2. De Doleantie te Serooskerke.
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – De hervormde predikant van Serooskerke, ds. Philippus Pieter, had in een schrijven aan de Classis Walcheren van oktober 1886 een duidelijke verklaring afgelegd, handelend over de kerkelijke strijd die in Amsterdam en elders gaande was.

In de hoofdstad des Lands streed de hervormde kerkenraad namelijk voor het handhaven van de gereformeerde belijdenis, voor de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten, én voor de afschaffing van het centralistische ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’, dat in 1816 op last van de koning aan de hervormde kerk was opgelegd met terzijdestelling van de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde.
De predikant had namelijk samen met anderen aan de classis geschreven dat het een ‘ontzettende zonde’ was nog lijdelijk toe te zien ’hoe het Koningschap van den Heere Jezus Christus in Zijn eigen, duurgekochte gemeente met voeten getreden werd’. Ds. Pieter en zijn geestverwanten schreven verder: “Uwe Leeraars en Opzieners meenen dan ook, dat er nooit eenige verandering in den bestaanden toestand van zaken zal komen, tenzij dan in een wederkeering tot God, en de Leer, Orde en Tucht [c.q. de Dordtse Kerkorde], als tot de oude palen, die onzen Vaderen gemaakt hebben”.
Tachtig kerkenraadsleden van Amsterdam afgezet.

Maar in december 1886 veranderde voor hem kennelijk alles: de Amsterdamse kerkenraad – onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920) – wist in de kerkelijke strijd van geen buigen en werd vervolgens werden tachtig kerkenraadsleden door de kerkelijke besturen afgezet vanwege ‘ongehoorzaamheid aan de kerkelijke reglementen’. Op 16 december 1886 brak daarom in Amsterdam de Doleantie door, net als eerder dat jaar al in enkele kleinere plaatsen in ons land. Ook in de hoofdstad werd de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) geïnstitueerd. De Dolerende kerkenraad van Amsterdam haastte zich om een groot landelijk congres te organiseren om met geestverwanten te overleggen wat er nu te doen stond.
Het Gereformeerd Kerkelijk Congres.
Van 11 tot en met 14 januari 1887 werd toen in Amsterdam het zgn. Gereformeerd Kerkelijk Congres gehouden, waar zo’n 1.500 hervormde kerkenraadsleden en gemeenteleden op af kwamen, die van oordeel waren dat het ‘plichtmatig’ was om ‘de reformatie der kerk ter hand te nemen’. Door voorlichting, toespraken en discussies werd de meest bevorderlijke gang van zaken afgesproken bij het tot stand komen van de ‘reformatie der kerk’ op andere plaatsen in het land. Zo werd bijvoorbeeld ook een drietal ‘Modelboekjes’ gepubliceerd, waarin ‘alle formulieren en brieven die te schrijven zouden zijn’ opgenomen waren met aanwijzingen voor een kerkrechtelijk juiste gang van zaken. In veel dorpen en steden in ons land vormden zich voornamelijk langs die lijnen een groot aantal Dolerende Kerken. Ook een behoorlijk aantal hervormde predikanten kozen voor de Doleantie, maar… ‘zich afscheiden van de hervormde kerk’ was voor ds. Pieter een stap te ver (de Dolerenden vonden overigens dat ze zich niet van de hervormde kerk afscheidden, maar vonden dat zij de rechtmatige voortzetting van die kerk waren).

Vrouwenpolder.
In het bij Serooskerke gelegen Vrouwenpolder was de Doleantie op 13 april 1887 ook tot stand gekomen. De hervormde kerkenraad besloot zich bij de Dolerende Kerken aan te sluiten en de kerkvoogdij besloot dat het kerkgebouw ten dienste van de Dolerende kerkenraad bleef, totdat er een gerechtelijke uitspraak zou zijn over het eigendom van de kerk. De burgemeester werd van de beslissing op de hoogte gesteld en werd om bescherming gevraagd. De burgemeester stond echter aan de kant van de hervormde kerkenraad, die enkele dagen later zonder aankondiging de kerkdeuren met ketting en slot afsloot. Zo kon de kerkelijke gemeente het kerkgebouw niet meer bezoeken. De Dolerenden lieten zich echter niet op stang jagen en hielden hun diensten toen in een schuur.

In Serooskerke.
