Ds. W.H. Gispen (van 1864 tot 1873).
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – De Curatoren van de Theologische School vonden het maar niks dat de kerkenraad geen haast maakte met het beroepen van een opvolger van van ds. Helenius de Cock (1824-1894), die al in 1854 benoemd was als docent van de Theologische School, maar die ook in die functie de kerk van Kampen bleef dienen.

Toen er een kleine onenigheid ontstond tussen kerkenraad en Curatorium van de Theologische School, besloot het Curatorium dat de docenten de kerk van Kampen niet meer mochten dienen. Daarom kon de kerkenraad moeilijk anders doen dan het beroepingswerk opstarten. Als eerste werd docent ds. S. van Velzen (1809-1896) beroepen. Hij preekte uit het hoofd en zijn preken toonden van begin tot eind een vaste lijn. Bovendien was hij met zijn zware stem tot in alle hoeken van de kerk goed te verstaan, maar hij aarzelde in zijn preken niet door hem geconstateerde ongerechtigheden te bestraffen. Toen bijvoorbeeld op het orgel in de kerk beelden waren aangebracht als versiering (David met een harp, enz.) en ds. Van Velzen moest preken over zondag 35 van de Heidelbegse Catechismus over het ‘maken van beelden’, en het verkeerde van de Roomse beeldendienst had aangetoond, vroeg hij aan het eind van de preek ook of die nieuwe beelden op het orgel dan wel mochten. Ja, was zijn antwoord, want die worden niet vereerd, maar dienen als versiering. Ds. Van Velzen werd beroepen, maar hij bedankte er voor.

Vervolgens werd ds. W.H. Gispen (1833-1909) beroepen; hij nam het aan en deed op 26 juni 1864 intrede. Omdat door veel gemeenteleden echter vooral ds. Van Velzen en ds. A. Brummelkamp (1811-1888) gewenst werden, viel het voor ds. Gispen niet mee de opengevallen plaats te vervullen. Hij ontmoette ‘veel misverstanden en tegenwerking’. Maar veel steun ondervond hij van zijn voorganger, ds. Helenius de Cock. Gelukkig “vond [ds. Gispen] daar een goed bearbeide gemeente, waarop [hij] kon voortbouwen”. Ds. Gispen maakte veel werk van zijn preken en verscheidene daarvan werden in druk gepubliceerd.

“Christelijke Gereformeerde Gemeente” (1869).
Al eerder schreven we over de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die ook in Kampen bestaan had van 1838 tot in elk geval 1842. Maar de landelijke onenigheden tussen de Kruiskerken en de Christelijke Afgescheidene Kerk waren na dertig jaar niet meer actueel. Men vond het tijd worden zich te herenigen. Na onderhandelingen, die vooral aan het eind van de jaren 1860 begonnen, kon in juni 1869 besloten worden weer samen verder te gaan (hoewel een paar Kruisgemeenten daarin niet mee gingen). De naam van de verenigde kerk werd ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’, waarbij ook de gemeente van Kampen zich aansloot. Deze heette in het vervolg dus: Christelijke Gereformeerde Gemeente te Kampen.
Ds. Gispen had vroeger zelf ook tot de Gereformeerde Kerk onder ‘t Kruis behoord. Omdat hij binnen de Kruiskerken “veel sympathieën en antipathieën tegenkwam van mannen die hij als vaders vereerde”, besloot hij zelf aan te sturen op vereniging van de Kruiskerk en de Christelijke Afgescheidene Kerk. In zijn ‘voor-vorige’ standplaats Vlissingen lukte het hem dat samengaan al in 1860 te bereiken. In Kampen ging de gemeente van Dirk Hoksbergen (ja, hij was er ook nog steeds) in 1869 niet met de ‘vereniging’ mee. Hoksbergen stierf overigens in 1871.
Op 19 januari 1871 verschenen echter eenentwintig gemeenteleden van Hoksbergens gemeente voor de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente, waarvan ds. Gispen toen voorzitter was. Ze vroegen toelating tot de gemeente. De kerkenraad stemde daarmee in. Verklaard werd dat men niet achterom zou kijken naar hetgeen gebeurd was, maar vooruit naar wat komen zou. Met het zingen van psalm 133 vers 1 en met dankgebed door ds. Gispen werd de eenheid bevestigd. Uit pure blijdschap vroeg een ouderling daarna ook nog te zingen psalm 72 vers 11.

