“De Morgenster” in Vinkeveen 100 jaar (1)

Een eeuw kerkgeschiedenis aan de Herenweg.

Het voormalige gereformeerde kerkgebouw De Morgenster in Vinkeveen bestaat op 11 november 2026 precies honderd jaar. De feestelijkheden rond dit bijzondere jubileum zijn echter al gedurende het hele jaar aan de gang.

Kaart: Google.

Zo werd in februari dit jaar een kerkmuziekmiddag georganiseerd, gevolgd door een veiling in maart en een grote boekenmarkt in juni. In september nam De Morgenster deel aan de Open Monumentendag. Daarnaast stonden in september en oktober respectievelijk een snuffelmarkt en een oliebollenactie op het programma. Ook op zondag 15 november wordt het jubileum gevierd, met een muzikale kerkdienst die mede door jongeren is voorbereid. Na afloop van deze dienst wordt het jubileumblad 100 jaar Kerkgebouw aangeboden, dat onder redactie van Nelien van Vliet tot stand is gekomen.

Het honderdjarig bestaan vormt een mooie aanleiding om stil te staan bij de geschiedenis van de kerkelijke gemeente in Vinkeveen. Daarbij gaat de aandacht vanzelfsprekend vooral uit naar het kerkgebouw dat in 1926 in gebruik werd genomen. De geschiedenis van de gereformeerde gemeenschap gaat echter veel verder terug.

Een kijkje op Vinkeveen, lang geleden.

– Van een houten naar een stenen kerk.

De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Vinkeveen, waarvan het kerkgebouw tegenwoordig bekendstaat als De Morgenster, begint niet in 1926. Hoewel het huidige kerkgebouw aan de Herenweg pas in dat jaar in gebruik werd genomen, bestond er al tientallen jaren eerder een gereformeerde gemeenschap in het dorp.

De Dolerenden in Vinkeveen.

Ook in Vinkeveen groeide in de negentiende eeuw de onvrede over de koers van de Nederlandse Hervormde Kerk. De bezwaren richtten zich niet alleen op de toenemende vrijzinnigheid, waartegen de kerkelijke besturen volgens velen onvoldoende weerstand boden, maar ook op de wijze waarop de kerk was georganiseerd.

Dr. A. Kuyper (1837-1920) had landelijk de leiding bij de Doleantie van 1886.

De bestuurlijke structuur was gebaseerd op het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk, dat de regering in 1816 aan de kerk had opgelegd. Daarmee werd de eeuwenoude gereformeerde Dordtse Kerkorde uit 1618-1619 terzijde geschoven. De macht kwam vooral bij de Algemene Synode te liggen. Deze ontwikkeling werd door tegenstanders al spoedig aangeduid als de ‘synodale hiërarchie’. De zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten kwam daardoor steeds meer onder druk te staan.

Zo werkte de synodale hiërarchie volgens ‘De Heraut’.

In augustus 1888 kwam het in Vinkeveen tot de vorming van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (dolerende). Dit gebeurde in het kader van de Doleantie, die landelijk werd geleid door dr. A. Kuyper (1837-1920). Een aantal gemeenteleden wilde zich al enige tijd losmaken van de kerkelijke besturen van de Nederlandse Hervormde Kerk en zelfstandig verdergaan als Nederduitsche Gereformeerde Kerk. Dat was de naam waaronder de Hervormde Kerk vóór de reorganisatie van 1816 bekendstond. Het Algemeen Reglement wilde men afschaffen en ‘opnieuw kracht en geldigheid verlenen aan de Dordtse Kerkorde’.

Tot de Vinkeveense groep Dolerend-gezinden behoorden in ieder geval J. Berkelaar, C. Kroon, J. Kroon Czn., J. van der Neut, P. van der Neut, H. van Roon, J. Teeken en G.O. Verrips. Aanvankelijk sloten zij zich aan bij de Dolerende Kerk in het naburige Baambrugge.

De Doleantie in Vinkeveen (13 augustus 1888).

De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (dolerende) in Baambrugge was op 2 mei 1887 geïnstitueerd. Enkele maanden later, op 28 november 1887, werden daar twee ambtsdragers bevestigd voor het werk onder de Dolerenden in Vinkeveen, waar toen nog geen zelfstandige kerk bestond. Het ging om G.O. Verrips (1850-1932), die als ouderling werd aangesteld, en P. van der Neut, die het ambt van diaken zou vervullen.

Ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926) institueerde de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Vinkeveen op 13 augustus 1888.

Eigenlijk hadden de Dolerend-gezinden in Vinkeveen aanvankelijk de hervormde kerkenraad in hun eigen dorp willen verzoeken om ‘de reformatie der kerk ter hand te nemen’. Zij hadden echter weinig vertrouwen in de bereidheid van die kerkenraad om aan hun oproep gehoor te geven. Daarom kozen zij ervoor zich voorlopig bij de Dolerende Kerk van Baambrugge aan te sluiten. Vanuit die gemeente werd vervolgens op 13 augustus 1888 (en niet op 19 december 1887, zoals hier en daar gemeld wordt!)  de zelfstandige Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) in Vinkeveen geïnstitueerd. Bij deze ontwikkeling speelde ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926) uit Mijdrecht een belangrijke leidende en adviserende rol.

