Een eigen kerk en een eigen predikant.
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Na de instituering van De Gereformeerde Kerk te Oppenhuizen en Uitwellingerga in 1893 moest de jonge gemeente haar plaats in het kerkelijke leven nog zien te vinden.

Er was wel een kerkenraad, maar een eigen kerkgebouw en een eigen predikant ontbraken nog. Beide onderwerpen hielden de gemoederen de eerste tijd dan ook intensief bezig.
Op 3 mei 1893 kwam de kerkenraad voor het eerst bijeen. De vier ambtsdragers wachtten niet lang met het nemen van belangrijke besluiten. Nog diezelfde vergadering werd besloten een stuk grond aan te kopen van D. Jongbloed, tegen de getaxeerde waarde. Tevens werd hem gevraagd het ontwerp voor een nieuw kerkgebouw te maken. Jongbloed stemde daarmee in. Verder besloot de kerkenraad voortaan eens in de veertien dagen te vergaderen. Dat was een opvallend verschil met de hervormde kerkenraad, die slechts viermaal per jaar bijeenkwam.
De voorbereidingen verliepen opmerkelijk snel. Al tijdens de derde kerkenraadsvergadering, op 17 mei 1893, presenteerde Jongbloed zijn bouwplan. Drie van de vier kerkenraadsleden konden zich daarin vinden. Alleen ouderling De Jong had ernstige bedenkingen. Hij betwijfelde of de jonge gemeente de bouw financieel wel zou kunnen dragen. Toch wilde hij zich niet tegen het plan verzetten, mits de voorstanders persoonlijk garant zouden staan voor eventuele verliezen als de onderneming zou mislukken. Dat voorstel werd aanvaard, zodat de plannen doorgang konden vinden.
De financiering bleef echter een punt van zorg. De kerkenraad wilde liever geen hypotheek afsluiten en probeerde daarom eerst het benodigde geld binnen de gemeente bijeen te brengen. Dat lukte maar ten dele.

Nu was het diaken Koopmans die bezwaren maakte. Hij vond het onverantwoord een jonge gemeente met schulden te belasten en had liever een eenvoudiger houten kerk laten bouwen. Zijn bezwaren liepen zo hoog op dat hij zelfs dreigde zijn ambt neer te leggen. De kerkenraad riep daarop de hulp van de consulent, ds. P.N. Kruyswijk (1855-1902) van Sneek in.
Aanvankelijk leek diens bemiddeling succes te hebben. De ‘bezwaarde broeder’ stelde persoonlijk een renteloze lening van vijfhonderd gulden beschikbaar om het tekort aan te vullen. Om onbekende redenen trok hij die toezegging korte tijd later echter weer in. Intussen was de bouw al begonnen. Uiteindelijk werden nog enkele leningen afgesloten bij welgestelde gemeenteleden. Dankzij hun steun kon het kerkgebouw worden voltooid, terwijl de aangegane schulden later zonder grote problemen werden afgelost.
Op welke datum de kerk precies in gebruik werd genomen, is niet meer met zekerheid vast te stellen. Het gedenkboek zwijgt erover, evenals de notulen van de classis en de Particuliere Synode. Vast staat slechts dat het kerkgebouw eind 1893 gereed was en vanaf dat moment dienstdeed als kerk van de jonge gemeente.

Op zoek naar een predikant.
Terwijl de bouw van de kerk vorderde, kwam ook de vraag naar een eigen predikant steeds nadrukkelijker aan de orde. Ook daarover liepen de meningen uiteen. Sommigen vonden dat de gemeente geen vast traktement moest toezeggen; de predikant zou wel merken hoeveel de gemeente voor hem over had. Anderen betwijfelden of een kleine gemeente als Oppenhuizen en Uitwellingerga wel in staat zou zijn een predikant te onderhouden.
Ouderling De Jong dacht daar kennelijk anders over. Hij liep alvast op de zaken vooruit door een geschikte woning te kopen die als pastorie kon dienen. Een jaar later verkocht hij het huis echter weer. Hij wilde – gezien de meningsverschillen – niet de indruk wekken dat hij de komst van een predikant koste wat kost wilde doordrijven. Bovendien wilde hij voorkomen dat hij met een leegstaande woning zou blijven zitten. In een jonge gemeente, waar de meningen soms scherp tegenover elkaar stonden, kon een dergelijke verdenking gemakkelijk aanleiding geven tot nieuwe spanningen.
