Wijckel en Balk samen op weg.
De Gereformeerde Kerk te Balk c.a. kent haar oorsprong in de Doleantie aan het einde van de negentiende eeuw. De geschiedenis begon in Wijckel, waar op 29 juli 1888 de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) werd geïnstitueerd. In het naburige Balk volgde negen maanden later, op 14 april 1889, de instituering van een eigen Dolerende Kerk.

Aanvankelijk trokken beide gemeenten enige tijd grotendeels hun eigen spoor, maar door hun geringe omvang waren zij al vroeg op elkaar aangewezen. Na het vertrek van de eerste predikant van Wijckel besloten de kerkenraden gezamenlijk een predikant te beroepen. Daarmee ontstond een situatie die enkele decennia zou voortduren: twee zelfstandige gemeenten, ieder met een eigen kerkgebouw en kerkenraad, maar samen verbonden door één predikant.
Die gezamenlijke geschiedenis eindigde uiteindelijk op 1 januari 1983, toen beide gemeenten werden verenigd tot de Gereformeerde Kerk te Balk c.a. De wortels daarvan liggen echter in de zomer van 1888, in een schuur in Wijckel…
1. De Doleantie in Wijckel.

Al eeuwenlang stond in de dorpskern van Wijckel een hervormd kerkgebouw. Toch ontstond er in 1888 grote beroering onder een aantal hervormde gemeenteleden. Zij vonden dat de Hervormde Kerk van het rechte pad was afgeweken. Vooral de ruimte die aan de vrijzinnigheid werd gegeven, was hun een doorn in het oog. Volgens hen moest in de kerk ‘de Reformatie’ opnieuw ter hand worden genomen.

Ook over andere kerkelijke ontwikkelingen was er onvrede. De kerkelijke rentmeester oefende invloed uit op de verpachting van kerkelijke landerijen. Mensen die sympathiseerden met de beweging die later tot de Doleantie zou leiden, zouden volgens de betrokkenen al vóór de Doleantie zijn tegengewerkt. Zo werden pachters onder meer geconfronteerd met verhogingen van de pacht. Ook dat versterkte het gevoel dat verandering noodzakelijk was.
Op 15 juli 1888 kwamen hervormde gemeenteleden bijeen in een schuur van een plaatselijke boerderij. Daar werd een gebedsdienst gehouden. Het was een opvallende stap: men liet de bestaande ‘vaderlandse kerk’ voorlopig links liggen. Nog ingrijpender was dat tijdens die bijeenkomst ouderlingen werden gekozen. Ds. M. Brouwer (1828-1904), de dolerende predikant van Lemmer, leidde de dienst en de verkiezing.
Als ouderlingen werden S.J. den Hollander en H.R. Bouwstra aangewezen. Albert Stegenga en B. Stegenga werden tot diaken gekozen. Daarmee was de eerste kerkenraad in wording.

Op zondag 29 juli 1888 werden de verkozen ambtsdragers in hun ambt bevestigd, opnieuw door ds. Brouwer. Hij preekte over Colossenzen 3 vers 4: „Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” Met die bevestigingsdienst was de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Wijckel een feit.
Een eigen pastorie en kerk.
De jonge gemeente telde aanvankelijk zestien manslidmaten, met hun gezinnen. De schuur van Bouwstra was daardoor al snel te klein. Er moest een eigen kerkgebouw komen, maar ook een predikant zou op den duur een woning nodig hebben.
In augustus 1888 werd daarom besloten een pastorie aan te schaffen. Voor fl. 1.700 werd een woning met tuin gekocht. Daarmee was alvast gezorgd voor de huisvesting van de toekomstige predikant.

Ook de bouw van een kerkgebouw werd voortvarend aangepakt. Timmerman Tj. M. Hofman uit Sloten nam het werk aan voor fl. 2.500. Ds. L.H. Wagenaar (1855-1910), de dolerende predikant van Heeg, kwam op 11 oktober 1888 persoonlijk naar Wijckel om de eerste steen te leggen. De kerk kreeg de naam ‘Eben Haëzer’.

Op 21 december 1888 werd het nieuwe kerkgebouw in gebruik genomen. De zondag daarvoor was de laatste dienst in de schuur van Bouwstra gehouden. De kleine gemeente beschikte nu over een eigen kerk, een eigen pastorie en een eigen kerkenraad.
Ds. K. Stelma (van 1889 tot 1890).
Al snel werd ook gesproken over een eigen predikant. Ds. Brouwer was op 30 november 1888 opnieuw in Wijckel. De kerkenraad besprak met hem de mogelijkheden. De nieuwe predikant moest vooral bereid zijn het „volle Woord van God” te prediken.