Ook in de hervormde gemeente van Serooskerke waren gemeenteleden die zich zorgen maakten over de koers van de hervormde kerk. Honderdvijftien van hen schreven op 6 april 1887 een brief aan hun kerkenraad met het verzoek – zoals dat in de bewoordingen van het Gereformeerd Kerkelijk Congres heette – ‘de reformatie der kerk ter hand te nemen’. De hele achtkoppige kerkenraad (op één na) besloot daartoe! De enige tegenstemmer was ds. Pieter. De predikant toonde zich zeer geïrriteerd door dit ondanks alles wettig genomen besluit en verliet kwaad de vergadering. Bij het classicaal bestuur diende hij een klacht in tegen de kerkenraad. De classis liet er geen gras over groeien: ze ontsloeg zowel de kerkenraad als de kerkvoogdij, die het gebruik van de kerk aan de wettige Dolerende kerkenraad liet, tot een gerechtelijke beslissing genomen was over het eigendom van de kerk.
Op 13 april 1887 vormde zich dus de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Serooskerke. De ambtsdragers continueerden in feite hun dienst en behoefden dus niet opnieuw bevestigd te worden. Er kwam onder leiding van ds. Pieter en de classis een nieuwe (hervormde) kerkenraad en eveneens een kerkvoogdij. Dat verhinderde echter niet dat de Dolerende gemeenteleden op zondag hun kerkdiensten in het hervormde kerkgebouw konden houden. Ds. Pieter werd nog steeds door de kerkenraad als predikant erkend en ging in de diensten vaak voor. Maar vergaderen met de Dolerende kerkenraad was aan hem niet besteed.

Een vooraanstaand Dolerend predikant in Zeeland was ds. P.J.W. Klaarhamer (1848-1920) van Middelburg. Tijdens een gemeentevergadering te Serooskerke zei hij het vreemd te vinden dat ds. Pieter zich onttrok aan de kerkenraadsvergaderingen terwijl beide predikanten elkaar voordien regelmatig gesproken hadden over de kerkelijke troebelen, waarbij ook ds. Pieter de synodale hiëarchie – de grote macht van de hervormde synode – onhoudbaar achtte. Ds. Klaarhamer vroeg de gemeenteleden voor hun ‘dwalende predikant’ te bidden. Ds. Pieter zal niet lang geaarzeld hebben het op hem uitgebrachte beroep van de hervormde gemeente te Waddinxveen aan te nemen. Op 30 september 1887 zou hij vertrekken, zo deelde hij aan de kerkvoogdij mee. Maar het feitelijke vertrek vond de dag ervoor plaats. Met stille trom.
De veldwachter in de pastorie…
De sleutels van de pastorie had hij echter bij zich gehouden en ze vlak voor zijn vertrek overhandigd aan de hervormde kerkvoogd Geschiere. Dat was tegen het besluit van de Dolerende kerkvoogdij die overeenkomstig een wettig genomen besluit het gebruik van het kerkgebouw en de pastorie aan de Dolerende Kerk had gelaten, totdat een gerechtelijke beslissing genomen was. Het classicaal bestuur en de burgemeester wilden Geschiere maar wat graag helpen de pastorie in bezit te nemen en te houden. Burgemeester J. Riemens gaf de gemeenteveldwachter zelfs opdracht tijdelijk in de pastorie te gaan wonen om onverhoedse overname door de Dolerenden te voorkomen! “Een veldwachter ontvangt toch geen bevelen van een kerkelijk bestuur, net zomin als een burgemeester?” De rechter had nog níet gesproken, de burgemeester wél….!

Geen samenwerking met de Dolerenden!
Om de rechten van de ‘gebleven hervormden’ niet te beknotten en hun kerkelijk leven niet onmogelijk te maken besloot de Dolerende kerkenraad aan de hervormde kerkenraad voor te stellen om het kerkgebouw gezamenlijk te gebruiken: de Dolerenden in één dienst op zondag, en de hervormden idem. Het traktement van de predikanten zou samen betaald worden; beide gemeenten hielden recht op de opbrengst van de eigen collecten. Deze voorgestelde gedragswijze zou dan gelden tot de burgerlijke rechter uitspraak zou hebben gedaan over het eigendom van het kerkgebouw. De hervormde ‘ringpredikanten’ (predikanten uit de nabije omgeving) kregen ruimschoots de tijd om het voorstel te overwegen, maar uiteindelijk besloten ze er niet aan mee te werken. Ze deelden de Dolerende kerkenraad mee dat hij contact diende op te nemen met de hervormde kerkenraad. Dat deden de Dolerenden niet, want de hervormde kerkenraad werd door hen niet erkend; de Dolerenden beschouwden zichzelf immers als de wettige voortzetting van de hervormde kerk. Het kerkgebouw bleef dus voor de hervormde ringpredikanten gesloten. Voor de Dolerende gemeenteleden leidde oefenaar K. Werner (1843-1894) de kerkdiensten en sprak een ‘stichtelijk woord’. Van hem is geen foto bekend.