Uiteindelijk besloot de gemeente toch een beroep uit te brengen. De eerste keuze viel op kandidaat G. Boekenoogen (1858-1937), maar hij bedankte voor het beroep.

Daarna richtte de kerkenraad zich tot ds. G.H. van Kasteel (1850-1931). Dat was een opmerkelijke keuze. Van Kasteel was namelijk geen onbekende in Oppenhuizen en Uitwellingerga. Eerder had hij daar al als hervormd predikant gestaan. Tijdens zijn latere predikantschap in Kollum had hij zich als hervormd predikant aangesloten bij de Doleantie van 1886 en was hij overgegaan naar de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (dolerende). Toen Oppenhuizen hem beriep, diende hij de Gereformeerde Kerk van Den Haag.
Ds. Van Kasteel nam het beroep aan en deed op 28 maart 1897 intrede. Daarmee keerde hij, nu als gereformeerd predikant, voor de tweede maal terug als herder en leraar van Oppenhuizen en Uitwellingerga.
Zijn komst betekende voor de gemeente een periode van rust en opbouw. Meer dan drieëntwintig jaar zou hij aan de gemeente verbonden blijven. Tijdgenoten herinnerden zich vooral de diepe eerbied waarmee hij zijn ambt vervulde. Hij voelde zich soms zo klein tegenover de taak die hem was toevertrouwd, dat hij ertegen opzag de kansel te beklimmen. Het gebeurde meer dan eens dat een ouderling hem thuis moest ophalen om hem ertoe te bewegen toch de kerkdienst te leiden.
Ook bij de bediening van het Heilig Avondmaal kwam zijn eerbied voor de dienst van God tot uitdrukking. Voor hij de tekenen van brood en wijn uitdeelde, trok hij witte handschoenen aan. Het gedenkboek tekende daar later over aan: “Alles wat hij deed moest geschieden met grote eerbied, omdat hij in dienst stond van zijn Zender.”
Ds. Van Kasteel bleef ongehuwd en leefde eenvoudig. ‘Hij vroeg weinig voor zichzelf, maar gaf veel aan de gemeente. Zijn trouw en pastorale bewogenheid maakten diepe indruk’. Toen hij in 1920 met emeritaat ging, sloot hij een predikantschap af dat blijvende betekenis heeft gehad voor de Gereformeerde Kerk van Oppenhuizen en Uitwellingerga.
Een bewogen beginperiode.
De komst van ds. Van Kasteel betekende niet dat alle zorgen binnen de jonge gemeente verdwenen. De Gereformeerde Kerk van Oppenhuizen en Uitwellingerga maakte in haar eerste decennia niet alleen een periode van groei door, maar kende ook spanningen en conflicten. De landelijke kerkelijke ontwikkelingen na de Vereniging van 1892 werkten ook in de twee kleine Friese dorpen door.

Niet iedereen kon zich vinden in de ‘Vereniging’ van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Deze samenvoeging leidde tot het ontstaan van De Gereformeerde Kerken in Nederland, maar riep bij een deel van de gereformeerden bezwaren op. Zij vonden dat de oorspronkelijke identiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerk hierdoor dreigde verloren te gaan.

Een van hen was Roel Visser. Hij had grote moeite met de ‘Vereniging van 1892’ en bleef vasthouden aan de Christelijke Gereformeerde Kerk. Daarbij stond hij niet alleen. Landelijk maakten zich al in 1892 verscheidene predikanten, soms met een deel van hun gemeente, los van het nieuwe kerkverband. Bekend zijn in dat opzicht ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) uit Zetten en ds. J. Wisse Czn. (1843-1921) uit Den Haag, maar ook ds. J.W. Draijer (1851-1894) uit het Friese Suawoude. Hun overtuiging was dat zij wilden blijven wat zij waren: Christelijk Gereformeerd, zoals zij zich ook bleven noemen.

De bezwaren richtten zich vooral tegen de invloed van dr. A. Kuyper (1837-1920) en tegen de ontwikkelingen binnen de nieuwe Gereformeerde Kerken. Ook bestond de vrees dat de door Kuyper opgerichte Vrije Universiteit te Amsterdam de Theologische School in Kampen, die door velen werd gezien als “het werk Gods”, zou overvleugelen of zelfs verdringen.
Roel Visser besloot uiteindelijk zijn kerkelijke leven voort te zetten in de (‘voortgezette’) Christelijke Gereformeerde Gemeente te Sneek. Naar zijn overtuiging waren de Gereformeerde Kerken na 1892 een verkeerde weg ingeslagen.