In ‘De Heraut’ van 26 augustus 1888 werd officieel aangekondigd dat de Dolerende Kerk te Vinkeveen op 13 augustus 1888 werd geïnstitueerd.

Op 13 augustus 1888 werden door ds. Westerbeek van Eerten twee kerkenraadsleden in het ambt bevestigd. Het waren C. Kroon tot ouderling en D. van der Wilt tot diaken. Vanaf dat moment was  er in Vinkeveen een gereformeerde kerkenraad, waarmee de Nederduitsche Gereformeerde Kerk geïnstitueerd was.

Deze belangrijke gebeurtenis vond plaats in een oude turfschuur bij de woning van Pieter Klein. De schuur deed aanvankelijk ook dienst als plaats van samenkomst voor de kerkdiensten.

In de turfschuur ging regelmatig oefenaar J. Hartkamp (1837-1921) uit Amersfoort voor. Aan zijn optreden kwam ergens in 1888 een einde, nadat hij op eigen verzoek uit het lidmatenboek van de Dolerende Kerk van Amersfoort was geschrapt. Hij verklaarde namelijk dat hij geen Dolerende meer wilde zijn.

Problemen binnen de jonge gemeente.

Ouderling G.O. Verrips (1850-1932). Foto: ‘Niet in eigen kracht’.

Ouderling Verrips werd in deze beginperiode voorzitter van de kerkenraad. Hij vervulde die functie van 1888 tot 1892, toen de gemeente nog geen eigen predikant had. Er kwam dus veel op zijn schouders neer.

In november 1892 ontstonden er echter geruchten over zijn gedrag. Er werd beweerd dat hij in een herberg te veel aan Bacchus had geofferd en daar bovendien had gebiljart. Volgens de verhalen was hij pas om middernacht thuisgekomen, ’terwijl hij zeven jonge kinderen had’.

Verrips ontkende dat hij te veel had gedronken, maar gaf wel toe dat hij had gebiljart. De kerkenraad vond de kwestie ernstig genoeg om hem te verzoeken zijn ambt neer te leggen. Daarbij speelden vooral zijn voorbeeldfunctie en de geloofwaardigheid van de kerkenraad een rol.

“De Gereformeerde Kerk in Vinkeveen” (1892).

Aan het einde van de jaren tachtig waren op landelijk niveau gesprekken begonnen tussen de synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk, die voortkwam uit de Afscheiding van 1834, en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, die uit de Doleantie van 1886 waren ontstaan.

Dr. A. Kuyper (1837-1920) van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken en ds. S. van Velzen (1809-1896) van de Christelijke Gereformeerde Kerk reikten elkaar in juni 1892 de broederhand ter bezegeling van de kerkelijke eenheid.

Na langdurige onderhandelingen en de nodige moeilijkheden kwam het op 17 juni 1892 tot de vereniging van beide kerkverbanden. Zij gingen gezamenlijk verder onder de naam De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Ook de kerkenraad van de Dolerende Kerk in Vinkeveen sloot zich bij deze landelijke ‘Ineensmelting’ aan. Vanaf dat moment droeg de gemeente de naam De Gereformeerde Kerk te Vinkeveen.

Vervolgens moesten ook de kerkelijke grenzen met de omliggende gemeenten worden vastgesteld. Met de Gereformeerde Kerk in Mijdrecht werd afgesproken dat de burgerlijke gemeentegrens tevens als kerkelijke grens zou gelden. Dit had tot gevolg dat de gereformeerden in het naburige Waverveen voortaan tot de Gereformeerde Kerk in Vinkeveen behoorden.

In hetzelfde jaar werden ook de kerkelijke grenzen met de Gereformeerde Kerk in Wilnis gezamenlijk vastgesteld.

Het eerste kerkgebouw (1893).

De pastorie en daarachter de kerk.

In 1893 kreeg de Gereformeerde Kerk in Vinkeveen voor het eerst een eigen kerkgebouw. Het betrof een houten kerk aan de Herenweg 233-235, achter een pastorie die qua uiterlijk veel weg had van een boerderij.

Aannemer Mulckhuyse maakte de plannen voor het gebouw en zorgde ook voor de uitvoering ervan.

Een bijzonder geschenk kwam van de zusterkerk in Breukelen. Deze gemeente schonk Vinkeveen een orgel, dat in 1894 in de kerk werd geplaatst. Waarschijnlijk heeft dit instrument tot 1935 dienstgedaan.

Oefenaar B.S. de Beer (van 1893 tot 1894).

Oefenaar B.S. de Beer (1857-1915).

Al in januari 1889 had de kerkenraad van Vinkeveen aan die van Baambrugge voorgesteld om gezamenlijk een predikant te beroepen. Het traktement zou duizend gulden per jaar bedragen, met vrije woning. Beide gemeenten zouden ieder de helft van de kosten voor hun rekening nemen. De predikant zou zijn intrek nemen in de pastorie in Vinkeveen.