Op 13 december stemden de achttien stemgerechtigde manslidmaten in met een beroep op ds. K. Stelma (1831-1897) van de Vrije Gereformeerde Gemeente te Lemmer. Hij behoorde dus oorspronkelijk tot een ander kerkverband, maar genoot in Wijckel voldoende vertrouwen. Op 15 september 1889 deed hij intrede.
Het vertrouwen werd echter niet beloond. Hoewel in de Dordtse Kerkorde bepalingen stonden over de duur van het verblijf van een predikant in een gemeente, meende ds. Stelma dat een verblijf van slechts een jaar hem niet verhinderde een ander beroep aan te nemen. Hij nam het beroep naar Voorburg aan en werd op 26 september 1890 predikant-af in Wijckel. Hij vertrok, zo werd later opgemerkt, „met stille trom”.

Intussen voltrok zich ook op landelijk niveau een belangrijke ontwikkeling. De samensprekingen tussen de synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk, voortgekomen uit de Afscheiding, en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, afkomstig uit de Doleantie, waren tot een goed einde gekomen. De plaatselijke kerk sloot zich bij de ‘Vereniging van 1892’ aan en heette in het vervolg: De Gereformeerde Kerk te Wijckel.
Voor Wijckel betekende dit het begin van een nieuwe fase.
2. De Doleantie in Balk.
De ontwikkelingen in Wijckel bleven niet zonder gevolgen voor Balk. Een aantal inwoners van Balk had de diensten in de schuur van Bouwstra bijgewoond en later de diensten in de nieuwe kerk van Wijckel bezocht. Ook in Balk bestond ontevredenheid over de Hervormde Kerk. Maar de hervormde kerkenraad was niet bereid te voldoen aan het verzoek om ‘de Reformatie der kerk ter hand te nemen’.
Op 8 februari 1889 besloten elf manslidmaten uit Balk daarom het kerkelijk bestuur van de Hervormde Kerk de rug toe te keren. Net als in verschillende omliggende plaatsen wilde men zelf ‘de Reformatie ter hand nemen’.
Aanvankelijk wilde men nauw samenwerken met Wijckel. Afgesproken werd dat de kerkenraad van Wijckel zou worden uitgebreid met twee Dolerenden uit Balk: ouderling Hemstra en diaken Bosma.
Toch bestond er in Balk al snel behoefte aan zelfstandigheid. Op 14 april 1889 werd een eigen kerkenraad in het ambt bevestigd. De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Balk was nu een zelfstandige kerk geworden. De kerkenraad bestond uit de ouderlingen L. Hemstra en W. van der Veer en de diakenen W. Bosma en O. Bouwstra.
Vanaf 1891 kwam de kerkenraad van Balk geheel in eigen kring bijeen. Nadat ook landelijk de ‘Vereniging’ van de kerken uit Afscheiding en Doleantie tot stand was gekomen, veranderde de naam. Op 17 juni 1892 heette de gemeente voortaan De Gereformeerde Kerk te Balk.
Een eigen kerkgebouw.
De gemeenteleden van Balk bleven aanvankelijk nog in Wijckel kerken. Een eigen kerkgebouw was dringend gewenst, maar de financiële mogelijkheden waren beperkt.
Kerkenraadslid W. van der Veer kocht een pand dat voor kerkelijk gebruik geschikt leek. Toch kwam het niet tot een kerkgebouw. Uit de classicale kas zou Balk jaarlijks fl. 25 voor kerkbouw ontvangen, maar met zo’n bedrag kon natuurlijk geen kerk worden gerealiseerd.

Naast het pand van Van der Veer stond een woning van G. Franken. Die woning leek beter geschikt om als kerkzaal te worden gebruikt. Voor fl. 50 per jaar werd het pand gehuurd. In 1894 werd het verbouwd en konden de gereformeerden van Balk voortaan hun eigen diensten houden.
De kerkzaal was echter klein en benauwd. Door gemeenteleden werd gevraagd iets aan de ventilatie te doen. De kerkenraad wilde de zaal bovendien vergroten, maar daarvoor ontbrak het geld.
In 1897 werd aannemer Tj. Hofman uit Sloten toch gevraagd een begroting te maken voor de verbouw van de woning tot een „verzoenlijk” kerkje. In 1899 werd een circulaire door het land verspreid om geld voor de verbouwing bijeen te brengen. De opbrengst viel tegen. Uiteindelijk werden aandelen uitgezet. „Met veel pijn en moeite” lukte het om voldoende geld bijeen te krijgen.
Ook kerkelijk veranderde er in 1899 iets. De gereformeerden uit de naburige dorpen Harich en Ruigahuizen zouden voortaan bij de kerk van Balk behoren.
De twee gemeenten waren inmiddels stevig met elkaar verbonden. Dat zou vooral blijken uit hun gezamenlijke beroepingswerk.
3. Twee gemeenten met één predikant.
Na het vertrek van ds. Stelma stonden Wijckel en Balk voor hetzelfde probleem. Geen van beide kleine gemeenten kon financieel gemakkelijk zelfstandig een predikant beroepen. Daarom besloten de kerkenraden voortaan gezamenlijk het beroepingswerk ter hand te nemen.
Dat besluit bepaalde voor vele tientallen jaren het karakter van beide gemeenten. Wijckel en Balk bleven ieder een zelfstandige kerkenraad en een eigen kerkgebouw houden, maar deelden één predikant. De geschiedenis van de beide gemeenten liep vanaf dat moment voor een belangrijk deel parallel.
Ds. J. van der Vlies (1892-1894).