Ook binnen de eigen kerkenraad waren er perioden van spanning. Twee ouderlingen raakten met elkaar in conflict en wilden niet langer samen huisbezoek afleggen. De aanleiding was een beschuldiging dat één van hen niet juist zou zijn omgegaan met het geld van zijn schoonvader.
Consulent ds. Kruyswijk uit Sneek probeerde de kwestie op te lossen. Op zijn voorstel werd een gemeentevergadering gehouden waarin de zaak besproken kon worden. Aanvankelijk leek de rust terug te keren, maar later laaide het conflict opnieuw op.
Een andere kwestie hield de kerkenraad zelfs jarenlang bezig. Het gedenkboek besteedt daar uitvoerig aandacht aan, maar duidelijk is vooral dat ook de jonge gemeente van Oppenhuizen te maken kreeg met menselijke tegenstellingen en persoonlijke spanningen. In maart 1895 leidde de onenigheid ertoe dat enkele leden de Gereformeerde Kerk verlieten en zich aansloten bij de hervormde gemeente van Sneek.
Toch bleef de kerkenraad zich inzetten voor het bewaren van de eenheid. Achter de soms moeizame vergaderingen en langdurige gesprekken lag steeds de overtuiging dat de gemeente niet alleen een organisatie was, maar een gemeenschap van gelovigen die naar elkaar moest omzien.
Opzicht en tucht.
Een belangrijke taak van de kerkenraad was het geestelijk toezicht op de gemeente. De ambtsdragers zagen het als hun verantwoordelijkheid niet alleen toe te zien op de leer, maar ook op het leven van de gemeenteleden. De kerkelijke tucht was bedoeld om mensen terecht te wijzen, maar ook om hen terug te brengen op de goede weg.

Uit de notulen blijkt dat de kerkenraad zich hiermee intensief bezighield. Wanneer iemand een overtreding had begaan, volgde meestal eerst een persoonlijk gesprek of een bezoek aan huis. Wanneer schuld werd erkend en verbetering zichtbaar was, kon de zaak worden afgesloten. Soms werd een schuldbelijdenis uitgesproken in een kerkdienst.
Regelmatig kwamen zaken rond het zevende gebod ter sprake. Uit de notulen ontstaat de indruk dat verschillende huwelijken onder druk van omstandigheden tot stand kwamen. De kerkenraad zag erop toe dat zulke situaties niet zonder pastorale begeleiding voorbijgingen.
Ook andere zaken werden besproken. Zo werd een vader aangesproken omdat zijn kinderen langs de deuren gingen om kleding te bedelen. Een ander gemeentelid moest zich verantwoorden wegens onbehoorlijk gedrag in de tram.
Een bijzonder geval deed zich voor toen een echtpaar kerkelijke bevestiging van het huwelijk vroeg. Daarbij bleek dat de man nog lid was van de Hervormde Kerk. De kerkenraad stelde als voorwaarde dat hij eerst tot de Gereformeerde Kerk zou toetreden. Ook moest hij beloven dat eventuele kinderen gereformeerd zouden worden gedoopt en opgevoed.
De zondagse rust (‘zondagsheiliging‘) kreeg eveneens veel aandacht. In 1909 werd een gemeentelid vermaand omdat hij op zondag in de fabriek werkte. De kerkenraad herinnerde hem eraan dat het gebod van de zondagsheiliging ook praktische gevolgen had.
Bijzonder (en merkwaardig) is het besluit rond de doop van een twaalfjarige jongen. De kerkenraad wilde deze doop toestaan, maar stelde wel voorwaarden. De jongen moest in het midden van de gemeente de Tien Geboden, de Twaalf Artikelen van het geloof en het Onze Vader opzeggen en bovendien persoonlijk verklaren dat hij verlangde gedoopt te worden. Het moet een indrukwekkend moment zijn geweest voor de jonge dopeling en de aanwezige gemeenteleden.

De kerkenraad hield zich ook bezig met de uitbreiding van de gemeente. In 1900 werd aanbevolen om leden van de Hervormde Kerk te wijzen op wat men zag als het verkeerde van hun kerkelijke positie. Dat gebeurde in een periode waarin verschillende hervormden de overstap naar de Gereformeerde Kerk maakten. In 1898 had al een aantal mensen zich bij de gemeente van Oppenhuizen aangesloten.
Deze voorbeelden laten zien hoe sterk kerk en dagelijks leven rond 1900 met elkaar verbonden waren. De kerkenraad voelde zich verantwoordelijk voor het geestelijke én maatschappelijke welzijn van de gemeenteleden.
