De Gereformeerde Kerk te Lippenhuizen-Hemrik (1)

Wanneer De Gereformeerde Kerk te Lippenhuizen (vanaf 1893 Lippenhuizen-Hemrik) precies geïnstitueerd is, is onbekend. Vermoedelijk in 1844, maar mogelijk bestond zij al in 1843 onder de naam Companije, in dit geval een gebied tussen Hoornsterzwaag en Jubbega. We mogen aannemen dat de Afgescheiden Gemeente in de Companije is verplaatst naar Lippenhuizen. Hoe dat precies zit, en waarom, laten we hier voor wat het is.

Kaart: Google.

Het hobbelige begin.

Toen de grietman (burgemeester) van de gemeente Opsterland – zijn naam was Saco van Teyens (1797-1857) – de brief kreeg van de Afgescheidenen in Lippenhuizen (getekend 28 februari/2 maart 1844), was hij verbaasd over het feit dat de Afgescheidenen hun gemeente naar het dorp Lippenhuizen noemden, waar slechts vier Afgescheidenen woonachtig waren, terwijl In het nabijgelegen tweelingdorp Jubbega-Schurega dat er acht waren. Kon die gemeente dan in haar schrijven aan de overheid (met de vraag om erkenning als zelfstandige Afgescheiden Gemeente) zich niet beter Afgescheiden Gemeente te Jubbega-Schurega noemen? Ook vond de grietman dat er eigenlijk helemaal geen ‘gemeente’ was, omdat er slechts 17 ondertekenaars waren, terwijl de wet sprak van ‘een enigszins aanmerkelijk aantal personen’. Maar goed, dat kon de grietman wel vinden, maar de Afgescheidenen kozen en bleven kiezen voor ‘Lippenhuizen’.

De Afgescheidenen kregen echter maar steeds geen antwoord. Ze vroegen uitleg waarom het zolang duurde. Was het om de bezwaren van de grietman? Ze mochten toch zelf weten hoe hun eigen gemeente heette? En ze bepaalden toch zelf of ze een gemeente wilden vormen of niet? Tijdens de ‘wachtperiode’ vestigden zich trouwens nog verscheidene andere Afgescheidenen in Lippenhuizen, zodat het er nu zeven waren; in Hemrik (‘kerkelijk en kadastraal verenigd met Lippenhuizen’) vier; in Hoornsterzwaag vijf; in Schurega drie en in Gorredijk twee.

De handtekening van grietman Saco van Teyens (1797-1857).

Nog meer bezwaren…

De bezwaren van de grietman tegen de gemeentevorming waren ter kennis gekomen van de gouverneur (de Commissaris van de Koning, zouden wij nu zeggen). En niet alleen de bezwaren van de grietman, maar ook die van ‘enkele personen, behoorende tot de aanzienlijkste ingezetenen der gemeente Lippenhuizen’. Ze moesten er niets van hebben dat er een Afscheiden gemeente in hun geliefde dorp zou komen.  Het nieuws daarover hadden ze ’met innig leedwezen’ vernomen. Ze vonden het maar niks dat die Afgescheidenen ‘in het geheim door aankoop zich eigenaar hebben gemaakt van een stuk gronds in de gemeente’ waarop ze een kerkje wilden bouwen. Niet dat ze de Afgescheidenen hun kerkdiensten niet gunden, welnee, maar ‘ingezetenen van een andere plaats konden toch niet in Lippenhuizen een kerk oprichten?’ Het waren indringers, vonden die ‘aanzienlijke burgers’. Daar kon alleen maar onrust uit voortkomen. Immers, zeiden ze, de kerkgangers van de Afgescheiden Gemeente en die van de Hervormde Gemeente zouden elkaar op weg naar hun respectieve dienst tegenkomen! Zo zou ‘wederzijdse aanstoot en stoornis’ ontstaan!

De gouverneur – Maurits Pico Diederik van Sytzama (1789-1848) –  las alles, maar hij berichtte de grietman dat de Afgescheidenen in hun verzoekschrift hadden voldaan aan de wettelijke eisen en dat het verzoek om erkenning dus doorgestuurd kon worden naar de koning. En zo kwam het schrijven bij Zijne Majesteit.

Gouverneur van Friesland, Maurits Pico Diederik van Sytzama (1789-1848).