De eerste gezamenlijk beroepen predikant was ds. J. van der Vlies (1846-1932) uit Duurswoude. Op 6 maart 1892 deed hij intrede in de beide gemeenten, die op dat moment nog niet tot de verenigde Gereformeerde Kerken behoorden, omdat die landelijke ineensmelting pas op 17 juni dat jaar plaatsvond.
Ds. Van der Vlies kende de streek goed. Hij had aanvankelijk als oefenaar gewerkt en was sinds 1897 predikant in Echten. Hij was afkomstig uit de kerken van de Afscheiding. Door de landelijke vereniging van Afscheiding en Doleantie bestond daartegen bij de kerkenraden van Wijckel en Balk geen bezwaar.
Ook deze predikant bleef echter maar kort. Op 28 november 1894 nam hij afscheid, omdat hij het beroep naar de Gereformeerde Kerk van Nieuw-Dordrecht had aangenomen, de kerk die later Klazienaveen zou gaan heten.
Daarna volgde een langdurige vacature. Elf maal brachten de kerkenraden een beroep uit op een predikant of kandidaat, maar telkens zonder resultaat.
Ds. F.C. Diemer (1900-1904).
Pas na vijf jaar kwam er een nieuwe predikant. Ds. F.C. Diemer (1869-1904) uit Aalden deed op 29 april 1900 intrede.

Ds. Diemer kondigde meteen aan dat hij vijf- à zesduizend turven zou meenemen voor de verwarming van de pastorie. De brandstof werd per skûtsje aangevoerd. De predikant was ongehuwd. Zijn zus woonde bij hem in en verzorgde het huishouden.
De gezondheid van ds. Diemer was echter zwak. Zijn huisarts verbood hem al in het jaar van zijn intrede om op één zondag meer dan eenmaal voor te gaan in een van de beide kerkgebouwen. Gelukkig konden classispredikanten regelmatig bijspringen.
Er werd gedacht aan vervroegd emeritaat, maar zover kwam het niet. Op 2 maart 1904 overleed ds. Diemer, slechts 34 jaar oud.

In deze periode valt ook een klein maar veelzeggend detail uit het kerkelijk leven te vermelden. Vanaf 1900 kreeg de dochter van R.P. de Vries voor het schoonhouden van de kerk twintig cent per week. Daarnaast deelde zij stoven uit aan kerkgangers die daarvoor betaalden.
Ds. J.C.R. van Mourik (1904-1907).

Op 9 oktober 1904 deed kandidaat J.C.R. van Mourik (1877-1949) intrede. Over hem is niet veel bekend. Wel werd hij beschreven als ‘een gezellige man, die vriendschap gaf en waardeerde en gevoel had voor humor en muziek’.
Ook hij bleef maar enkele jaren. Op 13 oktober 1907 nam hij afscheid, omdat hij het beroep naar De Wilp had aangenomen.
Ds. E. van der Laan (1908-1912).
Zijn opvolger was ds. E. van der Laan (1883-1972). Hij deed op 30 augustus 1908 intrede en diende de beide gemeenten tot 1912. Op 18 februari 1912 nam hij afscheid wegens zijn vertrek naar Onstwedde.

In de jaren rond 1908 gebeurde er in beide gemeenten veel op kerkelijk en maatschappelijk gebied. Daarbij hadden Wijckel en Balk ieder hun eigen ontwikkelingen.
Wijckel: verbouwing, orgel en jeugdwerk.
In 1907 werd de kerk van Wijckel ingrijpend verbouwd. Het gebouw werd 4,5 meter ingekort en de muren werden een meter verhoogd. Daarvoor moest ook het dak worden verwijderd. Aannemer K. Visser uit Oudemirdum voerde het werk uit voor fl. 1.040.

