De Jaar- en Handboeken van de GKN (2)

Uitgevers: van plaatselijke drukkers naar professionele uitgeverijen.

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – De ontwikkeling van de Jaarboeken is ook zichtbaar in de geschiedenis van hun uitgave.

Na de ‘Vereniging van 1892’ werd ook de naam van het ‘Jaarboekje voor de Christelijke Gereformeerde Kerk’ aangepast….

a. De Jaarboekjes (1856 tot 1916).

De eerste Jaarboekjes van de Afgescheiden Gemeenten werden gedrukt door plaatselijke of regionale drukkerijen die nauw verbonden waren met de Afgescheiden beweging. De oplagen waren klein en vooral bestemd voor predikanten en kerkenraden. Vanaf 1856 tot ca. 1869 werd het Jaarboekje uitgegeven door de fa. S. van Velzen, boekhandelaar in Kampen.

Vanaf ca. 1870 tot 1892 werden de Jaarboekjes voor de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland uitgegeven door J .H. Bos te Kampen, die het fonds overnam van de inmiddels overleden boekhandelaar S. van Velzen. De laatste Jaarboekjes vóór de Vereniging van 1892 dragen zijn imprint. Ook ná 1892 bleef J.H. Bos enige tijd de uitgever van de Jaarboekjes. Maar in 1907 was bijvoorbeeld P. van der Sluys te Enkhuizen de uitgever.

Ouderling (en uitgever) J.H. Kok (1871-1940).

Vooral na de opbouw van een landelijk gereformeerd netwerk ontstond een stabielere uitgeefstructuur. Kampen groeide uit tot het centrum van veel gereformeerde publicaties. De aanwezigheid van de Theologische School, tal van kerkelijke instellingen en later uitgeverijen als J.H. Kok (1871-1940) maakte de stad tot een belangrijk knooppunt van gereformeerde boekproductie.

b. De Handboeken (1889 tot 1916).

De Handboeken van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken werden tussen 1889 en 1896 uitgegeven door J.A. Wormser te Amsterdam die ook veel publicaties van dr. A. Kuyper op zijn naam had staan.

Vanaf eind 1890 verhuisde het Handboek naar uitgeverij J.H. Kok in Kampen, waar het tot en met de laatste jaargang in 1916 bleef verschijnen.

Het ‘Handboek ten dienste van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ was sinds 1893 ten dienste van De Gereformeerde Kerken In Nederland.

c. De Jaarboeken (1917 tot 2004).

De Jaarboeken (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland, die vanaf 1917 verschenen, werden gedrukt bij Oosterbaan en LeCointre in Goes. In 1966 was ‘ten dienste’ uit de naam van het Jaarboek verdwenen. De uitgaven van het Jaarboek werden gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van landelijke kerkelijke instanties in samenwerking met protestants-christelijke uitgeverijen. Tegen het einde van de twintigste eeuw was het gereformeerde Jaarboek inmiddels uitgegroeid tot een professioneel samengesteld naslagwerk van soms meer dan zeshonderd pagina’s.

De ontwikkeling van de redactie.

Ook de redactionele organisatie professionaliseerde geleidelijk.

a. De Jaarboekjes.
Ds. J. Wisse Can. (1843-1921).

De Jaarboekjes van de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk werden meestal samengesteld door individuele predikanten of kleine synodale commissies. Hun taak bestond voornamelijk uit het verzamelen van gegevens die door de plaatselijke kerkelijke gemeenten werden aangeleverd. De redactie was wisselend. Enkele bekende personen die fungeerden als redacteur waren onder meer dr. Herman Bavinck (1854-1921), ds. J. Wisse Czn. (1843-1921), ds. A. Littooij (1834-1909) en ds. P. Biesterveld (1863-1908).

Ds. A. Littooij (1834-1909).
b. De Handboeken.

