Na de Eerste Wereldoorlog…
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – De Eerste Wereldoorlog eindigde op 11 november 1918 met een wapenstilstand, die werd ondertekend in een treinwagon in het bos bij het Franse Compiègne.

In het daaropvolgende Verdrag van Versailles, dat in 1919 werd gesloten, werd Duitsland veroordeeld tot het betalen van herstelbetalingen. Het land verloor 13% van zijn grondgebied en al zijn koloniën. Bovendien mocht Duitsland voortaan slechts beschikken over een sterk ingeperkt leger van maximaal 100.000 soldaten.
Verder met ds. P.E. van Schaik.
Ondertussen was ds. P.E. van Schaik (1880-1935) nog steeds gereformeerd predikant in Strijen. In 1918 was hij begonnen met het geven van catechisatie aan bejaarden. Op zijn aandringen werd een carbidlamp aangeschaft, waarvan ook de jeugdverenigingen gebruik mochten maken.
De kerkenraad vond overigens dat er een regelmatiger geldstroom nodig was. Daarom werd een vaste vrijwillige bijdrage ingevoerd, die was gebaseerd op de inkomsten van de gemeenteleden. Daar stond tegenover dat er ’s zondags niet langer ‘voor de kerk’ werd gecollecteerd. De collecte voor de huur van de zitplaatsen bleef echter gehandhaafd.
Het jeugdwerk bloeide kennelijk. De verenigingen moesten voortaan ook huur betalen voor het gebruik van de consistorie. De Jongelingsvereniging (JV) betaalde fl. 10 per jaar, de Meisjesvereniging (voor leden van zestien jaar en ouder) fl. 7,50 en de Knapenvergadering fl. 5. De koster ontving voor zijn extra werkzaamheden bij vergaderingen fl. 10 per jaar. De predikant kreeg een jaartraktement van fl. 2.200.

Het verenigingsleven bloeide dus, maar de synode maakte zich grote zorgen over wat zij omschreef als ‘het schrikkelijk verval en de wereldgelijkvormigheid’ onder de mensen. Deze ontwikkeling werd mede gezien als een gevolg van de oorlogsjaren.
Ondertussen hield de kerkenraad de gemeenteleden nauwlettend in het oog. In 1922 besloot men leden van voetbalverenigingen die op zondag voetbalden, evenals degenen die op de dag des Heeren naar dergelijke wedstrijden gingen kijken, onder censuur te stellen wanneer zij zich niets aantrokken van de vermaningen van de kerkenraad.
De carbidlamp maakte in 1923 plaats voor elektrisch licht in de kerk, de pastorie en de consistorie. Dat kostte een aanzienlijk bedrag, maar kennelijk maakten de nieuwe financiële regelingen deze investering mogelijk. Ook het orgel was inmiddels gerenoveerd. In 1922 was het instrument voor fl. 1.300 opgeknapt. Een aanbod om een nieuw orgel aan te schaffen, waarvoor fl. 1.900 moest worden betaald, werd echter niet aanvaard.
Ondertussen had ds. Van Schaik meegedeeld dat hij het beroep naar de Gereformeerde Kerk te Emmer Compascuum had aangenomen. Op 30 september 1923 nam hij afscheid van Strijen.
Daarna volgde een korte vacante periode. Gedurende die tijd werd ds. H. Brinkman (1875-1963) uit Harmelen gevraagd de catechisaties te verzorgen. De kerkenraad vond het kennelijk niet bezwaarlijk dat deze predikant aan toenemende doofheid leed. Ds. Brinkman zelf zag daar vermoedelijk meer bezwaren in, want hij bedankte voor het verzoek.
Ds. A. van der Vegt (van 1925 tot 1930).

Kort voordat de nieuwe predikant zijn intrede zou doen, besloot de kerkenraad dat hij een jaartraktement van fl. 2.750 zou ontvangen. Een deel van de gemeentevergadering vond dat wel wat veel, maar de kerkenraad hield zich aan de richtlijnen van de synode.
Op deze financiële voorwaarden nam ds. A. van der Vegt (1867-1941) uit Oldehove het beroep van de Gereformeerde Kerk te Strijen aan. Op 6 december 1925 deed hij zijn intrede.
De kerkenraad wilde de benoeming van nieuwe kerkenraadsleden overigens zelf in de hand houden. Tijdens een kerkenraadsvergadering in 1927 werd door een van de ambtsdragers voorgesteld de gemeenteleden te vragen namen van geschikte kandidaten voor de kerkenraad op te geven. De kerkenraad nam dit voorstel echter niet aan.
In 1927 wilde de jeugd van de Jongelingsvereniging haar ledenvergadering houden in het inmiddels verdwenen gebouw Salvatori. De kerkenraad vond dat geen goed idee. Kort daarvoor was immers de consistorie voor fl. 700 vergroot, zodat er meer dan genoeg ruimte beschikbaar was. De jeugd had bovendien zelf het geld voor deze uitbreiding bijeengebracht.
De jongens vonden het negatieve oordeel van de kerkenraad kennelijk niet prettig. Er ontstond enige wrijving tussen de jeugdvereniging en de kerkenraad. Die werd uiteindelijk opgelost door middel van een goed gesprek.
In de loop van 1929 werd ds. Van der Vegt ziek. In 1930 vroeg hij emeritaat aan, dat hem werd verleend. Op 11 mei nam hij afscheid van de gemeente. De kerkenraad moest vervolgens op zoek naar een nieuwe predikant.
Ds. N.J.A. van Exel (van 1931 tot 1937).

