Ds. I. de Wolff (van 1930 tot 1935).
( < Naar deel 2 – To Part 2 ) – In december 1927 werd het beroepingswerk ter hand genomen. Waarom zo laat? Mogelijk omdat de financiële situatie van de kerk niet florissant was.

Hoe dan ook, pas het zesde beroep (allemaal op een kandidaat) was succesvol: kandidaat I. de Wolff (1901-1976) uit Kampen nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed op 15 juni 1930 intrede. Hij zou ongeveer vijf jaar aan de kerk verbonden zijn.
De kerk verbouwd (1931).
In januari 1931 besloot de kerkenraad tot het verbouwen van de kerk. In die zin, dat in de kerk een galerij werd aangelegd waar vijftig kerkgangers een plaats konden vinden. Ook werd een portaal in de kerk gebouwd, wat men meestal deed om minder last te hebben van de tocht bij het binnenkomen van de kerkgangers. Ook werd een w.c. en een urinoir in de kerk gebouwd en werd nog een steunbalk onder de galerij aangelegd, alsook een bredere trap naar de galerij. Verder werd een stoel gekocht voor achter de preekstoel (‘het platform’ genoemd) en een lamp op de katheder (het voorleesbord waarachter de ‘voorlezer’ de Schriftlezingen enz. deed). Ook werden nieuwe ramen in de kerk geplaatst: de oude werden verkocht aan de meest biedende. Ds. De Wolff kreeg het ‘oude hout’ cadeau voor het maken van een kippenhok.
Inmiddels was door de gemeenteleden al ongeveer fl. 1.925 bijeengebracht. De kerkdiensten werden gedurende de verbouw gehouden in een schuur van Middelkamp.

De crisisjaren ’30.
In oktober 1929 stortte de New Yorks Effectenbeurs op Wall Street in, waardoor de wereld in een zware economische crisis terecht kwam. Ook de kerk merkte daarvan het een en ander: de financiële toestand werd zorgelijk, zodat de kerkenraad de gemeenteleden aanspoorde om de bijdragen en de collecten te verhogen (maar zij hadden zelf ook te maken met tekorten in de huishoudportemonnee!). Ook de diaconie zat bijna op zwart zaad. Het tekort van de kerk was over het eerste half jaar van 1934 maar liefst fl. 600. Een rondgang door de gemeente volgde, maar ook werd door de kerkenraad een bezuinigingsplan gemaakt. De classis deelde mee dat op het pensioen van ds. Geuchies 5% gekort moest worden.
Van alles wat…
In 1930 werd het kinderkerstfeest voor het eerst gehouden –⊕– Het activiteiten ten behoeve van het gereformeerde zendingswerk in de gemeente breidden zich uit: de taak van de gemeente was geld in te zamelen voor het werk op de gereformeerde zendingsvelden en bij de gemeenteleden belangstelling te wekken voor het werk van de zendelingen. Soemba en ‘Midden-Java ten Zuiden’ waren de belangrijkste gereformeerde zendingsgebieden.

In 1931 kwam de kinderdoop op de kerkenraad ter sprake. Deze moest, zo werd besloten, zo spoedig mogelijk bediend worden en de gemeenteleden moesten zich daar ernstig op bezinnen. –⊕– De ouders werd er in diezelfde tijd op gewezen dat ook de jongeren de zondag dienden te heiligen en niet de hele dag op straat moesten rondzwerven. –⊕– De afgevaardigden van de Gereformeerde Kerk te Mussel naar de classis van 1933 kregen als instructie mee de classis te verzoeken ‘al zulke stappen te doen, welke zij nodig oordeelt om te komen tot de eenheid met al die kerken welke eenzelfde belijdenis bezitten als de Gereformeerde Kerken, maar niet met ons in één kerkverband leven’. Daarmee werd natuurlijk vooral gedoeld op de (‘voortgezette’) Christelijke Gereformeerde Gemeente te Mussel, waarover we al eerder schreven. De kerkenraad schreef ook aan die gemeente een brief, waarin men verzocht een samenspreking te houden. Er kwam echter slechts ‘een ontwijkend antwoord’ van de christelijke gereformeerde kerkenraad. –⊕– De galerij werd een bron van ergernis vanwege het rumoer dat daar vandaan kwam. Soms werd een ordehandhaver aangewezen die er toezicht moest houden.
Ds. De Wolff nam op 15 september 1935 afscheid van de kerk van Mussel, nadat hij het op hem uitgebrachte beroep van de kerk te Enschede aangenomen had.
Ds. G. van Dooren (van 1936 tot 1939).

