Vermoedelijk werd in 1840 in Strijen de Christelijke Afgescheidene Gemeente gesticht. Zeven jaar later kwam aan het bestaan van deze gemeente voorlopig een einde. In 1882 was er sprake van een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Strijen, die in 1892, na het landelijk samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (dolerende), opging in De Gereformeerde Kerken in Nederland.

1. De Afscheiding in Strijen (1840-1847).
De stichting van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Strijen vond vermoedelijk in 1840 plaats. Helemaal zeker is dat echter niet. De notulen van de hervormde kerkenraad over de jaren 1830 tot 1839 zijn namelijk verloren gegaan, terwijl juist daaruit de belangrijkste gegevens over de eerste jaren van de Afscheiding zouden zijn af te leiden. Het is daarom niet uitgesloten dat de Afscheiding in Strijen al vóór 1840 begon.
Ook is niet bekend wie de gemeente heeft geïnstitueerd. Smits veronderstelt dat dit mogelijk ds. C. van der Meulen (1800-1876), ds. H.J. Budding (1810-1870) of ds. P. Zonne (1807-1865) geweest kan zijn. Een zekerheid is dat echter niet.

De Afgescheiden Gemeente bleef in Strijen klein. Rond 1847 telde het dorp Strijen ongeveer 2.800 inwoners, van wie op ongeveer twintig na vrijwel allen tot de Hervormde Kerk behoorden. Waarschijnlijk heeft de Christelijke Afgescheidene Gemeente in die tijd dan ook hooguit ongeveer twintig leden gehad.
Uit de bewaard gebleven notulen van de hervormde kerkenraad blijkt dat vanaf 1840 verschillende gemeenteleden schriftelijk meedeelden dat zij zich van de Hervormde Kerk afscheidden. In 1840 waren dat er vier. Het jaar daarop vertrokken zes hervormde gemeenteleden naar de Afgescheiden Gemeente en in 1842 volgden er zeven. Over het verdere verloop van de gemeente in de jaren tot 1847 is maar weinig bekend.
Strijen en de ‘Utrechtse Kerkorde’.
Op 26 januari 1842 vergaderde de classis Dordrecht van de Afgescheidenen in Strijen. Binnen het jonge kerkverband bestond op dat moment onenigheid over de vraag welke kerkorde men moest volgen. Enerzijds was er de aloude Dordtse Kerkorde van 1618-1619, anderzijds de kerkorde die ds. H.P. Scholte (1805-1868) uit Utrecht onlangs had opgesteld en die bekend werd als de Utrechtse Kerkorde.
De achtergrond van het conflict was niet alleen kerkelijk, maar ook juridisch. Gemeenten die bij de overheid erkenning wilden verkrijgen, konden problemen krijgen wanneer zij zich ‘gereformeerd’ noemden en zich daarbij beriepen op de Dordtse Kerkorde. Ds. Scholte ontwierp daarom een kerkorde die naar zijn mening beter aansloot bij de eisen die de overheid stelde. Deze werd bekend als de Utrechtse Kerkorde.

De onenigheid leidde tijdelijk tot een breuk binnen het verband van de Afgescheiden Gemeenten. Ook de gemeente van Strijen koos namelijk voor de Utrechtse Kerkorde van ds. Scholte en kwam daarmee tijdelijk buiten het landelijke kerkverband van de Afgescheidenen te staan, dat voor de Dordtse Kerkorde koos.
In 1847 kwam er een einde aan het bestaan van de Afgescheiden Gemeente in Strijen. De gemeenteleden in Strijen en Strijensas werden daarna voor hun ambtelijke verzorging aangewezen op de kerkenraad van Dordrecht.
Nog een ‘vrije gemeente’.
Daarmee was de geschiedenis van het gereformeerde protestantisme in Strijen echter niet ten einde. In de jaren zestig van de negentiende eeuw was er opnieuw (?) sprake van een kleine afgescheiden kring. Of was het dezelfde groepering?
Op 20 april 1868 richtte oefenaar Hubertus van Keulen (1830-1909) een verzoekschrift aan de koning. Van Keulen, die koopman en evangelist was, noemde zichzelf ‘predikant der Vrije Gereformeerde Gemeente te Strijen-Sas’. Vermoedelijk waren ook in Strijen nog enkele voormalige Afgescheidenen bij deze gemeente aangesloten.
Van Keulen hield zijn diensten in een schuur. Omdat deze ruimte volgens hem niet geschikt was voor kerkdiensten, vroeg hij de koning toestemming om een stenen kerk te mogen bouwen. Van dat kerkgebouw kwam echter niets terecht.
Volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant werd Van Keulen op zaterdag 25 april 1868 gearresteerd. Hij zou zich volgens de krant aan ‘onderscheidene zware misdrijven’ hebben schuldig gemaakt. Zijn kerkgangers reageerden verbitterd op de arrestatie. Zij zagen daarin naar verluidt ‘een snooden aanslag van de Amalekieten tegen het Volk Sions’. De burgemeester vreesde kennelijk voor ongeregeldheden en vroeg daarom om versterking van de politie.

