Kerk ‘De Korenaar’ te Hazerswoude vijftig jaar

Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het kerkgebouw van de Protestantse Gemeente ‘De Korenaar’ in het Zuid-Hollandse Hazerswoude-Dorp wordt op zondag 27 oktober 2019 een feestelijke kerkdienst gehouden. De Korenaar werd op 29 oktober 1969 als gereformeerde kerk in gebruik genomen. We beschrijven hieronder (1) hoe de Gereformeerde Kerk te Hazerswoude ontstond en  verder ging, waarna we ons (2) richten op de totstandkoming van De Korenaar.

‘De Korenaar’ te Hazerswoude bestaat vijftig jaar!

1. Hoe de kerk ontstond.

In ieder geval voor de twintigste juni 1864 werd de Gereformeerde Kerk te Hazerswoude-Dorp geïnstitueerd als Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis, behorende tot het kleine kerkgenootschap van de Gereformeerde Kerk onder ‘t Kruis. Deze had zich rond 1838 afgesplitst van de hoofdstroom van de Afscheiding van 1834, de Christelijke Afgescheidene Kerk in Nederland. De Kruisgezinden wilden zich houden aan de Dordtse Kerkorde en niet ‘onder het juk van een eigen maaksel’ voortleven, zoals bijvoorbeeld de Utrechtse Kerkorde, die door ds. H.P. Scholte (1805-1868) was opgesteld. Ook wilden ze  (om verschoond te blijven van vervolging door de overheid) geen erkenning bij de regering aanvragen omdat ze dan afstand zouden moeten doen van de benaming ‘gereformeerd’. Nog andere verschillen van inzicht zorgden voor de kerkscheuring in 1838.

Kaart: Google.

Een conventikel.

Maar al ver daarvoor bestond in Hazerswoude een conventikel (mogelijk zelfs meer dan een), een groep van gemeenteleden die zich in de hervormde kerk niet meer thuis voelden en daarom aan huis godsdienstoefeningen hielden. Maar of ze tot de groep volgelingen van ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863) behoorden, dan wel dat ze zich thuis voelden bij de Kruisgezinden, is moeilijk uit te maken.

In de woning van Jacob van Beek aan het Westeinde werden de bijeenkomsten van het conventikel gehouden (foto: De Afscheiding van 1834).

Tussen 1838 en 1842 scheidde zich een aantal leden van de hervormde gemeente af, van wie we hier slechts noemen Johannes Marseille en zijn echtgenote, Jacob van Beek en zijn vrouw, Johannes van den Toorn en J. de Roos. Zeker is dat Jacob van Beek en zijn echtgenote tot het conventikel behoorden. Anderen woonden wel deze ‘tijdelijke huisgodsdienstoefeningen’ bij, maar wilden zich niet van de hervormde kerk afscheidden, omdat ze wat dat betreft eensgeestes waren met ds. L.C.G. Ledeboer, die dat ten diepste ook niet wilde.

Het conventikelgangers kwamen bijeen op de boerderij van Jacob van Beek aan het Westeinde te Hazerswoude, ‘om over God en Zijn dienst te spreken, een preek te lezen, te bidden ten zingen’. Niet alleen inwoners van Hazerswoude, maar ook personen ‘van heinde en verre’, uit Benthuizen, Boskoop, Bleiswijk en Zoetermeer, woonden de bijeenkomsten bij. Ewoud Manheer uit Bleiswijk had de leiding.

Een bekend portret van Ds. H.J. Budding (1810-1870) zoals hij er uit gezien moet hebben.

Na verloop van tijd kwamen ook ds. H.J. Budding (1810-1870) en de al genoemde ds. Ledeboer er wel eens preken, maar ‘daarmee konden ze het in het geheel niet eens worden’.

Oefenaar Woutherus Bekker (1821-1896).

Toen zij niet meer Hazerswoude kwamen werden oefenaars als Woutherus Bekker (1821-1896) en Laurens van Wijk (1803-1864) gevraagd zo nu en dan ‘een stichtelijk woord’ te spreken. Woutherus Bekker had een vaardige pen,  schreef meerdere preken die in druk verschenen en schreef ook kinderboekjes. Vanaf 1845 bediende hij in Hazerswoude zelfs de sacramenten, zonder als predikant geordend te zijn. In 1850 vertrok hij naar Amsterdam, waar hij lange tijd oefenaar was.