Toch vond de Dolerende president-kerkvoogd Pieter Melis het – zij het op eigen gezag – verstandig dat de hervormde ringpredikanten in de maand oktober voor de ‘gebleven hervormde gemeente’ gebruik zouden kunnen maken van het kerkgebouw. Dit om de orde en de rust in het dorp te bevorderen. Op de eerste zondag van oktober was het de hervormde predikant ds. Domisse van Gapinge die in het kerkgebouw voorging. De bijna drie kilometer van de kerk vandaan wonende Melis opende en sloot de kerkdeuren telkens persoonlijk, al moest hij er vanuit zijn woning een half uur voor lopen.
De kerk op slot…

Ds. Domissie preekte elke zondag ongeveer even lang, maar op zondag 30 oktober 1887 was hij eerder klaar dan normaal. Daar had de Dolerende president-kerkvoogd Pieter Melis niet op gerekend. Hij was op de normale tijd van huis gegaan om de deur van de kerk te sluiten. Maar toen hij bij de kerk kwam zag hij dat aan de deur van de pastorie een kettingslot aangebracht was en dat bij de ingang van de kerk de veldwachter op wacht stond! Melis kon praten als Brugman, maar hij kwam de kerk niet in. De hele nacht werd de kerk bewaakt.
De volgende dag, 31 oktober, was de dag dat er Dolerende notabelen gekozen moesten worden (een college van voorname gemeenteleden met een toezichthoudende en controlerende taak naast de kerkvoogden, die verantwoordelijk waren voor het beheer van de stoffelijke zaken van de kerkelijke gemeente, zoals de gelden en het kerkgebouw). Toen president-kerkvoogd Melis zich daarom naar de kerk begaf zag hij dat de veldwachter even niet op zijn post was. Melis nam de gelegenheid te baat het kettingslot te verwijderen. De Dolerende notabelen konden toen zonder problemen verkozen worden.
Voor het laatst in de hervormde kerk.
Maar op zondag 2 november 1887 werd de laatste Dolerende kerkdienst in de hervormde kerk gehouden. De burgemeester was namelijk bang dat er onrust in het dorp zou uitbreken door de kerkelijke troebelen en had de officier van justitie gevraagd een blik politieagenten open te trekken. Op 4 november arriveerden dezen in Serooskerke en begaven zich meteen naar de burgemeester die hun opdracht gaf zich op het kerkhof te posteren. Op het kerkhof!

In de kerk zaten Melis, zijn medekerkvoogd P. Tavenier en een ander gemeentelid, A. Slabber genaamd. Ze waren daar om te voorkomen dat de kerk door de hervormde kerkenraad in bezit genomen zou worden. Dat was niet voor niks, want om half twaalf hoorden ze geklop en gebonk op de deur en op de ramen van de consistorie terwijl geroepen werd dat ze de deur moesten openen. Desgevraagd werd van buiten geroepen: ‘Wij zijn van de politie!’ Omdat de Dolerenden weigerden de deur te openen werd gedreigd met geweld. Daarop zei Tavenier dat ze dat zelf maar moesten weten. De politieagenten riepen dat ze het kettingslot en de krammen terug wilden hebben. Tavenier riep terug dat hij dat morgenochtend wel wilde doen, maar alleen met schriftelijke toestemming van de president-kerkvoogd. Agenten riepen dat ze het slot meteen terug moesten geven omdat ze anders een ‘kogel door de kop’ zouden krijgen. Tavenier antwoordde onderkoeld: ‘Dat moet u dan zelf maar weten’.
Tavenier riep verder dat hij de volgende dag een klacht over de handelwijze van de politie zou indienen bij de officier van justitie, waarop de agenten geenszins vriendelijker werden en riepen: ‘Beroerling, ik wou dat je dood viel!’ Na deze verkwikkende discussie stak Melis zijn hoofd uit het raam om de situatie op te nemen. Toen richtte een veldwachter een karabijn op hem. De politie in dienst van de kerk…

De aanval op de kerk.
Terwijl een en ander gaande was waren drie inwoners van Serooskerke op het lawaai afgekomen: S. Kesteloo, Jac. Geldof en S. Kodde. Bij de begraafplaats gekomen konden ze zien wat er gebeurde, al werden ze door de daar aanwezige agenten en soldaten, een groep van bijna tien personen, bedreigd met de opwekkende woorden: ‘Ga weg, of we schieten je in je donder’. Ze konden ook horen dat een soldaat aan zijn leidinggevende vroeg: ‘Moeten we het geweer laden, majoor?’ terwijl zijn wapen op de consistorie gericht was. Het waaide die nacht flink, zodat de rest van het slapende Serooskerke niets merkte van de onrust bij de kerk.