Aanvankelijk meldde de krant inderdaad dat er ongeregeldheden waren uitgebroken, wat later gerectificeerd moest worden. In deze hele kwestie werd niet de naam van Van Keulen genoemd, maar die van de algemeen gerespecteerde ds. D. Bresser (1813-1875). Deze had met de zaak echter niets te maken. Het geplande stenen kerkje van oefenaar Van Keulen kwam er in ieder geval niet.
2. De Christelijke Gereformeerde Gemeente te Strijen (1882-1892).
Landelijk veranderde er ondertussen veel. De Christelijke Afgescheidene Kerk was in 1869 samengegaan met de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, een klein kerkgenootschap dat rond 1838 uit de Afgescheiden Kerk was voortgekomen vanwege meerdere meningsverschillen. In 1869 waren deze verschillen naar het oordeel van beide kerkverbanden niet langer van doorslaggevende betekenis. In juni van dat jaar besloten zij daarom weer samen verder te gaan onder een nieuwe naam: de Christelijke Gereformeerde Kerk.
Oefenaar Pieter Poorter.
In 1882 kwam oefenaar Pieter Poorter (1821-1893) uit Lemmer naar Strijen. Hij werd voorganger van de daar kennelijk nog aanwezige kring van Afgescheidenen. Het is niet helemaal duidelijk of deze kring op dat moment al officieel als Christelijke Gereformeerde Gemeente was geïnstitueerd. Wel staat vast dat Poorter tussen 1881 en 1883 als oefenaar actief was voor de Christelijke Gereformeerden die in Strijen samenkwamen.
Daarna verdween Poorter uit beeld, maar de gemeente bleef kennelijk bestaan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het bestaan van een kasboek uit het jaar 1885.
Een eigen kerkgebouw (1887).

In 1887, en vermoedelijk al enige tijd daarvoor, bestond er in Strijen in ieder geval een Christelijke Gereformeerde Gemeente. Op 7 mei 1887 kocht de gemeente voor ƒ 3.200 aan het Spui drie aaneengesloten stukken grond. Op het aangekochte terrein stonden een huis en een schuur, die geschikt werden gemaakt voor de kerkdiensten. Daarvoor had de gemeente een gebouw gehuurd.
De kerkenraad bestond toen uit Jacob van de Nadort, Johannes den Boer, Theunis den Tuinder, Adrianus Ras en Laurens Weeda. Voor de aankoop werden twee hypotheken afgesloten: één van ƒ 2.000 tegen vijf procent rente bij Annigje Diepenhorst en één van ƒ 1.000, eveneens tegen vijf procent rente, bij Francois Frederic Looze.
3. De Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Strijen (1890-1892).
Naast de Christelijke Gereformeerde Gemeente ontstond in Strijen in 1890 nog een tweede gereformeerde gemeente. Deze kwam voort uit de Doleantie, de beweging die in de Hervormde Kerk ontstond onder leiding van onder anderen dr. A. Kuyper (1837-1920).

Ook in Strijen besloot een groep hervormde gemeenteleden zich los te maken van de bestaande kerkelijke besturen. Zij wilden het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’ afschaffen en de aloude Dordtse Kerkorde opnieuw ‘kracht en geldigheid verlenen’. Het Algemeen Reglement werd door hen beschouwd als een aantasting van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. De landelijke synode in Den Haag had naar hun overtuiging te veel zeggenschap over de plaatselijke gemeenten.
Brieven aan de hervormde kerkenraad.
Voordat men daadwerkelijk tot afscheiding overging, zocht men contact met de hervormde kerkenraad. Deze stond onder voorzitterschap van ds. J.L. de Heer.

Op 27 mei 1890 schreven de bezwaarden aan de kerkenraad dat zij bedroefd waren over het feit dat deze nog altijd niet met de reglementen van de synode had gebroken. Volgens hen werd de kerkelijke tucht onvoldoende gehandhaafd en ontbrak het aan een ‘reine prediking’. In hun brief uitten zij hun bezwaren in zeer scherpe bewoordingen. Zij beschuldigden de synode ervan dat zij door haar reglementen ruimte bood aan prediking en kerkelijk beleid die zij in strijd achtten met het Woord van God.
De brief eindigde met het verzoek de bestaande reglementen af te schaffen en opnieuw de Dordtse Kerkorde als grondslag van het kerkelijk leven te aanvaarden. De hervormde kerkenraad reageerde echter niet op het verzoek.
Daarom deelden de bezwaarden op Hervormingsdag, 31 oktober 1890, aan de hervormde kerkenraad mee dat zij zich afscheidden van de hervormde kerkelijke besturen. Opvallend is dat zij nadrukkelijk niet verklaarden de Hervormde Kerk als zodanig te verlaten, maar dat zij zich keerden tegen de bestaande kerkelijke besturen en reglementen.
Vierendertig personen ondertekenden de verklaring. Zij maakten daarmee bekend dat zij hun lidmaatschap van de Hervormde Kerk beëindigden en voortaan behoorden tot de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (dolerende) te Strijen.
De instituering.

De instituering van deze Nederduitsche Gereformeerde Kerk (dolerende) vond plaats in een kerkdienst onder leiding van ds. R.W.J. Rudolph (1862-1914) uit Heinenoord. De door de gemeente gekozen ambtsdragers werden door hem in hun ambt bevestigd. Daarmee was de nieuwe kerk officieel geïnstitueerd.

De eerste kerkenraad bestond uit R. Simons, M. Bomgaars, A. Kleinendorst, M. Nootenboom en P. Dubbeldam.
De kerkdiensten werden van 1890 tot 1892 gehouden in de ‘Villa’ aan de Molenstraat 66.