Ds. Gispen nam op 4 mei 1873 afscheid van de gemeente van Kampen wegens zijn vertrek naar de gemeente in Zwolle.
Ds. J. Bavinck (van 1873 tot 1903).

Op 3 augustus 1873 deed zijn opvolger intrede, in de persoon van ds. J. Bavinck (1826-1909) uit Almkerk–Nieuwendijk. Ds. Bavinck zag er tegenop om naar Kampen te gaan, de stad van de Theologische School, omdat elke keer dat hij daar op de preekstoel zou staan ‘een keur van docenten en studenten’ hem zou beoordelen. Maar niet alleen de gemeenteleden, ook de ‘School der Kerk’ drong er bij hem op aan de roeping van Kampen aan te nemen.
Ds. Bavinck “wist op den kansel zoo duidelijk en bevattelijk te spreken, dat zelfs de eenvoudigsten hem konden volgen. En toch was hij een man van diep inzicht in Gods Woord en met rijke dogmatische kennis toegerust”. Ds. Bavinck schreef tijdens zijn emeritaat (vanaf 1903) een tweedelige verklaring van de Heidelbergse Catechismus.

In Noord-Amerika beriepen de Afgescheiden emigranten hem ook! Tot tweemaal toe werd hij daar benoemd als docent van de op te richten Theologische School van de True Dutch Reformed Church – de latere Christian Reformed Church – en driemaal werd hij door een gemeente in Amerika beroepen. Hij bleef echter in Nederland.
De nieuwe kerk aan de Burgwal (1875).

De Kamper gemeente kerkte ondertussen, zoals we al schreven, in het kerkgebouw aan de Hofstraat, op de hoek met de Morresteeg. Toen ds. De Cock predikant van Kampen was, werd dat kerkgebouw voor het eerst verbouwd. Dat was in 1854. Maar het gebouw bleek al snel opnieuw te klein om de groeiende gemeente te kunnen bergen. In 1871, toen zich de eenentwintig nieuwe leden van de Kruisgemeente aanmeldden, bleek de vergroting van het jaar daarvoor een gouden greep.

In 1870 was de kerk bovendien andermaal uitgebreid. Ds. Gispen leidde op 15 oktober de eerste dienst in het vernieuwde gebouw. Hij preekte over de beloofde voltooiing van de tempel, uit Zacharia 4 vers 10. Dankbaarheid en vertrouwen in de toekomst waren gewenst, aldus ds. Gispen.

De predikant schetste in dat verband de groei van de gemeente, die met dertien manslidmaten was begonnen en die mede dankzij de vestiging van de predikantenopleiding tot een van de belangrijkste gemeenten in het land geworden was.

En toen in 1871 opnieuw een aantal leden van de gemeente van wijlen Hoksbergen overstapte naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente werd de wens actueel om opnieuw iets aan het kerkgebouw te doen. Geklaagd werd over bedomptheid en benauwdheid. Besloten werd een nieuwe kerk te bouwen aan de Burgwal. Docent/dominee A. Brummelkamp had vaak over hoofdpijn geklaagd als hij in de Hofstraatkerk gepreekt had. Toen de nieuwe kerk op 7 maart 1875 in gebruik genomen werd schonk ds. Brummelkamp fl. 20 aan de kerkenraad uit dankbaarheid dat hij nu verlost was van zijn hoofdpijn.

De oude kerk aan de Hofstraat werd verkocht voor fl. 16.000, het orgel inbegrepen; dat laatste verhuisde naar de gemeente van Hattem, die er fl. 850 voor neertelde.

Ds. G. Elzenga (van 1891 tot 1918).

Terwijl in ons land de synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk en van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie (waarover straks meer) met elkaar overlegden om samen verder te gaan, deed ds. G. Elzenga (1856-1918) op 22 februari 1891 intrede in Kampen. Ook over hem later meer.

