkerk’ genoemd.

De ‘kwestie Geelkerken’ (1927).

Terwijl de Kloppersingelkerk gebouwd werd speelde in gereformeerd Nederland ‘de zaak-Geelkerken’. Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960), predikant van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Zuid, had in 1925 in een preek in het midden gelaten of de paradijsbomen en het spreken van de slang in de Hof van Eden ‘zintuiglijk waarneembare werkelijkheden’ waren geweest.

Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960).

Daarom werd hij door een van zijn gemeenteleden, H. Marinus, bij de kerkenraad aangeklaagd wegens onrechtzinnigheid. De Haarlemse predikanten ds. Kuijper en ds. Brinkman behoorden tot degenen die de synode tevergeefs vroegen de afzettingsprocedure stop te zetten. Daarvoor kregen ze geen gehoor; van dr. Geelkerken werd geëist de zintuiglijke realiteit van de paradijsbomen en de sprekende slang te erkennen.

Om een heel lang verhaal kort te maken: uiteindelijk werd dr. Geelkerken in 1926 door de Generale Synode van Assen afgezet als predikant van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Enkele collega-predikanten ondergingen via hun eigen kerkenraad hetzelfde lot en samen stichtten zij de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband)’, vaak afgekort als ‘H.V.’ (die afkorting heette in de mond van sommige ondeugende gereformeerden al gauw ‘Hellend Vlak’).

Ook in Haarlem waren ‘bezwaarde’ gereformeerden, die zich als aanhangers en dr. Geelkerken kenbaar maakten. Ze hadden een ‘Comité van Bezwaarden’ gevormd. Een en ander leidde er toe dat de predikanten Kuijper en Brinkman vanaf de preekstoel waarschuwden tegen een kerkscheuring, wat hier en daar al had plaatsgevonden.

Dr. J. Brinkman (1877-1959) op latere leeftijd.

Ds. Brinkman gaf echter duidelijk te kennen dat hij zichzelf tot de groep-Geelkerken rekende en ging zelfs voor in een kerkdienst van ‘bezwaarden’. Uiteindelijk was ds. Brinkman ook degene die op 27 februari 1927 de Haarlemse ‘Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband’ institueerde. Hem was al eerder op eigen verzoek ontheffing verleend uit het ambt van gereformeerd predikant, al speelde daarbij ook zijn echtscheiding een rol. Hoe dan ook, de HV-kerk van Haarlem telde aanvankelijk nog geen negentig, maar twintig jaar later, op 15 mei 1946, rond de driehonderd leden. Op die dag verenigde de Haarlemse HV- kerk zich met de plaatselijke Hervormde Gemeente. Ook het landelijk kerkverband sloot zich dat jaar bij de Hervormde Kerk aan.

Tot de Tweede Wereldoorlog.

Inmiddels waren enkele nieuwe predikanten aan de kerk van Haarlem verbonden. Zo deed op 31 mei 1927 ds. K.J. Cremer (1893-1982) van het Drentse Gees intrede, die overigens nog geen jaar in Haarlem bleef. Op 29 april 1928 nam hij namelijk afscheid in verband met zijn benoeming tot bibliothecaris van de Theologische School in Kampen. Kort nadat ds. Cremer intrede deed werd ook kandidaat M. den Boer (1897-1970) als hulppredikant aan de kerk van Haarlem verbonden, namelijk van september 1927 tot augustus 1930.

Ds. A.M. Boeijinga (1887-1973) op latere leeftijd.

Een jaar na diens komst werd ds. A.M. Boeijinga (1887-1973) van Sassenheim predikant in Haarlem. Hij deed op 27 september 1928 intrede en was lange tijd, tot 1 oktober 1953, aan de kerk van Haarlem verbonden. Op die datum werd de Haarlemse Gereformeerde Kerk gesplitst in twee zelfstandige Gereformeerde Kerken: ‘Noord’ en ‘Zuid’, en werd hij aan de kerk van Haarlem-Zuid verbonden, die hij overigens daarna nog slechts ongeveer een jaar diende, omdat hij in 1954 met emeritaat ging.

Ds. L. Hoorweg jr. (1897-1967).

Ook ds. L. Hoorweg jr. (1897-1967) van Voorthuizen kwam naar Haarlem, in mei 1931, ter vervulling van de derde predikantsplaats; de kerk van Haarlem groeide! Ook hij bleef tot de Kerksplitsing van 1 oktober 1953 aan de kerk van Haarlem verbonden en daarna aan de Gereformeerde Kerk van Haarlem-Noord.

Ds. C. Veenhof (1902-1983).

