Een kerkelijk avontuur

De Doleantie in Zuid-Holland Zuid.

 door J.C. Okkema

De Doleantie, de tweede grote kerkelijke afscheidingsbeweging in de 19de eeuw, is aan de provincie Zuid-Holland niet ongemerkt voorbijgegaan. In het zuiden van deze provincie heeft de Doleantie met name in de steden en dorpen ten noorden van de Nieuwe Maas, alsmede in bepaalde streken op de eiland en in de waarden, de gemoederen hevig in beroering gebracht.

“Het in januari 1887 gehouden Gereformeerd Kerkelijk Congres te Amsterdam heeft op velen een stimulerende werking gehad om de ‘reformatie der kerk’ ter hand te nemen” (ill.: De Heraut, 2 januari 1887).

De oorzaak van het conflict is overal gelijk: de onvrede met de synodale organisatie en het terugverlangen naar de oude belijdenis en kerkorde. De aanleiding verschilde echter van streek tot streek. Plaatselijke kerkelijke conflicten speelden daarbij vaak een belangrijke rol. In een aantal gemeenten was er duidelijk sprake van een goed georganiseerde actie, waaraan een jarenlange voorbereiding vooraf ging. Het Gereformeerd Kerkelijk Congres dat in januari 1887 in Amsterdam werd gehouden en waar instructies werden gegeven hoe men plaatselijk de reformatie van de kerk moest organiseren, heeft op velen een stimulerende werking gehad.

Doleantie aan de Maas.

Terug naar de Dordtse Kerkenorde, luidde het besluit van de Rotterdamse kerkenraad op 5 januari 1887. Daarmee werd de [door de overheid ingevoerde] kerkorde van 1816, [het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’], alle kracht en geldigheid ontzegd. Tegelijk koos de kerkenraad voor de gemeente de oude naam: de Nederduitsche Gereformeerde Kerk.

Ds. F. Lion Cachet (1835-1899) – hier op jongere leeftijd – was in Rotterdam een van de predikanten die de band met de synodale hiërarchie verbrak.

De Doleantie in de Maasstad was niet zomaar uit de lucht komen vallen. Er heerste al geruime tijd een meningsverschil tussen het Classicaal Bestuur en de meerderheid van de Rotterdamse [hervormde] kerkenraad. Wat was er gebeurd? Wel, in 1883 benoemde de classis Rotterdam een commissie, die onder meer moest onderzoeken, in hoeverre de synodale organisatie als bindend moest worden beschouwd. Ook moest ze met voorstellen komen ‘hoe de Regeering en de Organisatie der Gereformeerde Kerken dezer landen weder in wettigen toestand te brengen zijn’.

Het resultaat van het onderzoek was zeer mager: de tegenwoordige synodale organisatie was onwettig ingevoerd, maar moest op dit ogenblik als bindend worden beschouwd. De Commissie vond dat reorganisatie langs reglementaire weg moest plaatsvinden.

Vele gereformeerden, en met hen de meerderheid van de Rotterdamse kerkenraad, stonden een andere manier van vrijmaking van de kerk voor. De organisatie van 1816 was, naar hun mening, aan de plaatselijke gemeenten opgedrongen zonder dat zij hierover gehoord waren. De invoering was daarom onwettig, onbijbels en ongereformeerd. De enige oplossing was daarom: breken met de organisatie.

Gevolgen.

Toen in 1886 de Amsterdamse kerkenraad geschorst werd, diende de kerkenraad van Rotterdam onmiddellijk bij de synode een protest tegen deze schorsing in. In datzelfde jaar werden drie Rotterdamse ouderlingen voorlopig geschorst door het Classicaal Bestuur, omdat ze weigerden dienst te doen bij de avondmaalsvieringen door een tweetal vrijzinnige predikanten. De kerkenraadsleden staken hun mening over de synodale hiërarchie niet onder stoelen of banken. Dat bracht het Classicaal Bestuur ertoe de kerkenraad door middel van een officieel schrijven te waarschuwen voor de ‘mogelijke gevolgen voor U en de Gemeente, indien deze uitgesproken overtuiging tot eenig voorstel ter verbreking van het kerkelijk verband mocht leiden’. Dat gebeurde op 31 december 1886.