2. De Doleantie in Kampen.
Enkele jaren eerder, In 1886, begon in ons land de tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk, die we de Doleantie zijn gaan noemen (van ‘dolere’ = klagen). Onder de landelijke leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920) wilde men geen deel meer uitmaken van een kerkelijk bestuur dat zich hield aan het in 1816 door de koning aan de hervormde kerk opgedrongen ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’ en wilde men ‘weer kracht en geldigheid verlenen aan de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde van 1618/1619’. Voor hen had de centralistische bestuursvorm van de hervormde kerk (de wat genoemd werd ‘synodale hiërarchie‘) afgedaan, en wilde men op grond van de Dordtse Kerkorde de in de hervormde kerk vrijelijk toenemende en min of meer gedoogde vrijzinnigheid een halt toeroepen.
In Amsterdam werd op 4 januari 1886 de grote meerderheid van de hervormde kerkenraad geschorst en later afgezet vanwege de strijd tegen de ‘heerschappij van de kerkelijke besturen en de vrijzinnigheid’. De Dolerenden wilden nadrukkelijk niet de Hervormde Kerk verlaten, maar de centralistische kerkelijke besturen afschaffen. Vandaar dat de Dolerenden zich ‘de wettige voortzetting van de Hervormde Kerk’ beschouwden.
Ook binnen de Hervormde Gemeente van Kampen bestond onrust. Op 13 oktober 1886 namen drie Kamper ouderlingen ontslag als lid van de hervormde kerkenraad. Het waren de S.T. de Jong, F. Tromp en G.J. van Goor. Het werd hun naar eigen zeggen onmogelijk gemaakt de kerk als ouderlingen te dienen, omdat zij sympathie betuigd hadden met de geschorste ‘Amsterdamse Broederen’ en omdat de synode het ‘Algemeen Reglement’ handhaafde. Daarom namen zij afscheid van de ambten in de hervormde gemeente.
Een verzoek om ‘de Reformatie der Kerk’.

Daar bleef het niet bij, want begin 1887 waren enkele Kamper gemeenteleden in de pen geklommen, die de kerkenraad opriepen ‘de Reformatie der kerk ter hand te nemen’, waartoe het Amsterdamse Gereformeerd Kerkelijk Congres in de eerste veertien dagen van het jaar ook al had opgeroepen. De briefschrijvers zeiden niet te begrijpen dat de kerkenraad de schorsing van de kerkenraad in Amsterdam en nu ook die in Rotterdam maar liet gebeuren. Achtenzeventig hervormde gemeenteleden hadden het verzoek aan de kerkenraad ondertekend. Ze verzochten de kerkenraad binnen acht dagen te reageren.
Zowel de Bijzondere- als de Algemene kerkenraad waren het met de briefschrijvers niet eens, al stemden ze er mee in dat er veel was dat in de kerk verbetering behoefde. Maar om zich nu ‘af te scheiden van de hervormde kerk’ was naar hun mening niet de juiste weg. Slechts één van de kerkenraadsleden verklaarde het niet met dat standpunt eens te zijn: diaken A. van de Wetering.
Omdat binnen de gestelde acht dagen geen antwoord van de kerkenraad binnenkwam, schreef gemeentelid Van Goor namens de overige briefschrijvers een herinnering aan het gedane verzoek ‘de Reformatie der kerk ter hand te nemen’. Als de kerkenraad nu niet zou reageren zou men ervan uitgaan dat de kerkenraad niet aan het verzoek zou voldoen.
Diaken Van de Wetering stuurt een brief.
Diaken Van de Wetering – “een heethoofdig man, die in de ‘Dolerende Kerk nog heel wat last zal veroorzaken’” – richtte zich in mei 1887 tot alle hervormde gemeenteleden. Hij klaagde dat in de Hervormde Kerk “een ieder vrij is de meest goddeloze leerstellingen te verkondigen, maar de gereformeerde is niet vrij om de belijdenis der kerk tegenover de kerkelijke reglementen te handhaven”, vond hij. Hij verklaarde nadrukkelijk dat de actie om het Algemeen Reglement af te schaffen ten faveure van de Dordtse Kerkorde geen afscheiding was, maar Reformatie: ‘Wij blijven lid van de Hervormde Kerk’. Ten gevolge van dit schrijven werd Van de Wetering het lidmaatschap van de hervormde kerk ontnomen.

