De Gereformeerde Kerk in het Utrechtse Loenen aan de Vecht werd op 4 februari 1891 geïnstitueerd als Nederduitsche Gereformeerde Kerk, afkomstig uit de Doleantie, de tweede orthodoxe uittocht uit de Nederlandse Hervormde Kerk.

Loenen en de Afscheiding van 1834.
Maar ver vóór de Doleantie woonden in Loenen al verontruste hervormden, die moeite hadden met de in hun kerk bestaande vrijzinnigheid, waartegen de kerkelijke besturen naar hun oordeel nauwelijks of niet optraden. Ook hadden ze bezwaren tegen de door de regering in 1816 opgelegde nieuwe kerkorde, het Algemeen Reglement voor het bestuur van de Hervormde Kerk, dat in de plaats kwam van de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde. Het Algemeen Reglement liet veel minder ruimte aan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten dan de Dordtse Kerkorde, terwijl op grond van dat Reglement ook de vrijzinnigheid in stand gehouden werd.
Verder moesten ze niets hebben van de als vrijzinnig beschouwde bundel Evangelische Gezangen, waarvan op bevel van de overheid in ieder geval één lied in de dienst gezongen moest worden. Deze ‘verontruste hervormden’ waren het eens met ds. H. de Cock (1801-1842) van het Groningse Ulrum, die zich met een deel van zijn gemeente in oktober 1834 van de Hervormde Kerk afscheidde.
Zo ontstonden onder meer ‘Christelijke Afgescheidene Gemeenten’ in het naburige Oud-Loosdrecht (op 23 oktober 1835) en in Kockengen in 1836. In Loenersloot, Oukoop en Ter Aa ontstond eveneens in 1836 een Afgescheiden Gemeente, waar ook enkele personen uit Loenen de diensten bijwoonden. En in het naburige Baambrugge, op de buitenplaats Postwijck, werden van 1835 tot 1863 eveneens godsdienstige samenkomsten gehouden (mevr. J.J. Zeelt (1780-1864) was eigenaar van Postwijck; ze verleende ook veel financiële bijstand aan armlastige Afgescheiden Gemeenten). In 1863 werd de gemeente van Postwijck officieel geïnstitueerd als Christelijke Afgescheidene Gemeente te Baambrugge. Een van de kerkenraadsleden van die gemeente was hoofdonderwijzer Ligtvoet uit Loenen. In totaal woonden in in Loenen in die tijd ongeveer twintig Afgescheidenen.

De tijd van de Doleantie.
Ook nadat de Afscheiding zich over ons land had uitgerold, bleef de ‘strijd voor kerkherstel’ in de hervormde kerk voortgaan. Ongeveer dezelfde bezwaren als in de Afscheidingstijd bleven ook in latere jaren bestaan. Onder leiding van onder meer dr. A. Kuyper (1837-1920) bleef men aandacht vragen voor bestrijding van de vrijzinnigheid en voor meer zelfstandigheid en zeggenschap van de plaatselijke gemeenten. In het begin van 1886 onttrok de eerste kerkelijke gemeente zich aan de de Hervormde Kerk (dat was de gemeente van Kootwijk) en daarna verlieten ook andere (aanvankelijk eerst enkele kleinere) gemeenten de hervormde kerk. Op 16 december 1886 kwam een groot deel van de kerkenraad en van de gemeente van Amsterdam eveneens buiten het kerkverband te staan. Vele andere kerken en hervormde predikanten volgden. Deze afgescheiden gemeenten voegden zich samen als de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende); doleren betekent ‘klagen’.
De Doleantie in Loenen (1891).