Diaconale zorg.
Ondanks de spanningen en zorgen die de jonge gemeente soms bezighielden, verloor men de zorg voor elkaar niet uit het oog. De diaconie nam daarin een belangrijke plaats in. Het helpen van gemeenteleden die in moeilijke omstandigheden verkeerden, werd gezien als een wezenlijk onderdeel van het christelijke gemeenteleven.
Zo werd aan het begin van 1900 aandacht gevraagd voor schipper Van der Meer. Door de invallende vorst dreigde zijn schip, waarop hij woonde, te zinken. Zijn woonschip lag in een sloot die tot het gebied van de kerkelijke gemeente behoorde. De diaconie zag naar zijn omstandigheden om en probeerde hulp te bieden.

Rond diezelfde tijd verkeerde de kerk financieel in een goede positie. Daardoor kon men verder kijken dan alleen het geven van incidentele steun. De kerkenraad besloot enkele woningen aan te kopen voor gemeenteleden die niet in staat waren een normale huur te betalen. Tot deze panden behoorde onder meer ‘de herberg van Doting’. De bedoeling was dat behoeftige gezinnen op die manier verzekerd waren van een dak boven hun hoofd zonder dat zij door hoge woonlasten verder in de problemen kwamen. De diaconale zorg kreeg daarmee niet alleen een tijdelijk, maar ook een blijvend karakter.
Het einde van een tijdperk.
In de loop der jaren groeide de gemeente langzaam verder. In 1915 waren er in Oppenhuizen en Uitwellingerga 72 gezinnen aangesloten bij de Gereformeerde Kerk.
De kerkenraadsvergaderingen werden al die jaren gehouden in de woonkamer van ds. Van Kasteel. Dat de predikant daar na verloop van tijd verandering in wilde, is begrijpelijk. Daarom sprak ds. Van Kasteel de wens uit dat de gemeente over een eigen consistorie zou beschikken, zodat de kerkenraad voortaan daar kon vergaderen. De kerkenraad stemde hiermee in en sprak tegelijk zijn dank uit voor de vele jaren waarin de predikant zijn woning beschikbaar had gesteld.
Na ruim drieëntwintig jaar dienst aan de gemeente ging ds. Van Kasteel in 1920 met emeritaat. Op 27 juli 1920 nam hij afscheid van Oppenhuizen en Uitwellingerga. Daarmee kwam een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de gemeente ten einde.
Nieuwe tijden onder ds. G. Ploos van Amstel (van 1920 tot 1933).

De opvolger van ds. Van Kasteel liet niet lang op zich wachten. Nog hetzelfde jaar, op 14 november 1920, deed ds. G. Ploos van Amstel (1867-1938), afkomstig uit Elburg, intrede in de Gereformeerde Kerk van Oppenhuizen.
Zijn ambtsperiode viel samen met een tijd waarin de economische omstandigheden steeds moeilijker werden. Vooral in de jaren dertig kreeg ook de gemeente van Oppenhuizen c.a. te maken met de gevolgen van de economische crisis. Werkloosheid en armoede namen toe en de diaconie kreeg steeds vaker verzoeken om ondersteuning.
De diakenen hadden in deze jaren hun handen vol. Zij moesten niet alleen financiële hulp bieden, maar ook praktische ondersteuning geven aan gezinnen die moeite hadden om rond te komen. De zorg voor elkaar werd daardoor opnieuw zichtbaar als een belangrijk onderdeel van het gemeenteleven.
Toch waren er ook tekenen van ontwikkeling en verandering. In 1929 waren voor het eerst vrouwelijke gemeenteleden aanwezig op de gemeentevergadering. Het waren er slechts twee, maar hun aanwezigheid betekende toch een verandering in de bestaande praktijk. Stemrecht hadden vrouwen op dat moment overigens nog niet.
In datzelfde jaar had de diaconie financieel een bijzonder gunstig jaar. Net als in andere plaatsen was het in Oppenhuizen gebruikelijk om lammeren aan te kopen, deze op kerkelijk land te laten weiden en ze later met winst te verkopen. De opbrengst kwam ten goede aan de diaconie. De verkoop leverde in 1929 ongeveer ƒ 5.100 op. De diaconie had dat jaar een omzet van ongeveer ƒ 1.100. Deze extra inkomsten maakten het mogelijk om ook in moeilijke jaren hulp te blijven bieden.