De volgende dag werd door president-kerkvoogd Melis, zijn geestverwant in de consistorie en door de drie getuigen op het kerkhof, bij de officier van justitie aangifte gedaan van wat tijdens de nachtelijke aanval op de kerk gebeurd was. Deze beloofde dat zulke tonelen zich niet weer zouden voordoen, maar als ze bescherming wilden hebben moesten ze bij de burgemeester zijn. Deze was altijd Oost-Indisch doof geweest en had zich kennelijk aan de kant van de hervormde kerkenraad gesteld; daarom verwachtten ze van hem niets. In plaats daarvan richtten ze zich tot de Commissaris van de Koningin in Zeeland, jhr. mr. W.M. de Brauw, die om een schriftelijke aangifte verzocht, wat gebeurde. Ook werden de procureur-generaal bij het Haagse Gerechtshof en de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie van het gebeurde op de hoogte gesteld.

Gevangen genomen…
Dat de Dolerende president-kerkvoogd, Pieter Melis, er ook in het vervolg voor zorgde dat de kerk en de consistoriekamer goed gesloten waren, spreekt voor zich. Ook waren er constant Dolerende bewakers in het gebouw aanwezig. Maar op zaterdagmiddag 19 november kwam plotseling de hervormde ouderling G. Geschiere, die we al eerder ontmoetten, naar de kerk, riep de Dolerende bewakers toe de kerk te verlaten, en toen dat geweigerd werd sloot hij de deuren van de consistorie van buiten af met ketting en slot. Bovendien liet hij de politie er op wacht staan. President-kerkvoogd Melis, kerkvoogd Chr. Geerse en B. Koole zaten gevangen!
De in de consistorie verblijvende 72-jarige kerkvoogd Geerse worstelde al langer met zijn gezondheid en werd door de gebeurtenissen overmand. Melis riep daarom de hulp in van advocaat en procureur mr. Chr. Lucasse, die meteen contact opnam met de burgemeester. Deze beval dat Geerse uit de consistorie gelaten moest worden, maar hij wilde geen hulp bieden door de afsluiting ongedaan te maken want, zei hij, hij wilde niet tussenbeide komen in een kerkelijk conflict. Maar in de woning van Kesteloo verzekerde de burgemeester dat de rust in het dorp gehandhaafd zou worden.

Ditmaal hield hij woord, want hij voorkwam die nacht de uitvoering van het plan van de hervormde kerkenraad om de consistorie en daarmee de kerk door een list onverwachts in bezit te nemen. Geschiere was echter niet zonder verdere plannen. Het binnenhalen van voedsel voor de Dolerende bewakers in de consistorie stond hij niet toe. Hij werd tegengehouden omdat de burgemeester beval de uithongering ogenblikkelijk te staken en voedsel toe te laten.
Het viel trouwens niet mee de bewakers in de consistorie zo nu en dan via het raam af te lossen. Zo werd de dolerende bewaker Jac. Geldof door de politie aan zijn benen teruggetrokken toen hij naar binnen wilde klimmen. P. de Visser was enige nachten in zijn eentje in de consistorie, al dachten de agenten en soldaten – te oordelen naar de door hen geschreeuwde dreigementen – dat het er meer waren. De Visser schreef over zijn belevenissen aan zijn vrouw; de brief wilde hij door het raam aan zijn schoonvader overhandigen, maar de politie pakte de brief af en verhinderde zo dat het schrijven aan mevr. De Visser overhandigd zou worden. Ze brachten de brief naar de burgemeester. Deze had wel zoveel tegenwoordigheid van geest dat hij bevel gaf de brief onmiddellijk aan de vrouw van De Visser te overhandigen.

De Visser verliet uiteindelijk de consistorie via het raam, in de nacht van woensdag op donderdag 24 november. Het gevolg was te verwachten: door hetzelfde raam drongen de hervormden de consistorie binnen en namen de kerk over. De politie was daarmee zeer tevreden. De Dolerenden lieten zich door al het gebeurde niet van de wijs brengen, waardoor voorkomen werd dat in het dorp geweld zou losbarsten.

De Dolerende predikanten.