Bijna een half jaar later trad de opvolger van ds. De Wolff aan in de persoon van kandidaat ds. G. van Dooren (1911-1996), die op 1 maart 1936 intrede deed. Hij was iets meer dan drie jaar aan de kerk van Mussel verbonden.
Omdat de financiële situatie van de kerk niet rooskleurig was (men leefde nog steeds in de economische crisisjaren ‘30!) werd besloten de maandelijkse extra collecte ‘voor de kerk’ weer in te voeren. De tijd dat ds. Van Dooren in Mussel werkzaam was kan gekenschetst worden als een rustige periode. Wel liep de Jongelingsvereniging (JV) niet zo goed; een commissie, bestaande uit ds. G. van Dooren en ouderling H. Leffers, moest trachten de zaak op te lossen, maar kwam tot de conclusie dat ‘een groot aantal boeken [uit de JV-bibliotheek verdwenen’ was en ook werd het reglement niet goed nageleefd. Het reglement werd door de kerkenraad aangepast.
Voor ‘vaste plaatsen’ in de kerk voelden de meeste gemeenteleden niets. De kerkbanken werden in 1937 trouwens opgeknapt. Tijdens een gemeentevergadering in 1938 werd onder meer ook gesproken over het spuwen van pruimtabak in de kerk en over het roken bij het uitgaan van de kerk. Beide achtte men ontoelaatbaar.
Omdat ds. Van Dooren in januari 1939 een beroep had ontvangen van de kerk van Wezep nam hij op 23 april 1939 afscheid van Mussel.
Ds. J. Rook (van 1939 tot 1942).

Nog hetzelfde jaar kwam de nieuwe predikant naar Mussel. Het was kandidaat J. Rook (1909-1987) uit Steenwijk, die op 26 november 1939 intrede deed en iets meer dan twee en een half jaar aan de kerk van Mussel verbonden was.
Na de grote economische crisis waren nieuwe donderwolken aan de hemel verschenen. In Duitsland was in 1933 de dictator Adolf Hitler aan de macht gekomen, die geen geheim maakte van zijn plannen. Europa bereidde zich dus voor op oorlog. Ook onze soldaten werden in 1939 onder de wapenen geroepen en de regering hoopte ons land neutraal te kunnen laten blijven, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ‘zonder de minste waarschuwing’ ons land binnen.

De kerkenraad voldeed aan de verplichting het kerkgebouw te verduisteren door het ophangen van gordijnen; de bezetters wilden niet dat de geallieerde piloten herkenningspunten ‘op de grond’ zouden hebben. Later moesten de avondkerkdiensten verplaatst worden naar de middag. Tot 1942 werd ook in Mussel het blaadje over de zgn. Jodenzending verspreid, de Messiasbode genaamd. De bezetters verboden de verspreiding ervan echter vanaf april 1842. De kerkenraad besloot een commissie in het leven tee roepen om gelden in te zamelen voor invaliden en andere slachtoffers van de eerste oorlogsdagen in mei 1940. Later kwam het voedsel op de bon. Om in aanmerking te komen voor voedsel moest men de bonnen aanvragen.

Omdat ds. Geuchies in augustus 1940 was overleden werd geld ingezameld om op zijn graf een gedenksteen te plaatsen; verzoeken om een financiële bijdrage werden verstuurd aan de kerken van Munnekezijl en Nieuw-Weerdinge, waar ds. Geuchies immers ook predikant was geweest.
Op 20 mei 1942 nam ds. Rook afscheid, omdat hij het beroep had aangenomen van de Gereformeerde Kerk te Epe.
Ds. J. Verlare (van 1942 tot 1944).

Slechts kort is de volgende predikant aan de Gereformeerde Kerk van Mussel verbonden geweest. Het was kandidaat J. Verlare (1917-1964), die sinds 1941 hulpdiensten verrichtte in Heemse en op 22 november 1942 in Mussel intrede deed. Op de dag af twee jaar later onttrok hij zich met 90% van de gemeente aan de Gereformeerde Kerken in Nederland, door de zgn. ‘Vrijmaking’.
De oorlog (vervolg).
De bezetters verboden de Jongelingsverenigingen verder te vergaderen, bang als ze waren dat daar politieke (en anti-Duitse) onderwerpen besproken zouden worden. De kosten van het levensonderhoud gingen omhoog; dat was de reden dat de classis adviseerde het predikantstraktement met 10% te verhogen, dat intussen inmiddels minimaal fl. 2.500 per jaar moest zijn. Ook was door de bezetters de avondklok ingesteld: na acht uur mocht niemand meer buiten komen. Dat had ook tot gevolg dat minder huisbezoeken konden worden gedaan door de predikant en de ouderlingen. Vandaar dat een ouderling extra gekozen werd.
Vooral de laatste oorlogsjaren waren moeilijk. Er was wel geld, maar geld kun je niet eten: er waren onvoldoende levensbehoeften. Gezinnen met jonge kinderen konden ook nauwelijks aan kleren komen. Jongemannen moesten onderduiken, omdat ze gezocht werden om in de Duitse oorlogsindustrie te werken (de Arbeitseinsatz).
De ‘Vrijmaking‘ (1944).