Oefenaar Laurens van Wijk (1803-1864).

Een verzoek aan de koning (1848).

De leden van het conventikel stuurden begin 1848 een verzoekschrift aan de koning. Daarin beklaagden ze zich erover beroofd te zijn van hun vrijheid, terwijl die wel gegund werd aan hen die van ‘de leer der Waarheid zijn afgeweken’, waarmee ze  predikanten in de hervormde kerk bedoelden. De ondertekenaars konden zich daarmee niet verenigen en merkten op dat de vrijzinnigheid in de hervormde kerk haar oorsprong vond in de invoering van het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk, dat door de overheid in 1816  aan de hervormde kerk was opgedrongen.

De eerste uitgave van het Algemeen Reglement van 1816.

Nee, de ware leer, zo schreven ze, was te vinden in de drie belijdenisgeschriften, die in de hervormde kerk echter niet gehandhaafd werden, maar evenmin, zo gingen ze verder, in de Afgescheiden Gemeenten aan wie door de koning vrijheid verleend was. Omdat ze nu inmiddels godsdienstige bijeenkomsten moesten houden met meer dan twintig personen – wat door de overheid verboden werd  – moesten ze in feite wel wetsovertreders worden. Vandaar dat ze de koning vroegen hun vrijheid van godsdienstoefening te geven. Het eind van het verhaal was, dat ze door de koning verwezen werden naar de plaatselijke overheid. Volgens dr. Smits heeft men zich niet meer tot het plaatselijk bestuur gewend en geen ‘vrijheid’ aangevraagd.

Hazerswoude (Dorp) heel lang geleden…

Dan maar een verzoek aan de Tweede Kamer (1853).

In 1848 werd de nieuwe grondwet ingevoerd. Aan de ene kant was de koning nu het grootste deel van zijn macht kwijt –  “de koning is onschendbaar, de ministers zijn aansprakelijk” – anderzijds werden bijeenkomsten van niet door de overheid erkende Afgescheiden gemeenten  niet langer door overheidsdienaren uiteen gedreven.

Desondanks werd in 1853 door de conventikelgangers een verzoekschrift aan de Tweede Kamer gezonden, waarin ze meedeelden dat ze zich niet konden verenigen met de leer die in hervormde kerk gepredikt werd maar dat ze zich desondanks niet van die kerk wilden afscheiden. Wel hadden ze door de vrijzinnige prediking in de hervormde kerk een lokaal moeten laten bouwen om daarin hun eigen godsdienstoefeningen te kunnen houden.

Met ‘het lokaal’ werd bedoeld het huis dat Jacob van Beek,  zijn twee zoons en een paar schoonzoons in 1852 aan de Dorpsstraat (hoek latere Gemeneweg) hadden gekocht, dat met gezwinde spoed afgebroken en vervangen was door een kerkje, waar zo’n tweehonderd dorstigen naar het Woord een plaats konden vinden.

Maar het plaatselijk bestuur verbood hun  daar godsdienstoefeningen te houden zolang ze niet door de hoge overheid erkend waren. De ondertekenaars vonden echter dat B en W hun het recht van het houden van kerkdiensten niet konden betwisten, reden waarom de Tweede Kamer gevraagd werd ‘door hare tusschenkomst wegneming van die bezwaren te erlangen’.

De commissie die het verzoekschrift behandelde vond ook dat B en W ‘het bijeenkomen tot onderlinge stichting’ niet mocht bemoeilijken. Men stuurde de brief door naar de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, maar er werd uiteindelijk niet op gereageerd. De Wet op de Kerkgenootschappen kwam er in 1853  immers aan, waardoor de problemen wat dat betreft hoe dan ook voorbij waren.

Toch weer een verzoek aan de koning (1856).

Koning Willem III (1870-1890).