Jammer genoeg ontbreekt aan aantal notulenboeken uit de tijd van de Doleantie in Loenen. Toch kan uit enkele andere bronnen de gang van zaken in grote lijnen worden gereconstrueerd. In Loenen was in 1890 ds. L. Adriaanse (1856-1947) door de Dolerende classis Zeist benoemd tot voorlopige consulent van Loenen. Aanvankelijk was het aantal Dolerenden in Loenen nog te klein om een zelfstandige kerk te institueren, maar ds. Adriaanse kreeg de opdracht om de Doleantie in Loenen zoveel mogelijk te stimuleren. Dat ging niet zo snel, maar uiteindelijk lieten op 20 januari 1891 zeventien hervormde gemeenteleden zich uitschrijven uit het ledenregister van de Hervormde Gemeente. Kort daarvoor was al iemand anders in Doleantie gegaan, zodat in totaal achttien Dolerenden als eersten in het ledenregister van de Dolerende Kerk ingeschreven waren. Kennelijk vond men dat aantal van achttien belijdende leden voldoende om over te gaan tot het institueren van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Loenen aan de Vecht.

Begin 1891 werden de ambtsdragers gekozen: twee ouderlingen (K.E. Steenhuizen en H. Van Heteren) en twee diakenen (G. Ortel en L. Dolman). Drie van hen werden op 4 februari 1891 door ds. Adriaanse in het ambt bevestigd, waarmee de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Loenen aan de Vecht officieel geïnstitueerd was. De vierde ambtsdrager had aanvankelijk bezwaren tegen zijn benoeming, maar de problemen werden opgelost en zo kon ook hij kort daarop in het ambt bevestigd worden.
Na de achttien toegetreden Dolerende leden volgden in de loop van 1891 nog zes hervormde leden hun spoor en in 1892 voegden zich opnieuw twaalf hervormden bij de Dolerende Kerk. “Tussen 1891 en 1893 zijn in totaal vierenveertig personen met de Doleantie in Loenen meegegaan”. Door vertrek en overlijden verminderde het aantal leden iets, zodat het ledental in 1893 nog 105 bedroeg: 56 belijdende en 49 doopleden. De jaren daarop bleef het ledental ongeveer stabiel.
De reactie van de hervormde gemeente.
De meningen waren binnen de Hervormde Classis niet eensluidend over de vraag wat er met de Dolerenden moest gebeuren. Moesten ze geschrapt worden uit de hervormde ledenregisters? Moesten ze bezocht en vermaand en misschien zelfs met de kerkelijke tucht bestraft worden? Uiteindelijk besloot de hervormde kerkenraad van Loenen dat de Dolerenden ‘die in de Dolerende kerk eenige betrekking vervullen of aldaar hun kinderen laten dopen’ uit het lidmatenboek van de kerk ‘geschrapt’ moesten worden. Aldus geschiedde.
Een eigen kerk (1891).

Natuurlijk moest men voor de kerkdiensten van de jonge gemeente een geschikte locatie trachten te vinden. Daartoe had de kerkenraad op advies van het in januari 1887 gehouden Gereformeerd Kerkelijk Congres de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ opgericht, die als een soort van ‘Commissie van Beheer’ namens de kerkenraad het beheer voerde over de gelden en de kerkelijke goederen.
De Kerkelijke Kas vond een geschikte bouwplaats in het buurtschap Oud Over, bij de vroegere Leenderveensesluis aan de Oud Over (nu nr. 80). Op die grond hadden voorheen turfschuren gestaan. Het kerkje werd een eenvoudig gebouwtje op een rechthoekige plattegrond, met in beide zijgevels vier spitsboogvensters. Een gedenksteen met de tekst ‘Eben Haëzer 1891` (‘Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen’) werd ter herinnering aan deze belangrijke gebeurtenis ingemetseld. Het kerkgebouw zou tot 1923 dienst doen.

- In combinatie met de kerk van Vreeland.
Op 11 maart 1891 was ook in het naburige Vreeland de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) ontstaan. En binnen een jaar, op 14 februari 1892, had men in Vreeland een eigen Dolerend kerkgebouw in gebruik genomen. Het was dan ook niet vreemd dat deze twee geestverwante kleine kerken contact met elkaar zochten om te trachten gezamenlijk een predikant te beroepen.
Ds. W. Maan (van 1892 tot 1913).