De opvolger van ds. Van der Vegt werd kandidaat N.J.A. van Exel (1906-1944), die op 1 november 1931 zijn intrede deed.
Voorafgaand aan zijn komst was de oude pastorie verkocht en was een nieuwe predikantswoning aan het Spui aangekocht. De drie woningen die vóór de kerk stonden, werden afgebroken. Op die plaats bouwde men een nieuwe woning.
Plannen voor de aanleg van centrale verwarming in de kerk werden voorlopig in de ijskast gezet. Daar was alle reden toe. In oktober 1929 was op Wall Street in New York de Effectenbeurs ingestort. Deze beurskrach veroorzaakte een wereldwijde economische crisis, waardoor overal ter wereld ernstige economische problemen ontstonden. Ook Nederland kreeg te maken met werkloosheid en armoede.
De economische crisis had eveneens gevolgen voor de kerkelijke financiën. Om de uitgaven te beperken, werd het traktement van de predikant verlaagd van fl. 2.800 naar fl. 2.520 per jaar.

Ook het bundeltje Eenige Gezangen kwam opnieuw in het nieuws. Met toestemming van de Generale Synode werd het rond 1933 uitgebreid tot 23 gezangen. Het zingen van gezangen was binnen de Gereformeerde Kerken echter nog altijd geen uitgemaakte zaak. Afgezien van een klein aantal door de synode goedgekeurde Bijbelse liederen bestond er weerstand tegen de invoering van meer gezangen. Ook in Strijen bestonden bezwaren tegen deze uitbreiding. Daarom werden de nieuwe gezangen daar vooralsnog niet ingevoerd.
Mookhoek.

De predikant ging uiteraard ook aan de slag met het catechisatiewerk. In het buurtschap Mookhoek, enkele kilometers ten oosten van Strijen, woonden ongeveer zeventig gemeenteleden die tot de Gereformeerde Kerk te Strijen behoorden. Onder hen waren veertig catechisanten.
De kerkenraad vroeg twee onderwijzers om de catechisaties in Mookhoek te verzorgen. Omdat zij echter aan een ‘gemengde school’ verbonden waren, besloot de kerkenraad hen niet te benoemen. De openbare school in Moolhoek was in de jaren dertig pas opgericht en werd bezocht door kinderen uit verschillende (kerkelijke) gezindten. De school gold als de centrale ontmoetingsplaats van het buurtschap.
Niet alleen Mookhoek vroeg de aandacht van de predikant. Ook de Nederlandse vissers in Dieppe konden op zijn pastorale zorg rekenen. Om deze schippers geestelijk bij te staan, kreeg ds. Van Exel enkele dagen vrijaf.
Op 20 juni 1937 nam ds. Van Exel afscheid van Strijen. Hij vertrok vervolgens naar de Gereformeerde Kerk te Beekbergen.
Ds. D.S.A. Hagenbeek (van 1938 tot 1946).
Zijn opvolger liet na het vertrek van ds. Van Exel niet lang op zich wachten. Het werd ds. D.S.A. Hagenbeek (1910-1969), afkomstig uit Zwijndrecht-Groote Lindt, waar hij hulpdiensten verrichtte. Op 30 januari 1938 deed hij zijn intrede in de Gereformeerde Kerk te Strijen.

De gemeente telde op dat moment ongeveer 330 leden. De predikant betrok de pastorie aan het Spui. Uit berekeningen van de kerkenraad bleek overigens dat ongeveer 80% van de belijdende leden in die tijd deelnam aan het avondmaal.
Al spoedig na de komst van de nieuwe predikant besloot de kerkenraad zich te buigen over het zogenoemde ‘neomalthusianisme’. Deze stroming wilde door middel van geboortebeperking sociale en economische misstanden aanpakken, die volgens haar mede door overbevolking werden veroorzaakt. De kerkenraad kon zich niet verenigen met kunstmatige geboortebeperking. Daarom werd vanaf de preekstoel meegedeeld dat de kerkenraad het neomalthusianisme veroordeelde.
Het orgel vervangen (1941).