Intussen werden al sinds de jaren dertig in de Gereformeerde Kerken discussies gevoerd betreffende meningsverschillen over allerlei onderwerpen, zoals over de ‘pluriformiteit van de kerk’ (bestaat er buiten De Gereformeerde Kerken nóg een ware kerk?), hoe men dacht over doop en Verbond, over de ‘algemene genade’, de onsterfelijkheid van de ziel en ‘de vereniging van de beide naturen (God en mensch) in Christus’. Voor- en tegenstanders bestookten elkaar daarover in de kerkelijke pers en met een stortvloed van artikelen, en ook werden talloze brochures en strijdschriften gepubliceerd, waarbij het er niet altijd zachtjes aan toe ging. Door een aantal kerken en ook door de synode werd gewaarschuwd tegen die felle polemiek.
Tegen besluiten die de synode van 1942/’43 daarover nam rezen bij velen bezwaren (vooral over de visie op doop en Verbond), onder meer bij de kerkenraad van Mussel. Ook dr. K. Schilder (1890-1952) van ‘Kampen’ had kritiek op de synodebesluiten en werd door de synode geschorst.
De kerkenraad van Mussel besloot stappen te ondernemen om te trachten de schorsing van dr. Schilder ongedaan te maken. Daarom schreef de raad op 19 juni 1944 een brief aan de synode waarin meegedeeld werd dat de kerkenraad ‘diep bedroefd’ was vanwege de beroering in het kerkelijk leven in de laatste jaren, en door het schorsingsbesluit van 23 maart 1944. De kerkenraad verzocht de synode de schorsing op te heffen en de bespreking van de meningsverschillen voorlopig op te schorten.

Op 1 augustus 1944 kwam ook het bericht binnen dat ook dr. S. Greijdanus (1871-1948) van ‘Kampen’ geschorst was. Deze had eveneens bezwaren tegen de synodebesluiten. Toen de kerkenraad daarvan hoorde had men het gevoel dat men ‘ook zelf geschorst’ was. Toen op 29 augustus bovendien het bericht binnenkwam dat dr. Schilder afgezet was als predikant en als hoogleraar, schreef de kerkenraad aan de synode dat ‘de kerkenraad van De Gereformeerde Kerk te Mussel de verantwoording voor de genomen besluiten niet kan nemen’. Verder probeerde de kerkenraad via de classis een nieuwe generale synode bijeen te roepen om de genomen besluiten terug te draaien.
Op veel plaatsen in het land hadden kerkleden de door dr. K. Schilder opgestelde ‘Akte van Vrijmaking of Wederkering’ getekend, die door Schilder zelf op 11 augustus 1944 in Den Haag was voorgelezen, tijdens de zgn. ‘Vrijmakingsvergadering’. De synode vond dat de gereformeerde kerkenraden moest optreden tegen ondertekenaars van de ‘Akte’. De classis verwierp ondertussen het bovengenoemde verzoek van Mussel, maar besloot wel een extra Particuliere Synode bijeen te roepen om de ontstane problemen te bespreken.
Ondertussen had de kerkenraad een verklaring opgesteld die op de gemeentevergadering van 19 november werd besproken. Daarin werd stelling genomen tegen de synodebesluiten. Toen deze verklaring ook aan de classis gestuurd werd oordeelde deze dat de kerk van Mussel zich daarmee had losgemaakt van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Een bespreking daarover met enkele afgevaardigden van de classis leverde niets op. Dat liep uiteindelijk op 10 december 1944 uit op de volgende bekendmaking aan de gemeenteleden:

“Aan de gemeente wordt bekendgemaakt, dat de samensprekingen met de commissie uit de classis geen verdere resultaten heeft kunnen boeken. De kerkeraad meende bij zijn besluit van 19 november te moeten blijven. Het gevolg daarvan is, dat ook op volgende vergaderingen van de classis de afgevaardigden van de kerk van Mussel niet zullen worden toegelaten. De kerkeraad acht dat daarmee duidelijk gebleken is, dat de classis de kerk van Mussel binnen het ‘Oude Verband’ verder niet kan toelaten. De kerk van Mussel zal daarom met ingang van heden het verband opnemen met die kerken die in het noorden reeds verenigd zijn in de [vrijgemaakte] ‘Classis van het Noorden’ en als zodanig op 29 en 30 november in classicale vergadering bijeen zijn geweest”.
Zo maakte de meerderheid van de Gereformeerde Kerk van Mussel – de predikant en 90% van de gemeenteleden – zich per 22 november 1944 los van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Daardoor ontstond in Mussel dus de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). De vrijgemaakte kerk behield het gereformeerde kerkgebouw.
De resterende leden van De Gereformeerde Kerk te Mussel zochten hun kerkelijk onderdak elders, onder meer in Onstwedde en Musselkanaal. In Mussel hield de Gereformeerde Kerk in 1944 in ieder geval op te bestaan.
‘Vrijgemaakte’ voorlichting.

De inmiddels gevormde ‘vrijgemaakte’ classis besloot vervolgens een voorlichtende brochure te schrijven om te verspreiden onder de leden van de gereformeerde kerken in de classis. Daarin werd uiteengezet waarom volgens de classis de door de Generale Synode genomen besluiten onjuist waren. Ds. Verlare van Mussel kreeg de opdracht het geschrift samen te stellen. Het heette: ‘Eenvoudige toelichting aangaande het dogmatisch en kerkrechtelijk geschil in De Gereformeerde Kerken’. Het boekje van 17 pagina’s verscheen in meerdere drukken voor het eerst in oktober 1944. Op die datum was de kerk van Mussel dus officieel nog niet uit het verband van De Gereformeerde Kerk in Nederland getreden.

Enkele jaren later – op 8 mei 1950 – publiceerde ook de vrijgemaakte kerkenraad van Mussel een brochure ter verspreiding onder de eigen gemeenteleden. De aanleiding daarvoor was dat de (vrijgemaakte) kerkenraad ‘geschokt’ zei te zijn door ‘meer dan één bericht aangaande broeders en zusters, met name aangaande enige predikanten, die de gemeenschap met onze [vrijgemaakte] kerken hebben verbroken om zich weer te voegen bij de synodaal gebonden kerken’ (waarmee De Gereformeerde Kerken in Nederland bedoeld werden). De brochure telde 11 pagina’s en was getiteld: ‘Herderlijk schrijven van de raad der Kerk aan de [‘vrijgemaakte’] gemeente’.
De geschiedenis van de ‘niet-vrijgemaakte’ Gereformeerde Kerk in Mussel werd dus per 22 november 1944 beëindigd. De resterende leden van de Gereformeerde Kerk zochten kerkelijk onderdak bij Gereformeerde Kerken in de buurt, onder meer in Onstwedde.

Het kerkgebouw werd overigens in 1962 afgebroken, omdat de ‘vrijgemaakte’ kerk een nieuw kerkgebouw betrok.
Ledentallen van de Gereformeerde kerk te Mussel.

Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen, div. jrg.
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
Jaarboeken (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
J. Lamberts, Om Woord en Sacrament. De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Mussel (Onstwedder Mussel). Mussel, g.j. [rond 1961]
Chonda Luring, Blik op een kerk. Jubileumboek 175 jaar Gereformeerde Kerk Onstwedde, 1835-2010. Onstwedde, 2010
J. van Popta (namens de kerkenraad van de vrijgemaakte kerk van Mussel), Herderlijk schrijven van de raad der Kerk aan de gemeente. Mussel, 9 mei 1950
J. Verlare, Eenvoudige toelichting aangaande het dogmatisch en kerkrechtelijk geschil in De Gereformeerde Kerken. Mussel, 1944
A. Wagenaar, Christelijke Gereformeerde Kerk Mussel, Jubileumboek 1913-1988. Mussel, g.j. [plm. 1988]
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Mussel (3).
Rev. I. de Wolff (1930–1935).
( < To Part 2 ) – In December 1927, the process of calling a minister was initiated. Why so late? Possibly due to the church’s poor financial situation.
In any case, only the sixth call (all directed at candidates) was successful: candidate I. de Wolff (1901–1976) from Kampen accepted the call and began his ministry on June 15, 1930. He would serve the church for about five years.
The Church Renovated (1931).
In January 1931, the church council decided to renovate the church. A gallery was constructed to provide seating for fifty congregants. A vestibule was also built to reduce drafts when members entered. Additionally, a toilet and urinal were installed, a support beam was placed under the gallery, and a wider staircase to the gallery was added.
A chair for behind the pulpit (called “the platform”) and a lamp for the lectern (where Scripture readings were conducted) were purchased. New windows were installed, with the old ones sold to the highest bidder. Rev. De Wolff received the “old wood” as a gift, which he used to build a chicken coop.
The congregation raised approximately 1,925 guilders. During the renovations, services were held in Middelkamp’s barn.
The 1930s Economic Crisis.
The stock market crash on Wall Street in October 1929 triggered a severe global economic crisis. The church felt its effects: finances became strained, and the council urged members to increase contributions and collections, though many themselves faced household shortages.
The diaconate was nearly penniless. By mid-1934, the church’s deficit amounted to 600 guilders. The council conducted a door-to-door appeal and implemented a cost-cutting plan. The classis also ordered a 5% reduction in Rev. Geuchies’ pension.
Miscellaneous.
In 1930, the children’s Christmas celebration was held for the first time. Efforts for the ‘gereformeerde’ missionary work expanded; the congregation was tasked with fundraising for missions and fostering interest in missionary activities. Key mission fields were Sumba and “South Central Java.”
In 1931, infant baptism was discussed by the council, which decided baptisms should be conducted promptly, encouraging members to reflect seriously on their meaning. Parents were reminded that youth should honor Sundays rather than wander the streets all day.
Delegates to the 1933 classis were instructed to seek unity with churches sharing the same confession but not part of the ‘Gereformeerde’ Church federation. This mainly referred to the Christian Reformed Church in Mussel. However, a letter proposing dialogue received only an evasive response.
The gallery caused annoyance due to noise, sometimes requiring a monitor to maintain order.
Rev. De Wolff left Mussel on September 15, 1935, after accepting a call to the church in Enschede.
Rev. G. van Dooren (1936–1939).
Nearly six months later, Rev. G. van Dooren (1911–1996) succeeded him, beginning his ministry on March 1, 1936. He served for just over three years.
The ongoing economic crisis led to reinstating monthly collections for the church. Van Dooren’s tenure was marked by calm, though the Young Men’s Association struggled. A committee found many library books missing and rules not being followed, prompting council revisions.
Most members opposed assigned seating, though pews were refurbished in 1937. In 1938, discussions arose about tobacco spitting in church and smoking upon exit—both deemed unacceptable.
Rev. Van Dooren left on April 23, 1939, after accepting a call to Wezep.
Rev. J. Rook (1939–1942).
Later that year, candidate J. Rook (1909–1987) from Steenwijk arrived, starting his ministry on November 26, 1939. He served for over two and a half years.
War Clouds Gather.
After the Great Depression, new threats emerged as Adolf Hitler rose to power in 1933. Preparing for war, Dutch soldiers were mobilized in 1939, hoping to maintain neutrality as in World War I. However, on May 10, 1940, Germany invaded without warning.
The council complied with blackout regulations by hanging curtains in the church to prevent Allied pilots from spotting landmarks. Evening services were moved to the afternoon.
Until 1942, a newsletter about Jewish missions, Messiasbode, was distributed. Its distribution was banned by the occupiers in April 1942. The council also established a committee to collect funds for war invalids and victims of the May 1940 invasion. Food rationing began, requiring vouchers for necessities.
After Rev. Geuchies’ death in August 1940, funds were raised for a memorial stone on his grave, with appeals sent to churches he previously served.
Rev. Rook left on May 20, 1942, after accepting a call to Epe.
Rev. J. Verlare (1942–1944).
Rev. J. Verlare (1917–1964) succeeded him, starting his ministry on November 22, 1942. Exactly two years later, he and 90% of the congregation seceded from the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands during the so-called “Liberation.”
Wartime Challenges.