4. De Gereformeerde Kerk te Strijen (1 augustus 1892).
Na 1887 begonnen landelijk de onderhandelingen over het samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, die respectievelijk uit de Afscheiding en Doleantie waren voortgekomen.
De onderhandelingen verliepen niet zonder moeilijkheden, maar uiteindelijk werd op 17 juni 1892 tijdens een vergadering van de Generale Synode de eenheid van beide kerkverbanden officieel geproclameerd. De landelijke voormannen van beide kerken, de hoogbejaarde ds. S. van Velzen (1809-1896) en dr. A. Kuyper, reikten elkaar daarbij de broederhand.

Zolang de plaatselijke gemeenten nog niet overal onmiddellijk konden samengaan, bepaalde de synode dat beide plaatselijke kerkverbanden desondanks voortaan al de naam ‘Gereformeerde Kerk’ zouden voeren. Waar plaatselijk nog (meestal) twee afzonderlijke kerken bestonden, kreeg de oudste de aanduiding ‘A’ en de jongste de aanduiding ‘B’.
Dat betekende voor Strijen aanvankelijk dat er toen twee zelfstandige Gereformeerde Kerken waren:
- De Gereformeerde Kerk te Strijen A (de voormalige ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’);
- De Gereformeerde Kerk te Strijen B (de voormalige Dolerende ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’).
De ineensmelting.

In Strijen hoefde men echter niet lang te wachten op de eenwording. Al op 25 juli 1892 besloten beide kerkenraden tot vereniging. Die vergadering stond onder voorzitterschap van ds. K. Fernhout (1858-1953) van Dordrecht; ds. M. Bruininks (1827-1906) van Westmaas trad op als scriba.

De beide kerkenraden konden volgens het verslag ‘in merkwaardige eenparigheid’ overeenstemming bSegeld moesten worden. De bezittingen en schulden van beide gemeenten werden gezamenlijk eigendom en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook werd de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’, die door de Dolerenden als een soort commissie van beheer was opgericht, opgeheven.
‘Een doelmatige kerk’.
Vervolgens werd gesproken over de huisvesting van de verenigde gemeente. Men wilde voor de nieuwe Gereformeerde Kerk een ‘doelmatig kerkgebouw’ verkrijgen.

Besloten werd de Villa aan de Molenstraat 66, waar de Dolerenden tot dan toe hun kerkdiensten hadden gehouden, als pastorie in te richten. Op de plaats van het bestaande kerkgebouw aan het Spui zou een nieuwe kerk worden gebouwd. Dit kerkgebouw werd nog in 1892 in gebruik genomen.
Met ingang van 1 augustus 1892 was de officiële naam van de verenigde gemeente: De Gereformeerde Kerk te Strijen.
Ds. K. Stelma (1892-1894).

Enkele weken na de ineensmelting deed de eerste predikant van de verenigde Gereformeerde Kerk zijn intrede. Ds. K. Stelma (1831-1897), afkomstig uit de Dolerende Kerk te Voorburg, nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed op 22 augustus 1892 intrede in Strijen. De gemeente telde toen ongeveer 350 leden.
De maatschappelijke omstandigheden waren in deze jaren voor veel arbeiders moeilijk. Lange werkdagen en zwaar lichamelijk werk waren voor velen dagelijkse werkelijkheid. De tegenstelling tussen werkgevers en arbeiders leidde in deze periode tot steeds meer maatschappelijke spanningen. Socialisten als Ferdinand Domela Nieuwenhuis en ook paus Leo XIII, die in 1891 zijn encycliek Rerum Novarum publiceerde, wezen ieder vanuit hun eigen overtuiging op de problemen die voortkwamen uit armoede, sociale ongelijkheid en uitbuiting.
Opvallend genoeg lijken dergelijke maatschappelijke tegenstellingen binnen de jonge Gereformeerde Kerk van Strijen niet automatisch tot scherpe tegenstellingen tussen werkgevers en arbeiders te hebben geleid. Toen in 1893 een verkiezing voor de kerkenraad werd gehouden, stonden een patroon en zijn werknemer samen op het tweetal voor ouderling. De patroon liet tijdens de gemeentevergadering weten dat hij er geen enkel bezwaar tegen had wanneer zijn ‘tegenstrever’ zou worden gekozen. Dat gebeurde inderdaad: de arbeider werd verkozen tot ouderling.
Financiën en diaconie.
De financiën van de kerk werden door de kerkenraad beheerd, maar de begroting werd eerst aan de gemeentevergadering voorgelegd. De gemeenteleden waren het immers die het geld bijeen moesten brengen.
Een belangrijk deel van de inkomsten bestond uit vrijwillige bijdragen. Jaarlijks werd daarvoor met een intekenlijst langs de gemeenteleden gegaan. Daarnaast betaalden de kerkgangers voor een zitplaats in de kerk en waren er de collecten tijdens de kerkdiensten. Die collecten brachten per dienst overigens geen grote bedragen op. In 1892 kwam de opbrengst vaak niet boven ongeveer ƒ 2 per dienst uit.
Ook de diaconie had volop werk. Uit de kerkelijke collecten werd steun verleend aan gemeenteleden die in armoede verkeerden. Wie daarvoor daadwerkelijk in aanmerking kwam, ontving bijvoorbeeld ongeveer ƒ 0,50 per week of kreeg aardappelen. De diaconie had in deze jaren regelmatig met tekorten te kampen.
Pastorie.
De Villa aan de Molenstraat, waar de Dolerenden hun kerkdiensten hadden gehouden was, zoals we al opmerkten als pastorie ingericht. Achtereenvolgens woonden daar de predikanten Stelma, Roorda, Brouwer en Mulder.
Ds. Stelma nam op 8 april 1894 afscheid van Strijen wegens zijn vertrek naar de Gereformeerde Kerk te Poortvliet.
Ds. B. Roorda (1895-1896).