Ondertussen bleek het noodzakelijk opnieuw na te denken over de toestand van het kerkorgel. Het instrument zag er aan de buitenkant goed uit, maar de gebruikte materialen en de constructie waren van bedenkelijke kwaliteit. Jarenlang had men te kampen gehad met storingen en reparaties.
Daarom besloot de kerkenraad in 1941 een ander orgel aan te schaffen. Op advies van de Gereformeerde Organisten Vereniging werd gekozen voor een Knipscheer-orgel. Dit instrument was afkomstig uit de hervormde Eilandskerk in Amsterdam. Deze kerk was aan het begin van de Tweede Wereldoorlog wegens bouwvalligheid gesloten.

De Tweede Wereldoorlog.
Op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog voor Nederland uit. In de notulen van de kerkenraad werd niet uitdrukkelijk op de oorlogsomstandigheden ingegaan, maar uit verschillende besluiten valt wel het een en ander over de gevolgen van de bezetting af te leiden.
Zo werden de opbrengsten van de collecten tijdens de oorlog niet langer in de kerkbode gepubliceerd. Vermoedelijk hield dit verband met de bestemming van sommige collectegelden, die voor de Duitse bezetters onaanvaardbaar kon zijn. Ook in Strijen waren onderduikers die van voedsel en onderdak moesten worden voorzien. Dat bracht kosten met zich mee.
De bezetters verboden bovendien de kerkelijke verenigingen bijeen te komen. Vermoedelijk vreesden zij dat dergelijke bijeenkomsten gebruikt konden worden om verzetsactiviteiten voor te bereiden.
Ook de jeugdverenigingen werden officieel opgeheven. In de praktijk kwamen de jongeren echter op verschillende plaatsen bijeen onder de naam ‘bijbelkringen’. Voorzichtigheid was in alle opzichten geboden.
Overigens vond de kerkenraad dat de organisten met hun orgelspel te veel lawaai maakten. Zij kregen daarom het verzoek zachter te spelen.
De Vrijmaking (1944).
Vooral vanaf de jaren dertig waren binnen de Gereformeerde Kerken steeds heviger meningsverschillen ontstaan over de betekenis van doop en verbond. Er verschenen talloze brochures en vlugschriften, die in grote aantallen werden gedrukt en door het hele land werden verspreid.
De synode had over de geschilpunten een besluit genomen, maar dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen had daartegen bezwaren. Hij liet die bezwaren duidelijk horen. Veel gereformeerden in het land deelden zijn opvattingen.

Op 11 augustus 1944 maakte dr. Schilder zich tijdens de zogenoemde ‘Vrijmakingsvergadering’ in Den Haag los van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Hij ondertekende de Acte van Vrijmaking of Wederkeer. Velen volgden zijn voorbeeld. Daarmee was een kerkscheuring een feit: de Vrijmaking.
De kerkenraad van Strijen hield zich aan het synodebesluit. Ook ds. Hagenbeek stond achter dat besluit. In Strijen ontstond over deze kwestie dan ook geen grote onrust.
De inundatie van Strijen en omgeving (1944).
In 1944 zette de Duitse bezetter grote delen van de polders in de Hoeksche Waard onder water. Daarvoor werden sluizen bij eb opengezet. De inundatie moest een eventuele opmars van de geallieerde troepen bemoeilijken.
Door het stijgende water moesten veel inwoners van Strijen en omgeving hun huizen verlaten en elders onderdak zoeken. Voor boeren golden in sommige gevallen tijdelijk andere regels, maar de gevolgen voor de bevolking waren enorm.
Om de gevolgen van de inundatie zo veel mogelijk te beperken, was ondertussen gewerkt aan de afdamming van het Spui. De kerkenraad van Strijen schonk fl. 300 als bijdrage in de daarmee verbonden kosten.

Op 17 januari 1945 volgde een nieuwe maatregel, waarbij een brede strook land tussen Nieuw-Beijerland en Strijen onder water werd gezet. De bevolking kreeg vervolgens de aanzegging om vóór 31 januari 1945 te vertrekken.
Van 25 januari tot en met 25 mei 1945, gedurende vier maanden, werd een groot deel van de bevolking geëvacueerd om aan de gevolgen van de inundatie te ontkomen.
Het dorp had bovendien al zwaar geleden onder eerdere bombardementen, zoals dat van 14 mei 1940, en kreeg later ook te maken met artilleriebeschietingen vanuit het inmiddels bevrijde zuiden.
Jubileum.
Op 18 december 1945 vierden de gereformeerde Meisjesverenigingen Ruth en Maria hun vijfentwintigjarig jubileum. De bijeenkomst vond plaats in het gymlokaal van de christelijke school.