Slechts een klein deel van de hervormde gemeenteleden, ongeveer zeventig in totaal, bezocht de door Van de Wetering op 18 mei 1887 samengeroepen vergadering. Daar werd een nieuwe kerkenraad gekozen. Men besloot zich bij de landelijke Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) aan te sluiten, en zo ontstond op 9 juni 1887 onder leiding van ds. D.J. Karssen (1848-1926) van Amsterdam De Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Kampen, toen de gekozen ambtsdragers door de predikant bevestigd werden. Tijdens de eerste kerkenraadsvergadering op 9 juni werd besloten de ‘synodale organisatie van 1816 af te schaffen en opnieuw kracht en geldigheid te verlenen aan de Dordtse Kerkorde‘.
Ook de hervormde kerkenraad van Kampen liet er geen gras over groeien en besloot de ouderlingen en diakenen van de Dolerende Kerk – ‘die zeggen hervormd te blijven’ – het lidmaatschap van de Hervormde Kerk af te nemen.
“De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Kampen” (1887).
Op 9 juni 1887 was de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Kampen dus een feit. En al snel was het gedaan met de vredige kerkenraadsvergaderingen, want op 4 juli kwamen er problemen met diaken A. van de Wetering, die bezwaar maakte tegen de bevestiging van een nieuwe ouderling. Hij meende dat ‘de benoemde geen bekwaammakende genade des Heeren bezit om de Gemeente volgens Gods Woord te kunnen onderwijzen en bestieren’. Dat kandidaat-ouderling Van Werven daar veel last van had is duidelijk. De kerkenraad wilde zijn benoeming bovendien gewoon doorzetten. Van de Wetering verzette zich fel tegen dat voornemen.
Toen Ouderling Van Goor tegen diaken Van de Wetering zei dat hij kennelijk iets persoonlijks tegen Van Werven had, ontstak Van de Wetering in woede. Hij schreeuwde dat dat een leugen was, sloeg met het notulenboek op de tafel en bedankte op hoge toon als lid van de kerkenraad: ‘Ik wil in zoo een kwajongens rommel niet langer zitten’. Van de Wetering vertrok en de vergadering werd zonder het uitspreken van een gebed beëindigd.
Ouderling Van Goor had begin augustus tegen diaken Van de Wetering gezegd dat hij tijdens de kerkdienst niet kon gaan collecteren, omdat hij immers bedankt had als lid van de kerkenraad. ‘Dat doe ik tóch, paus!’ riep hij. Van de Wetering collecteerde wel en de kerkenraad besloot de gemeenteleden over de zaak te laten oordelen. Kennelijk was de meerderheid voor zijn aanblijven. Misschien daardoor aangemoedigd had de diaken in november bij de classis een aanklacht tegen de kerkenraad ingediend ‘vol onbeschaamde onwaarheden en beleedigingen’. De classis stond achter de kerkenraad; en hoewel diaken Van de Wetering later excuus aanbood, herhaalde hij later zijn oude beschuldigingen toch weer.
Contact met de hervormde kerkenraad.

Consulent ds. K. Fernhout (1858-1953) van Zwartsluis adviseerde de kerkenraad contact op te nemen met de “voormalige hervormde kerkenraad” (want de Dolerende kerkenraad werd immers als de wettige kerkenraad beschouwd) om de boeken en verdere bescheiden aan de Dolerende kerkenraad te overhandigen. Dat had geen resultaat. De hervormde kerkenraad zag overigens met lede ogen aan dat ‘niet weinigen’ direct of later de overstap naar de Dolerende Kerk maakten.
Ds. L. Spoel (van 1888 tot 1892).
De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Kampen heeft twee ‘eigen’ predikanten gehad. Allereerst nam de beroepen ds. L. Spoel (1846-1902) afkomstig van het kleine kerkverband van de Vrije Gereformeerde Gemeenten het op hem uitgebrachte beroep aan. Binnen dat kerkverband had hij aanvankelijk in Brielle gestaan, en vanaf 1885 in Rijssen. Ds. Spoel deed op 24 mei 1888 intrede in Kampen (in Rijssen was de ‘Vrije Gereformeerde Gemeente’ ontstaan uit een scheuring in de Christelijke Gereformeerde Gemeente).
De Hagenpoortkerk in Dolerend gebruik (1888-1932).
De Dolerenden hadden een eigen kerkgebouw, de Hagenpoortkerk. Van die kerk is echter niets meer terug te vinden, ook geen afbeelding. Deze Dolerende Kerk werd al in 1865 gebouwd aan de Oudestraat/Keizerstraat, en wel door de Vrienden der Waarheid, een van oorsprong hervormde evangelisatievereniging, die echter grotendeels met de Doleantie meeging en zich dus van de Hervormde Kerk afscheidde.

