Van Nieuwdorp naar Lewedorp (1)

1. De Christelijke Afgescheidene Gemeente te Nieuwdorp.

Op 4 september 1836 werd in het Zeeuwse Nieuwdorp de Gereformeerde Kerk geïnstitueerd, voortgekomen uit de Afscheiding van 1834. Uit die gemeente ontstond honderdtien jaar later, op 31 december 1946,  De Gereformeerd Kerk te Lewedorp.

Kaart: Google.

Inleiding.

Toen kleermaker Christiaan Steketee in 1805 in Nieuwdorp kwam wonen was hij al spoedig zwaar teleurgesteld in de toestand van het geestelijk leven in het dorp. Alleen met Martina Traas voelde hij geestelijke verwantschap ‘en alleen met haar kon hij spreken over den weg des Heeren’.

Zijn hoop dat in het dorp ooit een geestelijke opwekking zou plaatsvinden leek in 1816 vervuld te worden. Daardoor werd de kring van ‘krachtdadig bekeerde’ mensen wat groter. De hervormde gemeente was gehuld in ‘Egyptische duisternis’, geheel in de pas met de officiële koers van de hervormde kerk, waaraan in 1816 door de landelijke overheid (!) – met terzijde stelling van de Dordtse Kerkorde – een nieuw reglement werd opgedrongen, het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’.

Een oude uitgave van de Dordtse Kerkorde.

Ook Steketee zag de al langer durende ‘afval van den Woorde Gods’ door dat reglement bevestigd. De tucht werd in de kerk nauwelijks of niet gehandhaafd en de predikanten konden ongestraft hun gang gaan als ze in hun preken ‘de recht gesneden Waarheid Gods’ loochenden. In de wijde omgeving zochten Steketee en zijn geestverwanten vergeefs naar Bijbelgetrouwe prediking. ‘Ze waren gelijk schapen die geen herder hebben’. Slechts in Arnemuiden vond men wat men zocht, omdat de hervormde predikant in dat dorp de ‘oude Waarheid’ verkondigde.

Instituering van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Nieuwdorp (1836).

Ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland.

Natuurlijk had men ook op Zuid-Beveland gehoord over de prediking van ds. H. de Cock (1801-1842) uit Ulrum en van andere Afgescheiden predikanten van het eerste uur. Zo werden in 1835 meerderen in het dorp door een opwekking in het geestelijk leven ‘krachtig door de liefde des Heeren ingenomen’, zoals dat heette. Ook Steketees zoon, de latere ds. C. Steketee (1855-1910), en vier van zijn dochters behoorden daartoe. De woning van kleermaker Steketee werd het middelpunt van de ‘dorstigen naar het Woord’. Het leidde er op 30 april 1836 toe dat hij zich van de hervormde kerk afscheidde en in zijn woning, net als vroeger in het dorp gebeurd was, opnieuw gezelschappen, conventikels gehouden werden – godsdienstige bijeenkomsten van geestverwanten die samen baden, psalmen zongen, de Schriften bestudeerden en elkaar bevroegen over het geloofsleven.

Zóveel belangstellenden bezochten de bijeenkomsten bij Christiaan Steketee dat men op 3 september 1836 besloot twee ouderlingen te benoemen: natuurlijk de 54-jarige kleermaker Christiaan Steketee en de 63 jaar oude boerenarbeider Pieter van Westen, en voorts twee diakenen: de 48 jaar oude ‘landman’ Willem de Jager en de 50-jarige ‘landman’ Wisse Dekker.

Ds. H.J. Budding (1810-1870), vooral actief in Zeeland.

Juist in die tijd had ds. H.J. Budding (1810-1870) van Biggekerke zich losgemaakt van de hervormde kerk en had hij op die derde september 1836 leiding kunnen geven aan de verkiezing. De volgende dag werden de verkozenen door hem in het ambt bevestigd. Daarmee was op 4 september 1836 de gemeente van Nieuwdorp geïnstitueerd. Het was de eerste Christelijke Afgescheidene Gemeente op Zuid-Beveland. Het gebeuren vond plaats in de schuur van Boudewijn Nieuwenhuyse, woonachtig in de Kraayertpolder, tussen Nieuwdorp en Lewedorp.