Voor de verwarming van de zaal werd de bezoekers gevraagd brandstof mee te nemen. De oproep luidde: “Ieder brenge mee één blokje, één kooltje of één turf, dat maakt u niet arm. Wij stoken er dien avond van en u zit warm”.
Ondertussen had ds. Hagenbeek tegen het einde van de oorlog veel met ziekte te kampen. Op zijn verzoek werd hem ziekteverlof verleend. Op 1 april 1946 nam hij afscheid van de gemeente. De kerkenraad moest daarna op zoek naar een opvolger.
Inmiddels was de oorlog ten einde gekomen. Strijen en omgeving waren op 5 mei 1945 bevrijd.
Ds. P. Bakker (van 1946 tot 1950).
De nieuwe predikant werd ds. P. Bakker (1902-1990), afkomstig uit Andel. Op 30 juni 1946 deed hij zijn intrede in Strijen en betrok hij de pastorie aan het Spui.
Het aantal zitplaatsen in de kerk was inmiddels eigenlijk te klein geworden voor de groeiende gemeente. Om ergerlijke situaties te voorkomen wanneer verhuurde, maar nog onbezet gebleven plaatsen voortijdig door anderen werden ingenomen, bedacht de kerkenraad een praktische oplossing.

Er werd een rood lampje aangebracht. Wanneer dit lampje brandde, waren de nog onbezet gebleven verhuurde plaatsen vrij beschikbaar. Het lampje ging vijf minuten vóór de aanvang van de kerkdienst aan. Vanaf dat moment mocht men dus ook gaan zitten op een plaats die door iemand anders was gehuurd.
In 1950 besloot de kerkenraad om ook de diakenen de bevoegdheid te geven een preek te lezen wanneer de predikant afwezig was. Gewoonlijk namen ouderlingen deze taak op zich, maar mogelijk waren de ouderlingen in Strijen daartoe niet langer bereid (of in staat).
Een fietsenbergplaats bij de kerk kwam er eveneens in 1950. Dat was een teken van veranderende tijden. Wat vroeger niet werd geduld, was inmiddels heel gewoon geworden: veel kerkgangers kwamen voortaan op hun stalen ros naar de kerk.
Lange en korte noten…
In 1950 werd in Strijen een nieuwe psalmberijming ingevoerd: de berijming van ds. H. Hasper (1886-1974). Hij had de psalmen voorzien van lange en korte noten, waardoor de melodieën ritmisch konden worden gezongen. Tot dan toe werden de psalmen in Strijen steeds op lange, gelijkwaardige noten gezongen.

Het Psalter 1949, zoals de berijming van ds. Hasper heette, betekende dus een belangrijke vernieuwing. De invoering ervan leidde binnen de Gereformeerde Kerken echter tot onenigheid. Lang niet iedereen wilde afstand doen van de isoritmische zangwijze, waarbij de noten in beginsel dezelfde duur hadden.
De verdeeldheid leidde ertoe dat de berijming na verloop van betrekkelijk korte tijd niet meer in de kerken werd gebruikt.
Ds. Hasper was overigens twintig jaar eerder, in 1927, overgegaan naar de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Hij was het destijds niet eens met de afzetting van de Amsterdamse gereformeerde predikant dr. J.G. Geelkerken (1879-1960). Deze had de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de bomen en de sprekende slang in het paradijs in het midden gelaten.

Voor de synode was dat aanleiding om aan zijn rechtzinnigheid te twijfelen. Geelkerken verloor daardoor zijn ambt in de Gereformeerde Kerken. Hij en zijn medestanders stichtten vervolgens de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, een kerkgenootschap dat nooit meer dan ongeveer 7.000 leden telde.
In 1946 verenigde dit kerkgenootschap zich met de Hervormde Kerk. Ds. Hasper behoorde dus inmiddels tot de hervormde kerk toen hij zijn Psalter 1949 ook graag binnen de Gereformeerde Kerken ingevoerd had willen zien.
Verenigingsleven.
Begin 1950 gingen de Jongelingsvereniging en de Meisjesvereniging samen verder als de Gereformeerde Jeugd Vereniging (GJV), onder de naam ‘In ’s Konings Dienst’. Aanvankelijk verliep het verenigingsleven redelijk goed, maar uiteindelijk moest de vereniging wegens gebrek aan belangstelling worden opgeheven.
In de jaren dertig had er, zoals we eerder zagen, ook een Mannenvereniging bestaan. Deze was na verloop van tijd eveneens opgeheven, omdat de belangstelling terugliep. Op initiatief van ds. Bakker werd in 1946 echter een nieuwe Mannenvereniging opgericht. Hij trad zelf op als voorzitter. De vereniging kreeg de naam ‘De Heere is onze banier’. Na ongeveer tien jaar kwam ook aan het bestaan van deze vereniging een einde.
Vóór de oorlog was er bovendien een bloeiende Vrouwenvereniging geweest. Deze stond meestal onder leiding van de predikantsvrouw en werd later geleid door mej. W. van de Nadort. De vereniging droeg de naam ‘Wendelmoet Claesdochter’. In 1981 werd zij opgeheven.
Ds. W. Seinen (van 1952 tot 1963).