Samen met ds. Lion Cachet verbrak ds. G.H.J.W.J. Geesink (1854-1929) in Rotterdam de band met de synodale hiërarchie.

Nog geen week later, op 5 januari 1887, was de Doleantie in Rotterdam een feit geworden. Het overgrote deel van de kerkenraad, onder aanvoering van de predikanten F. Lion Cachet [1835-1899] en G.H.J.W.J. Geesink [1854-1929], verbrak op die dag de band met de synodale organisatie. Het Classicaal Bestuur greep onmiddellijk in. Reeds de volgende dag werden de Dolerende predikanten, ouderlingen en diaken geschorst. De Dolerende kerkenraad moest met haar duizenden volgelingen uitwijken naar een drietal zalen, omdat de oude kerkgebouwen voor hen gesloten werden.

Fel verzet.

Ds. T.H. Woudstra (1854-1931) van Maassluis.

Maassluis volgde op 3 maart 1887 het Rotterdamse voorbeeld. In deze stad, de geboorteplaats van dr. A. Kuyper (1837-1920), stond in die dagen de gereformeerde predikant T.H. Woudstra [1854-1931], die zich fel verzette tegen de synodale hiërarchie. In februari 1887 werd hij door het Classicaal Bestuur van Rotterdam geschorst wegens zijn optreden in het Rotterdamse Verkooplokaal (een van de Dolerende ’kerkgebouwen’), en het bijwonen van het Gereformeerd Kerkelijk Congres. Het antwoord van de kerkenraad van Maassluis volgde op bovengenoemde datum. Met 8 stemmen voor, 1 tegen en 1 blanco besloot de kerkenraad in Doleantie te gaan.

In de daaropvolgende maand begon het in Schiedam te spannen. Ds. H.H. Veder [1853-1913], sinds 1883 aan de kerk van Schiedam verbonden, kon zich niet meer met de gang van zaken binnen de kerk verenigen en legde per 16 april 1887 zijn ambt neer. Enige honderden aanhangers besloten toen afzonderlijke diensten te gaan houden. Op 19 april van dat jaar kwamen ze bijeen in het Verenigingslokaal aan de Lange Haven. Hier werden onder leiding van de Rotterdamse predikant G.H.J.W.J. Geesink ouderlingen en diakenen gekozen. Enige weken later, op 8 mei, werden deze door ds. Veder, die officieel geen predikant meer was, in het ambt bevestigd. In diezelfde bijeenkomst werd ds. Veder beroepen als predikant van de Dolerende kerk. Dit beroep nam hij terstond aan.

Ds. H.H. Veder (1853-1913) van Schiedam.

Vlaardingen volgde als vierde stad aan de Maas korte tijd later. Vanaf 24 april 1887 hield een groot aantal gereformeerde leden van de hervormde gemeente eigen godsdienstoefeningen in het Zendingslokaal een Kuiperstraat. In deze diensten gingen Dolerende predikanten als H.H. Veder en G. Vlug [1843-1912] (van Leiderdorp voor. Het duurde echter nog tot 26 juni van dat jaar voordat de breuk definitief werd. Op die datum werden de leden van de Dolerende kerkenraad in het ambt bevestigd door ds. Veder.

Ds. G. Vlug (1843-1912) van Leiderdorp.

De Doleantie ten noorden van de Maas schreed voort. In het dorp Kralingen was op 8 mei 1887 een Dolerende kerk geïnstitueerd. Het in 1886 door Rotterdam geannexeerde stadje Delfshaven volgden op 22 december. En nog juist op de laatste dag van het jaar 1887 werden in Capelle aan den IJssel in een dienst, waarin de Rotterdamse predikant A. van Veelo [1844-1910] voorging, de leden van de Dolerende kerkenraad gekozen. Enige weken daarna [op 19 januari 1888] was ook hier de Doleantie een feit geworden.