Na allerlei verwikkelingen kwam van deze gezamenlijke beroeping uiteindelijk niets terecht. Daarom besloot de gemeente zelfstandig op zoek te gaan naar een voorganger.

De keuze viel op oefenaar B.S. de Beer (1857-1915) uit Wageningen. Zijn optreden werd echter geen succes. Ook in zijn eerste standplaats, Huizen, had hij al moeilijkheden ondervonden. Over hem werd geschreven dat hij niet gemakkelijk in de omgang was en regelmatig problemen met de kerkenraad had. Hij gold bovendien als ‘bijzonder bijdehand’.

In Wageningen was zijn hulp als oefenaar slechts korte tijd nodig geweest, omdat de beroepen predikant daar op 1 januari 1893 zijn intrede deed. Begin februari van dat jaar vertrok De Beer naar Vinkeveen. Hij werd vooralsnog voor één jaar aangesteld. Toen die periode voorbij was, bleek er weinig animo te bestaan om zijn benoeming te verlengen. Sterker nog, de kerkenraad vroeg de classis hem te mogen ontslaan. Daarin werd toegestemd. Als reden werd genoemd dat hij zich ‘openlijk schuldig maakte aan scheurmakerij’.

‘De Bazuin’, 27 april 1894.

De Beer besloot daarop in Vinkeveen een eigen Vrije Gereformeerde Gemeente te stichten. Ook daar ontstonden al spoedig conflicten met de kerkenraad. Uiteindelijk verdween de gemeente tijdens het optreden van zijn opvolger. De Beer vertrok vervolgens naar Delft.

Ds. P. Roos (van 1902 tot 1916).

Rond deze periode telde de Gereformeerde Kerk in Vinkeveen ongeveer 150 leden. Aanvankelijk probeerde men samen met de gemeente in Wilnis een voorganger te vinden, maar dat initiatief liep op niets uit.

Uiteindelijk begon de kerkenraad zelfstandig aan het beroepingswerk. Na maar liefst zeven bedankjes werd kandidaat P. Roos (1875-1940), afkomstig van de Vrije Universiteit in Amsterdam, bereid gevonden het beroep aan te nemen. Vinkeveen werd zijn eerste gemeente. Op 2 oktober 1902 deed hij er zijn intrede.

Aan het einde van zijn studie was Roos van plan te promoveren op een proefschrift over de zending op Formosa, het eiland dat tegenwoordig Taiwan heet. Helaas bleek een andere onderzoeker hem met dit onderwerp voor te zijn, waardoor het doctoraat aan zijn neus voorbijging.

Ds. P. Roos (1875-1940).

“Ds. Roos wist met zijn evenwichtige Schriftverklaring de gemeente op een andere manier naar het geloof te laten kijken. De gemeente legde sterk de nadruk op het gevoel, maar Roos bracht haar terug naar de uitgangspunten: ‘Er staat geschreven, er is geschied'”.

Hij stond bekend als een vredelievend predikant, die liever vermeed wat mensen kwetste of tegen elkaar opzette. Hij zocht juist naar wat mensen met elkaar verbond.

De Christelijke Nationale School en de groei van de gemeente.

Tijdens het predikantschap van ds. Roos werd in Vinkeveen de Christelijke Nationale School opgericht. Deze school was gevestigd aan de Herenweg. Ds. Roos verzorgde de openingsrede.

Ook de Gereformeerde Kerk groeide in deze jaren flink. Gedurende de veertien jaar dat hij in Vinkeveen werkzaam was, kwamen er bijna honderd leden bij.

Op 25 september 1916 nam ds. Roos afscheid. Zijn volgende gemeente werd Lekkerkerk.

Ds. J. Offringa (van 1917 tot 1921).

Na het vertrek van ds. Roos richtte de kerkenraad zijn aandacht op emeritus-predikant ds. J. Offringa (1847-1928), afkomstig uit de Gereformeerde Kerk in Westbroek c.a.

Ds. J. Offringa (1847-1928).

Hem werd gevraagd om gedurende vier jaar hulpdiensten in Vinkeveen te verrichten. Hij stemde daarmee in en stelde zich gedurende de afgesproken periode volledig beschikbaar voor de gemeente. Op 1 oktober 1917 begon hij met zijn arbeid in Vinkeveen.

Hoewel hij inmiddels zeventig jaar oud was, werd hij door de kerkenraad nog altijd als ‘krachtig en helder van geest’ beschouwd.

Nog geen nieuwe kerk.

Tijdens het predikantschap van ds. Offringa kwam ook de huisvesting van de gemeente ter sprake. Het bestaande kerkgebouw begon steeds meer tekenen van bouwvalligheid te vertonen. Daarom werd de vraag gesteld of uitbreiding van de bestaande kerk nog mogelijk was, of dat er een geheel nieuw gebouw moest komen.

De kerkenraad besloot voorlopig echter geen verbouwing of nieuwbouw te realiseren. Wel werd besloten een bouwfonds in het leven te roepen, zodat alvast geld kon worden ingezameld voor toekomstige plannen.