Uit het schrijven aan het staatshoofd bleek dat de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Lippenhuizen vier kerkenraadsleden had: twee – in Hoornsterzwaag woonachtige – ouderlingen: de arbeiders Willem Annes Bosma en Jan Karels Bergsma, en twee diakenen: de arbeiders Wobbe Bruins Veenstra uit Lippenhuizen en Tjeerd Siebes de Haan uit het naburige Hemrik. Er was ook een kerkvoogd (een rudiment uit hun ‘hervormde’ periode), namelijk de koopman Lucas Tjerks Ysbrandi uit Gorredijk. Ook werd in het verzoekschrift meegedeeld dat het kerkgebouw al bijna voltooid was op de plaats waarvoor het grietenijbestuur toestemming had gegeven.

Na op 1 oktober 1844 nogmaals aangedrongen te hebben op een antwoord op hun verzoekschrift, kwam eind november het bericht binnen dat de regering de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Lippenhuizen op 22 november 1844 had erkend!

Een eigen kerk (1844).

Zo zag het kerkje uit 1844 (halverwege Lippenhuizen en Gorredijk) er uit (tekening: ‘Overzicht geschiedenis Gereformeerde Kerk Lippenhuizen-Hemrik’).

In het verzoekschrift aan de koning was dus al gemeld dat men bezig was een Afgescheiden kerkje te bouwen. De kerkenraad had een aantal gemeenteleden benoemd om de bouw in goede banen te leiden. Een stuk grond was voor de prijs van fl. 90 gekocht van Jelke Oeges van der Wagen en intussen was een rondgang door de kleine gemeente gehouden, die echter zoveel bijdroeg dat alleen nog een lening van fl. 600 afgesloten moest worden bij weduwe L. de Boer (die aanvankelijk in Heerenveen woonde en later naar Drachten verhuisde). Het kerkje stond even ten westen van de Driehoek (de Trijehoek), de verbindingsweg tussen de Buorren en de Stationsweg van Lippenhuizen naar Gorredijk.

De christelijke afgescheidene kerk staat op een kaart van 1866 aangegeven!

Het bedehuis In gebruik nemen kon pas nadat de kerkelijke gemeente door de overheid erkend was. Toen die erkenning eind november dus binnenkwam werd het kerkje vrijwel direct in gebruik genomen. Ernaast stond een pastorie.

Ds. R.H. Smit (van 1846 tot 1847).

Al vrij snel beschikte de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Lippenhuizen over een eigen predikant, die er echter slechts korte tijd stond. Het was de 31-jarige kandidaat R.H. Smit (1815-1886), die in juni 1846 intrede deed. Veel is over zijn arbeid in Lippenhuizen en omgeving niet bekend, want het boterde niet tussen hem en vooral ouderling G.B. Stegenga. Toen ds. Smit op 1 oktober 1846 van de classisvergadering terugkwam had hij volgens Stegenga ‘het preken op de classis’ vervloekt (het was toen de gewoonte dat tijdens een classisvergadering eerst een preek gehouden werd door een van de predikanten). Kennelijk had de predikant daartegen grote bezwaren, maar hij ontkende later het preken te hebben ‘vervloekt’, hoewel Stegenga het volhield.

Ze konden het niet eens worden, zodat de zaak dus op de classis kwam. Daar kon men er slechts op één manier uitkomen, namelijk – ‘na het aanroepen van de Naam des Heren’ – door het lot te werpen! De uitslag was dat Stegenga ongelijk had. De classis gaf ds. Smit geen toestemming naar elders te vertrekken en ook mocht hij niet naar Amerika emigreren (want dat wilde hij graag). Hij moest gewoon terug naar Lippenhuizen. Op de volgende classis bleek dat ds. Smit absoluut niet in Lippenhuizen wilde blijven. Maar na veel over en weer gepraat liet ds. Smit zich ompraten: hij werd in genade aangenomen maar moest in zijn kerk een boetpredikatie houden, in het bijzijn van de classispredikanten (dat kon makkelijk, want de classis werd in Lippenhuizen gehouden); dat gebeurde dezelfde dag nog, 12 augustus 1847.

Ds. R.H. Smit (1815-1886).