Het beroepen van een predikant ging aanvankelijk niet vlot, maar op 15 mei 1892 deed een nieuwe predikant voor beide gemeenten intrede in Vreeland, in de persoon van ds. W. Maan (1848-1938) uit het Friese Augustinusga. ‘De predikant had het beroep naar deze beide plaatsen aangenomen vanwege de opvoeding van zijn kinderen’. De ‘combinatie voor de Dienst des Woords’ van de twee kerken duurde tot 1924, toen beide in staat waren een eigen predikant te beroepen.
“De Gereformeerde Kerken in Nederland” (1892).
Ongeveer een maand na de intrede van ds. Maan veranderde de naam van beide kerken. Sinds het ontstaan van de eerste Dolerende Kerken (in 1886) waren de landelijke synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk (afkomstig uit de Afscheiding van 1834) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) namelijk in overleg gegaan over een mogelijke eenwording. Hoewel de onderhandelingen aanvankelijk met de nodige strubbelingen gepaard gingen, kon uiteindelijk op 17 juni 1892 de eenwording toch officieel geproclameerd worden. Als naam van de verenigde kerken was gekozen De Gereformeerde Kerken in Nederland. Ook de Nederduitsche Gereformeerde Kerk van Loenen (én die van Vreeland) heette sindsdien ‘De Gereformeerde Kerk te Loenen aan de Vecht’ (en ‘De Gereformeerde Kerk te Vreeland’).
Ds. Maan ‘ontving hier niet de warme geestdrift die hij in Friesland had ondervonden; toch zag hij zegen op zijn arbeid. Toen door een ongeval het kerkgebouw van Vreeland afbrandde, werd dit spoedig door een nieuw vervangen.
De Jongelingsvereniging ‘Eben Haëzer’ (1892).

Op 26 september 1892 werd in Loenen de gereformeerde Jongelingsvereniging Eben Haëzer opgericht. Aanvankelijk bestond de club uit ongeveer tien tot twaalf jongens van ongeveer 16 jaar en ouder, die in de winter wekelijks, en ’s zomers eens in de veertien dagen vergaderden. De boys studeerden over de kerkelijke geschiedenis, de Bijbelse geschiedenis, vaderlandse geschiedenis, onderwerpen uit de geloofsbelijdenis, de christelijke politiek en allerlei maatschappelijke onderwerpen. Op een avond werden één of twee onderwerpen behandeld. Daarover werd eerst een ‘lezing’ gegeven (ook ‘inleiding’ genoemd), waarna er door de jongens onder leiding van een volwassene over gediscussieerd werd. Daarbij kon men gebruik maken van aangeschafte boeken en ander studiemateriaal. Het geld daarvoor was afkomstig van begunstigers (gemeenteleden). De vereniging bestond tot ongeveer 1960.
De christelijke school (1894).
Enkele gemeenteleden waren aanwezig bij een vergadering van de kerkenraad (op 23 november 1894) over de stichting van een christelijke school. Twee weken later werd bovendien een gezamenlijke vergadering gehouden met de leden van de kerk van Vreeland. Toen werd besloten samen een schoolvereniging en een christelijke school te stichten. Ds. Maan werd voorzitter, K.E. Steenhuizen, onder wiens leiding de genoemde vergaderingen gehouden werden, werd secretaris. De Kerkelijke Kas verhuurde vervolgens het kerkgebouw in Oud Over aan de schoolvereniging die er door de week les kon laten geven.