Op 5 oktober 1921 nam ds. Offringa afscheid van de ongeveer 250 leden tellende gemeente. Hij vertrok naar Ermelo, waar zijn vrouw werd verpleegd.

Ds. J.C. Balhuizen (van 1922 tot 1930).

Ds. J.C. Balhuizen (1854-1939).

Na het vertrek van ds. Offringa zocht de kerkenraad opnieuw een emeritus-predikant die bereid was in Vinkeveen hulpdiensten te verrichten. Ditmaal viel de keuze op ds. J.C. Balhuizen (1854-1939) uit het Friese Sexbierum. Hij had in dat dorp maar liefst ongeveer zevenentwintig jaar als predikant gewerkt.

Op 12 november 1922 deed hij zijn intrede in Vinkeveen. Hij zou er vervolgens ongeveer acht jaar werkzaam blijven.

De nieuwe kerk (1926).

Ondertussen werd de behoefte aan een nieuw, passend kerkgebouw steeds dringender. Hoewel enkele jaren eerder was besloten voorlopig geen nieuwbouwplannen uit te voeren, werd het steeds duidelijker dat het bestaande gebouw niet langer voldeed.

Na overleg met de gemeente besloot de kerkenraad in januari 1925 de plannen voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie opnieuw op te pakken.

Op 1 maart 1925 werd grond aangekocht van de familie Groen in ’t Woud. Het terrein lag aan de Herenweg en was bestemd voor de nieuwbouw. In november van dat jaar besloot de kerkenraad de plannen, waarvoor een voorlopige begroting van 25.500 gulden was opgesteld, toe te vertrouwen aan architect D. Stuurman uit Gouda. Enkele maanden later werd de uitvoering van het werk gegund aan aannemersbedrijf Neven en Roodenburg uit Lekkerkerk.

G.O. Verrips, die veel voor de Gereformeerde Kerk van Vinkeveen betekend heeft, legde de eerste steen voor de nieuwe kerk (foto: ‘Niet in eigen kracht’).

Op 14 juni 1926 vond de plechtigheid van de eerste steenlegging plaats. Deze werd verricht door Gerrit Otto Verrips. Daarmee kreeg hij opnieuw een bijzondere plaats in de geschiedenis van de gereformeerde gemeente. Hij was immers al vanaf de beginjaren nauw betrokken geweest bij het kerkelijke leven in Vinkeveen.

Ook de plaatselijke schipperij speelde een rol bij de bouw. Schipper Leendert Zegert van Vliet vervoerde met zijn schip Door Gunst Verkregen de stenen voor het nieuwe kerkgebouw naar Vinkeveen.

De werkzaamheden verliepen kennelijk voorspoedig, want al op 11 november 1926 kon het nieuwe bedehuis officieel in gebruik worden genomen. Ds. Balhuizen leidde de feestelijke kerkdienst en preekte naar aanleiding van Psalm 96 vers 8: ‘Geeft den Heere de heerlijkheid van Zijn Naam, brengt offer en komt in zijn voorhoven’. Deze Bijbeltekst werd ook in de gevelsteen van de kerk aangebracht.

Kerk en pastorie in 1926.

Met de ingebruikname van het nieuwe gebouw kreeg de gemeente eindelijk een kerk die beter aansloot bij haar groei en haar plaats binnen de Vinkeveense samenleving.

De totale bouwkosten bedroegen destijds 29.000 gulden. Het oude houten kerkgebouw werd vervolgens verkocht. De nieuwe kerk aan de Herenweg 253 werd voortaan het middelpunt van het gereformeerde kerkelijke leven in Vinkeveen.

Droefheid binnen de gemeente.

Een gebeurtenis die binnen de gemeente ongetwijfeld diepe indruk maakte, was het overlijden van het negenjarige meisje Matje Verbrugge. Zij overleed op 5 juli 1927.

Haar vader, Arie Verbrugge, schreef naar aanleiding van haar leven en overlijden een bekeringsverhaal met de titel ’s Heeren lof uit een kindermond. Eenvoudig verhaal van den Bekeeringsweg van Matje Verbrugge. Het boekje werd veel gelezen en verscheen in de loop der tijd verschillende malen in druk en herdruk.

De zoveelste herdruk van het boekje over Matje.

In augustus 1930 liet ds. Balhuizen de kerkenraad schriftelijk weten dat hij zijn werkzaamheden wilde beëindigen. Hij voerde daarvoor drie redenen aan: zijn hoge leeftijd, het aflopen van het contractuele verband en de behoefte van de inmiddels gegroeide gemeente aan een jongere predikant.

Op 24 augustus 1930 nam hij afscheid. De Gereformeerde Kerk te Vinkeveen telde op dat moment ongeveer 360 leden.

Ds. G.J. Sybesma (van 1931 tot 1934).

Na het vertrek van ds. Balhuizen begon de kerkenraad opnieuw met het beroepingswerk. Het derde beroep bleek succesvol. Kandidaat G.J. Sybesma (1902-1977) nam het beroep naar Vinkeveen aan en deed op 27 september 1931 zijn intrede.