De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Serooskerke – geïnstitueerd op 6 april 1887 – kreeg achtereenvolgens een tweetal predikanten. De eerste was ds. J.H.M.G. Wolf (1859-1907) uit Gameren, die op 29 april 1888 intrede deed en tot 4 december 1892 aan de kerk verbonden was. “Hij was een beminnelijke verschijning waar men hem mocht ontmoeten. In alles even ernstig, was hij een man met een degelijk karakter, die met groote ijver bezield was voor zijn roeping, de prediking van Gods Woord”, zo schreef ds. S. Sleeswijk Visser (1857-1916) van Rijsoord. In het In Memoriam in het Handboek 1908 van de Gereformeerde Kerken.

Na het vertrek van ds. Wolf deed de tweede Dolerende predikant intrede. Het was ds. A.L. Ruys (1863-1945) uit Fijnaart, die op 2 september 1894 aan de kerk van Serooskerke verbonden werd. Hij was ruim drie jaar predikant van de kerk te Serooskerke, want op 21 november 1897 nam hij afscheid.
De Gereformeerde Kerk te Serooskerke (februari 1897).
De namen van de Christelijke Gereformeerde Gemeente en van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) veranderden in juni 1892. Dat kwam doordat de synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (resp. afkomstig uit Afscheiding en Doleantie, op 17 juni 1892 de ineensmelting van beide kerken konden proclameren. Als naam werd gekozen ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’.
Afgesproken was dat de fuserende plaatselijke kerken ook meteen ‘De Gereformeerde Kerk’ zouden heten, ook als ze wegens bijvoorbeeld verschillen van mening nog niet direct konden samengaan. In dat geval heette de oudste van de (meestal twee) kerken: Gereformeerde Kerk A (voornamelijk de vroegere Christelijke Gereformeerde Gemeente) en de jongste (meestal de Dolerende Kerk) Gereformeerde Kerk B. Ook in Serooskerke was dat het geval. Vanaf 17 juni 1892 tot februari 1897 bestonden in Serooskerke dus twee Gereformeerde Kerken: De Gereformeerde kerk te Serooskerke A en De Gereformeerde Kerk te Serooskerke B.
In februari 1897 verenigden de Christelijke Gereformeerde Gemeente en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Serooskerke zich tot De Gereformeerde Kerk te Serooskerke.
** De Petruskerk te Serooskerke.
Als aanvulling op onze serie over het ontstaan van De Gereformeerde Kerk te Serooskerke is het dienstig op te merken, dat de voormalige gereformeerde Petruskerk in Serooskerke (gebouwd in 1953) in 2019 te koop gezet werd, maar nog sinds datzeldde gebruikt wordt door de Hervormde Gemeente Het Kruispunt te Serooskerke. De eerste kerkdienst van de nieuwe gemeente-in-wording Het Kruispunt werd gehouden op 28 april 2019 in de Petruskerk in Serooskerke. Na een periode van anderhalf jaar als gemeente-in-wording is Het Kruispunt met ingang van 1 oktober 2020 officieel gevormd als zelfstandige hervormde gemeente van bijzondere aard (behorende tot de PKN) en heeft zij de Petruskerk blijvend in gebruik.
Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen, div. jrg.
Gemeenten en predikanten in De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden 1992
De Heraut voor de Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der Negentiende Eeuw. Amsterdam, 1917
J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Zeeland, deel. 2, Walcheren, Schouwen-Duiveland, Tholen en Sint Philipsland. Barneveld, 1989
J.P. Zwemer, De Doleantie te Serooskerke, in: Documentatieblad Nederlandse Kerkgeschiedenis, nr. 58, 2003
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
Secession and Doleantie in Serooskerke (Walcheren) – 2
2. The Doleantie in Serooskerke.
( < Back to Part 1 ) – The ‘hervormde’ minister of Serooskerke, Rev. Philippus Pieter, had submitted a clear statement to the Classis Walcheren in October 1886, dealing with the ecclesiastical struggle taking place in Amsterdam and elsewhere.
In the nation’s capital, the ‘hervormde’ church council was fighting to maintain the ‘gereformeerde’ confession, to preserve the independence of the local congregations, and to abolish the centralized “General Regulations for the Governance of the ‘hervormde’ Church”, which in 1816 had been imposed on the church by order of the king, thereby setting aside the ancient ‘gereformeerde’ Church Order of Dordt.
The minister had written together with others to the classis that it was a “terrible sin” to continue passively watching “how the Kingship of the Lord Jesus Christ in His own, dearly bought church was being trampled underfoot.” Rev. Pieter and his like-minded colleagues further wrote:
“Your Teachers and Overseers also believe that no change will ever come in the current state of affairs, unless it be by a turning back to God, and to the Doctrine, Order, and Discipline [i.e. the Church Order of Dordt], to the old landmarks set by our Fathers.”
Part of the Amsterdam church council deposed.