Dat bleek bijvoorbeeld in 1937, toen een vrouwelijk gemeentelid geholpen werd omdat zij door armoede niet meer over ‘geschikte kleding’ beschikte om naar de kerkdiensten te gaan. Ook zulke praktische hulp hoorde volgens de kerkenraad bij de christelijke verantwoordelijkheid.

Een blijvende herinnering aan ds. Van Kasteel.
Ds. Van Kasteel overleed in 1931. Zijn betekenis voor verschillende gemeenten werd ook na zijn overlijden erkend. De kerkenraad van Ermelo, waar hij na zijn afscheid uit Oppenhuizen predikant was geweest, nam het initiatief om een gedenksteen op zijn graf te plaatsen. In overleg met de kerken van Oppenhuizen, Kollum en Den Haag, waar ds. Van Kasteel eveneens had gediend, werd een monument geplaatst ter waarde van ƒ 180. Daarmee werd de herinnering levend gehouden aan een predikant die gedurende zijn lange loopbaan vele gemeenten had gediend.
Een nieuwe predikant: ds. H. van der Veen (van 1933 tot 1947).

In 1933 werd binnen de gemeente een gereformeerde Mannenvereniging opgericht. De aanleiding was dat verschillende mannen uit Oppenhuizen deelnamen aan de hervormde mannenvereniging. De kerkenraad vond het wenselijk dat er binnen de eigen kerkelijke kring een plaats kwam voor Bijbelstudie en onderlinge ontmoeting.
Dat jaar nam ook ds. Ploos van Amstel op 26 maart afscheid van de gemeente wegens emeritaat. Hij werd opgevolgd door kandidaat H. van der Veen (1907-1959), die van 1933 tot 1947 predikant van Oppenhuizen zou zijn.
De kerk toe aan een opknapbeurt.
In 1937 kwamen plannen op tafel om het kerkgebouw grondig op te knappen. De kerkzaal was na ruim veertig jaar gebruik aan onderhoud toe. Er werd gedacht aan een nieuwe inrichting van de vrouwenbanken, het schilderen van het interieur en het aanbrengen van een lambrisering.
Zoals gebruikelijk werden dergelijke plannen eerst aan de gemeenteleden voorgelegd. Niet iedereen was enthousiast. Tijdens de gemeentevergadering maakte een broeder bezwaar dat juist in deze moeilijke crisisjaren geld aan dergelijke verbeteringen zou worden besteed. Hoewel anderen benadrukten dat het nog slechts om plannen ging en dat de gemeente hierover zelf kon meepraten, verliet hij boos de vergadering.
Na verdere bespreking besloot de gemeente de plannen voorlopig te beperken. De banken hoefden niet direct te worden aangepast of geschilderd, de lambrisering kon wachten en ook het schilderen van de kerkzaal werd uitgesteld. Wel zouden enkele zichtbare gebreken worden hersteld.
Veranderingen in de kerkbanken.

Een eerdere verandering had al tot beroering geleid. In 1929 besloot de kerkenraad dat gezinnen voortaan samen in de kerk mochten zitten. Tot die tijd zaten mannen en vrouwen gescheiden: mannen aan de ene kant en vrouwen aan de andere kant van de kerk.
Niet iedereen kon deze verandering waarderen. Een gemeentelid was er zo boos over dat hij niet langer naar de kerk kwam. De kerkenraad merkte dit op en stuurde een commissie om met hem te spreken.
Tijdens dat gesprek verklaarde de man dat hij bezwaar had tegen het feit dat mannen en vrouwen binnen één gezin samen in de kerkbank zaten. Volgens hem was dit een verkeerde ontwikkeling die zelfs tot zonde zou kunnen leiden. De kerkenraad sprak hem hier ernstig op aan.
De kwestie liep uiteindelijk zo hoog op dat de man zijn ‘walging van de kerkenraad’ uitsprak. Omdat hij bleef volharden in zijn houding, werd hij tijdelijk afgehouden van het Heilig Avondmaal.
Een veranderende gemeente.
De kerkenraad hield ondertussen het ledenaantal nauwlettend in de gaten. In 1936 telde de gemeente 161 belijdende leden en 151 doopleden. Toch zag men dat het aantal leden langzaam terugliep. De scriba noteerde dat er jaarlijks gemiddeld ongeveer 25 leden verloren gingen.
Ook binnen de erediensten veranderde er het een en ander. In de jaren dertig moest de kerkenraad enkele keren besluiten de galerij te sluiten omdat daar onrust ontstond, vooral door jongeren die buiten het directe toezicht van hun ouders zaten.
