De Gereformeerde Kerk te Nunspeet (2)

Ds. J.H. Jonker (van 1908 tot 1913).

( < Naar deel 1 )  – Op 23 augustus 1908 deed de opvolger van ds. Op ’t Holt intrede in de kerk van Nunspeet, hoewel het beroepingswerk minder snel verlopen was dan men had gehoopt. De nieuwe predikant was ds. J.H. Jonker (1873-1970) van Wormerveer.

Ds. J.H. Jonker en zijn gezin (foto: ‘100 jaar Gereformeerde Kerk Nunspeet’).

Kort voor zijn ambtsperiode was in 1907 in de kerk van Nunspeet voor het eerst een heus pijporgel geplaatst. Maar de boze orgelpomper, die zich verongelijkt voelde omdat hij de beloofde fl. 5 voor zijn inspannend werk niet had gekregen, en met zijn klacht de kerkenraadsvergadering onderbrak, kreeg zijn geld stante pede, maar tegelijk ook een standje omdat hij vanwege het geschil over die fl. 5 de kerkgang zo lang verzuimd had. Een ‘orgelpomper’ of ‘orgeltrapper’ had een belangrijke functie: hij moest met voetpedalen de blaasbalg van het orgel volpompen; dat was zwaar werk, maar deed hij dat niet, dan was de organist machteloos.

Het eerste orgel in de gereformeerde kerk werd in 1907 in gebruik genomen.

De predikant en zijn ouderlingen kregen ook nu weer geregeld te maken met overtreders van het zevende gebod. Dezen kregen in elk geval bezoek van een deputatie van de kerkenraad om over de zaak te spreken en de schuldbelijdenis in de kerk of voor de kerkenraad te regelen. Een ander gemeentelid wilde zijn huwelijk niet kerkelijk laten inzegenen omdat hij het met de prediking van ds. Jonker oneens was. Toen de afvaardiging van de kerkenraad hem daarover wilde aanspreken, bleek dat hij zich in de schuur verstopt had. Hij kwam echter net even te vroeg de kamer weer binnen, in de veronderstelling dat de broeders al vertrokken waren. Maar nee, ze zaten er nog. Hij wilde de kerkenraad echter niet spreken, zodat hij na enkele vermaningen, onder de eerste trap van censuur geplaatst werd.

Anderen namen het niet zo nauw met het onderhouden van de rustdag. Zo nu en dan reisde iemand op de dag des Heeren, dat mocht natuurlijk niet;  anderen bezochten het voetballen, ook op zondag. Dat mocht evenmin. Ook zij kregen een of meer bezoeken en dito vermaningen.

Het kerkgebouw.

De gereformeerde kerk met het zicht op de zuidzijde (foto: ‘100 jaar Gereformeerde Kerk Nunspeet’).

In 1909 kwam iemand klagen over de winterkou en de tocht in de kerk. En ook die vreselijke walm uit de voetstoven vond hij erg hinderlijk. Het veroorzaakte hoofdpijnen. Hij vroeg of er ook centrale verwarming in de kerk kon worden aangelegd. De kosten daarvan zouden ongeveer fl. 1.200 zijn. De kerkenraad voelde er wel wat voor en kennelijk waren veel gemeenteleden het daarmee eens, want bij een rondgang door de gemeente werd meteen al ruim fl. 900 opgehaald, zodat met de aanleg begonnen kon worden. De kosten bleven nog net onder de begrote fl. 1.200.

Méer geld zou gemoeid zijn met  het wegwerken van het ruimtegebrek in de kerk. De gemeente groeide! Voorgesteld werd het houten portaal in de kerk af te breken en daar banken te plaatsen. De uitgang zou dan meer achterin de kerk worden gemaakt. Het gebrek aan zitplaatsen had echter ook te maken met het feit dat de plaatsen in die tijd nog verhuurd werden (het geld moest ergens vandaan komen), maar dat sommige van die verhuurde plaatsen op zondag niet bezet werden wegens afwezigheid van de ‘huurders’. Daaraan ging de kerkenraad wat doen: de plaatsen waren ‘na het eerste zingen’ vrij. Dan mocht je dus proberen zo’n lege plaats te pakken te krijgen. Of dat er altijd stichtelijk aan toe ging vermeldt het verhaal niet. Maar ondanks groeiende bezwaren tegen de ‘zondige zitplaatsverhuring’ (ook volgens de kerkenraad), bleef het voorlopig zoals het was.