Krassen in een notulenboek.

Ds. Fortuin (1853-1928) van Barendrecht.

Een van de meest opmerkelijke Dolerende kerken trof men aan in Barendrecht, een gemeente op het eiland IJsselmonde. Hier stond sinds 1884 de gereformeerde predikant ds. F. Fortuin (1853-1928). Hij kreeg te maken met een kerkenraad die geheel uit rechtzinnige leden bestond. Het sprak vanzelf dat de kerkenraad vrijwel onmiddellijk na het Kerkelijk Congres, op 29 januari 1887, besloot de band met de synodale organisatie te verbreken. Het overgrote deel van de gemeenteleden en ook kerkvoogden en notabelen schaarden zich achter dit besluit. Kerkgebouw en andere kerkelijke goederen bleven in het bezit van de Dolerenden.

Onder druk van het Classicaal Bestuur, dat een proces tegen de kerkenraad aanspande, werd in het voorjaar van 1890 besloten het kerkgebouw te verlaten en de goederen over te dragen aan de nieuw geïnstitueerde hervormde gemeente. Onder deze goederen viel ook het archief. De Dolerende kerkenraad had o.a. het ‘hervormde’ notulenboek gebruikt voor haar kerkenraadsverslagen. Bij het doorbladeren van dit register ontdekt men dat de hervormde kerkenraad de ‘Dolerende‘ notulen heeft doorgekrast. Deze periode moest zo snel mogelijk vergeten worden.

Lastige vrijzinnigen.

Ds. J.J. Bajema (1844-1927) van Zuidland.

Evenals in Barendrecht was de Doleantie in Zuidland, een dorp in het westelijke gedeelte van het eiland Voorne-Putten, goed voorbereid. De hervormde gemeente bezat sinds 1884 een rechtzinnig predikant, had een rechtzinnige kerkenraad en bestond voor een groot gedeelte uit rechtzinnige gemeenteleden. Op het Kerkelijk Congres was Zuidlands predikant ds. J.J. Bajema [1844-1927] aanwezig. Samen met zijn kerkenraad besloot hij aan de hand van de op het Congres verkregen instructies de ‘reformatie’ van de kerk ter hand te nemen.

De kerkenraad van Zuidland brak op 14 februari 1887 met de synodale hiërarchie en riep de gemeenteleden op haar hierin te volgen. De meeste leden konden zich in het kerkenraadsbesluit vinden. Maar, en hierin ligt een verschil met de gemeente van Barendrecht, in Zuidland woonden ook verschillende vrijzinnige leden, die er niet over peinsden dit besluit te onderschrijven. Zij gingen eigen bijeenkomsten beleggen in een bewaarschool, die hun door het gemeentebestuur kosteloos werd afgestaan.

Op 12 februari werden ds. Bajema en zijn kerkenraad door het Classicaal Bestuur geschorst. Datzelfde bestuur begon in september een proces om het eigendomsrecht van de kerkelijke goederen, een proces dat de Dolerenden in 1890 verloren. In december 1888 kwamen ze voor de laatste maal in het oude kerkgebouw bijeen. Voorlopig werd er gekerkt in de nieuwe christelijke school en in de grote vlasschuur van De Hoog.

In de christelijke school te Zuidland werden de eerste Dolerende kerkdiensten gehouden.

Vanuit Zuidland woei de Doleantie over naar enige andere gemeenten op het eiland. Nieuw-Helvoet en Rockanje volgden op 26 juni 1887, terwijl Tinte de rij sloot op 4 oktober 1890.

In de Dolerende hemel.

“Ook Heinenoord  is de vorige week, naar De Heraut meldt, den ‘Doleerenden’ hemel binnengegaan”. Door middel van deze ironische zinsnede werden de lezers van het Rotterdamse christelijke weekblad De Nieuwe Sprokkelaar in maart 1887 op de hoogte gesteld van het feit, dat in Heinenoord de Doleantie had plaatsgevonden.