Zijn opvolger, ds. B. Roorda (1863-1940), beklom op 19 februari 1895 voor het eerst de Strijense preekstoel in de kerk aan het Spui. Zijn verblijf in Strijen duurde echter maar kort. Op 9 augustus 1896 nam hij afscheid om te vertrekken naar de Gereformeerde Kerk van het Friese Burum.
Daarna brak een langdurige vacatureperiode aan. Bijna vier jaar lang bleef de gemeente zonder eigen predikant. Dat betekende overigens niet dat de kerkenraad het beroepingswerk stillegde. Maar liefst zestien keer werd een beroep op een predikant uitgebracht, maar geen van de kandidaten nam het beroep aan.
Ds. A. Brouwer Jzn. (1900-1903).
Pas het beroep dat in mei 1900 werd uitgebracht op kandidaat A. Brouwer Jzn. (1865-1936) had succes. Hij nam het beroep aan en deed op 26 augustus 1900 intrede in Strijen.
Zijn ambtsperiode geldt als een betrekkelijk rustige periode, al waren er ook toen zorgen. Zo vond het bestuur van de Jongelingsvereniging Eben Haezer dat de kerkenraad onvoldoende aandacht aan het jeugdwerk besteedde. Het ledental van de vereniging was namelijk zo sterk gedaald dat men de vergaderingen zelfs had gestaakt.
De kerkenraad beloofde daarom regelmatig de bijeenkomsten van de Jongelingenvereniging te bezoeken. Ook de ‘Jongedochtersvereniging’ zou voortaan meer aandacht krijgen.
Ds. Brouwer nam op 14 november 1903 afscheid en vertrok naar de Gereformeerde Kerk van Harmelen.
Ds. A. Mulder (1904-1914).
Bijna een jaar later kwam zijn opvolger naar Strijen. Ds. A. Mulder (1860-1938), afkomstig uit Schoonrewoerd, deed op 27 november 1904 intrede.
Tijdens zijn ambtsperiode kreeg de kerk een belangrijke uitbreiding. Een anonieme gever schonk ƒ 500 voor de bouw van een nieuwe consistorie. De schenking werd dankbaar aanvaard en de plannen werden voortvarend uitgevoerd. In augustus 1908 werd het nieuwe lokaal tijdens een gemeentevergadering in gebruik genomen.
In 1909 schonk de gereformeerde minister Heemskerk ƒ 50 aan de kerk van Strijen.

Jeugdwerk.
Het jeugdwerk bleef de kerkenraad bezighouden. In 1908 waren de vergaderingen van de Jongelingsvereniging nog steeds niet hervat, omdat er onvoldoende belangstelling was.
Andere jeugdverenigingen waren wel actief. De Jongedochtersvereniging en de Knapenvergadering Timotheüs kwamen regelmatig bijeen. Timotheüs was bedoeld voor jongens tot ongeveer zestien jaar, waarna zij konden overstappen naar de Jongelingsvereniging.
Tijdens de bijeenkomsten werden onderwerpen uit kerk, Staat en maatschappij besproken en bestudeerd. Voor de meisjes waren er twee verenigingen: Maria, voor meisjes tot zestien jaar, en Ruth, voor meisjes van zestien jaar en ouder.
Een orgel (1906) en verder…
In 1906 werd voor het eerst een orgel in de kerk geplaatst. Daarvoor was vermoedelijk een harmonium gebruikt. Het is echter ook mogelijk dat de gemeentezang toen werd begeleid door een voorzanger, die de melodie voorzong en ervoor zorgde dat de gemeente op de juiste toonhoogte begon en bleef voortgaan.
Het nieuwe instrument was een Standaart-orgel met één klavier en een aangehangen pedaal. Het werd aangedreven door een zogenaamde orgeltrapper. Deze stond of zat achter of naast het orgel en moest met zijn lichaamsgewicht op grote houten pedalen trappen om de blaasbalgen van lucht te voorzien. Zodra een blaasbalg leegliep, moest de volgende alweer worden bediend.
Ook buiten de kerkdiensten waren er veranderingen. Het koffiedrinken na de kerkdienst bleek nauwelijks belangstelling te trekken en werd daarom in 1909 afgeschaft.
In 1910 richtte de kerkenraad een brief aan de overheid waarin hij aandrong op herinvoering van de afgeschafte doodstraf.
In 1911 werd ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Juliana een collecte gehouden. De opbrengst daarvan werd gebruikt om de kerk te laten schilderen.
Zorgen over het kerkbezoek.
In 1913 bleek dat een deel van de gemeenteleden de kerkgang had verwaarloosd. De kerkenraad sprak uitvoerig over het afnemende kerkbezoek. Besloten werd een lijst op te stellen van doopleden die, gelet op hun handel en wandel, kennelijk met de kerk hadden gebroken.
Ook onder de belijdende leden waren er mensen die de kerkdiensten niet meer bezochten. De kerkenraad besloot hen schriftelijk uit te nodigen eventuele bezwaren tegen de kerk of het kerkelijk leven aan de kerkenraad kenbaar te maken.
Een nieuwe pastorie.