The occupiers banned youth associations, fearing discussions of political (anti-German) topics. Rising living costs prompted the classis to recommend a 10% salary increase for ministers, bringing the minimum to 2,500 guilders per year.
An evening curfew limited pastoral visits, leading to the election of an additional elder.
The final years of the war were especially tough. Money became worthless, and essentials were scarce. Families with young children struggled to find clothing, and young men went into hiding to avoid forced labor in Germany’s war industries (Arbeitseinsatz).
The Church ‘Liberation’ (1944).
Since the 1930s, discussions had been ongoing in the ‘Gereformeerde’ Churches about differences of opinion on various topics, such as the ‘pluriformity of the church’ (does a true church exist outside the ‘Gereformeerde’ Churches?), views on baptism and the covenant, ‘common grace,’ the immortality of the soul, and the union of the two natures (‘God and man’) in Christ. Supporters and opponents debated these issues in the ecclesiastical press and through a flood of pamphlets and polemical writings, often with heated exchanges. Both individual churches and the synod warned against the intensity of these debates.
Objections arose to decisions made by the synod of 1942/43, particularly regarding views on baptism and the covenant. Among the dissenters was the church council of Mussel. Dr. K. Schilder (1890–1952) of Kampen also criticized the synod’s decisions and was subsequently suspended by the synod.
The church council of Mussel decided to take action to attempt to reverse Dr. Schilder’s suspension. On June 19, 1944, they sent a letter to the synod expressing their deep sorrow over the unrest in ecclesiastical life in recent years, especially concerning the suspension decision of March 23, 1944. The council requested the synod to lift the suspension and temporarily suspend discussions on the disagreements.
On August 1, 1944, it was reported that Dr. S. Greijdanus (1871–1948), also of Kampen, had been suspended as well, as he too had objections to the synod’s decisions. The church council felt as if they themselves were also under suspension. When news arrived on August 29 that Dr. Schilder had been deposed as pastor and professor, the council wrote to the synod stating that “the church council of the ‘Gereformeerde’ Church in Mussel cannot take responsibility for the decisions made.” They attempted to convene a new general synod through the classis to reverse the decisions.
Throughout the country, church members signed the ‘Act of Liberation or Return’ drafted by Dr. K. Schilder, which he publicly read on August 11, 1944, in The Hague. The synod instructed ‘gereformeerde’ church councils to take action against those who signed the Act. Meanwhile, the classis rejected Mussel’s request for a new synod but did decide to convene an extraordinary Particular Synod.
The Mussel church council prepared a declaration, which was discussed in a congregational meeting on November 19, opposing the synod’s decisions. When this declaration was sent to the classis, the classis concluded that Mussel had separated itself from the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. Discussions with classis delegates yielded no results. On December 10, 1944, the church council announced to its members:
“To the congregation, it is announced that the discussions with the classis committee have not led to further results. The church council feels compelled to uphold its decision of November 19. Consequently, the church of Mussel will no longer be admitted to future meetings of the classis. The church council considers it evident that the classis no longer accepts the church of Mussel within the ‘Old Union.’ Therefore, as of today, the church of Mussel will affiliate with those churches already united in the [liberated] ‘Classis of the North,’ which met on November 29 and 30 in a classical assembly.”
Thus, the majority of the ‘Gereformeerde’ Church in Mussel—the pastor and 90% of the members—separated from the ‘Gerformeerde’ Churches in the Netherlands on November 22, 1944. This resulted in the formation of the ‘Gereformeerde’ Church (Liberated) in Mussel. The liberated church retained the ‘gereformeerde’ church building.
The remaining members of the ‘Gereformeerde’ Church in Mussel sought a church home elsewhere, including in Onstwedde and Musselkanaal. In 1944, the ‘Gereformeerde’ Church in Mussel ceased to exist.
‘Liberated’ Education.
The newly formed ‘liberated’ classis decided to produce an informational brochure for members of the ‘Gereformeerde’ Churches in the classis. This brochure explained why, according to the classis, the decisions of the General Synod were incorrect. Rev. Verlare of Mussel was tasked with writing it. Titled A Simple Explanation Regarding the Dogmatic and Church-Legal Dispute in the ‘Gereformeerde’ Churches, the 17-page booklet was first published in October 1944, even before the church in Mussel had officially separated from the ‘Gerformeerde’ Churches in the Netherlands.
A few years later, on May 8, 1950, the ‘liberated’ church council of Mussel published another brochure for its members. The motivation was their shock at reports of “more than one account concerning brothers and sisters, particularly some pastors, who have broken communion with our [liberated] churches to rejoin the synod-bound churches” (i.e., the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands). The 11-page brochure was titled A Pastoral Letter from the Church Council to the [Liberated] Congregation.
The history of the remainder of the ‘non-liberated’ ‘Gereformeerde’ Church in Mussel effectively ended on November 22, 1944, when the church withdrew from the church federation.
Incidentally, the church building was demolished in 1962 when the ‘liberated’ church moved to a new building.
(The End).