Het conventikel wilde graag ‘kerk’ worden. Men kwam op het idee  een orthodoxe hervormde predikant te beroepen (men wilde zich immers niet afscheiden van de hervormde kerk, maar verlangde wel een rechtzinnige prediking). Daarom schreven de broeders op 10 oktober 1856 opnieuw een brief aan de koning. Ze vroegen of hij toestemming wilde geven ‘dat wij voor ons een Waarheid belijdenden Leeraar uit de Nederlandsche Hervormde Kerk mogen beroepen, zonder subsidie van ’s Lands wege te erlangen’. Het verzoek werd echter afgewezen. Toen bleef niet veel anders meer over dan het conventikel om te vormen tot een kerkelijke gemeente.

Een concurrerend conventikel.

Ds. W.H. Gispen (1833-1909).

In 1861 was Jacob van Beek overleden, de man die de kerk aan de Dorpsstraat bouwde. Vlak voor zijn overlijden was in Hazerswoude een – wat genoemd werd – ‘tegengezelschap’ opgericht, een nieuw conventikel. Daar preekte zo nu en dan ook ds. W.H. Gispen (1833-1909), van 1856 tot 1859 predikant bij de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis te De Lier en vanaf 1859 te Vlissingen. Maar hij had al snel door dat de leiders van dat nieuwe conventikel zich alleen maar wilden afzetten tegen het  gezelschap dat in de Dorpsstraat bijeenkwam. Daarom bleef ds. Gispen er in het vervolg weg. Kort daarop ‘spatte het gezelschap uit elkaar als een bom…, of was het als een storm in een glas water?

De instituering van de gemeente (1864).

Ds. R. Veldman (1830-1869)  van Den Haag institueerde de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis te Hazerswoude.

Toen wist men het zeker. De broeders in de Dorpsstraat zochten contact met ds. R. Veldman (1830-1869) van de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis te ‘s-Gravenhage. Deze werd bereid gevonden de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis te Hazerswoude te institueren door het laten houden van ambtsdragersverkiezingen en de verkozenen in het ambt te bevestigen. Dit gebeurde zeer waarschijnlijk in de eerste helft van 1864. Van de instituering maakte hij namelijk melding op de Algemeene Vergadering van de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die eind juni 1864 bijeenkwam. Als kerkenraadsleden fungeerden toen de ouderlingen S. van Beek en Joh. Francken en de diakenen J. van Beek en J. Zintel.

Notulen v.d. Algemene Vergadering van de Kruisgemeenten, eind juni 1864.

De eerste predikant: ds. J.W.A. Notten (van 1864 tot 1868).

Op 11 september 1864 deed de eerste predikant zijn intrede. Het was de 21-jarige ds. J.W.A. Notten (1843-1914), die ongeveer vier jaar aan de gemeente verbonden was.

Ondertussen was de belangstelling voor de kerkdiensten van de Kruisgemeente van Hazerswoude zozeer toegenomen, dat het kerkje aan de Dorpsstraat vergroot moest worden. Maar de kerk was sinds de bouw eigendom van degenen die opdracht hadden gegeven tot de bouw, namelijk (de inmiddels overleden) Jacob van Beek en de zijnen. Verscheidene keren werd getracht het kerkje met de erbij behorende pastorie in eigendom te verkrijgen, maar de financiën leverden problemen op. Uiteindelijk konden voldoende bijdragen en geldleningen bijeengebracht worden om kerk en pastorie in oktober 1871 in eigendom te verkrijgen.

Ds. J.W. Notten (1843-1914) stond van 1864 tot 1868 in Hazerswoude als eerste predikant van  de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis.

Dubbeltallen of vrije stemming?

Nadat in 1864 al meningsverschillen ontstaan waren over de vraag of ‘onbekeerden’ (waarmee men toen doopleden bedoelde) wel mochten meestemmen als het ging om de verkiezing van ambtsdragers, ontstond later verdeeldheid over de wijze van uitvoering van die ambtsdragersverkiezingen.