In 1914 werd de Villa aan de Molenstraat, die inmiddels als pastorie dienstdeed, geruild tegen een woning aan de Kerkstraat 5. Deze woning zou voortaan – van 1916 tot 1931 – als pastorie worden gebruikt.
En ondertussen veranderde ook de wereld ingrijpend. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, de ‘Grote Oorlog’, die vier jaar zou duren. Nederland bleef neutraal, maar ook in Strijen werden de gevolgen van de oorlog merkbaar. Werkloosheid en armoede streden om de voorrang.
Ds. Mulder was ongeveer tien jaar aan de Gereformeerde Kerk van Strijen verbonden geweest. Op 13 december 1914 nam hij afscheid wegens zijn vertrek naar de Gereformeerde Kerk van Abcoude.
Ds. P.E. van Schaik (1916-1923).
Zijn opvolger, ds. P.E. van Schaik (1880-1935), was afkomstig uit Anna Jacoba Polder. Hij deed op 19 december 1916 intrede in Strijen, nadat vijf andere predikanten voor een beroep naar de gemeente hadden bedankt.

De oorlog had inmiddels grote gevolgen voor het dagelijks leven. Nieuwe oorlogstechnieken als tanks, gifgas, vliegtuigen en prikkeldraad hadden de wijze van oorlogvoering ingrijpend veranderd. Hoewel Nederland neutraal bleef, werd ook hier de schaarste steeds meer voelbaar. Er kwamen vooral uit België veel vluchtelingen naar ons land.
In 1917 kreeg de kerkenraad te horen dat er geen kolenbonnen voor de kerk beschikbaar zouden komen. Men kon daarom het beste hout gebruiken om het kerkgebouw te verwarmen. Besloten werd in ieder geval de consistorie vóór en na de kerkdiensten niet te verwarmen zolang de ‘nijpende tijden’ voortduurden.
Ook financieel waren de gevolgen merkbaar. De kerkenraad kreeg in 1917 de rekening voor de verbouwing van de pastorie aan de Kerkstraat, de woning die in 1914 in ruil voor de Villa was verkregen. De kosten bedroegen ƒ 3.000, voor die tijd een zeer groot bedrag.
De kerkenraad besloot hiervoor een lening af te sluiten, die in zestig termijnen van ƒ 50 zou worden afgelost.
De oorlog woedde ondertussen voort, terwijl Nederland zijn neutraliteit wist te handhaven. Voor de Gereformeerde Kerk van Strijen brak daarmee een periode aan waarin de maatschappelijke en economische gevolgen van de oorlog steeds duidelijker merkbaar zouden worden.
Deel 2 volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen, div. Jrg.
M. van Driel (e.a.), Een toevlucht van geslacht tot geslacht. 100 jaar Gereformeerde Kerk Strijen. Strijen, 1992
De Heraut van/voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
C. Smits, De Afscheiding van 1834. Tweede deel, Classis Dordrecht c.a. Dordrecht, 1974
L. Vogelaar (red.), In Koninklijke dienst. Predikanten, oefenaars en evangelisten. Deel 1. Apeldoorn, 2018
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen (1).
The Christian Seceded Congregation was presumably founded in Strijen in 1840. Seven years later, the existence of this congregation temporarily came to an end. In 1882 there was a Christian Reformed Congregation in Strijen, which in 1892, following the nationwide union of the Christian Reformed Church and the ‘Nederduitsch Gereformeerde’ Churches (Dolerende), merged into the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.
1. The Secession in Strijen (1840–1847).
The Christian Seceded Congregation in Strijen was presumably founded in 1840. That is not entirely certain, however. The minutes of the ‘gereformeerde’ church council for the years 1830 to 1839 have been lost, whereas it is precisely from these records that the most important information about the early years of the Secession could have been deduced. It therefore cannot be ruled out that the Secession in Strijen began before 1840.
It is also not known who formally established the congregation. Smits assumes that this may have been Rev. C. van der Meulen (1800–1876), Rev. H.J. Budding (1810–1870), or Rev. P. Zonne (1807–1865). That, however, is not certain.
The Seceded Congregation remained small in Strijen. Around 1847, the village of Strijen had approximately 2,800 inhabitants, of whom almost all, except for about twenty, belonged to the ‘Gereformeerde’ Church. The Christian Seceded Congregation therefore probably had no more than about twenty members at that time.
The surviving minutes of the ‘gereformeerde’ church council show that, from 1840 onward, various members of the congregation notified the council in writing that they were separating from the ‘Hervormde’ Church. In 1840 there were four of them. The following year, six ‘Hervormde’ Church members left for the Seceded Congregation, and in 1842 another seven followed. Little is known about the congregation’s subsequent development in the years up to 1847.
Strijen and the “Utrecht Church Order”.
On 26 January 1842, the Dordrecht classis of the Seceders met in Strijen. At that time, there was disagreement within the young church federation about which church order should be followed. On the one hand, there was the ancient Church Order of Dort of 1618–1619; on the other, there was the church order that Rev. H.P. Scholte (1805–1868) from Utrecht had recently drawn up and which became known as the Utrecht Church Order.
The background to the conflict was not only ecclesiastical but also legal. Congregations seeking recognition from the government could encounter problems if they called themselves ‘gereformeerd’ and based themselves on the Church Order of Dort. Rev. Scholte therefore designed a church order which, in his view, better met the requirements imposed by the government. This became known as the Utrecht Church Order.
The disagreement temporarily led to a split within the federation of Seceded Congregations. The congregation in Strijen also opted for Rev. Scholte’s Utrecht Church Order and thereby temporarily stood outside the nationwide church federation of the Seceders, which had chosen the Church Order of Dort.
In 1847, the existence of the Seceded Congregation in Strijen came to an end. The members in Strijen and Strijensas were thereafter placed under the pastoral care of the church council of Dordrecht.
Another “Free Congregation”.