De nieuwe pastorie die in 1900 gebouwd werd. Daarachter is nog een klein stukje van de kerk te zien (foto: ‘100 jaar Gereformeerde Kerk Nunspeet’).

Hoe dan ook, overeenkomstig het plan van architect Tj. Kuipers werd het portaal in 1911 gesloopt en werd achter de kerk een nieuw stenen portaal aangelegd, dat in het vervolg als uitgang diende. Je kon daar ook via een trap naar de galerij komen. De koster had daar trouwens altijd veel werk met schoonmaken, want sommige tabakspruimers ontzagen zich niet hun mondinhoud na verloop van tijd  daar uit te spuwen. Er kwam een spuwverbodsbordje te hangen. Ook in Nunspeet was de galerij bovendien een steen des aanstoots door de onrust die daar meestal door de jeugd veroorzaakt werd. Om dat kwaad in te dammen werd een aantal ambtsdragers benoemd die de orde moesten handhaven. Vreemde ogen dwingen. Soms.

Maar de jeugd was natuurlijk ook heel vaak positief actief. In 1912 kwam een verzoek van een aantal jongelui binnen om een Jongelingsvereeniging op Gereformeerden Grondslag te mogen oprichten. De kerkenraad ging er mee akkoord, net als met het verzoek van de jongens om onder toezicht van de kerkenraad te mogen staan. Geregeld zou een kerkenraadslid de jongelingsvergaderingen bijwonen. De jongens noemden hun vereniging “Zijn Koninkrijk heerscht over alles” en ze sloten zich – zoals het hoorde – aan bij de landelijke Nederlandsche Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerde Grondslag.

Ds. Jonker nam op 13 juli 1913 afscheid van Nunspeet en vertrok naar de kerk van Voorburg.

Ds. J. Tholen (van 1914 tot 1921).

Ds. J. Tholen (1871-1942).

Al vrij vlot, op 1 februari 1914, vlak voor het uitbreken van de ‘Grote Oorlog’ (1914 tot 1918), deed ds. J. Tholen (1871-1942) uit Hasselt intrede in de kerk van Nunspeet, op een jaartraktement van fl. 1.400. Dit salaris zou echter in de loop van de tijd soms drastisch verhoogd worden in verband met de ‘duurte van de tijd’, een van de  gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. In 1921 bedroeg het jaartraktement intussen fl. 2.100. Het moest toen echter wel zélf zorgen dat zijn tuin bemest werd.

Iets over het kerkelijk leven.

Zicht op het interneringskamp met Belgische vluchtelingen bij Nunspeet.

In een vlak buiten het dorp ingericht interingskamp werden gedurende de Eerste Wereldoorlog Belgische vluchtelingen ondergebracht. De classis dacht om hen: men benoemde L. de Bontridder, die in Brussel evangelist was, tot zielzorger. Kennelijk zijn de verhoudingen tussen de kerkenraad en De Bontridder enige tijd verstoord geweest, want hij werd op een gegeven moment plotseling ontslagen, maar in 1916 toch weer in genade aangenomen.

De diaconie was in het bezit van een aantal armenhuisjes, maar deze werden in 1916 de prooi van vlammen. Vandaar dat de kerkenraad zorg droeg voor de bouw van drie nieuwe woningen, maar wel ‘zoo eenvoudig mogelijk ingericht, waarvan het middelste deel heel klein zal zijn’.

De preken van ds. Tholen blijven niet buiten schot. In de van oorsprong Dolerende Kerk van Nunspeet waren ook gemeenteleden die niets moesten hebben van de veronderstelde wedergeboorte, die de grote Dolerende roerganger dr. A. Kuyper (1837-1920) leerde. Ze vonden dat ds. Tholen in dat opzicht Kuyper niet zomaar moest volgen. Maar de predikant was zo vrij de critici ‘te wijzen op hetgeen de Generale Synode van 1905 in dat opzicht besloten had: dat wij de kinderen van gelovige ouders voor wedergeboren moeten houden tot zij met hun leven het tegendeel bewijzen’. Dat was de druppel voor sommige van de critici: zolang die leer in de Gereformeerde Kerken geleerd werd zouden zij er geen voet meer zetten.

In een van de barakken van het interneringskamp bij Nunspeet.