Heinenoord: een kleine gemeente aan de Oude Maas in het noorden van de Hoekse Waard. De gemeente, waar van 1857 tot 1869 de bekende Hendrik Pierson predikant was. De aanleiding tot de Doleantie in dit dorp was een onenigheid binnen de kerkenraad over de bevestiging van enige jongeren tot lidmaten van de gemeente. Drie van de vijf kerkenraadsleden maakten bij die gelegenheid hun ongenoegen over het ‘synodale juk’ kenbaar.

Het Classicaal Bestuur besloot op 2 maart 1887 de drie Dolerende kerkenraadsleden te schorsen. Dezen waren inmiddels met hun aanhang al eigen diensten gaan beleggen. In het eerste jaar van haar bestaan werd de dolerende kerk van Heinenoord geleid door enige consulenten. Op 30 september 1888 deed de later zo bekend geworden ds. R.J.W. Rudolph (1862-1914) hier als eerste predikant zijn intrede.

Ds. R.J.W. Rudolph (1862-1914) van Heinenoord.

De Dolerende kerk van Heinenoord was in die eerste jaren een echte streekgemeente. De Doleantie kwam in de Hoekse Waard nauwelijks van de grond. In 1890 ontstonden in Oud-Beijerland en in Strijen nog Dolerende kerken. Daar bleef het echter bij.

En de kerkenraad antwoordde niet.

In Hollands oudste stad, Dordrecht, waren in de jaren tachtig de verhoudingen binnen de hervormde gemeente danig verziekt. Er ontstonden onder meer problemen met ouderlingen, die weigerden te assisteren bij het aannemen van catechisanten van moderne predikanten. Gemeenteleden trokken min of meer openlijk partij voor bepaalde predikanten. En wat deed de kerkenraad? Niets, totaal niets. De fut leek er bij de heren uit te zijn. Ze reageerden nergens meer op, zelfs niet op de stukken, die onder meer over het Amsterdamse conflict en het Kerkelijk Congres binnenkwamen.

Ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) te Zetten.

Inmiddels hadden enige actieve gemeenteleden zich in een commissie verenigd, die aan de hand van de door het Kerkelijk Congres ontworpen regelingen, de ‘reformatie’ van de kerk ging voorbereiden. De commissie hield bijeenkomsten waarop door bekende Dolerende predikanten, zoals Van Veelo uit Klundert en F.P.L.C. Van Lingen [1832-1913] uit Zetten, tot een breuk met de synodale hiërarchie werd aangespoord. Een verzoekschrift, dat namens driehonderd gemeenteleden bij de kerkenraad werd ingediend en waarin om ‘reformatie’ van de kerk werd verzocht, bleef onbeantwoord. Toen vond de commissie het welletjes. Ze besloot zelf de ‘reformatie’ ter hand te nemen. Op 1 augustus 1887 had ze haar werk voltooid. De Doleantie was in Dordrecht een feit geworden. Van de zijde van de Dolerende classis Rotterdam werd ds. Lion Cachet aangewezen om de kerk van Dordrecht als consulent te dienen.

Ds. F. Lion Cachet (1835-1899) van Rotterdam.

De schuur van Slob.

De roep om in Giessen-Nieuwkerk, in de Alblasserwaard, tot afwerping van het synodale juk over te gaan, vond bij een groot aantal leden van de hervormde gemeente in dit dorp gehoor. Enige van de meest invloedrijke leden hadden het Kerkelijk Congres bijgewoond. De dolantiegezinde leden besloten bijeenkomsten te houden, waarvoor vermaarde (Dolerende) sprekers werden uitgenodigd, die de fouten in de organisatie moesten aantonen en die tevens moesten opwekken om tot ‘reformatie’ over te gaan. Deze opwekkingsbijeenkomsten, waar onder meer ds. Van Veelo nogal eens voorging, vonden plaats in de schuur van Wouter Slob.