In 1890 werd de Hagenpoortkerk verbouwd en uitgebreid met een vleugel naar de Keizerstraat. In 1932 kwam de Westerkerk in de Wilhelminastraat gereed (daarover later meer) en werd de Hagenpoortkerk buiten gebruik gesteld en verkocht.
Ds. Spoel preekte vaak elders…
Ds. Spoel moest vanwege het grote gebrek aan Dolerende predikanten vaak in andere Dolerende Kerken preken. En Christelijke Gereformeerde predikanten mocht men in Dolerend Kampen (nog) niet laten voorgaan. De kerkenraad besloot daarom in februari 1889 om in de Hagenpoortkerk preken te lezen van ‘Oude Schrijvers’, ook ‘Oudvaders’ genoemd, zeer orthodoxe predikanten uit de zeventiende en achttiende eeuw, zoals ds. Bernardus Smijtegelt (1665-1739) en anderen. Kennelijk viel dat niet in goede aarde, want veel kerkgangers bleven weg. De kerkenraad vond die ‘onverschilligheid’ natuurlijk afkeurenswaardig, maar ontdekte wel dat vooral bij sommige ‘preeklezers’ meer mensen wegbleven dan bij anderen.

Opzicht en tucht.
Ondertussen had een gemeentelid in januari 1892 zijn kinderen naar de openbare Staatsschool gestuurd, in plaats van naar de Christelijke School. Dat viel natuurlijk niet in goede aarde, net als een diaken die met zijn vrouw ‘op de publieke ijsbaan’ had geschaatst. De man moest voor de kerkenraad verantwoording afleggen. Een andere Dolerende broeder moest op de Dag des Heeren een paar uur werken op de gasfabriek. De kerkenraad zou gaan uitzoeken of dat beslist noodzakelijk was en of er verandering in gebracht kon worden. En verder werd ‘meermalen iemand vermaand wegens onzedelijke handelingen’. Met andere woorden: de kerkenraad hield de handel en wandel van de gemeenteleden goed in de gaten; dat was trouwens ook haar taak in het kader van ‘opzicht en tucht’.
Tijdgenoten oordeelden: “De arbeid van ds. Spoel is hier rijkelijk gezegend geweest. Velen werden er tot de gemeente toegebracht. Deze vier jaar in Kampen doorgebracht waren voor hem wel de heerlijkste in zijn ambtsbediening”. Desondanks nam de predikant op 30 oktober 1892 afscheid van Kampen en vertrok naar de Kerk van Harderwijk.
Ds. J.J. Westerbeek van Eerten (van 1893 tot 1924).
De tweede Kamper Dolerende predikant was ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926) van Mijdrecht en Uithoorn; hij deed op 9 april 1893 intrede in Kampen. Toen hij naar Kampen kwam waren de kerkenraden van de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Gemeente en van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk al druk bezig na te denken over de door de generale synode aanbevolen ‘ineensmelting’ van beide Kerken. Besloten was de kerknaam De Gereformeerde Kerken in Nederland te gebruiken. Landelijk was die ‘Ineensmelting’ al op 17 juni 1892 gerealiseerd, maar hier en daar waren plaatselijk nog moeilijkheden die een snel lokaal samengaan verhinderden.