De verhuring van zitplaatsen kwam ook weer geregeld aan de orde. Verscheidene keren werd vanuit de gemeente gevraagd ermee op te houden, maar de kerkenraad was bang dat er financiële tekorten zouden ontstaan als de verhuring zou worden afgeschaft. Dan zou moeten  worden overgegaan tot het invoeren van het systeem der vaste vrijwillige bijdragen. En in de opbrengst daarvan hadden de broeders vooralsnog niet veel vertrouwen. Wel besloot men in ieder geval het ‘verhuren bij opbod’ (de grootste uitwas van het systeem) af te schaffen. Steeds vaker hoorde men in die tijd in de Gereformeerde Kerken namelijk de verzuchting dat dit verhuren bij opbod de kerk tot een rovershol maakte. De rijksten de beste plaatsen; de armen achter de pilaren en achterin. Dat was nu in ieder geval gelukkig voorbij!

De kop van het kerkelijk weekblad van dr. A. Kuyper, ‘De Heraut’.

Het fietsen op zondag was wat de kerkenraad betrof uit den boze, ook al had dr. Kuyper in zijn kerkelijk weekblad ‘De Heraut’ al duidelijk opgemerkt dat de rustdag niet bestemd was voor de fiets maar voor de mens. De kerkenraad ging wel akkoord als men er gebruik van maakte om zich naar de kerk te spoeden. Ook het overtreden van het zevende gebod bleef hardnekkig. Omdat kwaad te beteugelen zou eigenlijk een uitbreiding van de kerkenraad nodig zijn, want de bezoekjes aan de betreffende gemeenteleden  vergden kennelijk veel mankracht. Maar de kerkenraad oordeelde dat in de gemeente onvoldoende geschikte mannen te vinden waren ‘die de achting van de gemeente zouden kunnen verwerven’.

Ook de ordebewakers op de galerij hadden aan hun taak de handen vol. Men moest zo nu en dan ingrijpende maatregelen nemen teneinde ‘de dartelheid der ongeschikte jeugdigen tegen te gaan’.

Het zoontje van de dominee was ook wat dartel geweest, want de hoofdmeester had hem om een of andere reden bestraft en de jongen was toen naar huis gelopen. Het werd een soort van ruzie met als gevolg dat het zoontje in het vervolg in Elburg naar school zou gaan. De hoofdmeester klaagde bij de kerkenraad over ‘het gebrek aan medewerking van de predikant inzake de tuchtoefening op zijn zoon’. De ouderlingen probeerden alles om de onenigheid te sussen, maar in hoeverre dat lukte vertelt het verhaal niet.

De kerk van Leerdam  bracht in februari 1921 een beroep uit op ds. Tholen, die dit aannam en op 24 april dat jaar afscheid van Nunspeet nam.

Ds. R. de Jager (van 1922 tot 1931).

Ds. R. de Jager (1873-1943).

Het beroepingswerk werd onder meer gehinderd door een anoniem gemeentelid die de beroepen predikanten een brief stuurde waarin hun afgeraden werd naar Nunspeet te komen. Uiteindelijk nam ds. R. de Jager (1873-1943) van Ooltgensplaat het tweede op hem uitgebrachte beroep aan. Op 26 maart 1922 deed hij intrede in Nunspeet met een preek naar aanleiding van psalm 51 vers 14b (“…en de vrijmoedige geest ondersteune mij“).

Het zitplaatsentekort bleef een voortdurend probleem. Dat was dan ook de reden dat veertig extra stoelen worden aangeschaft en binnen het doophek banken voor kinderen werden neergezet. Ondanks deze maatregelen bleef de kerkzaal te klein. Geen wonder dus dat in november 1923 door kerkenraad en gemeentevergadering ‘de uitbouw der kerk’ besproken werd. Afgesproken werd dat met intekenlijsten zou worden rondgegaan en al na een paar maanden bleek er zo’n fl. 8.000 binnen te zijn, wat voor de kerkenraad aanleiding was psalm 150 vers 1 als danklied aan te heffen. De bedoeling was om aan weerszijden van de preekstoel honderd plaatsen extra te realiseren. Tijdens ‘de uitbouw der kerk’ werden de diensten in de gereformeerde school gehouden.

De gereformeerde school (in 1945 in brand gestoken door vluchtende Duitsers).

De gereformeerde zede…

De oprichting van een meisjesvereniging ging niet gemakkelijk. In de kerkenraad was er enig bezwaar tegen: ‘Het leeren van de vrouw is in de Heilige Schrift verboden, noch in de gemeente te spreken’, vond een van de ouderlingen. Nou vooruit dan, eens per week mocht de meisjesvereniging in de kerkenraadskamer vergaderen, maar… onder mannelijke leiding. Dat laatste was voor de meisjes aanleiding de kerkenraad te vragen op grond van welke bijbeltekst men die voorwaarde stelde, maar daarop kwam geen direct antwoord, zodat de girls meedeelden geen prijs te stellen op een mannelijke leider.