Moest een dubbeltal door de kerkenraad worden opgemaakt of door de gemeente? Of was een geheel vrije stemming beter? Besloten werd de gemeentevergadering daarover aan het woord te laten. De manslidmaten vonden in 1867 dat in de gemeente een geheel vrije stemming voor ouderlingen en diakenen gehouden diende te worden; niks geen dubbeltallen dus. De classis ging daarmee echter niet akkoord omdat deze handelwijze strijdig was met de Dordtse Kerkorde, waaraan de gemeente vanouds immers zo verknocht was. Er moesten gewoon dubbeltallen gesteld worden. OK, maar door wie dan? Door de kerkenraad of door de gemeente? Daarover ontstond verwijdering in de gemeente. Sommigen wilden alleen op dubbeltal gezet worden als deze door de gemeenteleden tot stand kwam. Deze verdeeldheid leidde er opnieuw toe dat de gemeentevergadering een vrije stemming wilde, waartoe de kerkenraad dan ook opnieuw overging.

Oecumenische instelling.

Ds. S. van Velzen (1809-1896) preekte als Christelijk Afgescheiden predikant wel eens in de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis te Hazerswoude.

Ds. Notten was in zijn tijd te Hazerswoude geregeld als afgevaardigde op de Algemeene Kerkelijke Vergaderingen (de landelijke synoden) van de Kruiskerken aanwezig. Een blijk van zijn oecumenische instelling mogen we afleiden uit het feit dat hij zijn schoonvader, ds. S. van Velzen (1809-1896), zo nu en dan in Hazerswoude liet preken. Ds. Van Velzen was een van de eerste en meest vooraanstaande predikanten van de Christelijke Afgescheidene Kerk, de tegenhanger van de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis. Op 29 maart 1868 nam ds. Notten afscheid van Hazerswoude wegens vertrek naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Middelharnis.

“Christelijke Gereformeerde Gemeente te Hazerswoude” (1869).

Ds. M. van Minnen (1837-1910).

De opvolger van ds. Notten trad pas drie jaar later aan, in maart 1871 aan. Het was ds. M. van Minnen (1837-1910). Het was dus vacaturetijd toen in 1869 de naam van de Kruisgemeente van Hazerswoude veranderde.

Landelijk waren sinds de jaren ’50 van de negentiende eeuw al mondjesmaat onderhandelingen gaande tussen de synoden van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die in 1838 uit elkaar gegaan waren. Men wilde proberen tot landelijke hereniging van de twee kerkgenootschappen te komen. Dat lukte in juni 1869. De synoden besloten samen verder te gaan onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk.

De kerkenraad ontving daarover op 30 juni 1869 namens de classis  een brief van ds. W.G. Smitt (1842-1912) te ’s-Gravenhage. Hij verzocht de kerkenraad op de eerstvolgende zondag aan de gemeente mee te delen dat de ineensmelting een feit was! De kerkenraad wilde daarover echter eerst een gemeentevergadering bijeenroepen. Wilden de manslidmaten eigenlijk wel verenigen met de Christelijke Afgescheiden Kerk. Had men als Kruisgemeente jaren eerder de Christelijke Afgescheiden Kerk – nog wel in een schrijven aan de koning! – er niet van beschuldigd de ware leer niet meer te verkondigen? Eerst een gemeentevergadering dus!

Ds. W.G. Smitt (1842-1912) deelde de gemeente te Hazerswoude mee dat de landelijke kerkfusie beklonken was.

De kerkenraad stuurde een week later antwoord aan ds. Smitt. De broerders schreven hoogst verbaasd te zijn dat de vereniging tussen beide kerkgenootschappen zo haastig uit de lucht kwam vallen. ‘Ons was van eene vereeniging niets bekend en ook op de classicale vergadering was er met geen woord over gesproken!’ Hadden de heren op de synodes daarover eerst niet eens even overleg kunnen plegen met de plaatselijke gemeenten? “Zijn de ongereformeerde en verderfelijke elementen uit de Christelijke Afgescheidene kerk al opgeruimd? Zo ja, wanneer is dat geschied?” (…) “Neen, geachte Leeraar, geen blijdschap doortintelde onze gemoederen, maar droefheid en een gevoel van ellende om zulk een verzwagering”.