In De Standaard, een gereformeerd politiek dagblad, opgericht door dr. A. Kuyper, werd meteen een advertentie geplaatst voor een onderwijzer, die fl. 800 per jaar zou verdienen. Er kwamen maar liefst bijna honderd sollicitanten op de advertentie af, waaruit de heer L. Jaarsma uit Leeuwarden gekozen werd; hij werd benoemd tot Hoofd der School. Eind april 1895 meldden zich intussen al achtentwintig schoolkinderen, van wie vijftien uit Vreeland en dertien uit Loenen. Op 1 mei 1895 werd de school geopend! Overigens bestond ook de al eerder gestichte christelijke school aan de Gruttersteeg nog steeds, waar J.H. Ligtvoet H.d.S. was.
Ook de hervormde gemeente steunde de christelijke school in Oud Over. Het bestuur bestond uit zowel gereformeerden als hervormden. Omdat het kerkgebouw na verloop van tijd te klein werd voor de school, werd in 1914 een nieuwe christelijke school geopend, die aan de Rijksstraatweg stond.
Ds. Maan vertrekt (1913).
‘Lichaamszwakte noopte de predikant met ingang van 27 april 1913 emeritaat aan te vragen en afscheid te nemen’. Bij dit afscheid werd gememoreerd de ‘geest van getrouwheid, van vasthoudendheid, van orde en stiptheid, en van gematigdheid’, die de predikant hadden gekenmerkt. Ds. Maan vertrok naar Alphen aan den Rijn, waar hij ging wonen.
Ds. B. Roorda (van 1914 tot 1916).

Dus konden de beide kerkenraden weer met het beroepingswerk beginnen, want men had afgesproken de ‘combinatie voor de Dienst des Woords’ te continueren. In Loenen wilde men graag dat de predikant nu in Loenen kwam wonen. De kosten daarvan zou men daar zelf opbrengen. De kerkenraden dachten aan een traktement van rond de fl. 1.100. De nieuwe predikant was ds. B. Roorda (1863-1940) uit Coevorden, die op 5 juli 1914 in Vreeland bevestigd werd en in Loenen intrede deed. Het lukte echter niet in Loenen geschikte woonruimte te vinden, zodat ook deze predikant zich metterwoon in Vreeland vestigde.
Ds. Roorda bleef slechts kort werkzaam in de beide kerken. Want al op 2 juli 1916 nam hij afscheid van Loenen en Vreeland. De reden daarvan is niet duidelijk, al meent de geschiedschrijver dat geen sprake was van verstoorde verhoudingen, o.i.d.
Intussen hadden beide kerkenraden afgesproken – opnieuw om financiële redenen – de combinatie voor de Dienst des Woords vooralsnog te handhaven en samen een predikant te beroepen.
Ds. A.G. Wolf (van 1918 tot 1924).

Opnieuw in combinatie met Vreeland werd dus een nieuwe dienaar des Woords beroepen. Het achtste uitgebrachte beroep trof doel: kandidaat A.G. Wolf (1892-1974) nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed op 2 juni 1918 intrede.
Een nieuwe kerk (1923).
Hoewel in 1918 al tevergeefs getracht was een stuk grond te bemachtigen voor de bouw van een nieuwe kerk, werd het jaar daarop op verzoek van twee jonge doopleden ingestemd met het rondgaan met een intekenlijst om gelden te verzamelen voor een nieuw kerkgebouw. Een half jaar later was door de arbeid van de jeugdige commissie in totaal ongeveer fl. 1.280 binnengekomen, meer dan verwacht. In februari 1920 werd de commissie uitgebreid en de inzamelactie gereactiveerd. In de gemeente zou wekelijks met een bus gecollecteerd worden en ook zouden circulaires en intekenbiljetten gedrukt en verspreid worden voor de inzameling van giften. Verder zouden honderd renteloze aandelen van fl. 50 worden uitgegeven en werd bovendien een lening van fl. 10.000 afgesloten.