The history of ‘gereformeerd’ Protestantism in Strijen did not end there, however. In the 1860s, there was once again (?) a small group of Seceders. Or was it the same group?
On 20 April 1868, lay preacher Hubertus van Keulen (1830–1909) submitted a petition to the king. Van Keulen, who was a merchant and evangelist, described himself as “minister of the Free ‘Gereformeerde’ Congregation at Strijen-Sas.” Presumably, a few former Seceders in Strijen were also affiliated with this congregation.
Van Keulen held his services in a barn. Because, in his view, this space was unsuitable for church services, he asked the king for permission to build a stone church. Nothing came of the proposed church building, however.
According to the Nieuwe Rotterdamsche Courant, Van Keulen was arrested on Saturday, 25 April 1868. According to the newspaper, he was said to have committed “various serious crimes.” His churchgoers reacted bitterly to the arrest. They reportedly regarded it as “a vile attack by the Amalekites against the People of Zion.” The mayor apparently feared disturbances and therefore requested police reinforcements.
Initially, the newspaper did indeed report that disturbances had broken out, but this later had to be corrected. Throughout the whole affair, it was not Van Keulen’s name that was mentioned, but that of the widely respected Rev. D. Bresser (1813–1875). He had nothing to do with the matter, however. In any case, the stone church planned by lay preacher Van Keulen was never built.
2. The Christian Reformed Congregation in Strijen (1882–1892).
Meanwhile, much was changing nationally. In 1869, the Christian Seceded Church joined with the ‘Gereformeerde’ Church under the Cross, a small denomination that had emerged from the Seceded Church around 1838 because of several disagreements. In 1869, both church federations judged these differences no longer to be of decisive importance. In June of that year, they therefore decided to continue together under a new name: the Christian Reformed Church.
Lay preacher Pieter Poorter.
In 1882, lay preacher Pieter Poorter (1821–1893) came to Strijen from Lemmer. He became the leader of the group of Seceders apparently still present there. It is not entirely clear whether this group had already been officially constituted as a Christian Reformed Congregation at that time. It is certain, however, that Poorter served between 1881 and 1883 as a lay preacher for the Christian Reformed people who met in Strijen.
After that, Poorter disappeared from view, but the congregation apparently continued to exist. This is shown, for example, by the existence of a cashbook from 1885.
Its own church building (1887).
In 1887, and probably for some time before that, there was certainly a Christian Reformed Congregation in Strijen. On 7 May 1887, the congregation purchased three adjoining plots of land on Het Spui for ƒ3,200. A house and a barn stood on the purchased property, and these were adapted for church services. Before that, the congregation had rented a building.
The church council at the time consisted of Jacob van de Nadort, Johannes den Boer, Theunis den Tuinder, Adrianus Ras, and Laurens Weeda. Two mortgages were taken out to finance the purchase: one for ƒ2,000 at five percent interest from Annigje Diepenhorst, and one for ƒ1,000, also at five percent interest, from Francois Frederic Looze.
3. The ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Church in Strijen (1890–1892).
Alongside the Christian Reformed Congregation, a second ‘gereformeerde’ congregation arose in Strijen in 1890. This emerged from the Doleantie, the movement that arose within the ‘Hervormde’ Church under the leadership of, among others, Dr. A. Kuyper (1837–1920).
In Strijen too, a group of ‘Hervormde’ Church members decided to break away from the existing church authorities. They wanted to abolish the “General Regulations for the Administration of the ‘Hervormde’ Church” and once again “grant force and validity” to the ancient Church Order of Dort. In their view, the General Regulations constituted an infringement upon the independence of the local church. They believed that the national synod in The Hague had too much authority over the local congregations.
Letters to the ‘hervormde’ church council.
Before actually proceeding to separation, they sought contact with the ‘Hervormde’ church council. This was chaired by Rev. J.L. de Heer.
On 27 May 1890, the objectors wrote to the church council that they were saddened by the fact that it had still not broken with the regulations of the synod. In their view, church discipline was not being sufficiently maintained and there was a lack of “pure preaching.” In their letter, they expressed their objections in very strong terms. They accused the synod of using its regulations to provide room for preaching and church policy that they considered contrary to the Word of God.
The letter ended with a request to abolish the existing regulations and once again accept the Church Order of Dort as the basis of church life. The ‘Hervormde’ church council, however, did not respond to the request.
Therefore, on Reformation Day, 31 October 1890, the objectors informed the ‘Hervormde’ church council that they were separating themselves from the ‘Hervormde’ church authorities. It is noteworthy that they explicitly did not declare that they were leaving the ‘Hervormde’ Church as such, but that they were turning against the existing church authorities and regulations.
Thirty-four people signed the declaration. In doing so, they announced that they were ending their membership of the ‘Hervormde’ Church and would henceforth belong to the ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Church (Dolerende) in Strijen.
The establishment.
The establishment of this ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Church (Dolerende) took place during a church service led by Rev. R.W.J. Rudolph (1862–1914) from Heinenoord. The office-bearers elected by the congregation were installed in their offices by him. The new church had thereby been officially constituted.