De brief eindigde met de mededeling dat de kerkenraad zich ‘lijdelijk’ zou gedragen, ervan uitgaande dat aan alle afgesproken voorwaarden, die bij de vereniging afgesproken waren, stipt zou worden voldaan. Zo niet, dan zou men zich van de Christelijke Gereformeerde Kerk afkeren. Die kon ds. Smitt in zijn zak steken. Ondertussen vroeg de kerkenraad aan zijn zojuist vertrokken predikant ds. Notten om opheldering over de vereniging van beide kerken. Op 11 juli 1869 was hij aanwezig in de kerkenraadsvergadering en legde uit hoe de ‘vereniging’ begon en tot stand kwam, ‘voor zover hem bekend’.

Toen ds. Smitt kort daarop nog wilde weten hoe Hazerswoude nu eigenlijk tegenover de vereniging stond, antwoordde men dat men met de vereniging meeging en nu dus ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Hazerswoude’ heette. Het jaar daarop gaf de gemeente ‘kennis van haar bestaan’ aan de regering. Daarmee verkreeg ze rechtspersoonlijkheid en kon ook het kerkgebouw – tot dan toe eigendom van de familie van wijlen Jacob van Beek – in oktober 1871 gekocht worden en op naam van de kerk worden overgeschreven.

Veel predikanten volgden ds. Notten op. Na de al genoemde ds. M. van Minnen uit Hardinxveld (die van 1871 tot 1873 aan de kerk van Hazerswoude verbonden was en toen naar de kerk van Utrecht vertrok), volgden vele anderen.

Een nieuwe kerk (1873).

Het exterieur van de nieuwe kerk aan de Dorpsstraat, die in 1873  in gebruik genomen werd.

Het kerkje aan de Dorpsstraat bleek al snel te klein. Moest de kerk niet vergroot worden? In februari 1873 besloot de kerkenraad echter tot nieuwbouw. Een commissie, waarin ook ds. Van Minnen zitting had, ging op zoek naar voldoende geld om de bouw te bekostigen. Het duurde even voordat voldoende pecunia bijeen verzameld waren, maar op een gegeven moment pakte de kerkenraad – de gemeentevergadering gehoord – door, werd de oude kerk afgebroken en werd een ‘nieuw en sterk fondament behijt en gelegt’. Ds. Van Minnen legde van de nieuwe kerk de ‘eerste steen’, waarna de gemeente ‘een psalmvers zong in de open lucht dat, ik zou haast zeggen, de aarde dreunde’.

Ds. Van Minnen  nam afscheid van Hazerswoude tussen de kerkmuren-in-aanbouw: het dak zat er nog niet op. Zijn preekstoel was een hoop stenen. Maar hij had het beroep van Utrecht aangenomen en preekte dan ook op 3 augustus 1873 afscheid.

De bouw van de kerk ging gestaag voort, tot… ouderling S. van Beek het oneens bleek te zijn met de aard van de dakbedekking: moesten er leien of pannen op? Van Beek was sterk voorstander van leien, dat had zoveel voordelen, maar de gemeentevergadering was het daarmee niet eens. Dat was voor de ambtsdrager aanleiding genoeg om voor al zijn kerkelijke functies te bedanken. Later onttrok hij zich zelfs aan de gemeente.

Het interieur van de kerk aan de Dorpsstraat, die in 1873 in gebruik genomen werd.

Hoe dan ook, metselaar J. Hortensius, timmerman J. van der Loo en schilder Joh. Francken hadden hun uiterste best gedaan en kregen bij de voltooiing van het bouwwerk dan ook een gratificatie aangeboden. Vermoedelijk werd de kerk eind 1873 in gebruik genomen.

Een pronkstuk van een orgel (1885).

De kerkzang werd tot die tijd geleid door de voorzanger. Deze had tot opdracht de opgegeven psalmen duidelijk hoorbaar voor te lezen en voor te zingen. Maar een orgel was er tot die tijd nog niet. Ouderling Boogaards was echter een advertentie tegengekomen waarin een ‘pronkstuk’ van een orgel werd aangeboden voor de prijs van fl. 2.500. Het tweeklaviers instrument was oorspronkelijk gebruikt in de Waalse Kerk te Den Haag. En hoewel verscheidene leden tegen de aanschaf waren omdat het te duur was, besloten de kerkenraad en de gemeentevergadering tot aankoop over te gaan. Het orgel werd op 6 september 1885 in gebruik genomen. Men heeft er veel plezier van gehad.