Met de Doleantie ontstond een veel systematischer werkwijze. Vaste redacties waakten over uniformiteit, volledigheid en actualiteit, terwijl het Handboek steeds nadrukkelijker een officieel kerkelijk karakter kreeg. Redacteuren van het Handboek waren onder meer dr. F.L. Rutgers (1836-1917), dr. H.H. Kuyper (1864-1945), en ds. J.H. Kuiper (1895-1963).

Ds. J.H. Kuiper (1895-1963).
c. De Jaarboeken.

In de twintigste eeuw kwam de redactie van het Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland onder verantwoordelijkheid van synodale Deputaatschappen en landelijke kerkelijke bureaus te staan. Door de voortdurende groei van de plaatselijke kerken, instellingen en Deputaatschappen werd het Jaarboek uiteindelijk het resultaat van een intensieve samenwerking tussen landelijke administratie, classes en plaatselijke kerken.

Redactieleden waren onder meer dr. G. Doekes (1873-1929), dr. J.C. Rullmann (1876-1936), dr. K. Schilder (1890-1952) en ds. F.C. Meyster (1881-1959).

Ds. F.C. Meyster (1881-1959).

Groei van omvang en inhoud.

De ontwikkeling van de omvang weerspiegelt de groei van de gereformeerde wereld.

Periode Gemiddelde omvang
1856–1870 30–60 pagina’s
1870–1892 60–120 pagina’s
1892–1916 150–300 pagina’s
1917–1940 250–350 pagina’s
1945–1970 350–450 pagina’s
1970–2004 450–650 pagina’s

Niet alleen het aantal plaatselijke Gereformeerde Kerken groeide, maar ook het aantal scholen, zendingsvelden, Deputaatschappen, verenigingen, (kerkelijke) maatschappelijke instellingen en internationale contacten. Daardoor veranderde het Jaarboek langzaam maar zeker in een bijna encyclopedisch overzicht van het gereformeerde leven.

De ontwikkeling van de rubrieken.

Ook de inhoud ontwikkelde zich in verschillende fasen.

Het (laatste) Jaarboekje van 1916.

De eerste Jaarboekjes (1856–1880) beperkten zich grotendeels tot gemeenten, predikanten, kandidaten, classicale indelingen, synoden en ledentallen, indien voorhanden.

Vanaf ongeveer 1880 kwamen daar nieuwe rubrieken bij, zoals zending, onderwijs, theologische opleidingen, financiële fondsen, buitenlandse contacten en kerkelijke pers.

Vooral het Handboek weerspiegelde de opbouw van een landelijk gereformeerd netwerk.

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd het Jaarboek een inventaris van de volledige gereformeerde zuil. Scholen, jeugdorganisaties, studentenverenigingen, zendingsvelden, evangelisatieprojecten, maatschappelijke instellingen en Deputaatschappen kregen een vaste plaats.

Na 1960 verbreedde de inhoud van het Jaarboek zich verder met aandacht voor oecumenische contacten, ontwikkelingssamenwerking, buitenlandse partnerkerken, gespecialiseerde Deputaatschappen en kerkelijke beleidsontwikkeling. Ook de jaaroverzichten kregen steeds meer een historisch karakter.

Kuyper en Bavinck.

Op de inhoud van de Handboeken en Jaarboeken hebben twee gereformeerde voormannen een duidelijke invloed uitgeoefend.

De invloed van dr. A. Kuyper (1837-1920) was vooral organisatorisch. Zijn visie op een breed georganiseerde gereformeerde samenleving leidde ertoe dat niet alleen gemeenten en predikanten werden geregistreerd, maar ook scholen, universiteiten, persorganen, verenigingen en maatschappelijke organisaties. Het Handboek weerspiegelde daarmee zijn ideaal van een gereformeerde levens- en wereldbeschouwing die ‘alle terreinen des levens’ omvatte.

Jaarboek 1990.