Het was de bedoeling geweest dat zijn vader, ds. G. Sybesma (1847-1930), hem zou bevestigen in het ambt. Deze was echter al op 20 april 1931 overleden. Daarom nam zijn oom, ds. K. van Anken (1881-1951) uit Delft, deze taak op zich.

Ds. G.J. Sybesma (1902-1977).

De crisisjaren dertig.

De jaren dertig werden gekenmerkt door een ernstige economische crisis. In oktober 1929 was de effectenbeurs op Wall Street in New York in figuurlijke zin ingestort. De gevolgen daarvan waren wereldwijd merkbaar. Ook Nederland kreeg te maken met grote economische problemen, die eveneens hun weerslag hadden op het kerkelijke leven, waaronder dat van Vinkeveen.

Werkloosheid en armoede namen toe en ook de kerkelijke inkomsten liepen terug. De kerkenraad vroeg zich af of het invoeren van een jaarlijkse vaste bijdrage wellicht een oplossing zou kunnen bieden.

Daarnaast werd, zoals op veel andere plaatsen, een zogenoemd schapenfonds ingesteld. Daarbij werd een lammetje voor een zo laag mogelijke prijs aangekocht. Het dier mocht vervolgens bij een van de gemeenteleden in de wei grazen. Wanneer het later werd verkocht, kwam de opbrengst ten goede aan de kerkelijke kas.

Ook werd overwogen geld te lenen uit het orgelfonds. Daarvoor werd tweemaal per jaar gecollecteerd om op termijn een nieuw orgel te kunnen aanschaffen. Niet iedereen binnen de gemeente voelde ervoor om het daarvoor bestemde geld tijdelijk voor andere doeleinden te gebruiken. Een nieuw orgel zou er overigens in 1935 daadwerkelijk komen.

Niet alleen in Amerika stonden de kranten er vol mee…

Vanuit het land werd in deze periode ook een beroep gedaan op de kerken om financieel bij te dragen aan een herdenkingsmonument in de gereformeerde kerk van Ulrum. Dit monument moest herinneren aan de Afscheiding van 1834, begonnen in Ulrum onder leiding van ds. H. de Cock (1801-1842), In 1934 werd deze gebeurtenis landelijk herdacht, onder meer met een grote tentoonstelling. De kerkenraad van Vinkeveen hield een besluit over een eventuele bijdrage voorlopig aan.

De tentoonstelling over de Afscheiding van 1834 in het Geografisch Instituut te Utrecht.

Een beroep naar Nederlands-Indië.

Het verblijf van ds. Sybesma in Vinkeveen duurde uiteindelijk niet lang. Er kwam namelijk een beroep uit het toenmalige Nederlands-Indië, destijds ook wel aangeduid als ‘Ons Indië‘ of de ‘Gordel van Smaragd’.

De Gereformeerde Kerk van Palembang, die op 13 augustus 1933 was geïnstitueerd, beriep hem als predikant. Ds. Sybesma nam het beroep aan en nam op 12 augustus 1934 afscheid van Vinkeveen. Hij werd daarmee de eerste predikant van de jonge gemeente in Palembang.

Deel 2 volgt binnenkort.

Bronnen onder meer:

A.W. Aarnoutse, Niet in eigen kracht. Dominee H.P. Rutgers in Gereformeerd Vinkeveen 1934-1948. Vinkeveen, z.j.

—-,  ‘Ik ben niet vroom [geweest]’. Gerrit Otto Verrips […], in: De Proosdijkroniek. Vinkeveen, 2023

De Bazuin. Stemmen uit De Gereformeerde Kerken in Nederland. Kampen, div. jrg.

M. Blokhuis en H. Hoogenhout, 125 jaar ‘Postwyck’. De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Baambrugge. Amsterdam, z.j.

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

De Heraut van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, diverse jaargangen

Predikanten en Oefenaars. Biografisch Woordenboek van de Kleine Kerkgeschiedenis. Houten, diverse delen. 1988-1998

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

“De Morgenster” in Vinkeveen: 100 Years (1).

A Century of Church History on the Herenweg.

The former ‘gereformeerde’ church building De Morgenster in Vinkeveen will celebrate its hundredth anniversary on 11 November 2026. However, celebrations marking this special anniversary have been taking place throughout the year.

In February, a church music afternoon was organised, followed by an auction in March and a large book market in June. In September, De Morgenster participated in Open Monument Day. In addition, a flea market and an oliebollen fundraising event were held in September and October respectively. The anniversary will also be celebrated on Sunday, 15 November, with a musical church service prepared in part by young people. Following the service, the anniversary publication 100 Years of the Church Building will be presented. It was compiled under the editorial supervision of Nelien van Vliet.

The centenary provides a wonderful opportunity to reflect on the history of the church community in Vinkeveen. Naturally, particular attention will be paid to the church building that was taken into use in 1926. However, the history of the ‘gereformeerde’ community goes back much further.

From a Wooden Church to a Brick Church.

The history of the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen, now known as De Morgenster, did not begin in 1926. Although the present church building on the Herenweg was not taken into use until that year, a ‘Gereformeerde’ community had existed in the village for several decades before then.