Ds. C. Veenhof (1902-1983) van Harkstede deed op 3 juni 1936 intrede en vervulde daarmee de vierde predikantsplaats van de groeiende Haarlemse kerk – vijf jaar na de instelling van de derde. Hij nam half maart 1941 afscheid wegens vertrek naar de kerk van Utrecht.

Twee nieuwe kerkgebouwen (1935).

De Noord-Schoterkerk (later ‘Goede Herderkerk’ genoemd).

Doordat een welgesteld anoniem gemeentelid voor de benodigde financiën zorgde, konden in 1935 twee nieuwe gereformeerde kerken gebouwd en in gebruik genomen worden. Allereerst was dat de Noord-Schoterkerk aan de Rechthuisstraat, ontworpen door architect B.T. Boeyinga, dezelfde die ook de Kloppersingelkerk had ontworpen. Op 20 maart 1935 werd de Noord-Schoterkerk in gebruik genomen. De kerk werd sinds 1960 ‘Goede Herderkerk’ genoemd (het bedehuis werd overigens in 1980 als gereformeerde kerk buiten gebruik gesteld).

De Zuid-Oosterkerk.

Eveneens in 1935 werd aan de Richard Holkade de Zuid-Oosterkerk gebouwd. Dat ontwerp was eveneens van architect Boeyinga. De kerk werd op 23 december 1935 in gebruik genomen. De Zuid-Oosterkerk raakte veertig jaar later, in 1975, buiten gebruik als gereformeerd kerk, toen die gemeente samenging met de hervormde Oosterkerk aan de Zomerkade.

De kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog telde de Gereformeerde Kerk te Haarlem vier predikantsplaatsen. Deze werden bezet door ds. J.W. Siertsema, ds. A.M. Boeijinga, ds. L. Hoorweg en ds. C. Veenhof (tot 16 maart 1941). Laatstgenoemde werd opgevolgd door ds. Js. Van der Linden (1852-1926), die op 20 mei dat jaar intrede deed en de kerk van Haarlem tot 9 juni 1946 diende.

We kunnen hier slechts enkele van vele voorvallen in de oorlog de revue laten passeren: de Wilhelminakerk mocht op last van de bezetters niet meer zo genoemd worden. In de kerkbode schreef men in het vervolg over ‘de …. Kerk’, wat in de volksmond al gauw ‘Stippeltjeskerk’ werd. Gedurende korte tijd werd ook het kerkblad verboden – was het omdat daarin via een citaat uit ‘De Bazuin’ geprotesteerd werd tegen de gevangenneming van prof dr. K. Schilder (1890-1952) van ‘Kampen’? In 1941 verscheen in plaats van de kerkbode – net als op talloze andere plaatsen in het land – een dun blaadje met ‘Mededeelingen’.

Het interieur van de Kloppersingelkerk (c.q. Koningkerk) in 1926.

In september 1942 werd het bijeenkomen van jeugdverenigingen verboden; ook hier werd – net als elders in het land – het jeugdwerk als bijbelclubs voortgezet, die onder leiding stonden van ouderlingen. Toen ds. Siertsema begin 1943 enkele maanden door de Duitsers gevangen gehouden werd in verband met verzetswerk, werd diens pastoraat in de gemeente verricht door hulppredikant dr. N.A. Waaning (1903-1945) van Zandvoort. Zijn gemeente was door de oorlogsomstandigheden vrijwel geheel geëvacueerd. Het instellen van de vijfde predikantsplaats werd vooralsnog op de lange baan geschoven; dat uitbreiding nodig was werd ook duidelijk doordat in de Noord-Schoterkerk in die tijd een tweede ochtenddienst werd ingesteld.

Overeenkomstig het synodebesluit in 1936, waarin het lidmaatschap van de NSB onverenigbaar werd verklaard met het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken, kwamen ook in Haarlem enkele gemeenteleden onder censuur te staan (na de oorlog werden 3 NSB’ers uit twee gereformeerde gezinnen gearresteerd).

Zicht op de Kloppersingelkerk (c.q. Koningkerk).

Meer dan honderd gereformeerde jongeren moesten langere of kortere tijd onderduiken. Bovendien verbleven ruim zeventig jongeren enige tijd in gevangenissen of concentratiekampen. Tien gemeenteleden werden wegens hun verzetswerk door de Duitsers gefusilleerd of kwamen in concentratiekampen om het leven. De predikanten schreven gedurende de oorlogsjaren brieven aan in Duitsland tewerkgestelde gemeenteleden waarin gewaarschuwd werd tegen geestelijke en zedelijke verwildering. Bij een Engels bombardement op de Amsterdamsebuurt in Haarlem (op 16 april 1943) werden tien gemeenteleden gedood.