Burgemeester De Fouw had de drukte in die omgeving opgemerkt  en gaf veldwachter Willem de Witte opdracht eens poolshoogte te nemen. Wat hij ontdekte tartte zijn voorstellingsvermogen: er waren wel zo’n 400 tot 500 personen in de schuur verzameld! Het proces-verbaal dat van de gebeurtenis werd opgemaakt vermeldde toehoorders uit minstens negen dorpen in de omgeving! Toen De Witte binnenkwam zat ds. Budding in een stoel op een boerenwagen de de dorsvloer een preek te houden. Bij de uitgang werd een collecte gehouden, en alles gebeurde volgens De Witte in volkomen orde en rust.

Schuldig…

Handtekening van ds. Budding.

De Rechtbank in Goes moest oordelen over de aanklacht die door de burgemeester was ingediend tegen deze ‘ongeoorloofde godsdienstoefening’. Voor deze godsdienstige bijeenkomst was door de overheid geen toestemming gegeven terwijl dat voor niet-kerkelijke godsdienstige bijeenkomsten wél nodig was, zodra er meer dan twintig mensen aanwezig waren. Men werd schuldig bevonden. Ds. Budding kreeg een boete van fl. 100, terwijl de eigenaar van de boerenschuur, Nieuwenhuyse, fl. 50 boete kreeg. De vier kerkenraadsleden moesten elk fl. 25 betalen.

Dat wilde echter niet zeggen dat de bijeenkomsten stopten. Op 7 september 1836, nauwelijks drie dagen later, preekte ds. Budding opnieuw in Nieuwdorp, nu in de herberg van Gerrit Otte. Opnieuw trad veldwachter Willem de Witte op als verbalist. Ds. Budding kreeg van de rechtbank nogmaals fl. 100 boete opgelegd, terwijl Gerrit Otte fl. 50 moest betalen. Opnieuw werden de vier kerkenraadsleden tot fl. 25 boete veroordeeld.

Deze aanzienlijke bedragen noopten de broeders ertoe er in het vervolg voor te zorgen dat niet meer dan twintig personen de bijeenkomsten bijwoonden. Een deel van de Afgescheidenen kwam in het vervolg bijeen in de woning van ouderling Steketee, die dan op zondag driemaal in achtereenvolgende diensten voorging. Ook in de woning van ouderling Van Westen gebeurde dat op die manier, net als bij diaken De Jager. Laatstgenoemde woonde in De Kraayertpolder, en hij sprak met gelijkgezinde boeren in de polder af dat de diensten om de beurt in hun boerderijen gehouden zouden worden. Ook in ’s Heer Arendskerke werd een bijeenkomst gehouden, waar Arie van der Mel voorging.

Ds. J.H. Budding predikant in algemene dienst.

Een tekening van ds. H.J. Budding (1810-1870).

Op 8 februari 1837 werd ds. Budding beroepen als predikant van de gezamenlijke Christelijke Afgescheidene Gemeenten in Zeeland. Op dat moment waren dat de gemeenten Axel-Terneuzen, Baarland, Biggekerke, Borssele, Goes, Groede, Heinkenszand, Kapelle, Krabbendijke, Kruiningen, Middelburg, Nieuwdorp, Nieuwerkerk, Oud-Vossemeer, Sint Jan ten Heere, Sint Philipsland en Tholen.

De predikant preekte op 14 januari 1838 overigens voor het laatst in Nieuwdorp, en wel in de herberg van Otte. De kerkenraad was daarbij niet present, omdat ds. Budding hun gezegd had dat ze beter thuis konden blijven als ze van plan waren de door de rechter opgelegde boetes te betalen om zo te zorgen dat hun eigendommen niet publiek geveild zouden worden. De kerkenraad stemde in met het standpunt van ouderling Steketee, die zei wel degelijk fl. 300 of fl. 400 voor de prediking over te hebben, maar niet om de boetes tot die hoogte te laten oplopen zodat de geveilde goederen tegen een veel hogere prijs weer terug gekocht moesten worden.

Otte liet het wél zover komen. Ds. Budding en hij hadden afgesproken geen boetes te betalen; toen het zover kwam (omdat ds. Budding in zijn schuur gepreekt had) werd beslag gelegd op Ottes goederen, die vervolgens publiek geveild werden. Het conflict met Buddings andere gemeenten – die zijn standpunt niet deelden – liep erop uit dat de predikant op 30 januari 1839 zijn beroepsbrief verscheurde en zijn predikantschap van de Christelijke Afscheidene Gemeenten ten einde kwam.