De synode had ook besloten dat alle deelnemende Gemeenten van beide kerkgenootschappen direct al ‘De Gereformeerde Kerk’ heetten. De oudste van de twee (meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente) zou tot aan de plaatselijke ineensmelting een ‘A’ achter de nieuwe kerknaam zetten; de jongste (de Dolerende Kerk) een ‘B’. Deze aanduidingen (‘De Gereformeerde Kerk te Kampen A’ en ‘De Gereformeerde Kerk te Kampen B’) golden tot aan de dag dat de ineensmelting in Kampen in 1895 een feit werd.
Ds. Westerbeek van Eerten kon dus bij zijn komst in 1893 meteen deelnemen aan de onderhandelingen om tot één Gereformeerde Kerk te Kampen te komen.
Op weg naar de landelijke eenheid (1892).
De landelijke verhouding tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (resp. afkomstig uit Afscheiding en Doleantie) was aanvankelijk behoorlijk slecht. Wantrouwen van weerszijden stond een snelle eenwording in de weg; de sfeer was vaak prima te snijden. De Christelijke Gereformeerden keken al voor de Doleantie zeer kritisch naar dr. A. Kuyper (1837-1920), en laatstgenoemde oordeelde op zijn beurt afkeurend op uitgangspunten van de Christelijke Gereformeerden. Toch hadden docent D.K. Wielenga (1841-1902) uit Kampen en ds. W.H. Gispen (1833-1909) – al hadden ze moeite met Kuyper en sommige van diens leerstellingen – zoveel waardering voor de leider van de Doleantie, en Kuyper op zijn beurt ook naar die twee predikanten, dat daardoor een breuk in de verhouding voorkomen werd.
Ondanks alle moeilijkheden werd op 17 juni 1892 tijdens een verenigde zitting van beide synodes de eenwording van de (meeste) Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken geproclameerd met als uitgangspunt voor de kerkregering ‘de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde. De voormannen van de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’, ds. S. van Velzen (1809-1896), en die van ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’, dr. A. Kuyper (1837-1920), reikten elkaar ter bezegeling van de eenheid de broederhand.

Naar eenheid in Kampen.
Over ‘A’ en ‘B’ schreven we al. Nu moest men in Kampen trachten zover te komen dat die nadere aanduidingen achter de kerknaam ‘Gereformeerde Kerk’ konden verdwijnen en men samen als één kerkelijke gemeente de toekomst in kon. Maar dat viel ook in Kampen niet mee. Wat moest er gebeuren met de Theologische School in Kampen (‘het werk Gods’)? Zou die overvleugeld of zelfs ‘vernietigd’ worden door de Vrije Universiteit in Amsterdam, gesticht door Abraham Kuyper?! Naast andere bezwaren had men ook bedenkingen tegen sommige opvattingen over de gereformeerde leer die dr. Kuyper en zijn (vele) boeken verkondigde.
De moeilijkheden om tot een ‘Vereniging’ te komen lagen vooral op drie terreinen:
(1) Wantrouwen en verschil in kerkelijke cultuur: De Afgescheidenen waren vaak eenvoudiger en behoudender, terwijl de Dolerenden sterker georganiseerd waren en soms als zelfbewuster of zelfs dominant werden ervaren; (2) kerkrechtelijke kwesties: Men verschilde van inzicht over hoe de kerk bestuurd moest worden en hoe strikt men eerdere besluiten moest respecteren; (3) persoonlijke en lokale gevoeligheden: In een stad als Kampen, met een sterke theologische traditie (denk aan de Theologische School), speelden ook plaatselijke leiders en hun onderlinge verhoudingen een grote rol.