Bombardement in de Amsterdamsebuurt. Dit bleef er van de Edisonstraat over (foto: Adrianus Peperkamp,  Geschiedenislokaal 023).

De Vrijmaking (1945).

In de jaren dertig waren in de Gereformeerde Kerken verschillen van inzicht over onder meer de betekenis van Doop en Verbond manifest geworden. De synode ging zich er mee bemoeien. Deze benoemde een deputaatschap dat studie maakte van de gerezen ‘leergeschillen’. Dit had tot gevolg dat in juni 1942 een aantal leeruitspraken gedaan werd, waardoor eigenlijk geen problemen ontstonden, tótdat de synode een ‘Toelichting’ op die besluiten publiceerde, waarin slechts ruimte was voor de zienswijze van dr. A. Kuyper over de ‘veronderstelde wedergeboorte’.

Ds. Js. van der Linden (1852-1926).

Ds. Js. Van der Linden was over die Toelichting teleurgesteld, terwijl ds. Hoorweg deze juist verdedigde. Dat laatste deed hij ook op schrift, in de brochure ‘De verklaring van ds. C. Veenhof (…) besproken met de leden der Gereformeerde Kerk te Haarlem’. Eveneens ter voorlichting van de gemeenteleden over de kerkelijke kwestie kwam prof. dr. F.W. Grosheide (1881-1972) (hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam naar Haarlem.

De brochure van ds. Hoorweg.

Toen dr. Schilder – wegens zijn verzet tegen de synodebesluiten – in augustus 1944 afgezet en collega-hoogleraar dr. S. Greijdanus (1871-1948) geschorst werd, was de geest uit de fles. Op 11 augustus 1944 werd het landelijke sein tot ‘Vrijmaking’ van de synodebesluiten gegeven, toen dr. Schilder in Den Haag de ‘Akte van Vrijmaking of Wederkeer’ voorlas. Overal in het land werden toen door gemeenteleden, kerkenraden en predikanten de ‘Akte’ ondertekend en ontstonden op vele plaatsen ‘vrijgemaakte’ gemeenten. Ds. Js. Van der Linden gaf aan dat hij het optreden van de synode afkeurde en zich niet gebonden achtte aan de synodebesluiten, maar hij maakte zich niet vrij.

Ook in Haarlem ontstond op 1 oktober 1945 de ‘Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt)’, die diensten hield in de Begijnhofkapel aan het Begijnhof, waar tot 1946 ook de al eerdergenoemde ‘Hersteld Verbanders’ kerkten. Via het gebouw van de Evangelische Broedergemeente kwam men in 1985 terecht in de eigen Fonteinkerk aan de Schoterweg.

Prof. dr. K. Schilder op de Vrijmakingsvergadering in Den Haag (11 augustus 1944).

In 1946 telde de vrijgemaakte kerk 246 leden, langzaam oplopend tot 530 in 1968. Toen ontstond echter als gevolg van landelijke kerkelijke problemen ook in Haarlem een interne kerkscheuring, die er toe leidde dat op 8 april dat jaar het grootste deel van de gemeente zich bij de (later zogenoemde) ‘Nederlands Gereformeerde Kerken’ voegde (op die kerk komen we later nog even terug). Ze kerkten destijds in de Bakenesserkerk in de Vrouwestraat.

Tot de Kerksplitsing van 1953.

Door de groei van de kerk werd na de oorlog overwogen de Gereformeerde Kerk van Haarlem te splitsen in een aantal zelfstandige Gereformeerde Kerken. Daartoe werd in 1952 een Splitsingscommissie ingesteld die de voor- en nadelen van meerdere mogelijkheden zou onderzoeken. Daarvoor moest ook overleg gepleegd worden met de aangrenzende Gereformeerde Kerken van Heemstede en Santpoort. Uiteindelijk werd besloten de kerk van Haarlem in twee zelfstandige kerken te splitsen: de Gereformeerde Kerk te Haarlem-Noord en de Gereformeerde Kerk te Haarlem-Zuid. De Kerksplitsing ging per 1 oktober 1953 in.

De kerk van Haarlem in 1953.

Ds. P. de Ruig (1913-2000).