Dr. Herman Bavinck (1854-1921) legde andere accenten. Hij benadrukte het belang van opleiding, wetenschap, kerkelijke vorming en internationale relaties. Daardoor kregen de Theologische School te Kampen, de Vrije Universiteit en de buitenlandse zusterkerken een vaste plaats in de Jaarboeken. Zijn invloed is vooral zichtbaar in de aandacht voor kerkelijke samenhang en intellectuele vorming.

De opkomst van de ‘Deputaatscultuur’.

Een markante ontwikkeling in de twintigste eeuw is de sterke groei van de door de generale synode benoemde Deputaatschappen. Waar zij vóór 1900 slechts enkele pagina’s besloegen, vormden zij rond 1950 al een belangrijk onderdeel van het Jaarboek. Tegen het einde van de eeuw namen Deputaatschappen voor zending, evangelisatie, liturgie, jeugdwerk, oecumene, ontwikkelingssamenwerking, perszaken en tal van andere werkterreinen tientallen pagina’s in beslag.

Daardoor documenteert het Jaarboek niet alleen het kerkelijke leven, maar ook de voortschrijdende institutionalisering van het gereformeerde kerkverband.

Handboek en Jaarboek: wat was het verschil?

Hoewel beide uitgaven grotendeels dezelfde functie vervulden, lag het accent verschillend.

De Jaarboekjes waren vooral administratief van aard.

Het Handboek was vooral bestuurlijk van aard. Het legde sterk de nadruk op kerkorde, organisatie en de inrichting van het kerkverband. Het kwam voort uit de traditie van de Doleantie en was vooral tussen 1889 en 1892 het officiële naslagwerk van de Dolerende Kerken en daarna tot 1916 ook van De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het Jaarboek bood een uitgebreide jaarlijkse registratie van de actuele stand van zaken binnen de kerken, met veel aandacht voor statistieken, overzichten en ontwikkelingen. Men zou kunnen zeggen dat het Handboek vooral een organisatiegids was, terwijl het Jaarboek uitgroeide tot de jaarlijkse inventaris van het gereformeerde kerkverband.

Historische betekenis.

Het laatste Jaarboek van de GKN.

Voor historici, genealogen en onderzoekers vormen de gezamenlijke reeksen een uitzonderlijke bron. Zij maken het mogelijk de ontwikkeling van kerkelijke gemeenten, die in 1834 en later ontstonden, te volgen, predikantsloopbanen te reconstrueren, kerkelijke statistieken te analyseren, plaatselijke kerken te identificeren en onderzoek te doen naar zending, onderwijs, verenigingsleven, synodale organisatie en internationale contacten.

Samen vormen de Jaarboekjes, de Handboeken en de Jaarboeken over de periode 1856–2004 een vrijwel ononderbroken administratieve kroniek van de gereformeerde wereld in Nederland. In continuïteit, volledigheid en rijkdom aan gegevens kennen zij binnen het Nederlandse protestantisme nauwelijks een equivalent. Zij zijn daarmee niet alleen praktische naslagwerken uit het verleden, maar ook onmisbare historische bronnen voor iedereen die de ontwikkeling van het gereformeerde kerkelijke leven wil bestuderen.

Bronnen vooral:

Een bijna complete serie Jaarboekjes, Handboeken en Jaarboeken van de Gereformeerde Kerken in Nederland in de bibliotheek van de website GereformeerdeKerken.info, aangevuld vanuit Delpher.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The Yearbooks and Handbooks of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (2)

Publishers: From Local Printers to Professional Publishing Houses

( < Back to Part 1 ) – The development of the yearbooks is also reflected in the history of their publication.

After the Union of 1892, the name of the Yearbook for the Christian Reformed Church was also changed.

-The Year booklets (1856–1916).

The first Year booklets of the Seceded Congregations were printed by local or regional printing houses that were closely connected with the Secession movement. Their print runs were small and intended primarily for ministers and church councils.