Ds. P. Bakker nam op 20 augustus 1950 afscheid van Strijen, omdat hij het beroep naar de Gereformeerde Kerk te Kielwindeweer in de provincie Groningen had aangenomen.
Zijn opvolger werd ds. W. Seinen (1894-1964), afkomstig uit Naarden. Deze predikant deed op 16 november 1952 zijn intrede in Strijen. Ook hij betrok de pastorie aan het Spui.
De Watersnoodramp van 1953.
Ook Strijen en omgeving werden zwaar getroffen door de Watersnoodramp van 1953. In de nacht van 31 januari op 1 februari braken de buitendijken van de Hoeksche Waard door, waardoor de polders van de toenmalige gemeente Strijen in een uitgestrekt waterrijk gebied veranderden.

De ramp had grote gevolgen voor de plaatselijke gemeenschap. Ongeveer veertig inwoners van de gemeente Strijen verloren het leven (onder de leden van de gereformeerde kerkelijke gemeente vielen geen dodelijke slachtoffers).
Enorme stukken landbouwgrond kwamen onder water te staan en tientallen huizen raakten zwaar beschadigd of werden verwoest. Ook verdronk veel vee in de stallen. Niet alleen het dorp Strijen zelf, maar ook de omliggende buurtschappen en dorpen binnen de gemeente, waaronder Strijensas, Mookhoek en Schenkeldijk, kregen te maken met het verwoestende water.
Kerk en pastorie beschadigd.
Ook de gereformeerde kerk en de pastorie liepen aanzienlijke schade op. In heel Nederland leefde men mee met de getroffenen, onder wie de inwoners van Strijen.De schade aan de kerkelijke bezittingen bedroeg fl. 7.700. Dit bedrag werd vergoed door het landelijke Rampenfonds.
In verschillende delen van Strijen, onder meer in Mookhoek en Strijensas, zijn nog altijd de karakteristieke Scandinavische houten ‘geschenkwoningen’ te zien. Deze woningen werden destijds geschonken om de dakloos geworden bevolking snel aan vervangende woonruimte te helpen.