Vrijheid gevraagd en uiteindelijk verkregen (1841).

Op 29 april 1839 vroeg de gemeente van Nieuwdorp voor het eerst om overheidserkenning en vrijheid om haar godsdienstoefeningen te houden. Het verzoekschrift was door tweeënzestig manslidmaten getekend. Er kwam echter geen antwoord. Daarom werd het verzoek op 12 februari 1840 herhaald, ondertekend door 101 manslidmaten. Ook daarop kwam geen bescheid.

Desgevraagd deelde de burgemeester mee dat de burgerlijke gemeente eerst zeker wilde weten dat de Afgescheidenen hun eigen armen zouden onderhouden en ook hun predikanten zelf zouden betalen (de hervormden kregen de predikantstraktementen van de overheid!). De burgemeester wist trouwens dat een deel van de Afgescheidenen behoorde tot de ‘meer gegoede klasse’ met een eigen boerderij of met ‘een ordentelijk inkomen’, die ijverig meehielpen de kosten van hun kerkelijke gemeente te dragen. Anderzijds waren er onder de leden ook ‘arbeiders en minvermogenden’. Om de twijfel weg te nemen verklaarden vijftien redelijk welgestelde gemeenteleden zich garant voor het onderhoud van de armen en de betaling van de predikant.

Ds. H.P. Scholte (1805-1868).

Zo kwam uiteindelijk op 2 juli 1841 het Koninklijk Besluit af waarin aan de gemeente overheidserkenning verleend werd. Men zou in het vervolg de godsdienstoefeningen in vrijheid kunnen houden. Dat deden ze vooralsnog in de woningen van Willem Kakebeeke en van Willem de Jager (diens woning heet ‘Banda Neira’), beiden woonachtig in ’s Heer Arendskerke. Het reglement waaraan de kerk zich hield was de zgn. Utrechtse Kerkorde‘, opgesteld door ds. H.P. Scholte (1805-1868), een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land.

Ds. A.J. Betten (1813-1900).

In die tijd kwam de Afgescheiden predikant ds. C. van der Meulen (1800-1876) van Middelharnis een paar keer naar Nieuwdorp om er te preken en kinderen te dopen. Ds. Van der Meulen volgde in 1841 ds. Budding op, die zoals gezegd uit het zicht verdwenen was. Op zondag 27 juni preekten de studenten A.J. Betten (1813-1900) en C. Steketee (1819-1882) – zoon van de kleermaker – in Nieuwdorp. Ze studeerden beide bij ds. H.P. Scholte te Utrecht. Er waren maar liefst tweeduizend toehoorders!

Ds. C. van der Meulen (1800-1876).

Ds. Chr. Steketee (van 1842 tot 1882).

Veertig jaar lang, vanaf 1842 (toen hij zijn studie bij ds. Scholte achter de rug had) tot zijn overlijden in 1882, was de zoon van kleermaker Steketee, Christiaan Steketee, predikant in Nieuwdorp! Op 6 juli 1842 deed hij er intrede. Het jaar daarop trouwde hij met Johanna Sara van Overbeke; twee zoons, Adriaan en Christiaan, werden net als hun vader predikant. Ds. Steketee was van 1849 tot 1879 steeds afgevaardigde naar de Algemene Synodes van de Afgescheiden (c.q. sinds 1869 Christelijke Gereformeerde) Gemeenten, behalve in 1872. Vanaf 1854 (toen de Theologische School in Kampen werd opgericht) tot aan zijn overlijden was hij curator van de predikantenopleiding. Op de synode van Amsterdam in 1849 werd zijn naam genoemd als een van degenen die in aanmerking kwamen om docent in Kampen te worden (wat overigens niet gebeurde). Tijdens zijn predikantschap ontving hij ruim honderd beroepen van andere kerken (van sommige gemeenten tot vijfmaal toe), waarvoor hij bedankte. Met andere woorden: hij was een gewild predikant… Hij werd ook ‘de vader der Zeeuwse kerken’ genoemd.

Ds. C. Steketee (1819-1882), veertig jaar lang predikant van Nieuwdorp.

Een eigen kerk (1841).