Het Künckelorgel, afkomstig uit de Waalse kerk te Den Haag, kwam naar de kerk in Hazerswoude. Het bijzondere orgel wordt nog steeds gebruikt en is al jaren een rijksmonument (foto: Reliwiki).

De Doleantie te Hazerswoude (1888).

Op 29 januari 1888 ontstond in Hazerswoude, naast de Christelijke Gereformeerde Gemeente, ook nog de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende). Deze kwam voort uit de Doleantie, die in 1886 als tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk weliswaar in Kootwijk begon, maar in Amsterdam haar grootste bekendheid kreeg. Daar gaf vooral dr. A. Kuyper (1837-1920)  leiding aan de strijd tegen de vrijzinnigheid in de hervormde kerk en tegen de macht van de hervormde synode.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

Ook in Hazerswoude ontstond – kortstondig – een Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende). Dat was op 29 januari 1888. Toen werden ambtsdragers gekozen (onder wie ouderling A. Meijer) en in het ambt bevestigd. In de notulen van de Christelijke Gereformeerde Gemeente is daarvan niets terug te vinden. Maar in de Acta van de Voorlopige Synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken staat Hazerswoude in 1888 inderdaad als zelfstandige Dolerende kerk ingeschreven. Ze was vertegenwoordigd door ouderling A. Meijer uit Hazerswoude. Het jaar daarna stond Hazerswoude niet meer als zelfstandige Dolerende Kerk te boek. De kleine kerk werd toen bij de Dolerende Kerk van Koudekerk aan den Rijn gevoegd.

“De Gereformeerde Kerk te Hazerswoude” (1892).

Enkele jaren later, in 1892, vond de ‘Vereniging’ plaats tussen de kerken uit de Afscheiding en die uit de Doleantie. Sinds het ontstaan van de Dolerende Kerken werden in toenemende mate contacten tussen beide landelijke synodes gelegd, al bleven de onderlinge verhoudingen nog lange tijd gespannen. Uiteindelijk kon op 17 juni 1892 toch overeenstemming worden bereikt om samen verder te gaan. Sindsdien heetten de verenigde kerken ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’. Ook de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Hazerswoude heette in het vervolg ‘Gereformeerde Kerk te Hazerswoude’.

Daarmee hebben we de eerste jaren tot het ontstaan van ‘De Gereformeerde Kerk te Hazerswoude’ in grote lijnen beschreven en richten ons nu op de komst van De Korenaar.

2. Naar De Korenaar.

De nieuwe kerk werd ‘De Korenaar’ gedoopt.

Natuurlijk werd de kerk aan de Dorpsstraat verscheidene keren aangepast. In 1950 ontdeed men zich bijvoorbeeld van het hek om de kansel, waardoor de ‘dooptuin’ zowel als de voorlezerskatheder verdwenen en bovendien werden de ambtsdragersbanken verplaatst. In 1956 deed de centrale verwarming haar intrede. De tot die tijd gebruikte stoven voldeden niet meer. En ook het aantal zitplaatsen werd langzaam maar zeker te klein om de groeiende gemeente een plaats te geven. Plannen voor vergroting van de galerij werden nooit werkelijkheid en ook de vijftig aangeschafte klapstoeltjes brachten uiteindelijk geen oplossing.

In 1959 werd een bouwfonds ingesteld. Men dacht wel aan nieuwbouw, al waren er toen nog geen uitgewerkte plannen voor een nieuwe kerk. Sommigen stelden voor een tweede kerk te bouwen, of een kerkelijk centrum waarin het verenigingswerk zou kunnen gedijen. Maar op 1 april 1963 besloot men ‘eraan te zullen werken dat er een nieuwe kerk komt’. En het was geen aprilgrap! In juni 1965 werd de plaats van de nieuwe kerk gekozen: aan wat de Korenmolenlaan zou gaan heten.