Besloten werd in de Dorpsstraat een stuk grond te kopen waarop een viertal arbeiderswoningen stond, die zouden worden afgebroken. Al snel waren de bouwtekening van architect H.A.J.F. Hissink en het bestek gereed, en werd berekend dat de bouwkosten ongeveer fl. 23.000 zouden bedragen. Een financieel plan werd opgesteld om het benodigde geld te verkrijgen. Alleen ouderling J.H. van Schaik was tegen de bouwplannen. Bijna eensgezind werd tijdens de gemeentevergadering van 19 juni 1922 definitief besloten over te gaan tot kerkbouw, al hadden sommigen aarzelingen in verband ‘met de verslechtering der tijden’. Maar uiteindelijk was iedereen ‘voor’.

In totaal werd de bouw begroot op fl. 22.789. Daarvan kreeg metselaar A. Valkenburg het leeuwendeel: fl. 11.787. Timmerlui H. Schippers en Jac. De Jager berekenden bijna fl. 7.900; schilder Vervat deed zijn klus voor fl. 2.100 en het lood- en zinkwerk, door de fa. Spek uit Oud-Loosdrecht, vroeg fl. 590.
Begin 1923 werd de eerste steen gelegd door ds. Wolf. De steen Eben Haëzer 1891 (van de oude kerk) kreeg na voltooiing van de bouw ook een plaats in de nieuwe kerk. Zo kon op 26 april 1923 om zeven uur ‘s avonds de nieuwe kerk in gebruik genomen worden. Ook de burgemeester was er. De predikant preekte over ‘De liefelijkheid Zijner Woningen’ uit psalm 84 vers 2.
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Loenen aan de Vecht (1)
The Institution of the ‘Gereformeerde’ Church.
The ‘Gerefromeerde’ Church in Loenen aan de Vecht, located in the province of Utrecht, was officially instituted on February 4, 1891 as the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church, originating from the Doleantie, the second orthodox exodus from the ‘Hervormde’ Church.
L.oenen and the Secession of 1834.
Long before the Doleantie, concerned ‘gereformeerde’ believers lived in Loenen who were troubled by the liberalism within the ‘Hervormde’ Church, which, in their view, was hardly or not at all addressed by church authorities. They also opposed the new church order imposed by the government in 1816—The General Regulations for the Governance of the ‘Hervormde’ Church—which replaced the traditional Dordrecht Church Order. The ‘General Regulations’ gave much less autonomy to local congregations.
Additionally, they objected to the hymnbook Evangelical Hymns, considered liberal, from which the government required at least one song to be sung in every service.
These “concerned ‘gereformeerde’ believers” sided with Rev. H. de Cock (1801–1842) from Ulrum in Groningen, who, together with part of his congregation, seceded from the ‘Hervormde’ Church in October 1834.
As a result, Secessionist Congregations arose, including:
-
Oud-Loosdrecht (October 23, 1835)
-
Kockengen (1836)
-
Loenersloot, Oukoop, and Ter Aa (1836)—attended by some from Loenen
-
Baambrugge, at the Postwijck estate (1835–1863), where religious gatherings were held
Mrs. J.J. Zeelt (1780–1864), owner of Postwijck, provided significant financial support to impoverished Secessionist congregations. In 1863, the Postwijck community was formally instituted as the Christian Secessionist Church of Baambrugge, with Loenen school principal Ligtvoet serving as an elder.
Around twenty Secessionists lived in Loenen at the time.
The Era of the Doleantie.
Even after the Secession had spread, the “struggle for church restoration” continued within the ‘Hervormde’ Church. The same objections persisted: liberal theology and lack of local autonomy. Led by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920), calls were made for action against liberalism and for stronger independence of local congregations.
In early 1886, the first congregation (Kootwijk) seceded, followed by others. On December 16, 1886, a large part of Amsterdam’s church council and congregation left the ‘Hervormde’ Church. These breakaway churches united under the name Netherdutch ‘Gereformeerde’ Churches (Dolerende)—doleren meaning “to lament”.
The Doleantie in Loenen (1891).
Unfortunately, some minute books from the Doleantie period in Loenen are missing. Still, events can be largely reconstructed from other sources.