Gelukkig bleef het kerkarchief behouden! De predikant had het bij zijn verhuizing uit de pastorie meegenomen en daarmee voor het water behoed.
Gedurende de herstelwerkzaamheden aan de kerk werden de kerkdiensten in de hervormde kerk gehouden. Van de Deputaten Besteding Watersnoodcollecten ontving de kerkenraad een uitnodiging om de huismoeders een vakantie op de Veluwe te laten doorbrengen. Van deze mogelijkheid werd graag gebruikgemaakt.
Nadat de nodige reparaties waren uitgevoerd, kon de predikant de pastorie weer betrekken. In 1953 was daar inmiddels ook centrale verwarming aangelegd.
Deel 3 volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen, diverse jaargangen.
De Heraut van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, diverse jaargangen.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, diverse jaargangen.
N.N., Een toevlucht van geslacht tot geslacht. 100 jaar Gereformeerde Kerk Strijen. Strijen, 1992.
C. Smits, De Afscheiding van 1834. Tweede deel, Classis Dordrecht c.a. Dordrecht, 1974.
L. Vogelaar (red.), In Koninklijke dienst. Predikanten, oefenaars en evangelisten. Deel 1. Apeldoorn, 2018.
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Strijen (2).
After the First World War…
( < Back to Part 1 ) – The First World War ended on 11 November 1918 with an armistice, which was signed in a railway carriage in the forest near Compiègne, France.
Under the subsequent Treaty of Versailles, concluded in 1919, Germany was condemned to pay reparations. The country lost 13% of its territory and all its colonies. In addition, Germany was henceforth permitted to maintain only a severely restricted army of no more than 100,000 soldiers.
Continuing with Rev. P.E. van Schaik.
Meanwhile, Rev. P.E. van Schaik (1880–1935) was still serving as a minister of the ‘Gereformeerde’ Church in Strijen. In 1918, he had begun providing catechism instruction for the elderly. At his insistence, a carbide lamp was purchased, which the youth associations were also allowed to use.
The church council, incidentally, felt that a more regular flow of income was needed. A fixed voluntary contribution was therefore introduced, based on the incomes of the congregation’s members. In return, collections were no longer taken on Sundays specifically “for the church.” However, the collection to cover the rental of seats remained in place.
Youth work was apparently flourishing. From then on, the associations also had to pay rent for using the consistory room. The Young Men’s Association (JV) paid fl. 10 per year, the Girls’ Association (for members aged sixteen and over) fl. 7.50, and the Boys’ Meeting fl. 5. The church caretaker received fl. 10 per year for his additional work during meetings. The minister received an annual stipend of fl. 2,200.
Thus, association life was thriving, but the synod was deeply concerned about what it described as “the dreadful decline and conformity to the world” among the people. This development was considered to be partly a consequence of the war years.
Meanwhile, the church council kept a close eye on the congregation’s members. In 1922, it decided that members of football clubs who played football on Sundays, as well as those who went to watch such matches on the Lord’s Day, would be placed under ecclesiastical censure if they ignored the church council’s admonitions.
In 1923, the carbide lamp was replaced by electric lighting in the church, the manse and the consistory room. This cost a considerable sum, but apparently the new financial arrangements had made the investment possible. The organ had also been renovated by then. In 1922, the instrument had been refurbished for fl. 1,300. However, an offer to purchase a new organ, which would have cost fl. 1,900, was rejected.
Meanwhile, Rev. Van Schaik announced that he had accepted the call to the ‘Gereformeerde’ Church in Emmer-Compascuum. On 30 September 1923, he took his leave of Strijen.
A short vacancy followed. During this period, Rev. H. Brinkman (1875–1963) from Harmelen was asked to provide catechism instruction. The church council apparently did not consider it a problem that this minister was suffering from increasing deafness. Rev. Brinkman himself presumably saw more difficulties in the situation, as he declined the request.
Rev. A. van der Vegt (1925–1930).
Shortly before the new minister was due to take up his post, the church council decided that he would receive an annual stipend of fl. 2,750. Some members of the congregational meeting considered this rather high, but the church council adhered to the synod’s guidelines.
On these financial terms, Rev. A. van der Vegt (1867–1941) from Oldehove accepted the call from the ‘Gereformeerde’ Church in Strijen. He was installed on 6 December 1925.
The church council also wanted to retain control over the appointment of new members of the council itself. During a church council meeting in 1927, one of the office-bearers proposed asking the congregation to submit the names of suitable candidates for the church council. However, the church council did not adopt this proposal.
In 1927, the young people of the Young Men’s Association wanted to hold their members’ meeting in the now-demolished Salvatori building. The church council did not think this was a good idea. After all, the consistory room had recently been enlarged at a cost of fl. 700, leaving more than enough space available. The young people themselves had also raised the money for this extension.
The boys apparently did not appreciate the church council’s negative response. Some friction arose between the youth association and the church council. It was eventually resolved through a frank and constructive conversation.
During 1929, Rev. Van der Vegt fell ill. In 1930, he applied for emeritus status, which was granted. On 11 May, he took his leave of the congregation. The church council then had to look for a new minister.
Rev. N.J.A. van Exel (1931–1937).
Rev. Van der Vegt’s successor was candidate N.J.A. van Exel (1906–1944), who took up his post on 1 November 1931.
Before his arrival, the old manse had been sold and a new minister’s residence had been purchased on the Spui. The three houses that stood in front of the church were demolished. A new house was built on that site.
Plans to install central heating in the church were temporarily put on hold. There was good reason for this. In October 1929, the stock exchange on Wall Street in New York had crashed. This stock market crash triggered a worldwide economic crisis, causing serious economic problems across the globe. The Netherlands was also affected by unemployment and poverty.
The economic crisis also had consequences for church finances. To reduce expenditure, the minister’s stipend was cut from fl. 2,800 to fl. 2,520 per year.