Vrouwelijke gemeenteleden mochten inmiddels wel aanwezig zijn op de gemeentevergadering. In 1939 was dat nog steeds het geval, al hadden zij daar formeel nog geen stemrecht.
Zo eindigden de jaren dertig voor de Gereformeerde Kerk van Oppenhuizen en Uitwellingerga met een mengeling van zorg en vertrouwen. De gemeente was niet meer de kleine, zoekende kerk van 1893. Zij had een eigen gebouw, een lange geschiedenis achter zich en een plaats gekregen in het kerkelijke leven van het dorp. Tegelijkertijd werd duidelijk dat ook een gevestigde gemeente voortdurend moest omgaan met veranderingen, maatschappelijke omstandigheden en nieuwe vragen.
Met ds. H. van der Veen aan het roer brak een volgende periode aan. Daarover gaat het derde en laatste deel.
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
A Church of Their Own and a Minister of Their Own.
( < Back to Part 1 ) – Following the establishment of the Reformed Church of Oppenhuizen and Uitwellingerga in 1893, the young congregation still had to find its place within the life of the church.
Although there was already a church council, the congregation still lacked both its own church building and its own minister. During the first years, these two matters occupied the church council and congregation intensely.
On 3 May 1893, the church council met for the first time. The four office-bearers wasted no time in making important decisions. During that very meeting, they resolved to purchase a parcel of land from D. Jongbloed at its appraised value. They also asked him to prepare the design for a new church building, to which Jongbloed agreed. In addition, the council decided to meet every two weeks from then on. This marked a striking contrast with the Dutch Reformed church council, which met only four times a year.
Preparations proceeded remarkably quickly. By the third church council meeting, held on 17 May 1893, Jongbloed presented his building plans. Three of the four council members approved them. Only Elder De Jong had serious reservations. He questioned whether the young congregation would be financially capable of bearing the cost of construction. Nevertheless, he did not wish to stand in the way of the project, provided that those in favor of it would personally guarantee any losses should the undertaking fail. This proposal was accepted, allowing the plans to proceed.
Financing, however, remained a source of concern. The church council preferred not to take out a mortgage and therefore first attempted to raise the necessary funds within the congregation. This met with only partial success.
It was now Deacon Koopmans who raised objections. He considered it irresponsible to burden such a young congregation with debt and would have preferred a simpler wooden church to be built. His objections became so strong that he even threatened to resign from office. The church council therefore sought the assistance of their consultant minister, Rev. P. N. Kruyswijk (1855–1902) of Sneek.
At first, his mediation appeared successful. The “concerned brother” personally offered an interest-free loan of five hundred guilders to make up the shortfall. For reasons now unknown, however, he withdrew this promise a short time later. By then construction had already begun. Ultimately, several additional loans were secured from well-to-do members of the congregation. Thanks to their support, the church building was completed, and the debts incurred were later repaid without major difficulty.
The exact date on which the church was first brought into use can no longer be established with certainty. The commemorative history is silent on the matter, as are the minutes of the Classis and the Particular Synod. It is certain only that the building was completed by the end of 1893 and from that point onward served as the church of the young congregation.
Searching for a Minister.
As construction of the church progressed, the question of obtaining a minister of their own became increasingly urgent. Opinions differed on this matter as well. Some believed that the congregation should not promise a fixed salary; instead, the minister would simply discover how much the congregation was willing to contribute to his support. Others doubted whether a small congregation such as Oppenhuizen and Uitwellingerga was capable of supporting a minister at all.
Elder De Jong apparently saw matters differently. Anticipating future developments, he purchased a suitable house that could serve as a manse. A year later, however, he sold the property again. Given the disagreements within the congregation, he did not wish to create the impression that he was determined to force the appointment of a minister at any cost. Moreover, he wanted to avoid being left with an empty house. In a young congregation, where opinions sometimes sharply diverged, such suspicions could easily give rise to fresh tensions.
Eventually, the congregation decided to issue a call. Their first choice was Candidate G. Boekenoogen (1858–1937), but he declined the call.
The church council then turned to Rev. G. H. van Kasteel (1850–1931). This was a remarkable choice, for Van Kasteel was no stranger to Oppenhuizen and Uitwellingerga. Earlier in his career he had already served there as a minister in the Dutch Reformed Church. During his subsequent ministry in Kollum, he joined the Doleantie of 1886 while still a Dutch Reformed minister and entered the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende). When Oppenhuizen extended its call, he was serving the Reformed Church of The Hague.