The Doleantie Movement in Vinkeveen.

During the nineteenth century, dissatisfaction with the direction taken by the ‘Hervormde’ Church also grew in Vinkeveen. The objections concerned not only the increasing influence of liberal theology, which many felt the church authorities were doing too little to resist, but also the way in which the church was organised.

Its administrative structure was based on the General Regulations for the Administration of the ‘Hervormde’ Church (Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk), imposed on the church by the government in 1816. This effectively set aside the centuries-old ‘gereformeerde’ Church Order of Dordrecht, dating from 1618–1619. Power became concentrated primarily in the General Synod. Opponents soon referred to this development as the ‘synodical hierarchy’. As a result, the independence of local congregations came under increasing pressure.

The Formation of the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen (1888).

In August 1888, the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (Doleerende)’ was established in Vinkeveen. This took place as part of the Doleantie, a movement led nationally by Dr A. Kuyper (1837–1920). For some time, a number of church members had wanted to break away from the governing bodies of the ‘Hervormde’ Church and continue independently as the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’. This was the name by which the ‘Hervormde’Church had been known before the reorganisation of 1816. They wanted to abolish the General Regulations (Algemeen Reglement) and “restore the authority and validity of the Church Order of Dordrecht”.

The group of members in Vinkeveen who supported the Doleantie included, at the very least, J. Berkelaar, C. Kroon, J. Kroon Czn., J. van der Neut, P. van der Neut, H. van Roon, J. Teeken and G.O. Verrips. Initially, they joined the Doleantist Church in neighbouring Baambrugge.

The Doleantie in Vinkeveen (13th of August 1888).

The Nederduitsche Gereformeerde Kerk in Baambrugge had been formally established on 2 May 1887. A few months later, on 28 November 1887, two church office-bearers were ordained there to serve the Doleantist members in Vinkeveen, where no independent congregation yet existed. They were G.O. Verrips (1850–1932), who was appointed as an elder, and P. van der Neut, who was to serve as a deacon.

Initially, the members in Vinkeveen who supported the Doleantie had actually intended to ask the ‘Hervormde’ Church Council in their own village to “undertake the reformation of the church”. However, they had little confidence that the church council would be willing to respond to their appeal. They therefore decided, for the time being, to join the Doleantist Church in Baambrugge.

Subsequently, on 13 August 1888 (and not on 19 December 1887, as is stated in some accounts!), the independent ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (Doleerende)’ in Vinkeveen was formally constituted under the auspices of that congregation. The Rev. J.J. Westerbeek van Eerten (1856–1926) of Mijdrecht played an important leading and advisory role in this development.

On 13 August 1888, two members of the church council were ordained to their respective offices by the Rev. Westerbeek van Eerten. They were C. Kroon, as elder, and D. van der Wilt, as deacon. From that moment onwards, Vinkeveen had its own ‘gereformeerde’ church council, thereby marking the formal establishment of the Nederduitsche Gereformeerde Kerk.

The first meeting of the church council was held in an old peat shed near the home of Pieter Klein. Initially, this shed also served as the meeting place for church services.

The services in the peat shed were regularly led by lay preacher J. Hartkamp (1837–1921) from Amersfoort. His involvement came to an end sometime in 1888, after he had requested that his name be removed from the membership register of the Doleantie church in Amersfoort. He declared that he no longer wished to be a member of the Doleantie movement.

Problems within the Young Congregation.

During this early period, Elder Verrips became chairman of the church council. He held this position from 1888 until 1892, at a time when the congregation did not yet have its own minister. Consequently, much of the responsibility rested on his shoulders.

In November 1892, however, rumours began circulating about his conduct. It was alleged that he had indulged too freely in Bacchus (the Roman god of wine) at an inn and had also played billiards there. According to the stories, he had not returned home until midnight, ‘despite having seven young children’.

Verrips denied having drunk too much, but admitted that he had played billiards. The church council considered the matter serious enough to ask him to resign from his office. The main concerns were his responsibility as an example to others and the credibility of the church council.

“The ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen” (1892).

Towards the end of the 1880s, discussions had begun at the national level between the synods of the Christian Reformed Church, which had emerged from the Secession of 1834, and the Nederduitsche Gereformeerde Churches, which had originated from the Doleantie of 1886.

After lengthy negotiations and considerable difficulties, the two church denominations united on 17 June 1892. Together, they continued under the name The ‘Gerefomeeerde’ Churches in the Netherlands (De Gereformeerde Kerken in Nederland).

The church council of the Doleantie congregation in Vinkeveen also joined this nationwide ‘Union’. From that moment onwards, the congregation was known as the ‘Gereformeerde’ Church of Vinkeveen (De Gereformeerde Kerk te Vinkeveen).

The ecclesiastical boundaries with neighbouring congregations then had to be established. It was agreed with the ‘Gereformeerde’ Church in Mijdrecht that the municipal boundary would also serve as the church boundary. This meant that ‘gereformeerde’ church members in neighbouring Waverveen would henceforth belong to the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen.