Maar ds. Smit had het in Lippenhuizen wel gehad en vertrok kort daarop toch. Men signaleerde hem even in Nieuwleusen, maar al snel stak hij inderdaad de Grote Plas over, werd daar predikant bij de Dutch Reformed Church waar hij een behoorlijk roerig kerkelijk leven leidde.

Hetzelfde gold overigens voor ouderling Stegenga, die onder meer de financiële gegevens – waarover hij als kerkvoogd de beschikking  had – niet wilde overdragen aan zijn opvolger. De kerkenraad wilde de wereldlijke rechter er liever niet bij halen en heeft toen via advertenties schuldeisers opgeroepen zich bekend te maken. Het bleek dat er fl. 100 meer schuld was dan verwacht. De ingevlogen classicale commissie, bestaande uit ds. J. Talsma (1813-1871) van Joure en ouderling (oefenaar en later predikant) K.J. Pieters (1821-1879) bereikte er niets. Uiteindelijk werd Stegenga onder censuur geplaatst.

Ds. J. Talsma (1813-1871).

Ds. R. Duiker (van 1850 tot 1851) en daarna vijf jaar vacant.

Ook de opvolger van ds. Smit stond maar kort in Lippenhuizen: ds. R. Duiker (1825-1917) was daar van ‘ergens in 1850’ tot 11 mei 1851 werkzaam. Er is nauwelijks iets over zijn arbeid in Lippenhuizen bekend. Hij vertrok vervolgens naar Oudega (Sm.) bij Drachten.

Ds. R. Duiker (1825-1917).

Op enkele andere predikanten c.q. kandidaten werd een beroep uitgebracht; allen bedankten. Er werd dus een stevig beroep gedaan op de kerkenraadsleden en de kerkvoogd (Lucas Ysbrandi uit Gorredijk), bijvoorbeeld het verzorgen van de kerkdiensten en van het ‘preeklezen’. Vooral Ysbrandi kreeg nogal eens kritiek op de keuze van de door hem voorgelezen preken: er zaten zelfs preken onder van niet-Afgescheiden dominees, die volgens hem echter ‘meer voldoende en nuttiger’ waren.

Ondertussen leefden sommige gemeenteleden zich uit door teveel aan Bacchus te offeren (onder wie Stegenga), het bezoeken van de hervormde (‘de valsche’) kerk, het ongeoorloofd maaien van andermans weiland (diefstal dus) en het werken op zondag.

Beroepen proponent J.F. Bulens heeft twee vragen.

Ds. J.F. Bulens (1820-1889) toen hij predikant was, maar niet van Lippenhuizen…

De kerkenraad ging inmiddels gewoon verder met te trachten een predikant te krijgen. Toen proponent J.F. Bulens (1820-1889) beroepen werd stelde deze eerst een tweetal vragen: wilde de kerkenraad van Lippenhuizen een dominee die het ambtsgewaad droeg? Het ambtsgewaad bestond uit een geklede mantel met bef, een halflange broek met lange kousen, schoenen met een gesp en een steek; het wel of niet dragen ervan was een gevoelig onderwerp, waardoor Marrum zelfs een tijdje buiten het kerkverband van de Christelijke Afgescheidene Kerk kwam te staan!  En verder wilde Bulens weten: wilde de gemeente van Lippenhuizen een dominee die ook in een kerkdienst op de ‘tweede feestdagen’ (tweede kerstdag enz.) voorging?

De kerkenraad en de gemeente dachten er verschillend over. Dus werd de classis erbij gehaald, die een paar dominees stuurde: ds. J. Talsma van Donkerbroek-Haulerwijk, ds. E.R. Breitsma (1821-1906) van Heerenveen en ds. H. Schoenmaker (1822-1874) van Mildam. Uiteindelijk werd aan Bulens meegedeeld dat de kerkenraad voor wat betreft het ambtsgewaad ‘de meest mogelijke rekkelijkheid wilde plaats geven’, maar de ‘tweede feestdagen’ zou hij gewoon moeten onderhouden. Bulens bedankte.

Ds. E.R. Breitsma (1821-1906).

Ds. R.L. van der Scheer (van 1855 tot 1859).

Eindelijk kwam er een predikant die wat langer in de kleine zieltogende gemeente zou staan: ds. R.L. van der Scheer (1809-1865) uit Appelscha, die op 13 mei 1855 intrede deed met een preek over Colossenzen 4 vers 3 (“Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben”). Hij zou tot 12 september 1859 blijven.