From 1856 until approximately 1869, the Year booklet was published by the firm S. van Velzen, bookseller in Kampen.

From approximately 1870 until 1892, the Year booklets for the Christian Reformed Church in the Netherlands were published by J.H. Bos of Kampen, who had taken over the publishing business of the late bookseller S. van Velzen. The final Year booklets  published before the Union of 1892 bear his imprint.

Even after 1892, J.H. Bos remained the publisher of the Year booklets for some time. In 1907, for example, the publisher was P. van der Sluys of Enkhuizen.

Especially after the establishment of a nationwide ‘gereformeerd’ network, a more stable publishing structure emerged. Kampen developed into the center of many ‘gereformeerde’ publications. The presence of the Theological School, numerous ecclesiastical institutions, and later publishing houses such as J.H. Kok (1871–1940) made the city an important hub of ‘gereformeerde’ book production.

-The Handbooks (1889–1916).

The Handbooks of the Dutch ‘Gereformeerde’ Churches were published between 1889 and 1896 by J.A. Wormser of Amsterdam, who also published many works by Dr. Abraham Kuyper.

From the end of the 1890s onward, publication of the Handbook moved to the publishing house J.H. Kok in Kampen, where it continued to appear through its final volume in 1916.

From 1893 onward, the Handbook of the Dutch ‘Gereformeerde’ Churches also served the needs of The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

-The Yearbooks (1917–2004).

The Yearbooks (Serving) The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands, first published in 1917, were printed by Oosterbaan and Le Cointre in Goes.

In 1966, the phrase “Serving” (ten dienste) disappeared from the title of the Yearbook.

The Yearbooks were published under the responsibility of national church bodies and Protestant-Christian publishing houses. By the end of the twentieth century, the Yearbook had developed into a professionally compiled reference work of sometimes more than six hundred pages.

The Development of the Editorial Board.

The editorial organization also became increasingly professional over time.

-The Year booklets.

The Year booklets of the Christian (Seceded) ‘Gereformeerde’ Church were usually compiled by individual ministers or by small synodical committees. Their primary task consisted of collecting information submitted by the local congregations.

The editorial staff changed regularly.

Among the better-known editors were:

  • Dr. Herman Bavinck (1854–1921)
  • Rev. J. Wisse Czn. (1843–1921)
  • Rev. A. Littooij (1834–1909)
  • Rev. P. Biesterveld (1863–1908)

-The Handbooks.

With the Doleantie, a much more systematic method of working emerged.

Permanent editorial boards safeguarded uniformity, completeness, and accuracy, while the Handbook increasingly acquired an official ecclesiastical character.

Editors included:

  • Dr. F.L. Rutgers (1836–1917)
  • Dr. H.H. Kuyper (1864–1945)
  • Rev. J.H. Kuiper (1895–1963)

-The Yearbooks.

During the twentieth century, responsibility for editing the Yearbook (Serving) The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands came under synodical deputyships and national church offices.

As the number of local churches, institutions, and deputyships continued to grow, the Yearbook ultimately became the product of intensive cooperation between the national administration, the classes, and the local churches.

Editorial members included:

  • Dr. G. Doekes (1873–1929)
  • Dr. J.C. Rullmann (1876–1936)
  • Dr. K. Schilder
  • Rev. F.C. Meyster

Growth in Size and Content.

The increasing size of the publications reflects the growth of the ‘gereformeerde’ world.

Period Average Size
1856–1870 30–60 pages
1870–1892 60–120 pages
1892–1916 150–300 pages
1917–1940 250–350 pages
1945–1970 350–450 pages
1970–2004 450–650 pages

Not only did the number of local ‘Gereformeerde’ Churches increase, but so did the number of schools, mission fields, deputyships, associations, ecclesiastical and social institutions, and international contacts.

As a result, the Yearbook gradually developed into an almost encyclopedic survey of ‘gereformeerd’ life.

The Development of the Various Sections.