Terwijl de Afgescheidenen van Nieuwdorp bezig waren een predikant te verkrijgen, hadden ze intussen ook de hand aan de ploeg geslagen om een eigen kerkgebouw te stichten. De gemeente was gegroeid! Men had in de kom van het dorp een groot open terrein op het oog, waar de waterput stond, maar de liberale burgemeester weigerde dat. Met hulp van ds. Scholte – die de sympathie van koning Willem II had! – kreeg men het tóch voor elkaar om op die plek ‘zooveel grond als ze noodig hadden’ te krijgen. De burgemeester moest het bericht zelf aan de kerkenraad overbrengen. De bouw verliep voorspoedig en toen de kerk bijna gereed was werd er op 12 december 1841 de eerste preek gehouden! In deze nieuwe kerk deed ds. Steketee dus intrede.

De predikant aan het werk.

De predikant veroverde al spoedig de harten van zijn dorpsgenoten, Afgescheiden of niet. Een hem zeer vijandig gezinde vrouw redde hij van een faillissement door met haar naar de notaris te gaan en de zaak voor elkaar te maken; hij organiseerde op ‘koningsdag’ schoolfeesten en ging zelf aan het hoofd van de optocht door het dorp, met steek en bel, in volledige ambtskledij.

Behalve de zorg voor zijn eigen gemeente bediende hij ook op heel Zuid-Beveland, maar ook in het Land van Axel en in het Land van Cadzand het Woord. Soms preekte hij vijf keer per week. “Als het ging om een gemeente te dienen, kon hij uren gaan onder striemenden regen  en bij felle kou. Geen stormweer kon hem hinderden de Schelde over te steken”.

Ds. M. van Minnen (1837-1910) van Utrecht.

Maar ook verder reikte zijn werkzaamheid. Per diligence of koets reisde hij naar de pastorieën van zijn vele vrienden, zoals ds. M. van Minnen (1837-1910) te Utrecht en ds. W.H. Gispen (1833-1909) van Zwolle. “Het onderling contact van de predikanten der Afscheiding in de vijftiger en zestiger jaren van de negentiende eeuw was levendig en werd stelselmatig gezocht”. Ook de pastorie in Nieuwdorp herbergde vele ontmoetingen van Afgescheiden predikanten.

Ds. W.H. Gispen (1833-1909) van Zwolle.

De kerk vergroot (1868).

In 1868 werd de oude kerk – die te klein werd – ingrijpend vergroot. Het gebouw kreeg een grotere toren dan daarvóór. De ‘eerste steen’ werd gelegd door het negen jaar oude zoontje van ds. Steketee, Jacob; de ‘tweede steen’ door Jacobus Jan de Jager (zoon van de scriba) en de ‘derde’ door Elisabeth, de dochter van ds. Steketee. De predikant en scriba G. de Jager Jz. hadden het toezicht op de kerkbouw, met de uitdrukkelijke opdracht de bouw zo voordelig mogelijk te doen plaatsvinden.

De in 1846 in gebruik genomen gereformeerde kerk te Borssele.

Tijdens de bouw werden de kerkdiensten gehouden in de christelijke school te Nieuwdorp en in het Afgescheiden kerkgebouw in Borssele. Nog voordat de kerk helemaal klaar was, werd deze op 18 oktober 1868 in gebruik genomen. Ds. Steketee hield een preek over 1 Koningen 8 de verzen 29 en 30 (“Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats. Hoor dan naar de smeking van Uw knecht en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor en vergeef”). Op 29 maart 1869 werd de kerk definitief opgeleverd. De kerkelijke gemeente had voor het nieuwe kerkgebouw ruim fl. 7.200 opgebracht. Telde de kerk bij de ingebruikneming van de oude kerk (in 1841) tweehonderd leden, nu – bij de ingebruikneming in 1868 – was zij aangegroeid tot 432 zielen.

‘De Bazuin’, 30 oktober 1868.

Christelijke Gereformeerde Gemeente (1869).

In juni 1869 vond de landelijke ineensmelting plaats van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de in (en na) 1838 ontstane Gereformeerde Kerk (onder ’t Kruis). Laatstgenoemd kerkgenootschap scheidde zich van de hoofdstroom van de Afscheiding af door allerlei toen heersende meningsverschillen. Zo waren de ’bezwaarden’ tegen het bij de overheid aanvragen van erkenning; ook wilde men geen afstand doen van de naam ‘gereformeerd’, wat door de overheid vereist werd als men erkend wilde worden; bovendien waren ze tegen de afschaffing van de aloude Dordtse Kerkorde, wat door nogal wat Afgescheiden Gemeenten wél gedaan werd, omdat men niet het risico wilde lopen niet door de overheid erkend te worden, met alle moeilijkheden van dien.