In 1890, Rev. L. Adriaanse (1856–1947) was appointed provisional consultant for Loenen by the Dolerende classis Zeist. Initially, the number of Dolerenden in Loenen was too small to form an independent church. However, Rev. Adriaanse was tasked with encouraging the movement there.
Progress was slow, but on January 20, 1891, seventeen members officially withdrew from the ‘Hervormde’ Church. One person had left earlier, totaling eighteen members in the Dolerende church register—enough to establish the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (Dolerende) in Loenen aan de Vecht.
In early 1891, office-bearers were elected:
-
Two elders: K.E. Steenhuizen and H. van Heteren
-
Two deacons: G. Ortel and L. Dolman
On February 4, 1891, three were officially ordained by Rev. Adriaanse, marking the official institution of the church. The fourth initially objected to his appointment but was later ordained.
After the initial 18 members, six more joined in 1891 and twelve more in 1892. “Between 1891 and 1893, a total of forty-four people joined the Doleantie in Loenen.” After deaths and departures, membership in 1893 was 105: 56 confessing and 49 baptized members. Membership numbers remained stable afterward.
Reaction from the ‘Hervormde’ Church.
Opinions in the ‘Hervormde’ classis varied about how to respond. Should Dolerenden be removed from the register? Should they be admonished?
The Loenen church council decided that Dolerenden who held office or baptized children in the Dolerende Church should be removed from the Dutch Reformed membership books. And so it was done.
A Church of Their Own (1891).
A location was needed for services. Following advice from the 1887 ‘Gereformeerde’ Church Congress, the council founded the association “De Kerkelijke Kas”, a kind of property management committee.
They found land in the Oud Over hamlet, near the old Leenderveen lock (now Oud Over 80). Former peat sheds once stood there. A simple rectangular church was built with four pointed-arch windows on each side. A cornerstone inscribed “Eben Haëzer 1891” (“Thus far the Lord has helped us”) commemorated the event. This church was in use until 1923.
* In Cooperation with the Church of Vreeland.
On March 11, 1891, the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (Dolerende) was also founded in neighboring Vreeland. They opened a church building on February 14, 1892.
It was natural for the two like-minded congregations to jointly call a minister.
Rev. W. Maan (1892–1913).
Calling a minister proved slow. On May 15, 1892, Rev. W. Maan (1848–1938) from Augustinusga began serving both congregations. He accepted the call partly for the sake of his children’s upbringing.
The cooperation lasted until 1924, when both churches could support their own pastors.
In June 1892, shortly after Rev. Maan’s arrival, the churches adopted the new name:
The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (1892).
Since the start of the Dolerende churches in 1886, they had been negotiating unification with the Christian Reformed Church (from the 1834 Secession). Despite difficulties, the merger was officially proclaimed on June 17, 1892.
The new name: The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. Thus, Loenen’s church became The ‘Gereformeerde’ Church in Loenen aan de Vecht, and similarly for Vreeland.
Though Rev. Maan didn’t receive the same enthusiasm as in Friesland, he saw blessings in his work. After the Vreeland church burned down, it was quickly rebuilt. He also founded a Christian school—the 1,000th in the country.
Youth Association “Eben Haëzer” (1892).
On September 26, 1892, the ‘Gereformeerde’ Young Men’s Association Eben Haëzer was founded in Loenen, initially with 10–12 boys aged 16+. They met weekly in winter and biweekly in summer to study church history, theology, politics, and society. Meetings included lectures, discussions, and the use of books purchased with donations. The club existed until around 1960.
The Christian School (1894).
On November 23, 1894, a council meeting was held about founding a Christian school. Two weeks later, a joint meeting with Vreeland’s church decided to establish both a school association and a school.
Rev. Maan became chair, and K.E. Steenhuizen secretary. The church building in Oud Over was rented out for weekday use as a school.