Stap voor stap naar elkaar toegroeien.
De doorbraak kwam niet ineens, maar geleidelijk. Landelijk groeide het besef dat de scheiding moeilijk vol te houden was, omdat men in leer en belijdenis grotendeels één was. De officiële vereniging in 1892 gaf een sterke impuls: plaatselijke gemeenten, ook in Kampen, werden aangemoedigd om samen te gaan.
In Kampen betekende dit dat men elkaar stap voor stap opzocht: gezamenlijke gesprekken, erkenning van elkaars ambten en vooral de bereidheid om verschillen niet langer doorslaggevend te laten zijn. Ook besloot men afwisselend in elkaars kerkgebouwen gezamenlijke diensten te houden, al wilde ‘Kerk A’ in oktober 1894 nog niet gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen houden. Verder was men het oneens over de vraag of men de gemeenteleden moest raadplegen over de zaken van eenwording. Desondanks werden gemeentevergaderingen over de ineensmelting wel gehouden, waar voor- en tegenstanders zich roerden.
En toen de kerkenraad van ‘Kerk A’ de zaak van eenwording voorlopig maar wilde laten rusten, spraken vier van de vijf docenten van de Theologische School zich duidelijk uit vóór eenwording; de gemeenteleden zouden echt wel meegaan, ondanks voor- en tegenstanders.
“De Gereformeerde Kerk te Kampen” (1895).
Toen duurde het niet lang meer. Doorslaggevend was een houding van verootmoediging en praktische samenwerking: men ging elkaar niet meer zien als concurrenten, maar als broeders. Op 15 juli 1895 viel in de gecombineerde kerkenraadsvergadering de definitieve beslissing: ‘We gaan samen!’ Op 20 juli werd het ‘Besluit tot Ineensmelting’ officieel getekend. De classis gaf op 1 augustus dat jaar toestemming.
Zo kwam de vereniging tot stand: niet doordat alle verschillen verdwenen, maar doordat men ze ondergeschikt maakte aan de overtuiging dat men samen één kerk moest vormen.
Deel 3 volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
J. Bavinck, Toespraak gehouden door ds. J. Bavinck, bij gelegenheid van de herdenking van het Vijftigjarig bestaan van de Gereform. Kerk te Kampen. Kampen, 1901
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk in Nederland. Kampen, div. jrg.
J.D. Brouwer-de Boer (e.a.), Een eeuw Christelijk Gereformeerd in Kampen. Kampen, 1993.
J. van Gelderen, In de ruimte gezet, 125 jaar Burgwalkerk. Kampen, 2000
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
W. de Graaf, Een verhaal over examens, teksten en diploma’s. In: De Hoeksteen, Tijdschrift voor Vaderlandse Kerkgeschiedenis. 13e jrg. nr. 1, februari 1984
De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
Het Kerkblad, officieel orgaan van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
H.G. Leih, Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Kampen. 1895-1994. Kampen, 1994
J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der Negentiende Eeuw. Amsterdam, 1917
J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Overijssel, deel 1, De Classis Zwolle. Groningen, 1984
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Kampen (2).
Rev. W.H. Gispen (from 1864 to 1873).
( < Back to Part 1 ) – The Curators of the Theological School were not pleased that the church council did not hurry to call a successor to Rev. Helenius de Cock (1824–1894), who had already left in 1854 to become a lecturer at the Theological School and who, in that capacity, continued to serve the church of Kampen.
When a minor disagreement arose between the church council and the Curatorium, the latter decided that the lecturers were no longer allowed to serve the church of Kampen. As a result, the church council could hardly do anything other than begin the calling process. The first to be called was lecturer S. van Velzen (1809–1896). He preached without notes, and his sermons showed a clear line from beginning to end. Moreover, with his deep voice he could be heard clearly in every corner of the church, but he did not hesitate to condemn injustices in his sermons.
For example, when decorative images had been placed on the organ in the church (David with a harp, etc.), and Rev. Van Velzen had to preach on Lord’s Day 35 of the Heidelberg Catechism about the “making of images,” and had pointed out the wrongness of Roman Catholic image worship, he asked at the end of the sermon whether those new images on the organ were permissible. Yes, was his answer, because they are not venerated but serve as decoration.
Rev. Van Velzen was called, but he declined.
Next, Rev. W.H. Gispen (1833–1909) was called; he accepted and was installed on June 26, 1864. Because many members of the congregation especially preferred Rev. Van Velzen and Rev. A. Brummelkamp (1811–1888), it was not easy for Rev. Gispen to fill the vacancy. He encountered “many misunderstandings and opposition.” However, he received much support from his predecessor, Rev. H. de Cock. Fortunately, “[Rev. Gispen] found there a well-cultivated congregation on which [he] could build.” He devoted much effort to his sermons, and several of them were published in print.
“Christian Reformed Congregation” (1869).