But in December 1886 everything apparently changed for him: the Amsterdam church council—led by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920)—would not bend in the ecclesiastical conflict and was subsequently deposed by the church boards for “disobedience to the church regulations.” On 16 December 1886 the Doleantie broke out in Amsterdam, just as it had earlier that year in several smaller places in the country. In the capital the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (in Doleantie) was instituted. The Dolerende church council of Amsterdam hurried to organize a large national congress to consult with like-minded believers about what was now to be done.
The ‘Gereformeerde’ Church Congress.
From 11 to 14 January 1887 the so-called ‘Gereformeerde’ Church Congress was held in Amsterdam, which was attended by about 1,500 ‘hervormde’ church council members and congregants who believed that it was their duty “to take in hand the reformation of the church.” Through information, speeches, and discussions, the most favorable procedures were agreed upon for bringing about the “reformation of the church” in other places in the country. For example, a set of three “Model Booklets” was published, containing all the forms and letters that would need to be written, with instructions for a legally correct ecclesiastical process. In many towns and villages throughout the Netherlands, a large number of Dolerende churches were formed along those lines. Quite a number of ‘hervormde’ ministers also chose the side of the Doleantie, but “separating from the ‘Hervormde’ Church” was a step too far for Rev. Pieter (although the Dolerenden insisted they were not seceding from the ‘Hervormde’ Church, but were its rightful continuation).
Vrouwenpolder.
In nearby Vrouwenpolder, the Doleantie was also carried out on 13 April 1887. The ‘hervormde’ church council decided to join the Dolerende Churches, and the board of church trustees decided that the church building would remain at the disposal of the Dolerende church council until a judicial ruling on the ownership of the church had been made. The mayor was informed of the decision and was asked for protection. However, the mayor sided with the ‘hervormde’ church council, which a few days later locked the church doors with a chain and padlock without prior announcement. As a result, the congregation could no longer enter the church building. The Dolerenden did not allow themselves to be provoked and held their services in a barn.
In Serooskerke.
In the ‘Hervormde’ congregation of Serooskerke there were also members who were concerned about the direction of the ‘Hervormde’ Church. One hundred fifteen of them wrote a letter on 6 April 1887 to their church council, requesting—using the wording of the ‘Gereformeerd’ Church Congress—“to take in hand the reformation of the church.” The entire eight-member church council (except for one) decided to comply! The only dissenting vote was that of Rev. Pieter. The minister showed himself greatly irritated by this lawfully made decision and angrily left the meeting. He filed a complaint with the classis against the council. The classis acted quickly: it dismissed both the church council and the board of church trustees, who had granted the use of the church to the lawful Dolerende church council until a judicial decision regarding ownership would be made.
Thus, on 13 April 1887, the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (in Doleantie) of Serooskerke was formed. The office-bearers simply continued in their service and therefore did not need to be reinstalled. Under the leadership of Rev. Pieter and the classis, a new (‘hervormde’) church council and a board of church trustees were formed. This did not prevent the Dolerende members from holding their Sunday services in the ‘hervormde’ church building. Rev. Pieter was still recognized as their minister by the Dolerende church council and often led services. But he would not participate in meetings with the Dolerende church council.
A prominent Dolerende minister in Zeeland was Rev. P.J.W. Klaarhamer (1848–1920) of Middelburg. At a congregational meeting in Serooskerke he expressed his surprise that Rev. Pieter withdrew from church council meetings, even though the two ministers had often previously spoken with one another about the ecclesiastical troubles, during which Rev. Pieter also considered the synodical hierarchy—the great power of the ‘hervormde’ synod—untenable. Rev. Klaarhamer asked the congregants to pray for their “erring minister.” Rev. Pieter likely did not hesitate long before accepting the call from the ‘hervormde’ congregation of Waddinxveen. He informed the church trustees that he would leave on 30 September 1887. But his actual departure took place the day before. Quietly, without ceremony.
The constable in the parsonage…
However, he still had the keys to the parsonage and handed them shortly before his departure to the ‘hervormde’ trustee Geschiere. This was against the decision of the Dolerende board of trustees, who by lawful decision had granted the use of the church building and the parsonage to the Dolerende Church until a judicial ruling had been made. The classical board and the mayor were all too willing to help Geschiere take possession of the parsonage. Mayor J. Riemens even ordered the village constable to live temporarily in the parsonage to prevent an unexpected takeover by the Dolerende. “A constable does not take orders from a church board, any more than a mayor does!” The judge had not yet spoken, but the mayor already had…!
No cooperation with the Dolerenden!