Een vrouwelijk gemeentelid wilde er wat modieuzer bij lopen dan gewoonlijk het geval was en had daarom een bezoek aan de kapper  gebracht. Het was een van de ouderlingen opgevallen dat zij zich ging ‘voegen naar de mode der tegenwoordige tijd door het haar van het hoofd te laten knippen’, wat volgens hem ‘zondig en lelijk’ was. Ze kreeg dus bezoek van een kerkenraadsafvaardiging die haar van het zondige van haar gang naar de kapper trachtte te overtuigen. Maar zij vond dat de kerkenraad ‘geen zeggenschap over haar lichaam’ had en ze zou zich niet aan hun waarschuwingen storen. Gevolg: haar werd de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzegd.

De oprichting van een gezamenlijke korfbalclub door leden van de jongelingsvereniging én van de meisjesvereniging was ook niet naar de zin van de kerkenraad. Een van de speelsters, belijdend lid, zou worden bezocht en ‘ernstig en in liefde vermaand’ worden dat een gemengde club wereldgelijkvormigheid in de hand werkte en dus ‘niet overeenkomstig de gereformeerde belijdenis’ was. Ook juffrouw Van den Berg van de gereformeerde lagere school kreeg een waarschuwing van de kerkenraad. Ze kon beter geen naailes geven in het Dorpshuis, dat was immers een neutrale inrichting?! De kerkenraad zou gaan proberen die arbeid ‘op eigen terrein’ te laten plaatsvinden.

Ds. De Jager herdacht in 1929 in stilte zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum. Hij wilde er geen ophef over. Ongeveer twee jaar later kreeg hij een beroep van de kerk van Amerongen, dat hij aannam. Op 28 juni 1931 nam hij afscheid van Nunspeet.

Ds. J. Tijmes (van 1932 tot 1936).

Ds. J. Tijmes Jzn. (1901-1995).

Op advies van professor H. Bouwman (1863-1933) van de Theologische School in Kampen zou de kerkenraad vanaf januari 1932 bestaan uit zeven ouderlingen en vier diakenen. Bovendien had de professor geadviseerd enkele oudere, ervaren broeders in de kerkenraad zitting te laten houden, in verband met de jonge dominee die beroepen was. Daarbij ging het om ds. J. Tijmes (1901-1995) van Westerlee. Deze nam het beroep aan en deed op 10 januari 1932 intrede. Allerlei zaken kwamen in de kerkenraad aan de orde. Maar de broeders moesten kennelijk niet te luid spreken, want in februari 1932 werd bekend dat een van de gemeenteleden stiekem bij het raam van de consistorie een kerkenraadsvergadering had afgeluisterd!

Een ander gemeentelid – melkboer van beroep – kwam enkele maanden later op de kerkenraad om het oordeel te vragen over het feit dat een van zijn klanten ook op zondag melk aangeleverd wilde krijgen. Hoe moest hij handelen ‘met het oog op het Heilig Avondmaal?’ Want hij wilde niet de kans lopen van het Avondmaal afgehouden te worden door zondagsarbeid te plegen! De kerkenraad was duidelijk, vast en zeker niet tot verbazing van de melkboer: ‘De melkhandel mag op den dag des Heeren niet plaatshebben’. Maar voor de rest moest hij maar te rade gaan bij zijn eigen geweten.

Een nieuw orgel (1932) en nog wat.

Een belangrijke gebeurtenis was ook de aanschaf van een nieuw orgel! Het oude instrument voldeed niet meer aan de eisen, zodat bij de Rotterdamse orgelfirma Valckx en Van Kouteren een nieuw instrument besteld werd voor de prijs van fl. 5.550.

Het interieur van de kerk met het in 1932 geplaatste nieuwe pijporgel (foto: ‘100 jaar Gereformeerde Kerk Nunspeet’).

Maar hoe mooi het orgel ook klonk, de kerkenraad wilde niet weten van de uitbreiding van het flinterdunne gezangenbundeltje ‘Eenige Gezangen’. Er bestonden in de Kerken namelijk plannen het aantal gezangen uit te breiden, maar in de Gereformeerde Kerken was vanaf het begin weerstand tegen het zingen van die ‘menselijke maaksels’. De 150 psalmen waren ruim voldoende (ze stonden tenslotte duidelijk in de bijbel), maar slechts een paar gezangen mochten in de kerkdienst gezongen worden, zoals de Lofzang van Maria, die ook vanuit de Bijbel berijmd was,  Dat was ruim voldoende, vond men. De Nunspeetse kerkenraadsafvaardiging  naar de classis, die er over zou spreken, kreeg als opdracht mee tegen uitbreiding te stemmen.