‘De Bazuin’, 25 mei 1855.

Een aantal gemeenteleden van ver kon alleen lopend naar de kerk komen. Om ook hun de gelegenheid te bieden twee keer per zondag naar de kerk te gaan werd achter de pastorie voor fl. 300 een kamer gebouwd waar ze konden overblijven en hun broodje en een kop koffie konden nuttigen. Er kwam tussen de kerk en die ‘koffiekamer’ een deur. De opbrengst van de collecten steeg vanaf die tijd behoorlijk, mogelijk mede omdat meerderen vaker in de kerk kwamen.

De pastorie, die naast het kerkje van 1844 stond (foto uit ‘Overzicht geschiedenis Gereformeerde Kerk Lippenhuizen-Hemrik’, gefotografeerd door H. Blokzijl).

Het ging de gemeente kennelijk steeds meer voor de wind. Om de schuld van de kerk af te lossen werd bij een rondgang door de gemeente voor een bedrag van fl. 800 ingetekend.

Maar niet alles was koek en ei, want de kerkenraad had de handen vol aan gemeenteleden die zich schuldig maakten aan de overtreding van een van de tien geboden. ‘Gruwelijk en goddeloos spreken en zwetsen’, het zevende gebod, dronkenschap, ze kwamen allemaal aan de orde. Bovendien kreeg ouderling De Jong het met ds. Van der Scheer (en de kerkenraad) aan de stok, omdat hij vond dat dominee het geitenhok dat door de kerkenraad bij de pastorie was getimmerd, zelf moest betalen. En waarom – zo ging hij onverdroten voort – moest dominee iets verdienen met het ‘uitvegen van de kerk’? Dat kon de kerkenraad toch zelf wel (gratis) doen? Verder vond De Jong dat dominee de warme maaltijd op de classis zelf maar moest betalen. Ook beschuldigde hij de kerkenraad ervan dat de vrouwen achtergesteld werden: de mannen mochten namelijk het eerst aan het avondmaal, en daarna pas de vrouwen. De kerkenraad stemde over al die bezwaren, maar schipper De Jong kreeg ongelijk.

Ds. Van der Scheer trachtte de vrede te bewaren en vroeg De Jong een psalm uit te kiezen ter afsluiting van de bijeenkomst. De Jong koos psalm 142 vers 7. Ds. Van der Scheer vond het daarna toch beter ook psalm 51 vers 6 te laten zingen, want er waren voldoende onaangenaamheden gepasseerd om daarvoor vergeving af te smeken. Ook later bleef De Jong vaak dwarsliggen. Gelukkig groeide de gemeente desondanks, doordat een behoorlijk aantal jonge mensen belijdenis van het geloof aflegde.

Op 12 september 1859 nam ds. Van der Scheer afscheid en vertrok naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Gees in Drenthe.

Ds. H. van Lokhorst (van 1860 tot 1869).

Ds. H. van Lokhorst (1821-1898).

Al op 27 mei 1860 deed de opvolger van ds. Van der Scheer intrede. Het was de 39-jarige kandidaat H. van Lokhorst (1821-1898) uit Arnhem. Zijn jaartraktement bedroeg fl. 400 plus fl. 20 voor turf, en verder ‘dertig korf aardappelen’.

De ‘Vrienden der Waarheid’.

In de Hervormde Kerk bestond al sinds een aantal jaren de Vereeniging van ‘Vrienden der Waarheid’, een landelijke vereniging met plaatselijke en regionale afdelingen. Ze spanden zich in om in plaatsen ‘waar de Waarheid niet meer gehoord wordt’ evangelisten te plaatsen en opwekkende vergaderingen te houden. De Hervormde Kerk moest van binnenuit genezen worden van de daar welig tierende  vrijzinnigheid, vonden ze.

Zo was er ook een afdeling in het naburige Gorredijk. De ‘Vrienden’ van Gorredijk hadden al vóór ds. Van Lokhorsts komst naar Lippenhuizen toestemming gekregen in het Afgescheiden kerkje hun vergaderingen te houden. Die bijeenkomsten werden trouwens ook door sommige Afgescheiden gemeenteleden van Lippenhuizen bezocht, zeer tegen het zere been van de kerkenraad. Al gauw ontstond in de gemeente onenigheid over het gebruik van het kerkje: hervormden hoorden hun vergaderingen niet in een Afgescheiden bedehuis te houden.  De classis werd er bij gehaald en deze was het met de critici eens: er moest een eind gemaakt worden aan het bijeenkomen van de ‘Vrienden’ in het kerkje van de Lippenhuister gemeente.