The booklet Eenige Gezangen (A Few Hymns) also came back into the news. With the permission of the General Synod, it was expanded to include 23 hymns around 1933. However, the singing of hymns remained a contentious issue within the ‘Gereformeerde’ Churches. Apart from a small number of biblical songs approved by the synod, there was resistance to introducing additional hymns. There were objections to this expansion in Strijen as well. Consequently, the new hymns were not introduced there for the time being.
Mookhoek.
The minister naturally also set to work on catechism instruction. In the hamlet of Mookhoek, a few kilometres east of Strijen, approximately seventy members of the ‘Gereformeerde’ Church in Strijen lived. Forty of them attended catechism classes.
The church council asked two schoolteachers to conduct the catechism classes in Mookhoek. However, because they were employed at a “mixed school,” the church council decided not to appoint them. The public school in Mookhoek had only been established in the 1930s and was attended by children from different religious denominations. The school served as the hamlet’s central meeting place.
Mookhoek was not the only place requiring the minister’s attention. Dutch fishermen in Dieppe could also count on his pastoral care. To provide spiritual support to these fishing skippers, Rev. Van Exel was granted several days’ leave.
On 20 June 1937, Rev. Van Exel took his leave of Strijen. He subsequently moved to the ‘Gereformeerde’ Church in Beekbergen.
Rev. D.S.A. Hagenbeek (1938–1946).
Rev. Van Exel’s successor did not take long to arrive. The new minister was Rev. D.S.A. Hagenbeek (1910–1969), who came from Zwijndrecht-Groote Lindt, where he had been providing ministerial assistance. He took up his post at the ‘Gereformeerde’ Church in Strijen on 30 January 1938.
At that time, the congregation had approximately 330 members. The minister moved into the manse on the Spui. Calculations made by the church council also showed that approximately 80% of the professing members of the congregation participated in Holy Communion at that time.
Soon after the new minister’s arrival, the church council decided to consider the issue known as “neo-Malthusianism.” This movement sought to address social and economic problems through birth control, arguing that these problems were partly caused by overpopulation. The church council could not agree with artificial birth control. It therefore announced from the pulpit that it condemned neo-Malthusianism.
Replacing the Organ (1941).
Meanwhile, it became necessary to reconsider the condition of the church organ. The instrument looked good on the outside, but the materials used and its construction were of questionable quality. For years, the church had struggled with malfunctions and repairs.
The church council therefore decided to purchase another organ in 1941. On the advice of the ‘Gereformeerde’ Organists’ Association, it chose a Knipscheer organ. The instrument came from the ‘Hervormde’ Eilandskerk in Amsterdam. This church had been closed at the beginning of the Second World War because it was in a dilapidated condition.
The Second World War.
The Second World War reached the Netherlands on 10 May 1940. The minutes of the church council did not explicitly discuss the wartime circumstances, but various decisions reveal something of the consequences of the occupation.
For example, during the war, the proceeds of church collections were no longer published in the church newsletter. This was presumably connected with the intended use of some of the collection money, which might have been unacceptable to the German occupiers. There were also people in hiding in Strijen who needed to be provided with food and shelter. This entailed expenses.
The occupiers also prohibited church associations from holding meetings. They presumably feared that such gatherings could be used to prepare resistance activities.
The youth associations were officially disbanded as well. In practice, however, the young people continued to meet in various locations under the name “Bible study groups.” Caution was essential in every respect.
Incidentally, the church council felt that the organists were making too much noise when playing the organ. They were therefore asked to play more quietly.
The Church ‘Liberation’ (1944).
From the 1930s onward, increasingly intense disagreements had arisen within the ‘Gereformeerde’ Churches over the meaning of baptism and the covenant. Numerous brochures and pamphlets were published, printed in large quantities and distributed throughout the country.
The synod had adopted a resolution on the disputed issues, but Dr K. Schilder (1890–1952), a professor at the Theological College in Kampen, objected to it. He made his objections clearly known. Many ‘gereformeerde’ church members throughout the country shared his views.
On 11 August 1944, during the so-called “Liberation Meeting” in The Hague, Dr Schilder broke away from the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. He signed the Acte van Vrijmaking of Wederkeer (Act of Liberation or Return). Many followed his example. A church schism had thus become a reality: the Liberation.
The church council in Strijen adhered to the synod’s resolution. Rev. Hagenbeek also supported that decision. Consequently, the issue did not cause major unrest in Strijen.
The Flooding of Strijen and the Surrounding Area (1944).
In 1944, the German occupiers flooded large parts of the polders in the Hoeksche Waard. To accomplish this, sluice gates were opened at low tide. The flooding was intended to hamper a possible advance by Allied troops.
As the water rose, many residents of Strijen and the surrounding area had to leave their homes and seek shelter elsewhere. In some cases, farmers were temporarily subject to different rules, but the consequences for the population were enormous.
Meanwhile, work had been undertaken to close off the Spui in order to limit the effects of the flooding as much as possible. The church council in Strijen donated fl. 300 towards the associated costs.
On 17 January 1945, a further measure was implemented, flooding a wide strip of land between Nieuw-Beijerland and Strijen. The population was subsequently ordered to leave before 31 January 1945.
From 25 January through 25 May 1945, over a period of four months, a large proportion of the population was evacuated to escape the consequences of the flooding.
The village had already suffered heavily from earlier bombing raids, including the attack of 14 May 1940, and later also came under artillery fire from the south, which had by then been liberated.
Anniversary Celebration.
On 18 December 1945, the ‘Gereformeerde’ Girls’ Associations Ruth and Maria celebrated their twenty-fifth anniversary. The gathering took place in the gymnasium of the Christian school.
Visitors were asked to bring fuel to heat the hall. The appeal read: “Everyone should bring one small log, one lump of coal or one piece of peat; that won’t make you poor. We’ll burn it that evening, and you’ll be sitting in warmth.”