Rev. Van Kasteel accepted the call and was installed on 28 March 1897. Thus, for the second time, he returned to Oppenhuizen and Uitwellingerga as its pastor and teacher, now as a minister of the Reformed Churches.
His arrival ushered in a period of peace and consolidation for the congregation. He would remain connected with the church for more than twenty-three years. Those who knew him especially remembered the profound reverence with which he fulfilled his office. At times he felt so overwhelmed by the responsibility entrusted to him that he dreaded ascending the pulpit. More than once, an elder had to fetch him from his home and encourage him to conduct the worship service after all.
His reverence for the service of God was likewise evident during the celebration of the Lord’s Supper. Before distributing the bread and wine, he would put on white gloves. The commemorative history later observed:
“Everything he did had to be done with great reverence, because he stood in the service of the One who had sent him.”
Rev. Van Kasteel remained unmarried and lived a simple life. He asked little for himself but gave much to the congregation. His faithfulness and pastoral compassion left a deep impression on those he served. When he retired in 1920, he concluded a ministry that would have lasting significance for the Reformed Church of Oppenhuizen and Uitwellingerga.
A Turbulent Beginning.
The arrival of Rev. Van Kasteel did not mean that all the concerns within the young congregation disappeared. During its first decades, the Reformed Church of Oppenhuizen and Uitwellingerga experienced not only growth but also periods of tension and conflict. The nationwide ecclesiastical developments following the Union of 1892 also made themselves felt in this small Frisian village.
Not everyone agreed with the Union of the Christian Reformed Church and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende). This merger resulted in the formation of The Reformed Churches in the Netherlands (De Gereformeerde Kerken in Nederland), but it also raised objections among part of the Reformed community. They feared that the original identity of the Christian Reformed Church would be lost.
One of them was Roel Visser. He had great difficulty accepting the Union of 1892 and remained committed to the Christian Reformed Church. He was by no means alone. Across the country, several ministers—sometimes accompanied by part of their congregations—withdrew from the new denomination as early as 1892. Among the best known were Rev. F. P. L. C. van Lingen (1832–1913) of Zetten and Rev. J. Wisse Czn. (1843–1921) of The Hague, as well as Rev. J. W. Draijer (1851–1894) of the Frisian village of Suawoude. Their conviction was simple: they wished to remain what they had always been—Christian Reformed—which is how they continued to identify themselves.
Their objections were directed primarily against the influence of Dr. Abraham Kuyper (1837–1920) and the developments within the new Reformed Churches. There was also concern that the Free University of Amsterdam, founded by Kuyper, would overshadow—or even replace—the Theological School in Kampen, which many regarded as “the work of God.”
Roel Visser ultimately decided to continue his church life in the (Continuing) Christian Reformed Congregation of Sneek. In his view, the Reformed Churches had taken the wrong path after 1892.
The church council itself also experienced periods of internal tension. Two elders became embroiled in a conflict and no longer wished to conduct pastoral home visits together. The dispute arose from an accusation that one of them had improperly handled money belonging to his father-in-law.
Consulting minister Rev. Kruijswijk of Sneek attempted to resolve the matter. At his suggestion, a congregational meeting was held so that the issue could be discussed openly. At first, peace appeared to have been restored, but later the conflict flared up again.
Another matter occupied the church council for several years. The commemorative history discusses it at considerable length, although the main impression is simply that the young congregation of Oppenhuizen was also confronted with human differences and personal tensions. In March 1895, the disagreement eventually led several members to leave the Reformed Church and join the Dutch Reformed congregation of Sneek.
Nevertheless, the church council continued striving to preserve unity. Behind the often difficult meetings and lengthy discussions lay the conviction that the congregation was not merely an organization but a fellowship of believers who were called to care for one another.
Oversight and Church Discipline.
One of the church council’s principal responsibilities was the spiritual oversight of the congregation. The office-bearers regarded it as their duty to watch not only over doctrine but also over the conduct of the members. Church discipline was intended not merely to rebuke people but also to restore them to the right path.
The minutes show that the council devoted considerable attention to this work. When someone had committed an offense, the usual first step was a personal conversation or a pastoral home visit. If guilt was acknowledged and genuine improvement became evident, the matter could be closed. In some cases, a public confession of wrongdoing was made during a worship service.
Cases involving the Seventh Commandment arose regularly. The minutes create the impression that several marriages had come about under difficult or compromising circumstances. The church council sought to ensure that such situations did not pass without pastoral care and guidance.
Other matters also came before the council. One father was admonished because his children were going door to door begging for clothing. Another church member had to account for improper behavior while riding on the tram.