De nog ongedeelde Gereformeerde Kerk van Haarlem telde in 1953 rond de 6.000 gemeenteleden. Aan de kerk waren op dat moment de volgende predikanten verbonden: ds. A.M. Boeijinga (sinds september 1928), ds. L. Hoorweg jr. (sinds mei 1931), en een drietal predikanten die na de oorlog intrede deden: ds. J.A. van Arkel (1908-1990) van Naaldwijk, die op 12 december 1946 naar Haarlem kwam; ds. P. de Ruig (1913-2000) van Putten, die op 10 juli 1947 aan de kerk van Haarlem verbonden werd, en ds. A.B.C. Hofland (1911-1995) van Emmen, die op 26 november 1951 als predikant te Haarlem bevestigd werd.

De kerk van Haarlem-Noord.

Aan de kerk van Haarlem-Noord (toen met 3.742 leden) waren in 1953 ds. Van Arkel, ds. De Ruig en ds. Hofland verbonden. De Kloppersingelkerk en de Noord-Schoterkerk behoorden tot Haarlem-Noord, terwijl in het begin ook gekerkt werd in de hervormde Sionskerk. In 1960 werd de gereformeerde ‘Verlosserkerk’ aan de Generaal Spoorlaan in gebruik genomen. Het was een rechthoekige, vlak afgedekte zaalkerk met een slanke, terzijde staande toren, die beeldbepalend was in de noordelijke wederopbouwwijk van Haarlem. De kerk werd gebouwd naar ontwerp van architectenbureau A. Meijer en J.H. van de Zee.

De ‘Verlosserkerk’ aan de Generaal Spoorlaan te Haarlem.

(De ‘Noord-Schoterkerk’ werd in 1980 als gereformeerde kerk buiten gebruik gesteld en de Verlosserkerk onderging in 2004 hetzelfde lot; de laatste dienst werd daar op 4 januari dat jaar gehouden. De kerk werd in het voorjaar van 2006 gesloopt. 25 seniorenappartementen nemen nu haar plaats in.)

De kerk van Haarlem-Zuid.

De kerk van Haarlem-Zuid telde direct na de splitsing 2.821 leden en had als predikant ds. Hoorweg jr. Aanvankelijk waren er twee vacatures, maar ds. C. Goeman (1921-1994) van Schipluiden deed op 31 mei 1954 intrede en ds. D.J. Roos (1924-1988) van Sassenheim kwam per 30 maart 1955 naar Haarlem. Tot de Gereformeerde Kerk van Haarlem-Zuid behoorden de Wilhelminakerk aan de Gedempte Oude Gracht en de Zuid-Oosterkerk aan de Richard Holkade.

Nóg twee splitsingen: in 1971…

Een nieuwe kerksplitsing werd per 1 juli 1971 doorgevoerd. Daarbij werd de kerk van Haarlem-Zuid in tweeën gesplitst. Zo ontstonden (1) de kerk van Haarlem-Zuid met 1.563 leden, die kerkten in de aloude Wilhelminakerk aan de Gedempte Oude Gracht en in de Pelgrimkerk aan de Stephensonstraat (daarover later meer); en (2) de kerk van Haarlem-Oost met 2.274 leden, die ter kerke gingen in de Zuid-Oosterkerk en in de ‘Ontmoetingskerk’ aan de Frankrijklaan.

’t Schalkererf (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Deze laatste was gebouwd als hervormde kerk maar werd ook als gereformeerde kerk gebruikt. Ook in het gereformeerde wijkcentrum ‘’t Schalkererf’ in de Bernadottelaan (in gebruik genomen op 23 november 1972) werden kerkdiensten gehouden.

De kerk van Haarlem-Noord (met in het splitsingsjaar 3.364 leden) beschikte over de Koningkerk aan de Kloppersingel en de Goede Herderkerk aan de Spaarnrijkstraat (de vroegere Noord-Schoterkerk, in 1980 buiten gebruik gesteld). De Koningkerk werd overigens in 1987 voor de gereformeerde eredienst gesloten; ze brandde op 23 maart 2003 helaas tot de grond toe af…

… en in 1989.

Per 1 januari 1989 werd de kerk van Haarlem-Zuid opnieuw gesplitst: zo ontstond de Gereformeerde Kerk van Haarlem Centrum (met de Wilhelminakerk) en die van Haarlem-West (met de Pelgrimkerk).

De kerk van Haarlem-Centrum.

In mei 2005 besloot de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Haarlem-Centrum, met instemming van de gemeenteleden van de Wilhelminakerk, toe te treden tot het kerkverband van de ‘Nederlands Gereformeerde Kerken’, dat eind jaren ’60 was ontstaan als afsplitsing van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).