An ad was placed in De Standaard (a ‘gereformeerde’ newspaper founded by Kuyper) for a teacher, offering 800 guilders/year. Nearly 100 applicants responded. L. Jaarsma from Leeuwarden was selected as headmaster.
By late April 1895, 28 students were enrolled (15 from Vreeland, 13 from Loenen). The school opened on May 1, 1895.
An older Christian school also existed in Gruttersteeg, led by J.H. Ligtvoet.
The ‘Hervormde’ Church also supported the Oud Over school. The school board included both ‘gereformeerde’ and ‘hervormde’ members. In 1914, a new school was built on Rijksstraatweg due to lack of space.
Rev. Maan Departs (1913).
Due to health issues, Rev. Maan retired on April 27, 1913, and moved to Alphen aan den Rijn. At his farewell, he was praised for his faithfulness, persistence, orderliness, punctuality, and moderation.
Rev. B. Roorda (from 1914 to 1916).
Thus, the two church councils were able to resume their work of calling a minister, as it had been agreed to continue the “combination for the Ministry of the Word.” In Loenen, there was a desire for the minister to live in Loenen. The costs of this would be covered locally. The church councils envisioned a salary around fl. 1,100. The new minister was Rev. B. Roorda (1863-1940) from Coevorden, who was ordained in Vreeland on July 5, 1914, and took office in Loenen. However, it proved difficult to find suitable accommodation in Loenen, so this minister also settled in Vreeland.
Rev. Roorda only worked briefly in both churches. He bade farewell to Loenen and Vreeland on July 2, 1916. The reason for this is unclear, although the historian believes there were no issues regarding disturbed relations, or similar matters.
Meanwhile, both church councils had agreed—again for financial reasons—to continue the combination for the Ministry of the Word for the time being and to call a minister together.
Rev. A.G. Wolf (from 1918 to 1924).
Once again, a new minister was called in combination with Vreeland. The eighth call proved successful: candidate A.G. Wolf (1892-1974) accepted the call and took office on June 2, 1918.
A New Church (1923).
Although an attempt in 1918 to acquire land for the construction of a new church had failed, the following year, at the request of two young members of the congregation, it was agreed to circulate a petition to raise funds for a new church building. Six months later, the youth committee had collected a total of approximately fl. 1,280, more than expected. In February 1920, the committee was expanded, and the fundraising campaign was activated. Weekly collections would be made with a bus, and circulars and subscription forms would also be printed for donations. Furthermore, one hundred interest-free shares of 50 guilders would be issued, and a loan of fl. 10,000 was taken out.
It was decided to purchase a plot of land on Dorpsstraat, where four workers’ houses stood, which would be demolished. Soon, architect H.A.J.F. Hissink’s construction drawings and specifications were ready, and it was calculated that the construction costs would amount to about fl. 23,000. A financial plan was drawn up to obtain the necessary funds. Only elder J.H. van Schaik was opposed to the building plans. Almost unanimously, it was decided at the congregational meeting on June 19, 1922, to proceed with the church construction, although some hesitated due to concerns about “the worsening times.” But in the end, everyone was “in favor.”
The total cost of construction was estimated at fl. 22,789. The mason A. Valkenburg received the lion’s share: fl. 11,787. Carpenters H. Schippers and Jac. De Jager calculated almost fl. 7,900; painter Vervat completed his work for fl. 2,100, and the lead and zinc work, done by the company Spek from Oud-Loosdrecht, cost fl. 590. The cost of the lead and zinc work done by J.A. de Bruin amounted to fl. 445.
At the beginning of 1923, the foundation stone was laid by Rev. Wolf. The stone “Eben Haëzer 1891” (from the old church) was also placed in the church after the construction was completed. Therefore, on April 26, 1923, at 7:00 PM, the new church was officially opened. The mayor was also present. The minister preached on “The Loveliness of Your Dwelling Places” from Psalm 84, verse 2.