The first church council consisted of R. Simons, M. Bomgaars, A. Kleinendorst, M. Nootenboom, and P. Dubbeldam.
From 1890 to 1892, the church services were held in the “Villa” at Molenstraat 66.
4. The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen (1 August 1892).
After 1887, negotiations began nationally concerning the union of the Christian Reformed Church and the ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Churches, which had respectively emerged from the Secession and the Doleantie.
The negotiations did not proceed without difficulties, but ultimately, on 17 June 1892, during a meeting of the General Synod, the unity of the two church federations was officially proclaimed. The national leaders of the two churches, the very elderly Rev. S. van Velzen (1809–1896) and Dr. A. Kuyper, extended the hand of brotherhood to one another.
As long as the local congregations could not immediately unite everywhere, the synod decided that both local church federations would nevertheless henceforth use the name “’Gereformeerde’ Church.” Where two separate churches still existed locally, as was usually the case, the older one was designated “A” and the younger one “B.”
This initially meant that there were two independent ‘Gereformeerde’ Churches in Strijen:
-
The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen A (the former “Christian Reformed Congregation”);
-
The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen B (the former Doleantie “’Nederduitsche Gereformeerde’ Church”).
The merger.
In Strijen, however, there was no need to wait long for unification. As early as 25 July 1892, the two church councils decided to merge. The meeting was chaired by Rev. K. Fernhout (1858–1953) of Dordrecht; Rev. M. Bruininks (1827–1906) of Westmaas served as secretary.
According to the report, the two church councils were able to reach agreement “with remarkable unanimity” on the various matters that had to be arranged as part of the merger. The assets and debts of both congregations became joint property and a shared responsibility. The Association “De Kerkelijke Kas” (“The Church Treasury”), which had been established by the Doleantie members as a kind of management committee, was also dissolved.
“A suitable church”.
The next matter discussed was accommodation for the united congregation. They wanted to obtain a “suitable church building” for the new ‘gereformeerde’ Church.
It was decided to convert the Villa at Molenstraat 66, where the Doleantie members had held their church services until then, into a parsonage. A new church would be built on the site of the existing church building on Het Spui. This church building was put into use later in 1892.
As of 1 August 1892, the official name of the united congregation was: The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen.
Rev. K. Stelma (1892–1894).
A few weeks after the merger, the first minister of the united ‘Gereformeerde’ Church took office. Rev. K. Stelma (1831–1897), from the Doleantie Church in Voorburg, accepted the call extended to him and was installed in Strijen on 22 August 1892. The congregation then had approximately 350 members.
The social circumstances in these years were difficult for many workers. Long working hours and heavy physical labor were a daily reality for many. The conflict between employers and workers led to increasing social tensions during this period. Socialists such as Ferdinand Domela Nieuwenhuis and also Pope Leo XIII, who published his encyclical Rerum Novarum in 1891, each from their own perspective drew attention to the problems arising from poverty, social inequality, and exploitation.
Remarkably, such social divisions within the young ‘Gereformeerde’ Church of Strijen do not appear to have automatically led to sharp divisions between employers and workers. When a church council election was held in 1893, an employer and his employee were both nominated as candidates for the position of elder. During the congregational meeting, the employer stated that he had no objection whatsoever if his “opponent” were elected. That is indeed what happened: the worker was elected as an elder.
Finances and the diaconate.
The church’s finances were managed by the church council, but the budget was first presented to the congregational meeting. After all, it was the members of the congregation who had to raise the money.
An important part of the income consisted of voluntary contributions. Every year, a subscription list was taken around among the members for this purpose. In addition, churchgoers paid for a seat in the church, and there were collections during the services. These collections did not bring in large amounts per service, incidentally. In 1892, the proceeds often did not exceed approximately ƒ2 per service.
The diaconate also had plenty of work. Assistance was provided from the church collections to members of the congregation living in poverty. Those who actually qualified might receive approximately ƒ0.50 per week, for example, or be given potatoes. During these years, the diaconate regularly faced shortages.
Parsonage.
The Villa on Molenstraat, where the Doleantie members had held their services, was, as noted earlier, converted into a parsonage. The ministers Stelma, Roorda, Brouwer, and Mulder subsequently lived there.
Rev. Stelma said farewell to Strijen on 8 April 1894 because of his departure for the ‘Gereformeerde’ Church in Poortvliet.
Rev. B. Roorda (1895–1896).
His successor, Rev. B. Roorda (1863–1940), ascended the Strijen pulpit for the first time on 19 February 1895, in the church on Het Spui. His stay in Strijen was short-lived, however. On 9 August 1896, he said farewell in order to leave for the ‘Gereformeerde’ Church of Burum in Friesland.
A lengthy vacancy period followed. For almost four years, the congregation remained without its own minister. This did not mean, incidentally, that the church council stopped seeking a minister. No fewer than sixteen calls were extended to ministers, but none of the candidates accepted the call.