Meanwhile, towards the end of the war, Rev. Hagenbeek had been struggling with illness. At his request, he was granted sick leave. On 1 April 1946, he took his leave of the congregation. The church council then had to look for a successor.
By this time, the war had come to an end. Strijen and the surrounding area had been liberated on 5 May 1945.
Rev. P. Bakker (1946–1950).
The new minister was Rev. P. Bakker (1902–1990), who came from Andel. He took up his post in Strijen on 30 June 1946 and moved into the manse on the Spui.
By this time, the church had too few seats for the growing congregation. To prevent awkward situations in which rented seats that were still unoccupied were taken prematurely by other people, the church council devised a practical solution.
A small red light was installed. When this light was on, any rented seats that remained unoccupied became available for others to use. The light was switched on five minutes before the church service began. From that moment onward, people were therefore also permitted to sit in a seat rented by someone else.
In 1950, the church council decided to authorise the deacons to read a sermon when the minister was absent. Ordinarily, elders took on this task, but perhaps the elders in Strijen were no longer willing—or able—to do so.
A bicycle shelter was also built beside the church in 1950. This was a sign of changing times. Something that had once not been tolerated had by then become perfectly ordinary: many churchgoers now travelled to church on their two-wheeled steeds.
Long and Short Notes…
In 1950, a new metrical psalter was introduced in Strijen: the version prepared by Rev. H. Hasper (1886–1974). He had arranged the psalms with long and short notes, allowing the melodies to be sung rhythmically. Until then, the psalms in Strijen had always been sung using long notes of equal duration.
The Psalter 1949, as Rev. Hasper’s version was called, therefore represented a significant innovation. However, its introduction led to disagreement within the ‘Gereformeerde’ Churches. By no means everyone was willing to abandon the isorhythmic style of singing, in which the notes were, in principle, all of the same duration.
The division this caused meant that, after a relatively short time, the metrical psalter was no longer used in the churches.
Incidentally, twenty years earlier, in 1927, Rev. Hasper had transferred to the ‘Gereformeerde’ Churches in Restored Connection (Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband). At the time, he disagreed with the deposition of the ‘gereformeerde’ minister in Amsterdam, Dr J.G. Geelkerken (1879–1960). Geelkerken had left open the question of whether the trees in Paradise and the talking serpent could be perceived through the senses.
For the synod, this was grounds for questioning his orthodoxy. Geelkerken consequently lost his office in the ‘Gereformeerde’ Churches. He and his supporters subsequently founded the ‘Gereformeerde’ Churches in Restored Connection, a denomination that never had more than approximately 7,000 members.
In 1946, this denomination united with the ‘Hervormde’ Church. By the time Rev. Hasper hoped to see his Psalter 1949 introduced into the ‘Gereformeerde’ Churches, he therefore belonged to the ‘Hervormde’ Church.
Association Life.
At the beginning of 1950, the Young Men’s Association and the Girls’ Association joined forces to continue as the ‘Gereformeerde’ Youth Association (GJV), under the name “In the King’s Service.” Initially, the association’s activities proceeded reasonably well, but eventually the organisation had to be disbanded due to a lack of interest.
As we saw earlier, a Men’s Association had also existed in the 1930s. It, too, had eventually been disbanded as interest declined. However, at Rev. Bakker’s initiative, a new Men’s Association was founded in 1946. He himself served as its chairman. The association was named “The Lord Is Our Banner.” After approximately ten years, this association also came to an end.
Before the war, there had also been a flourishing Women’s Association. It was usually led by the minister’s wife and was later headed by Miss W. van de Nadort. The association was named “Wendelmoet Claesdochter.” It was disbanded in 1981.
Rev. W. Seinen (1952–1963).
Rev. P. Bakker took his leave of Strijen on 20 August 1950 because he had accepted the call to the ‘Gereformeerde’ Church in Kielwindeweer, in the province of Groningen.
His successor was Rev. W. Seinen (1894–1964), who came from Naarden. This minister took up his post in Strijen on 16 November 1952. He, too, moved into the manse on the Spui.
The North Sea Flood Disaster of 1953.
Strijen and the surrounding area were also severely affected by the North Sea Flood Disaster of 1953. During the night of 31 January to 1 February, the outer sea dikes of the Hoeksche Waard gave way, turning the polders of the then municipality of Strijen into a vast expanse of water.
The disaster had major consequences for the local community. Approximately forty residents of the municipality of Strijen lost their lives. (There were no fatalities among the members of the local ‘Gereformeerde’ Church congregation.)
Vast areas of agricultural land were flooded, and dozens of houses were severely damaged or destroyed. Much livestock also drowned in the barns. Not only the village of Strijen itself, but also the surrounding hamlets and villages within the municipality, including Strijensas, Mookhoek and Schenkeldijk, were affected by the devastating floodwaters.
Damage to the Church and Manse.
The ‘gereformeerde’ church and the manse also suffered considerable damage. Throughout the Netherlands, people sympathised with those affected, including the residents of Strijen. The damage to church property amounted to fl. 7,700. This amount was reimbursed by the national Disaster Relief Fund.
In various parts of Strijen, including Mookhoek and Strijensas, the characteristic Scandinavian wooden “gift houses” can still be seen today. These houses were donated at the time to provide replacement accommodation quickly for people who had been left homeless.
Fortunately, the church archives survived! When the minister moved out of the manse, he had taken the archives with him, thereby protecting them from the floodwaters.
While repairs were being carried out on the church, services were held in the ‘Hervormde’ church. The church council received an invitation from the Deputies for the Allocation of Flood Relief Collections to allow the mothers of the congregation to spend a holiday on the Veluwe. The offer was gladly accepted.
After the necessary repairs had been completed, the minister was able to move back into the manse. Central heating had also been installed there in 1953.
Part 3 will follow soon.