Een verzoekschrift aan de kerkenraad om tot reformatie over te gaan werd niet beantwoord, waarna werd besloten zich niet langer te stellen onder een kerkenraad ‘die Gods Woord en ordinantiën niet wilde handhaven’. Onder leiding van ds. Lion Cachet werd een nieuwe (Dolerende) kerkenraad gekozen. Tot 1889 bleven de Dolerenden in de schuur kerken; in dat jaar werd een houten kerkgebouw in gebruik genomen.

Tot de Dolerende kerk van Giessen-Nieuwkerk behoorde ook een aantal leden dat woonachtig was in het naburige dorp Giessen-Oudkerk. In de loop van het jaar 1888 ontstond er onenigheid tussen de Dolerenden van beide dorpen. Deze onenigheid liep zo hoog op dat de leden in Giessen-Oudkerk besloten zich los te maken van de kerk van Giessen-Nieuwkerk en een eigen Dolerende kerk te institueren. Alzo geschiedde het [op 6 januari 1889]. Op 12 februari 1889 leidde ds. Van Veelo hier de eerste dienst.

Ook in enige andere dorpen in de Alblasserwaard was de Doleantie inmiddels op gang gekomen. Ottoland maakte zich op 24 januari 1888 vrij, terwijl Molenaarsgraaf op 27 november van dat jaar volgde.

Stem van de profeten.

In verschillende gemeenten was de Doleantie goed voorbereid. Verantwoordelijk hiervoor was een aantal goed opgeleide predikanten, bijgestaan door actieve kerkenraadsleden. De predikanten beperkten zich wat hun activiteiten betrof niet tot hun eigen kerkelijk terrein. Nee, men trof hen ook aan in naburige of verder weg gelegen gemeenten, waar zij met onvermoeide ijver, zoals eens de Oudtestamentische profeten, het kerkvolk aanspoorde om tot ‘reformatie’ van de kerk over te gaan. Bij vacante Dolerende kerken traden zij op als consulenten en stelden daar orde op zaken.

“Ds. A. van Veelo (1844-1910) ontpopte zich als een waar profeet van de grote Kuyper”.

Ds. A. van Veelo ontpopte zich als een waar profeet van de grote Kuyper. Eerst vanuit Klundert (waar hij de Doleantie leidde), en sinds december 1887 vanuit Rotterdam, ondernam hij een ware zendingsreis over de eilanden en door de waarden van Zuid-Holland. Men hoeft er het kerkelijk weekblad De Hoop maar op na te slaan om kennis te nemen van het vele werk dat hij voor de verbreiding van de Doleantie heeft verricht.

Het ijveren van Kuypers profeten heeft echter niet kunnen bewerkstelligen dat alle gereformeerde predikanten en gemeenteleden de band met de synodale hiërarchie verbraken. Het was voor de leiders van de Doleantie een grote teleurstelling dat velen van hen, om wat voor redenen dan ook, de Nederlandse Hervormde Kerk trouw bleven.

Ook hadden zij de macht van de kerkelijke organen, met name die van de classicale besturen, onderschat. Deze laatste kwamen uiteindelijk zegevierend uit de strijd. Wel moet gezegd worden, dat de overwinning die ze op de Dolerende kerkenraden hadden behaald, vaak een Pyrrusoverwinning was. Want de vele duizenden in Zuid-Holland-Zuid, die gehoor hadden gegeven aan de stem van de profeten, keerden niet terug tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij volgden hun leiders in het grote kerkelijke avontuur dat men de Doleantie noemt.

Bron:

J.C. Okkema, Een kerkelijk avontuur. In: Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land. Deel 5, Zuid-Holland Zuid. Uitgeverij J.H. Kok, Kampen, 1984.

Dit artikel werd met toestemming van uitgeverij Kok overgenomen uit het bovengenoemde geschrift. De redactie van GereformeerdeKerken.info voegde behalve de illustraties ook [tussen vierkante haakjes] enkele aanvullende gegevens toe.