Aanvankelijk had de kerk van Haarlem-Centrum – omdat men niet mee wilde gaan in de Protestantse Kerk in Nederland – zich gedurende enige tijd aangesloten bij het kleine kerkverband van de ‘voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland’, maar uiteindelijk werd ‘na een bredere verkenning’ gekozen voor aansluiting bij de Nederlands Gereformeerde Kerken, ‘omdat de uitgangspunten van beide kerken het meest op elkaar aansluiten’. In oktober 2005 werd de Gereformeerde Kerk Haarlem-Centrum (met 460 leden) definitief opgenomen in het kerkverband van de Nederlands Gereformeerde Kerk. De Wilhelminakerk aan de Gedempte Oude Gracht dient nog steeds als kerkgebouw van de ‘Nederlands Gereformeerde Kerk te Haarlem’.

De Pelgrimkerk in Haarlem-West.

De Pelgrimkerk.

In het zuiden van de stad werd in de jaren ’60 behoefte gevoeld aan meer kerkruimte. Wijk West kerkte destijds in de aula van het Christelijk Lyceum aan de Zuider Emmakade of in de Zuid-Oosterkerk. Daarom werd een tweetal kerkbouwplannen gepresenteerd: behalve dat van het wijkcentrum-met-kerkdiensten ‘’t Schalkererf’ aan de Bernadottelaan (dat op 22 december 1972 in gebruik genomen werd) was al eerder door architect W. Ingwersen een plan gemaakt voor de bouw van de ‘Pelgrimkerk’ op de hoek van de Stephensonstraat en de Pijlslaan. De Pelgrimkerk werd op 28 augustus 1965 in gebruik genomen.

Momenteel noemt alleen de Pelgrimkerk zich – volgens het Jaarboek van de PKN – als zelfstandig onderdeel van de Protestantse Gemeente te Haarlem nog ‘gereformeerd’; de Pelgrimkerk is de voorzitting van de Gereformeerde Kerk van Haarlem-West. De andere Haarlemse Gereformeerde Kerken gingen intussen samen in de ‘Protestantse Gemeente te Haarlem’ of in de ‘Protestantse Gemeente te Haarlem-Noord en Spaarndam’.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Haarlem.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Haarlem tussen 1893 en de kerksplitsing van 1953. Tot 1916 de totalen van Kerk A, B en C (bron: Jaarboeken GKN).

Bronnen:

A. Bel e.a., Predikanten en Oefenaars. Biografisch woordenboek van de Kleine Kerkgeschiedenis. 5 dln., Houten, 1988-1999

B.T. Boeyinga, Kerkbouw en de kerk aan den Kloppersingel te Haarlem. Haarlem, 1927

B. ter Braak, Haarlems Kerkepad. Een andere kennismaking met 750 jaar geloof, bezinning en architectuur. Haarlem, 1995

H.C. ter Haak e.a., Gedenkboek Gereformeerde Jongelingsvereeniging ‘Nathanaël’. 1892-Haarlem-1917. Haarlem, 1917

L. Hoorweg jr., De verklaring van ds. C. Veenhof in den raad van de Gereformeerde Kerk te Utrecht besproken met leden der Gereformeerde Kerk te Haarlem. Haarlem, [1944]

Jaarboeken ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

H.J.Ph.G. Kaajan, De geschiedenis van Haarlems Gereformeerde Kerk in vogelvlucht (ca. 1850-1992). In: De Hoeksteen, 23e jrg. nr. 2, Berkel en Rodenrijs, april 1994

H.J.Ph.G. Kaajan, Het ontstaan en de beginjaren van de Vrijmaking in Haarlem (1942-1950). In: De Hoeksteen, 23e jrg. nr. 4, Berkel en Rodenrijs, oktober 1994

N.N., Inventaris van het Archief der Gereformeerde Kerk te Haarlem, Haarlem, g.j.

Notulen van de Algemene Kerkelijke Vergaderingen van de Gereformeerde Kerk onder het Kruis (1844-1869). Utrecht, 1982

T. Scheper, e.a., Pelgrims onderweg. 25 jaar Pelgrimkerk. Jubileumuitgave t.g.v. het 25-jarig bestaan van de Pelgrimkerk (…). Haarlem, 1989

R. Steensma en C.A. van Swigchem, Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw. Kampen, 1986

H.W. Wierda, ’n Haarlems ABC, in: Anderhalve eeuw Gereformeerden in stad en land. Deel 11, Noord-Holland, Kampen, 1986

J. Venema, Een kerk in Schoten… Historische notitie met betrekking tot de Christelijke Gereformeerde Kerk van Haarlem-Noord. Haarlem, 1988

© 2018. GereformeerdeKerken.info