To prevent the rights of the ‘hervormden’ from being curtailed and to avoid making the church life of the remaining ‘hervormde’ congregation impossible, the Dolerende church council proposed to the ‘hervormde’ church council that they use the church building jointly: the Dolerenden one service on Sunday, and the ‘hervormden’ likewise. The ministers’ salaries would be paid jointly; both congregations would retain the income from their own offerings. This arrangement would remain in force until the civil court ruled on ownership of the church building. The ‘hervormde’ “ring ministers” (ministers from nearby congregations) were given ample time to consider the proposal, but ultimately decided not to cooperate. They informed the Dolerende church council that it should contact the ‘hervormde’ church council. But the Dolerenden did not do so, because they did not recognize the ‘hervormde’ church council. They considered themselves the lawful continuation of the ‘Hervormde’ Church. The church building therefore remained closed to the ‘hervormde’ ring ministers. For the Dolerende congregation, lay preacher K. Werner (1843–1894) led the services and delivered an “edifying word.”
Nevertheless, the Dolerende president-church trustee, Pieter Melis, thought it wise—though on his own authority—to allow the ‘hervormde’ ring ministers to use the church building in the month of October for the “remaining ‘hervormde’ congregation,” in order to promote order and peace in the village. On the first Sunday of October the ‘hervormde’ minister Rev. Domisse of Gapinge led the service. Melis, who lived nearly three kilometers from the church, personally opened and closed the church doors, though it required him to walk half an hour each way.
The church locked…
Rev. Domisse preached about the same length each Sunday, but on Sunday 30 October 1887 he finished earlier than usual. Melis had not expected this. He had left home at the usual time to close the church door. But when he reached the church he saw that a chain and padlock had been placed on the door of the parsonage and that the constable was standing guard at the church entrance! Melis argued and pleaded, but he was not allowed inside. The church was guarded throughout the night.
The next day, 31 October, Dolerende notables were to be elected (a council of prominent members with supervisory and controlling responsibilities beside the trustees, who managed the church’s material affairs). When president-trustee Melis arrived at the church, he noticed that the constable was momentarily absent. Melis seized the opportunity and removed the chain lock. The Dolerende notables could then be elected without problems.
For the last time in the Refor’hervormde’ church
But on Sunday 2 November 1887 the last Dolerende service was held in the ‘hervormde’ church. The mayor feared that the ecclesiastical troubles would lead to unrest in the village and asked the public prosecutor to send a number of policemen. They arrived in Serooskerke on 4 November and immediately went to the mayor, who ordered them to position themselves in the graveyard. In the church sat Melis, his fellow trustee P. Tavenier, and another congregant, A. Slabber. They were there to prevent the church from being taken over by the ‘hervormde’ church council. This was not without reason, because at 11:30 they heard banging and pounding on the door and the windows of the consistory while voices shouted that they should open the door. When they asked who it was, they heard from outside: “We are the police!”
Because the Dolerenden refused to open the door, they were threatened with force. Tavenier responded that they could do as they wished. The police shouted that they wanted the chain lock and staples returned. Tavenier called back that he would return them the next morning, but only with written authorization from the president-trustee. The officers shouted that they must return the lock immediately “or else they would get a bullet through the head.” Tavenier responded coolly: “Do as you please.”
Tavenier added that he would file a complaint about the police’s behavior with the public prosecutor the next day, whereupon the officers became even less friendly and shouted: “Troublemaker, I wish you’d drop dead!” After this refreshing exchange, Melis stuck his head out of the window to inspect the situation. A constable then pointed a carbine at him. The police in the service of the church…
The attack on the church.
While all this was happening, three villagers—S. Kesteloo, Jac. Geldof, and S. Kodde—had come to investigate the noise. Upon reaching the graveyard, they could see what was happening, although the officers and soldiers present—nearly ten in number—threatened them: “Go away, or we’ll shoot you down.” They also heard a soldier ask his commanding officer: “Should we load the gun, Major?” while pointing his weapon at the consistory. It was a windy night, so the rest of Serooskerke, sleeping peacefully, noticed nothing of the unrest at the church.
The next day, president-trustee Melis and his colleague in the consistory, as well as the three witnesses from the graveyard, filed a report with the public prosecutor about the nighttime attack on the church. The prosecutor promised that such scenes would not occur again, but if they wanted protection, they needed to go to the mayor. The mayor, however, had always been selectively deaf and clearly sided with the ‘hervormde’ church council; they expected nothing from him. Instead, they appealed to the Queen’s Commissioner in Zeeland, jonkheer Mr. W.M. de Brauw, who requested a written report, which they provided. The Attorney General at the The Hague Court of Appeals and the Ministers of the Interior and Justice were also informed.