Het logo van de ‘Stichting Steun Kerkbouw’.

Het bouwfonds, dat met een bescheiden fl. 4.000 was begonnen, telde in januari 1966 door voortdurend sparen al een ton! De opbrengst van de in 1967 verkochte pastorie en oude kerk bracht nog eens fl. 225.000 in het laatje. Maar dat was nog lang niet voldoende, zodat allerlei acties werden gehouden om het benodigde geld binnen te krijgen, zoals de ton-rond actie.

‘Nieuwe Leidsche Courant’, 29 januari 1968.

Met een bliksemactie wilde men in een keer een ton binnen halen. De actie slaagde uitstekend. Bovendien kwam de vermaarde landelijke gereformeerde Stichting Steun Kerkbouw (SSK) met de mededeling fl. 40.000 voor de kerkbouw te schenken. In totaal kostte de nieuwe kerk fl. 920.000.

De kerk in gebruik genomen (1969).

Uit de ‘Nieuwe Leidsche Courant’ van 30 oktober 1969.

Op 17 juni 1968 werd de eerste paal in de grond geslagen. De plannen voor de kerk waren ontworpen door het architectenbureau De Jonge te Rotterdam. De uitgaven van de Bouwkrant lichtten de gemeenteleden in over de voortgang van de bouw. Gedurende de bouw werden de kerkdiensten gehouden in de hervormde kerk, die daarvoor gastvrij ter beschikking gesteld werd.

CvB-voorzitter S. de Jong (l.) overhangt de sleutels van de kerk aan ds. A. Brink (1909-1999).

De ingebruikneming van de kerk vond plaats op 29 oktober 1969. De voorzitter van de Commissie van Beheer, de heer S. de Jong, las een gedeelte uit de bijbel en sprak een gebed uit. Daarna nam hij het woord en zei: “Het is een bijzonder gebouw, waarop we met recht trots mogen zijn. We dragen de kerk in vol vertrouwen over aan de kerkeraad voor het houden van de erediensten. Dat er onder de rijke zegen Gods mag worden gearbeid in dit kerkgebouw”. Daarna volgde de overdracht van de kerk door de overhandiging van de sleutels  aan dominee A. Brink (1909-1999) die het bedehuis namens de kerkelijke gemeente symbolisch in ontvangst nam.

Enkele jeugdige gemeenteleden legde de oude Statenbijbel, die was meegenomen uit de oude kerk, op de kansel. Een lange rij van sprekers voerde het woord. Maar eerst had de jeugdige Piet Windhorst een bedrag van fl. 100 aangeboden dat hij bij elkaar gescharreld had door ijverig te figuurzagen en zijn maaksels te verkopen! Namens de classis werd het woord gevoerd door ds. H. Dijkstra (1915-1997) van Boskoop, en ook de hervormde predikant en de rooms-katholieke pastoor feliciteerden de kerkenraad en de gemeente  van harte met het nieuwe gebouw. Namens de vrouwen- en mannenvereniging werd een avondmaalstafel aangeboden. Ook burgemeester C.G. van Dobben De Bruyn was met het complete college van B en W aanwezig.

Tot slot hield ds. Brink nog een korte meditatie over 1 Petrus 2 vers 5 (“En laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus”).

Daarmee kon de levensloop van de kerk, die De Korenaar genoemd werd, een aanvang nemen. In oktober 2019 was een weg van vijftig jaar afgelegd!

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Hazerswoude-Dorp.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk c.q. Protestantse Gemeente ‘De Korenaar’ te Hazerswoude-Dorp tussen 1896 en 2016 (bron: Jaarboeken GKN en PKN).

Bronnen onder meer:

M. Heuzeveldt, Een en ander uit de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Hazerswoude. Hazerswoude, 1939

P. Huisman, Een dorpsgemeente onderweg. Gereformeerd Hazerswoude. 1864-1989. Hazerswoude, 1989

Jaarboeken ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

C. Smits, De Afscheiding van 1834, zevende deel, Classes Rotterdam en Leiden. Dordrecht, 1986

© 2019. GereformeerdeKerken.info