Rev. A. Brouwer Jzn. (1900–1903).
Only the call extended in May 1900 to candidate A. Brouwer Jzn. (1865–1936) was successful. He accepted the call and was installed in Strijen on 26 August 1900.
His period of ministry is regarded as a relatively peaceful one, although there were concerns even then. For example, the board of the Eben Haezer Young Men’s Association believed that the church council was paying insufficient attention to youth work. Membership of the association had declined so sharply that meetings had even been suspended.
The church council therefore promised to attend the meetings of the Young Men’s Association regularly. The “Young Women’s Association” would also receive more attention from then on.
Rev. Brouwer said farewell on 14 November 1903 and left for the ‘Gereformeerde’ Church of Harmelen.
Rev. A. Mulder (1904–1914).
Almost a year later, his successor came to Strijen. Rev. A. Mulder (1860–1938), from Schoonrewoerd, was installed on 27 November 1904.
During his ministry, the church underwent an important expansion. An anonymous donor gave ƒ500 toward the construction of a new consistory room. The donation was gratefully accepted and the plans were carried out promptly. In August 1908, the new room was put into use during a congregational meeting.
In 1909, the ‘gereformeerde’ minister Heemskerk donated ƒ50 to the church in Strijen.
Youth work.
Youth work continued to occupy the church council’s attention. In 1908, meetings of the Young Men’s Association had still not resumed because there was insufficient interest.
Other youth associations were active, however. The Young Women’s Association and the Timothy Boys’ Meeting met regularly. Timothy was intended for boys up to approximately sixteen years of age, after which they could move on to the Young Men’s Association.
During the meetings, subjects concerning church, state, and society were discussed and studied. For the girls, there were two associations: Maria, for girls up to sixteen, and Ruth, for girls aged sixteen and over.
An organ (1906) and more…
In 1906, an organ was installed in the church for the first time. Before that, a harmonium had presumably been used. It is also possible, however, that congregational singing was accompanied by a precentor, who sang the melody beforehand and ensured that the congregation began and continued at the correct pitch.
The new instrument was a Standaart organ with one keyboard and an attached pedal. It was powered by what was known as an organ pumper. This person stood or sat behind or beside the organ and had to operate large wooden pedals with their body weight in order to supply air to the bellows. As soon as one bellows emptied, the next one had to be operated.
There were changes outside the church services as well. Drinking coffee after the service attracted hardly any interest and was therefore discontinued in 1909.
In 1910, the church council sent a letter to the government urging the reintroduction of the abolished death penalty.
In 1911, a collection was held on the occasion of Princess Juliana’s birthday. The proceeds were used to have the church painted.
Concerns about church attendance.
In 1913, it became apparent that some members of the congregation had neglected church attendance. The church council discussed the decline in attendance at length. It was decided to compile a list of baptized members who, judging by their conduct and way of life, had apparently broken with the church.
There were also professing members who no longer attended church services. The church council decided to invite them in writing to inform the council of any objections they might have to the church or church life.
A new parsonage.
In 1914, the Villa on Molenstraat, which by then served as the parsonage, was exchanged for a house at Kerkstraat 5. This house would henceforth be used as the parsonage—from 1916 to 1931.
Meanwhile, the world was also undergoing profound change. In 1914, the First World War broke out, the “Great War,” which would last four years. The Netherlands remained neutral, but the effects of the war were also felt in Strijen. Unemployment and poverty became increasingly pressing problems.
Rev. Mulder had been connected with the ‘Gereformeerde’ Church of Strijen for approximately ten years. On 13 December 1914, he said farewell because of his departure for the ‘Gereformeerde’ Church of Abcoude.
Rev. P.E. van Schaik (1916–1923).
His successor, Rev. P.E. van Schaik (1880–1935), came from Anna Jacoba Polder. He was installed in Strijen on 19 December 1916, after five other ministers had declined a call to the congregation.
By then, the war was having major effects on daily life. New military technologies such as tanks, poison gas, aircraft, and barbed wire had radically changed the way wars were fought. Although the Netherlands remained neutral, shortages were increasingly being felt here as well. Large numbers of refugees, particularly from Belgium, came to the Netherlands.
In 1917, the church council was informed that no coal coupons would be made available for the church. It would therefore be best to use wood to heat the church building. It was decided, at any rate, not to heat the consistory room before or after the services for as long as the “difficult times” continued.
The consequences were also noticeable financially. In 1917, the church council received the bill for the renovation of the parsonage on Kerkstraat, the house that had been acquired in exchange for the Villa in 1914. The cost amounted to ƒ3,000, a very large sum at the time.
The church council decided to take out a loan for this purpose, to be repaid in sixty installments of ƒ50.
Meanwhile, the war continued to rage, while the Netherlands managed to maintain its neutrality. For the Gereformeerde’ Church of Strijen, a period was beginning in which the social and economic consequences of the war would become increasingly apparent.
Part 2 will follow soon.