A particularly noteworthy case involved a married couple who requested an ecclesiastical confirmation of their marriage. It then emerged that the husband was still a member of the Dutch Reformed Church. The church council stipulated that he first had to join the Reformed Church. He was also required to promise that any future children would be baptized and raised in the Reformed faith.
Observance of the Lord’s Day likewise received considerable attention. In 1909 a church member was admonished because he worked in a factory on Sundays. The church council reminded him that the commandment concerning Sabbath observance also had practical implications.
An especially striking decision concerned the baptism of a twelve-year-old boy. The church council agreed to permit the baptism but imposed certain conditions. Before the congregation, the boy was required to recite the Ten Commandments, the Twelve Articles of the Christian Faith (the Apostles’ Creed), and the Lord’s Prayer. In addition, he had to declare personally that he desired to be baptized. It must have been a deeply impressive moment both for the young candidate and for the assembled congregation.
The church council also concerned itself with the growth of the congregation. In 1900 it recommended encouraging members of the Dutch Reformed Church to recognize what it regarded as the error of their ecclesiastical position. This occurred during a period when several Dutch Reformed believers transferred to the Reformed Church. Already in 1898, a number of people had joined the congregation in Oppenhuizen.
These examples demonstrate how closely church life and everyday life were intertwined around the year 1900. The church council regarded itself as responsible for both the spiritual and social well-being of the members.
Diaconal Care.
Despite the tensions and concerns that sometimes occupied the young congregation, care for one another never disappeared from view. The deacons played an important role in this regard. Helping church members who found themselves in difficult circumstances was considered an essential aspect of Christian congregational life.
At the beginning of 1900, attention was drawn to Skipper Van der Meer. Because of the onset of severe frost, the vessel on which he lived was in danger of sinking. His houseboat was moored in a ditch that lay within the territory of the congregation. The deacons took notice of his circumstances and sought to provide assistance.
Around the same time, the church was in a healthy financial position. This enabled it to look beyond merely providing occasional relief. The church council decided to purchase several houses for members who were unable to afford normal rent. Among these properties was Doting’s Inn. The intention was that needy families would thereby be assured of a roof over their heads without being further burdened by excessive housing costs. In this way, the church’s diaconal care acquired not only a temporary but also a lasting character.
The End of an Era.
Over the years, the congregation continued to grow gradually. By 1915, seventy-two families in Oppenhuizen and Uitwellingerga belonged to the Reformed Church.
Throughout those years, church council meetings were held in the living room of Rev. Van Kasteel. It is understandable that, after so many years, the minister wished to see this arrangement changed. He therefore expressed the desire that the congregation should have its own consistory room, where the church council could meet in the future. The council agreed and at the same time expressed its gratitude for the many years during which the minister had made his home available for its meetings.
After more than twenty-three years of service, Rev. Van Kasteel retired in 1920. On 27 July 1920, he took leave of the congregation of Oppenhuizen and Uitwellingerga, bringing an important chapter in the history of the church to a close.
New Times under Rev. G. Ploos van Amstel (1920–1933).
Rev. Van Kasteel’s successor was not long in coming. On 14 November 1920, Rev. G. Ploos van Amstel (1867–1938), who came from Elburg, was installed as minister of the Reformed Church of Oppenhuizen.
His ministry coincided with a period in which economic conditions steadily worsened. Especially during the 1930s, the congregation of Oppenhuizen and the surrounding area also felt the consequences of the economic depression. Unemployment and poverty increased, and the deacons received an ever-growing number of requests for assistance.
During these years, the deacons had their hands full. They were required not only to provide financial support but also practical assistance to families struggling to make ends meet. Once again, mutual care became clearly visible as a vital part of congregational life.
Yet there were also signs of development and change. In 1929, women attended a congregational meeting for the first time. There were only two of them, but their presence nevertheless marked a change in established practice. At that time, however, women still did not possess voting rights.
That same year proved to be exceptionally favorable financially for the diaconate. As in other places, it was customary in Oppenhuizen to purchase lambs, pasture them on church-owned land, and later sell them at a profit. The proceeds benefited the diaconate. In 1929 these sales yielded approximately ƒ5,100, while the diaconate’s annual expenditure amounted to about ƒ1,100. This additional income made it possible to continue helping those in need even during difficult years.
This became evident in 1937, when a female church member received assistance because poverty had left her without suitable clothing to attend worship services. According to the church council, providing such practical help was an integral part of Christian responsibility.
A Lasting Memory of Rev. Van Kasteel.