Earlier we wrote about the ‘Gereformeerde’ Church under the Cross, which had also existed in Kampen from 1838 until at least 1842. But after thirty years, the disagreements between the Cross Churches and the Christian Seceded Church were no longer relevant. It was considered time to reunite. After negotiations, especially toward the end of the 1860s, it was decided in June 1869 to continue together again (although some Cross congregations did not join).
The name of the united church became the “Christian Reformed Church,” and the congregation of Kampen also joined it. From then on it was called: the Christian Reformed Congregation at Kampen.
Rev. Gispen had previously also belonged to the ‘Gereformeerde’ Church under the Cross. Because within the Cross Churches he encountered “many sympathies and antipathies from men whom he revered as fathers,” he himself decided to work toward a union of the Cross Church and the Christian Seceded Church. In his previous post in Vlissingen he had already succeeded in achieving this union in 1860.
In Kampen, the congregation of Hoksbergen (yes, it still existed) did not join the union in 1869. Hoksbergen himself died in 1871.
On January 19 of that year, however, twenty-one members of Hoksbergen’s congregation appeared before the church council of the Christian Reformed Congregation, chaired by Rev. Gispen. They requested admission to the congregation. The church council agreed. It was declared that they would not look back at what had happened, but forward to what was to come. By singing Psalm 133 verse 1 and with a prayer of thanksgiving by Rev. Gispen, the unity was confirmed. Out of sheer joy, an elder then also requested the singing of Psalm 72.
Rev. Gispen took leave of the congregation of Kampen on May 4, 1873, due to his departure to the congregation in Zwolle.
Rev. J. Bavinck (from 1873 to 1903).
On August 3, 1873, his successor was installed: Rev. J. Bavinck (1826–1909) from Almkerk–Nieuwendijk. Rev. Bavinck dreaded going to Kampen, the city of the Theological School, because every time he would stand in the pulpit there, a distinguished group of lecturers and students would evaluate him. But not only the congregation, also the “School of the Church” urged him to accept the call to Kampen.
Rev. Bavinck “knew how to speak from the pulpit so clearly and understandably that even the simplest could follow him. And yet he was a man of deep insight into God’s Word and equipped with rich dogmatic knowledge.” During his retirement (from 1903 onward), Rev. Bavinck wrote a two-volume commentary on the Heidelberg Catechism.
The Seceded emigrants in North America also called him. Twice he was appointed as a lecturer at the Theological School to be established by the ‘True Dutch ‘Gereformeerde’ Church’—the later Christian Reformed Church—and three times he was called by a congregation in America. However, he remained in the Netherlands.
The new church on the Burgwal (1875).
Meanwhile, the Kampen congregation, as already mentioned, held its services in the church building on Hofstraat, on the corner with Morresteeg. When Rev. De Cock was minister in Kampen, that building was renovated for the first time, in 1854. But it soon proved too small to accommodate the growing congregation.
In 1871, when the twenty-one new members from the Cross congregation applied, the expansion of the previous year proved to be a wise move. In 1870, the church had been enlarged once again. Rev. Gispen led the first service in the renovated building on October 15. He preached on the promised completion of the temple, from Zechariah 4:10. Gratitude and confidence in the future were called for, according to Rev. Gispen.
In that connection, the minister described the growth of the congregation, which had begun with thirteen male members and, partly thanks to the establishment of the ministerial training institute, had become one of the most important congregations in the country.
When in 1871 more members from the late Hoksbergen’s congregation joined the Christian Reformed Congregation, the desire to take further action regarding the church building became urgent. Complaints were made about stuffiness and lack of air. It was decided to build a new church on the Burgwal.
Lecturer/minister Brummelkamp had often complained of headaches when he preached in the Hofstraat church. When the new church was put into use on March 7, 1875, Rev. Brummelkamp donated 20 guilders to the church council in gratitude for being freed from his headaches.
The old church on Hofstraat was sold for 16,000 guilders, including the organ; the latter was moved to the congregation of Hattem, which paid 850 guilders for it.
Rev. G. Elzenga (from 1891 to 1918).
While in our country the synods of the Christian Reformed Church and the Netherlands ‘Gereformeerde’ Churches—originating respectively from the Secession and the Doleantie, about which more shortly—were consulting each other about continuing together, Rev. G. Elzenga (1856–1918) was installed in Kampen on February 22, 1891. More about him later.