The contents likewise developed in several stages.

The earliest Year booklets (1856–1880) were largely limited to congregations, ministers, candidates for the ministry, classical divisions, synods, and membership statistics.

From about 1880, new sections were added, including:

  • missions,
  • education,
  • theological training,
  • financial funds,
  • foreign contacts,
  • and the church press.

The Handbook in particular reflected the development of a nationwide ‘gereformeerd’ network.

During the first half of the twentieth century, the Yearbook became an inventory of the entire ‘gereformeerde’ pillar of society. Schools, youth organizations, student associations, mission fields, evangelistic projects, social institutions, and synodical deputyships all received permanent places.

After 1960, the contents broadened further with attention to ecumenical contacts, development cooperation, overseas sister churches, specialized deputyships, and church policy development.

The annual surveys also increasingly assumed a historical character.

Kuyper and Bavinck.

Two leading ‘gereformeerde’ theologians exercised a clear influence on the contents of the Handbooks and Yearbooks.

The influence of Dr. Abraham Kuyper was primarily organizational.

His vision of a broadly organized ‘gereformeerde’ society led to the inclusion not only of congregations and ministers, but also schools, universities, newspapers, associations, and social organizations.

The Handbook thus reflected Kuyper’s ideal of a ‘gereformeerde’ worldview embracing every sphere of life.

Dr. Herman Bavinck emphasized different priorities. He stressed the importance of education, scholarship, ecclesiastical formation, and international relations.

Consequently, the Theological School in Kampen, the Free University, and foreign sister churches received permanent places in the Yearbooks.

His influence is especially visible in the attention devoted to ecclesiastical unity and intellectual formation.

The Rise of the Deputyship Culture.

A striking development during the twentieth century was the remarkable growth of the deputyships appointed by the General Synod.

Whereas before 1900 they occupied only a few pages, by around 1950 they had become a major component of the Yearbook.

By the end of the century, deputyships for missions, evangelism, liturgy, youth work, ecumenical relations, development cooperation, press affairs, and numerous other areas of church work occupied dozens of pages.

The Yearbook therefore documents not only church life itself but also the continuing institutionalization of the ‘gereformeerde’  federation of churches.

Handbook and Yearbook: What Was the Difference?

Although both publications largely fulfilled the same purpose, their emphasis differed.

The Year bookles were primarily administrative in nature.

The Handbook was primarily administrative in the governmental sense. It placed strong emphasis on church polity, ecclesiastical organization, and the structure of the federation of churches.

It originated within the tradition of the Doleantie and served as the official reference work of the Dolerende Churches between 1889 and 1892, and thereafter until 1916 for The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

The Yearbook offered an extensive annual record of the current condition of the churches, with particular attention to statistics, surveys, and ongoing developments.

One might say that the Handbook functioned chiefly as an organizational guide, whereas the Yearbook developed into the annual inventory of the ‘gereformeerde’ federation of churches.

Historical Significance.

For historians, genealogists, and researchers, these combined series constitute an exceptional source.

They make it possible to trace the development of church congregations established in 1834 and afterward, reconstruct ministers’ careers, analyze ecclesiastical statistics, identify local churches, and conduct research into missions, education, associational life, synodical organization, and international contacts.

Taken together, the Year booklets, the Handbooks, and the later Yearbooks covering the period 1856–2004 form an almost uninterrupted administrative chronicle of the ‘gereformeerde’ world in the Netherlands.

In terms of continuity, completeness, and richness of information, they have scarcely any equivalent within Dutch Protestantism.

They therefore represent not only practical reference works from the past, but also indispensable historical sources for anyone wishing to study the development of ‘gereformeerd’ church life.

Sources:

An almost complete series of Yearbooks, Handbooks, and Yearbooks of The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands in the library of the website GereformeerdeKerken.info, supplemented with material from Delpher.

© 2026 GereformeerdeKerken.info