De kerkenraad wilde aanvankelijk niet weten van ‘nog meer gezangen’.

In de zomer van 1933 waren bij een paar gemeenteleden op de galerij de  meningen verdeeld over de vraag of een raam open of dicht moest. Kennelijk had iemand het benauwd en deed ‘m tijdens de dienst open; een ander voelde toen vermoedelijk tocht in zijn nek en sloot ‘m. Dat leidde tot een onstichtelijk toneel, waartegen de kerkenraad moest optreden. Dat deed hij in de vorm van een hangslot; het raam moest dicht blijven tenzij de koster opdracht kreeg het venster open te zetten. Maar… een maand later was het hangslot verdwenen…

Conflict rond ds. Tijmes.

Het leerstuk van de veronderstelde wedergeboorte, waarover tijdens de ambtsperiode van ds. Tholen ook al eens meningsverschillen opdoken, veroorzaakte eveneens tijdens de periode-Tijmes ophef. Ds. Tijmes legde de besluiten die de generale synode daarover genomen had op een geheel eigen manier uit, waardoor hij enerzijds verklaarde tegen de gedachte van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ te zijn, maar aan de andere kant zei het met de besluiten van de synode hartelijk eens te zijn. Toen hem door een groep gemeenteleden, bij monde van de ouderlingen Fijn van Draat en Smedes, gevraagd werd duidelijker te zijn in zijn uitlatingen omtrent Doop en Verbond, wilde de predikant daaraan niet voldoen.

In 1936 schreef ds. Tijmes deze brochure over de kerkelijke problemen in Nunspeet.

De classis Harderwijk werd er bij gehaald en deze slaagde er in de gemeenteleden en de predikant te verzoenen. Het besluit van de classis legde de predikant na verloop van tijd echter zo uit, dat men de indruk kon krijgen dat hij volledig in het gelijk gesteld was. Daarmee was de groep aanklagers het niet eens. Dat had als resultaat dat de beide genoemde ouderlingen ontheffing uit hun ambt vroegen. Schriftelijk overleg volgde met de bezwaarde groep gemeenteleden en met een commissie uit de Classis, waarbij ook de besluiten van de Utrechtse Synode aan de orde kwamen.

Kennelijk verliep een en ander niet naar de wens van de meerderheid van de kerkenraad, want op 12 maart 1936 besloten zij niet meer te willen behoren tot de Gereformeerde Kerken in Nederland; ze sloten zich aan bij de in 1892 ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Kerk. Ds. Tijmes volgde de kerkenraadsmeerderheid. Twee van de acht ambtsdragers  bleven trouw aan de Gereformeerde Kerken, nl. ouderling H. van der Kolk en diaken J. Biemond. De uittocht van gemeenteleden was groot: zo’n zevenhonderd leden voegden zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerk. Men bouwde in 1938 een eigen kerk aan de Gruppendelerweg. De gereformeerde kerk en de bijbehorende pastorie bleven overigens in het bezit van de Gereformeerde Kerk.

Ds. Tijmes schreef in 1936 een brochure over de problemen (‘Kerkelijke kwestie te Nunspeet’), waarin hij het gelijk van hem en de zijnen trachtte te bewijzen.

Ds. M.J. van Dijken (van 1937 tot 1949).

Ds. H. Veltman (1904-1982) werd na het vertrek van ds. Tijmes consulent van de kerk van Nunspeet.

De consulent van de nu vacante gedecimeerde Gereformeerde Kerk werd ds. H. Veltman (1904-1982) van Doornspijk. Er veranderde van alles. Natuurlijk de bemanning van de kerkenraad, maar ook de afschaffing van het zitplaatsenverhuur, dat vervangen werd door de vaste vrijwillige bijdragen. Ook werd de kerkzaal kleiner gemaakt door achterin de kerkzaal  banken weg te halen en die te plaatsen voor de stoelen,  en achter de stoelen een houten schot aan te brengen. In oktober 1936  bedroeg het ledental 417, van wie 189 belijdende- en 228 doopleden.