In 1868 werd de in 1841 gebouwde kerk van Nieuwdorp ingrijpend vergroot (foto: Reliwiki).

Maar al bijna dertig jaar later namen beide kerkgenootschappen de beslissing weer samen te gaan, omdat de eerder genoemde geschillen inmiddels nauwelijks nog actueel waren. In juni 1869 vond de officiële eenwording plaats (enkele ‘Kruisgemeenten’ uitgezonderd). De naam van de verenigde kerken was in het vervolg ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Ook Nieuwdorp sloot zich daarbij aan.

Het veertigjarig bestaan (1876).

Ds. A. Steketee (1846-1913), van 1872 tot 1882 docent in Kampen.

De Christelijke Gereformeerde Gemeente te Nieuwdorp bestond op 4 september 1876 veertig jaar. Nog slechts een kleine schuld drukte op kerk en school, ‘die onder den zegen des Heeren in weinige dagen afgedaan kon worden’. Ds. Adriaan Steketee (1846-1913) van Kampen hield de feestrede over Psalm 100 vers 3 (“Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide”), een psalm die ongetwijfeld ook gezongen werd. In zijn preek “hield de Docent een schitterend pleidooi over het goddelijk recht en de beteekenis der Afscheiding, ’t welk een diepen indruk naliet”. ’s Middags preekte zijn vader, ds. Steketee zelf, over Deuteronomium 8 de verzen 2 en 3 (“En gij zult gedenken aan al den weg dien u de HEERE uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden of niet. En Hij verootmoedigde u en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekendmaakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit des HEEREN mond uitgaat“).

‘De Bazuin’, 8 september 1876.

Ter herinnering aan deze dag bracht de gemeente fl. 545 bijeen om daarmee het zilveren avondmaalstel en het zilveren doopbekken aan te schaffen, voor in totaal fl. 748 (de kerkelijke kas betaalde de rest).

Ds. Steketee overleden (1882).

‘De Bazuin’, 9 juni 1882.

“Veertig jaar heeft ds. Steketee zoo gearbeid, op zijn dorp en daarbuiten, onvermoeid, altijd blijmoedig, altijd ootmoedig dankbaar, dat hij tot zooveel dienens verwaardigd werd. Ofschoon hij meer dan honderd beroepen heeft gehad heeft hij Nieuwdorp nooit kunnen verlaten. Hij hing met heel zijn hart aan die gemeente”. In 1881 kreeg hij een ernstige ‘afmattende’ ziekte. Hij stierf op 3 juni 1882.

‘De Bazuin’. 16 juni 1882.

Na de verhuizing van de weduwe van ds. Steketee werd de pastorie in 1883/1884 door timmerman Nicolaas Steenblok voor ruim fl. 1.800 geheel verbouwd en vergroot.

Ds. W. Schock (van 1884 tot 1892).

Ds. W. Schock (1847-1927).

Op 2 november 1884, tweeëneenhalf jaar na het overlijden van zijn voorganger, deed ds. W. Schock (1847-1927) als kandidaat intrede in de gemeente van Nieuwdorp, nadat hij bevestigd was door ds. C. Steketee van Veere, een zoon van de vroegere predikant. Aanvankelijk was ds. Schock godsdienstonderwijzer in de hervormde gemeenten te Vleuten en Kockengen geweest. In 1870 werd hij benoemd tot evangelist bij de (hervormde) Confessionele Vereeniging in Zeeuws-Vlaanderen, Hillegom en Den Helder. In Den Helder nam hij als zodanig afscheid in de kerk van de Christelijke Gereformeerde Gemeente. Niet veel later ging hij over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk, ‘waar hem de weg werd gebaand tot het predikantschap’.

‘De Bazuin’, 2 december 1892.

“Ofschoon ds. Schock een zeer oprecht man was, was hij kortaf en bruusk. Hij zat meestal op zijn studeerkamer en interesseerde zich in Nieuwdorp weinig voor de gewone dingen van het leven”. Na acht jaar de gemeente gediend te hebben nam hij op 27 november 1892 met een preek over Hebreeën 13 vers 20 en 21 afscheid en vertrok hij naar Amerongen.

 Naar deel 2 >

© 2021. GereformeerdeKerken.info