Imprisoned…
Naturally, president-trustee Pieter Melis continued to ensure that the church and consistory were securely locked. There were always Dolerende guards present. But on Saturday afternoon, 19 November, the ‘hervormde’ elder G. Geschiere—the same man encountered earlier—suddenly arrived at the church, ordered the Dolerende guards to leave, and when they refused, he locked the consistory doors from the outside with a chain and padlock. He also had the police stand guard. President-trustee Melis, trustee Chr. Geerse, and B. Koole were imprisoned!
The 72-year-old trustee Geerse had long struggled with his health and was overwhelmed by the situation. Melis therefore called upon lawyer and attorney Mr. Chr. Lucasse, who immediately sought the mayor’s help. The mayor ordered that Geerse be released from the consistory, but refused to help undo the lockdown, saying he did not want to intervene in a church conflict. But at Kesteloo’s home, the mayor assured them that peace in the village would be maintained.
This time he kept his word, for he prevented the ‘hervormde’ church council’s plan that night to take over the consistory—and therefore the church—by a trick. But Geschiere had further plans. He did not allow food to be brought to the Dolerende guards in the consistory. He was stopped only when the mayor ordered the starvation attempt to cease immediately and that food be permitted.
It was not easy to relieve the guards in the consistory through the window. Dolerende guard Jac. Geldof was pulled back by the police by his legs. P. de Visser spent several nights alone in the consistory, although the officers and soldiers—judging by their shouted threats—thought several men were inside. De Visser wrote to his wife about his experiences; he intended to hand the letter through the window to his father-in-law, but the police prevented it from reaching Mrs. De Visser. They took the letter to the mayor, who fortunately had the presence of mind to order that it be delivered immediately to De Visser’s wife.
De Visser finally left the consistory through the window during the night from Wednesday to Thursday, 24 November. The consequences were predictable: through the same window, the ‘hervormden’ entered the consistory and seized the church. The police were very pleased with this. The Dolerenden, however, did not allow themselves to be disheartened, thereby preventing violence from erupting in the village.
The Dolerende Ministers.
The Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (in Doleantie) of Serooskerke—instituted on 6 April 1887—was served successively by two ministers.
The first was Rev. J.H.M.G. Wolf (1859–1907) from Gameren, who was installed on 29 April 1888 and served until 4 December 1892. “He was a pleasant figure wherever one might meet him. In all things equally earnest, he was a man of solid character, filled with great zeal for his calling, the preaching of God’s Word,” wrote Rev. S. Sleeswijk Visser (1857–1916) of Rijsoord, in the In Memoriam in the 1908 Handbook of the ‘Gereformeerde’ Churches.
After Rev. Wolf’s departure, the second Dolerende minister was installed: Rev. A.L. Ruys (1863–1945) from Fijnaart, who was connected to the church of Serooskerke on 2 September 1894. He served as minister for just over three years, until he took his leave on 21 November 1897.
The ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke (February 1897).
The names Christian Reformed Congregation and Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church (in Doleantie) changed in June 1892. This happened because the synods of the Christian Reformed Church and the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Churches (from the Secession and the Doleantie respectively) were able on 17 June 1892 to proclaim the merger of the two churches. The chosen name was “The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.”
It was agreed that the merging local churches would also immediately be called “The ‘Gereformeerde’ Church,” even if, due to differences of opinion, they were not yet able to unite fully. In such cases, the older of the two churches (usually the former Christian Reformed Congregation) would be named ‘Gereformeerde’ Church A, and the younger (usually the Dolerende Church) ‘Gereformeerde’ Church B. This was also the case in Serooskerke. From 17 June 1892 to February 1897 there were therefore two ‘Gereformeerde’ Churches in Serooskerke:
The ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke A and The ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke B.
In February 1897 the Christian Reformed Congregation and the Netherdutch ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke united to form The ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke.
** The Petruskerk in Serooskerke.
As a supplement to our series on the origins of the ‘Gereformeerde’ Church in Serooskerke, it is useful to note that the former ‘gereformeerde’ Petruskerk in Serooskerke (built in 1953) has been used since 2019 by the ‘Hervormde’ Congregation Het Kruispunt in Serooskerke.
The first church service of the new congregation-in-formation Het Kruispunt was held on 28 April 2019 in the Petruskerk in Serooskerke. After a period of one and a half years as a congregation-in-formation, Het Kruispunt was officially established on 1 October 2020 as an independent ‘Hervormde’ congregation of a special nature (belonging to the Protestant Church in the Netherlands, PKN) and has continued to use the Petruskerk permanently.