Overal in het land hielden ‘De Vrienden’ vergaderingen en ‘openbare bidstonden’.

Weerstand…

Of en hoe de verhoudingen met ‘De Vrienden’ eronder geleden hebben is niet bekend; wel bestond in het dorp in elk geval nog steeds weerstand tegen de Afgescheidenen. Op een gegeven moment moest de kerkenraad zelfs besluiten een paar potige gemeenteleden bij de deur te plaatsen met het verzoek in te grijpen bij ongeregeldheden. Want zo nu en dan werd de deur van het kerkje tijdens een kerkdienst van buiten open gegooid; mogelijk door kwajongens, maar toch. Ook werden de luiken voor de ramen van de pastorie van de binnenkant naar de buitenkant verplaatst, omdat af en toe een ruit ingegooid werd. De predikant had er veel last van zodat hij op een gegeven moment overwoog te gaan verhuizen.

Het jaar 1864…

‘De Bazuin’, 30 december 1864. Ds. Van Lokhorst schreef in dit blad iets over wat in 1864 in Lippenhuizen geschiedde.

Ondertussen ging het kerkelijk leven zijn gewone gang. Tegenslagen en voorspoed wisselden elkaar af, zo ook in 1864 toen het kerkelijk jaar begon met ‘de typhuskoortsen’ die velen aantastten en verscheidene gemeenteleden ten grave sleepten, zoals dat echtpaar dat op bijna dezelfde dag stierf en op dezelfde dag begraven werd… ‘De lege plaatsen in ons bedehuis verkondigden ons nadrukkelijk dat de Heere ons wat te zeggen had’. Misschien was dat ook de reden van de plotselinge nachtvorst die ‘grote schade aan de boekweit toebracht’, dacht men. Maar de ledige plaatsen in het kerkje werden gelukkig snel weer vervuld; de gemeente breidde zich ondanks alles uit, ook doordat doopleden belijdenis deden, soms op zeer gevorderde leeftijd.

Op 10 mei 1869 nam ds. Van Lokhorst afscheid van Lippenhuizen wegens vertrek naar de gemeente te Minnertsga.

Christelijke Gereformeerde Gemeente te Lippenhuizen (1869).

Het interieur van het Lippenhuister kerkje in plm. 1890 (ill.: ‘Overzicht geschiedenis Gereformeerde Kerk Lippenhuizen-Hemrik’).

Een maand later – in juni 1869 – veranderde de naam van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Lippenhuizen. In juni vond namelijk de landelijke samenvoeging plaats van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die in 1838 door een kerkscheuring uiteen gerukt waren. Degenen die zich van de Christelijke Afgescheidene Kerk afsplitsten (die Kruisgezinden genoemd werden) waren het niet eens met het vragen van vrijheid van godsdienstoefening aan de overheid; ze vonden dat de Afgescheiden Gemeenten de Dordtse Kerkorde onverminderd dienden te handhaven en niet een ander Reglement moesten aannemen, zoals de Utrechtse Kerkorde van ds. H.P. Scholte (1805-1868), een der eerste Afgescheiden predikanten. Bovendien: als je vrijheid van godsdienstoefening aanvroeg moest je de benaming ‘gereformeerd’ laten vallen, omdat de overheid vond dat die aan de hervormde kerk toekwam. En dat wilden de Kruisgezinden al helemaal niet! Trouwens, als je de Dordtse Kerkorde als ‘reglement’ meestuurde werd je hoe dan ook niet door de overheid als Afgescheiden Gemeente erkend.

In de jaren ’60 van de negentiende eeuw waren de meeste verschillen van mening echter niet meer actueel en konden beide synodes besluiten weer samen te gaan in één kerkgenootschap (al gingen enkele Kruisgemeenten er niet in mee). De naam van de verenigde gemeenten was nu ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Ook Lippenhuizen sloot zich er bij aan en heette dus in het vervolg Christelijke Gereformeerde Gemeente te Lippenhuizen.

Naar deel 2 >

© 2022. GereformeerdeKerken.info