In the same year, the church boundaries with the ‘Gereformeerde’ Church in Wilnis were also jointly established.

The First Church Building (1893).

In 1893, the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen acquired its first church building of its own. It was a wooden church at Herenweg 233–235, situated behind a parsonage whose appearance was very much like that of a farmhouse.

The building plans were drawn up by contractor Mulckhuyse, who also undertook the construction work.

A special gift came from the sister congregation in Breukelen. This congregation donated an organ to Vinkeveen, which was installed in the church in 1894. The instrument probably remained in use until 1935.

Lay Preacher B.S. de Beer (1893–1894).

As early as January 1889, the church council of Vinkeveen had proposed to its counterpart in Baambrugge that they jointly call a minister. The annual stipend would be one thousand guilders, together with free accommodation. Each congregation would bear half the costs, and the minister would take up residence in the parsonage in Vinkeveen.

After various complications, nothing ultimately came of this joint appointment. The congregation therefore decided to look for a minister independently.

The choice fell on lay preacher B.S. de Beer (1857–1915) from Wageningen. However, his ministry did not prove successful. He had already encountered difficulties in his first posting, in Huizen. He was described as someone who was not easy to get along with and who regularly had disagreements with the church council. He was also regarded as ‘particularly sharp-witted’.

In Wageningen, his services as a lay preacher had only been required for a short time, since the minister who had been called there took up his post on 1 January 1893. At the beginning of February that year, De Beer moved to Vinkeveen. For the time being, he was appointed for one year.

When that period came to an end, there was little enthusiasm for extending his appointment. In fact, the church council asked the classis for permission to dismiss him. This request was granted. The reason given was that he had ‘openly made himself guilty of causing division within the church’.

De Beer subsequently decided to establish his own Independent ‘Gereformeerde’ Congregation (Vrije Gereformeerde Gemeente) in Vinkeveen. Conflicts with the church council soon arose there as well. Eventually, the congregation disappeared during the ministry of his successor. De Beer then moved to Delft.

Rev. P. Roos (1902–1916).

Around this time, the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen had approximately 150 members. Initially, an attempt was made to find a minister jointly with the congregation in Wilnis, but this initiative came to nothing.

The church council eventually began the calling process independently. After no fewer than seven candidates had declined the call, candidate P. Roos (1875–1940), a graduate of the Free University in Amsterdam, agreed to accept the appointment. Vinkeveen became his first congregation. He took up his ministry there on 2 October 1902.

Towards the end of his studies, Roos had planned to obtain a doctorate with a dissertation on missionary work in Formosa, the island now known as Taiwan. Unfortunately, another researcher had already beaten him to the subject, and he therefore missed out on the opportunity to earn his doctorate.

‘With his balanced interpretation of Scripture, Rev. Roos enabled the congregation to look at faith in a different way. The congregation had placed great emphasis on feelings, but Roos brought it back to the fundamental principles: “It is written; it has happened.”’

He was known as a peace-loving minister who preferred to avoid anything that might hurt people or set them against one another. Instead, he sought to emphasise what united people.

The Christian National School and the Growth of the Congregation.

During Rev. Roos’s ministry, the Christian National School (Christelijke Nationale School) was established in Vinkeveen. The school was located on the Herenweg, and Rev. Roos delivered the opening address.

The ‘Gereformeerde’ Church also experienced considerable growth during these years. In the fourteen years he worked in Vinkeveen, almost one hundred members were added to the congregation.

On 25 September 1916, Rev. Roos preached his farewell sermon. His next congregation was in Lekkerkerk.

Rev. J. Offringa (1917–1921).

After Rev. Roos’s departure, the church council turned its attention to retired minister Rev. J. Offringa (1847–1928), formerly of the ‘Gereformeerde’ Church in Westbroek and surrounding area.

He was asked to provide pastoral services in Vinkeveen for a period of four years. He agreed and made himself fully available to the congregation for the agreed period. He began his work in Vinkeveen on 1 October 1917.

Although he was already seventy years old, the church council still considered him ‘vigorous and clear-minded’.

No New Church Yet.

During Rev. Offringa’s ministry, the question of accommodation for the congregation also came under discussion. The existing church building was increasingly showing signs of structural decay. The question therefore arose as to whether the existing church could still be extended or whether an entirely new building would be necessary.

For the time being, however, the church council decided against either renovating the existing building or constructing a new one. It did decide to establish a building fund so that money could already be set aside for future plans.

On 5 October 1921, Rev. Offringa said farewell to the congregation, which then numbered approximately 250 members. He moved to Ermelo, where his wife was receiving medical care.

Rev. J.C. Balhuizen (1922–1930).

After Rev. Offringa’s departure, the church council once again looked for a retired minister willing to provide pastoral services in Vinkeveen. This time, the choice fell on Rev. J.C. Balhuizen (1854–1939) from the Frisian village of Sexbierum. He had served as a minister in that village for approximately twenty-seven years.

He took up his ministry in Vinkeveen on 12 November 1922 and would remain there for approximately eight years.

The New Church (1926).