Ds. M.J. van Dijken (1905-1988) van Oostkapelle werd door de gemeenteleden gekozen als opvolger van ds. Tijmes. Hij kwam de kerk en de pastorie bekijken en kennismaken met kerkenraad en gemeente, en nam het beroep aan. Op 6 juni 1937 deed hij intrede.

De kerk in de oorlog.

Ds. M.J. van Dijken (1905-1988).

De Tweede Wereldoorlog had zijn schaduwen al vooruit geworpen. In maart 1940 werd een collecte gehouden voor het werk van het Rode Kruis in Finland. In juli – de oorlog was toen al begonnen – een extra collecte voor de door oorlogshandelingen beschadigde kerkgebouwen. Vooral Rotterdam had zwaar te lijden gehad. Besloten werd dat de voorbede voor het Koninklijk Huis en voor de gevangen gemeenteleden zou doorgaan. En toen in augustus 1942 door de Deputaten voor de Correspondentie met de Hooge Overheid verzocht werd een bidstond te houden voor ‘het vervolgde Joodsche Volk’, werd daaraan uiteraard gehoor gegeven.

De synode waarschuwde tegen deelname aan de Arbeitseinsatz (het door de Duitsers verplichte werken van mannen in een bepaalde leeftijd  in de Duitse oorlogsindustrie) en daaraan nooit toe te geven, doch alleen voor geweld te buigen. Door onderduiken probeerden velen er aan te ontkomen, maar sommige jongens konden er kennelijk niet onderuit en moesten zich op het station verzamelen om naar het Ruhrgebied – het centrum van de oorlogsindustrie –  te worden afgevoerd. Ds. Van Dijken sprak hen op het perron moed in.

In de pastorie werden onderduikers gehuisvest, Joodse vluchtelingen werden door de predikant achter op de fiets naar een veilig onderkomen gebracht. In de gereformeerde kerk werden evacués opgevangen. De predikant trok zich hun lot in het bijzonder aan. Maar kennelijk wist niet iedere evacué dit onderdak te waarderen, want ze lieten de kerk in desolate toestand achter: er bleek grote schade in het kerkgebouw te zijn aangericht en bovendien was er van alles ontvreemd.

In de gereformeerde school werden in de oorlog mensen uit het hongerende westen van het land voorzien van voedsel: er werden maaltijden verstrekt en eerste hulp verleend. De Duitsers stelden dat niet op prijs (hulpverlening diende te geschieden via de door de NSB opgezette Winterhulp Nederland) en kort na de bevrijding van Nunspeet werd de school door Duitsers – op hun vlucht naar de Heimat – in brand gestoken.

De Vrijmaking.

Prof. dr. K. Schilder (1890-1952) op de Vrijmakingsvergadering (11 augustus 1944) in Den Haag.

Ondertussen woedde in de Gereformeerde Kerken ook nog een kerkelijke strijd. Dat leidde zelfs tot schorsing en afzetting van onder anderen dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische School in Kampen. Op 11 augustus 1944 las hij in Den Haag de Akte van Vrijmaking voor, waarmee hij en zijn volgelingen zich aan de Gereformeerde Kerken in Nederland onttrokken. De geschillen hadden te maken met de zienswijzen over de betekenis van de Doop en het Verbond. De bezwaarden vonden dat door de in 1942 genomen synodebesluiten voorrang werd verleend aan een van de beide zienswijzen over dat leerstuk, die in 1905, door de toen gehouden synode, juist beide als overeenkomend met de belijdenis werden toegestaan.

Enkele gezinnen deelden aan de kerkenraad mee dat ze zich onttrokken aan de Gereformeerde Kerken en met dr. Schilder zich voegden bij de Gereformeerde Kerken in Nederland (onderhoudende Art. 31 der Kerkorde). In Nunspeet werd op 30 juni 1946 de vrijgemaakte Gereformeerde Kerk geïnstitueerd, die in 1947 iets meer dan dertig leden telde. In 1969 raakte die kerk door kerkelijke onenigheid naar aanleiding van de ‘Open Brief’-kwestie buiten het kerkverband.

Een nieuwe koster.

In februari 1946 kwam er een nieuwe koster,  B. Bijvank, die met zijn arbeid   fl. 400 gulden per jaar verdiende. Over zijn belevenissen schreef hij zijn herinneringen, waarin vele dominees, schoonmaaksters, hulpkosters en organisten de revue passeren.

Ds. Van Dijken nam op 12 juni 1949 afscheid van de kerk van Nunspeet, wegens vertrek naar de kerk van Amsterdam-Noord Buiksloot.

Naar deel 3 >

© 2020. GereformeerdeKerken.info