Meanwhile, the need for a new and suitable church building was becoming increasingly urgent. Although a few years earlier the decision had been made to postpone any new construction plans, it was becoming increasingly clear that the existing building no longer met the congregation’s needs.

After consulting the congregation, the church council decided in January 1925 to revive the plans for a new church and parsonage.

On 1 March 1925, a plot of land was purchased from the Groen in ’t Woud family. The site was located on the Herenweg and was intended for the new buildings. In November of that year, the church council decied to entrust the plans, for which a provisional budget of 25,500 guilders had been drawn up, to architect D. Stuurman from Gouda. A few months later, the construction contract was awarded to the building firm Neven and Roodenburg from Lekkerkerk.

On 14 June 1926, the foundation stone-laying ceremony took place. The stone was laid by Gerrit Otto Verrips, once again giving him a special place in the history of the ‘Gereformeerde’ congregation. After all, he had been closely involved in church life in Vinkeveen from its earliest days.

The local shipping community also played a part in the construction. Skipper Leendert Zegert van Vliet transported the bricks for the new church to Vinkeveen aboard his vessel, Door Gunst Verkregen (Obtained Through Favour).

The work evidently progressed smoothly, because the new house of worship was officially opened on 11 November 1926. Rev. Balhuizen led the celebratory church service and preached on Psalm 96, verse 8: ‘Give unto the LORD the glory due unto his name: bring an offering, and come into his courts.’

This Bible verse was also incorporated into the church’s commemorative stone on the façade.

With the opening of the new building, the congregation finally had a church that better reflected its growth and its place within Vinkeveen society.

At the time, the total construction costs amounted to 29,000 guilders. The old wooden church building was subsequently sold. The new church at Herenweg 253 would henceforth become the centre of ‘Gereformeerde’ church life in Vinkeveen.

Sorrow within the Congregation.

One event that undoubtedly made a deep impression on the congregation was the death of nine-year-old Matje Verbrugge. She died on 5 July 1927.

Following her life and death, her father, Arie Verbrugge, wrote an account of her spiritual conversion entitled ‘s Heeren lof uit een kindermond. Eenvoudig verhaal van den Bekeeringsweg van Matje Verbrugge (The Lord’s Praise from a Child’s Mouth: A Simple Account of Matje Verbrugge’s Path to Conversion).

The booklet was widely read and went through several editions and reprints over the years.

In August 1930, Rev. Balhuizen informed the church council in writing that he wished to end his ministry. He gave three reasons: his advanced age, the expiry of his contractual appointment and the growing congregation’s need for a younger minister.

On 24 August 1930, he preached his farewell sermon. At that time, the ‘Gereformeerde’ Church in Vinkeveen had approximately 360 members.

Rev. G.J. Sybesma (1931–1934).

After Rev. Balhuizen’s departure, the church council once again began the process of calling a new minister. The third call proved successful. Candidate G.J. Sybesma (1902–1977) accepted the call to Vinkeveen and took up his ministry on 27 September 1931.

It had originally been intended that his father, Rev. G. Sybesma (1847–1930), would ordain him into the ministry. However, his father had died on 20 April 1931. Consequently, his uncle, Rev. K. van Anken (1881–1951) from Delft, performed this duty instead.

The Economic Crisis of the 1930s.

The 1930s were characterised by a severe economic crisis. In October 1929, the stock market on Wall Street in New York had, figuratively speaking, collapsed. The consequences were felt throughout the world. The Netherlands also faced major economic difficulties, which affected church life as well, including that of the congregation in Vinkeveen.

Unemployment and poverty increased, while church income declined. The church council began considering whether introducing a fixed annual contribution might offer a solution.

In addition, a so-called ‘sheep fund’ (schapenfonds) was established, as happened in many other places. A lamb was purchased for the lowest possible price and then allowed to graze in the pasture of one of the church members. When the animal was eventually sold, the proceeds went into the church’s funds.

The possibility of borrowing money from the organ fund was also considered. Collections were held twice a year to save towards the purchase of a new organ. Not everyone in the congregation was in favour of temporarily using the money set aside for this purpose for other expenses. As it happened, a new organ would indeed be installed in 1935.

During this period, churches throughout the country were also asked to contribute financially towards a memorial in the ‘Gereformeerde’ Church in Ulrum. The monument was intended to commemorate the Secession of 1834, which had begun in Ulrum under the leadership of Rev. H. de Cock (1801–1842).

In 1934, this historic event was commemorated nationwide, including through a major exhibition. The church council in Vinkeveen initially postponed making a decision about whether to contribute financially.

A Call to the Dutch East Indies.

Rev. Sybesma’s stay in Vinkeveen ultimately proved to be relatively short. A call came from what was then the Dutch East Indies, also known at the time as ‘Our Indies’ or the ‘Emerald Belt’.

The ‘Gereformeerde’ Church in Palembang, which had been formally established on 13 August 1933, called him to serve as its minister. Rev. Sybesma accepted the call and preached his farewell sermon in Vinkeveen on 12 August 1934. He thus became the first minister of the young congregation in Palembang.

Part 2 will follow shortly.