Het is goed mogelijk dat de kerkgangers tijdens de verbouwing tijdelijk in Balk onderdak vonden.
Ook het orgel kreeg aandacht. In 1908 verstrekte muziekhandel R. Veenstra uit Sneek een prijsopgave voor een kerkorgel dat geschikt zou zijn voor de kerk van Wijckel. Het ging om een instrument dat afkomstig was uit de Rooms-Katholieke kerk van Balk. Voordat de gereformeerden het konden aanschaffen, bleek het echter al verkocht. Er moest dus naar een ander instrument worden uitgezien.
Het jeugdwerk in Wijckel kende intussen een lange traditie. De jongelingsvereniging ‘Het Mosterdzaad’ was al in de tijd van de Doleantie opgericht. In 1909 kwam er een nieuwe jongelingsvereniging, met de naam ‘Prediker 12:1a’: „Gedenk dan aan uw Schepper in uw jongelingsjaren.”
De jongens hielden hun vergaderingen in de kerkzaal. Voor een jaarvergadering konden zij daar eveneens terecht, maar de kerkenraad stelde duidelijke voorwaarden. Er mochten geen ‘samenspraken’ en ‘voordrachten’ worden gehouden en de kerkenraad wilde af en toe zelf een vergadering bezoeken.

Ook was er zo nu en dan een Knapenvereniging, bestemd voor jongens tot ongeveer zestien jaar. Deze vormde als het ware de broedvijver voor de jongelingsvereniging. Voor de meisjes bestond er een Kleine Meisjesvereniging, die ‘In Lentebloei’ heette.
Er werd op de verenigingen serieus gestudeerd. Werkstukjes en inleidingen werden gemaakt en daarover werd tijdens de vergaderingen gediscussieerd. Jaarlijks stonden ook uitstapjes op het programma.
Balk: orgel en jeugdwerk.
Ook in Balk bestond in deze jaren de wens naar goede muzikale begeleiding van de eredienst. Een orgel was er nog niet. Aanvankelijk werd een harmonium aangeboden, maar deskundigen vonden het instrument volstrekt ongeschikt voor de kerkzaal.
In 1906 besloot de kerkenraad een ander orgel aan te schaffen. Of dit een pijporgel was, is niet bekend. Het instrument bleek echter zeer gevoelig voor vocht. In 1919 gaf het uiteindelijk de geest.
Het jeugdwerk in Balk was eveneens actief. Al sinds 1911 bestond er een Jongelingsvereniging met de naam ‘Spreuken 9 vers 10a’: „De vreeze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid.”
Voor de vereniging was meer ruimte nodig. In 1918 vroegen de jongens de kerkenraad om de kleine woning vóór de kerkzaal te verbouwen. De ruimte zou als consistorie kunnen dienen en tevens gebruikt kunnen worden voor kerkenraads- en andere vergaderingen. De kerkenraad ging akkoord en de plannen werden uitgevoerd.
Een verzoek uit 1922 verkreeg echter geen instemming. De jongens wilden in de kerk een reciteerwedstrijd houden. De kerkenraad vond dat niet passend in het kerkgebouw.
In Balk was in ieder geval in 1921 ook een Jongedochtersvereniging actief voor meisjes van ongeveer zestien jaar en ouder.
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Balk and Surrounding Area (1).
Wijckel and Balk on the Road Together.
The ‘Gereformeerde’ Church in Balk and surrounding area has its origins in the Doleantie at the end of the nineteenth century. Its history began in Wijckel, where on 29 July 1888 the ‘Hervormde’ Church (Doleantie) was instituted. In neighboring Balk, nine months later, on 14 April 1889, an independent Doleantie church was instituted.
Initially, the two congregations largely went their own way for some time, but because of their small size they soon became dependent on one another. After Wijckel’s first minister left, the church councils decided jointly to call a minister. This created a situation that would continue for several decades: two independent congregations, each with its own church building and church council, but united through a single minister.
That shared history eventually came to an end on 1 January 1983, when the two congregations were united to form the ‘Gereformeerde’ Church in Balk and surrounding area. Its roots, however, lie in the summer of 1888, in a barn in Wijckel…
1. The Doleantie in Wijckel.
For centuries, there had been a gereformeerde’ church building in the center of the village of Wijckel. Yet in 1888 considerable unrest arose among a number of members of the ‘gereformeerde’ congregation. They believed that the ‘Hervormde’ Church had strayed from the right path. They were particularly troubled by the latitude given to liberal theology. In their view, the church needed to take up “the Reformation” once again.
There was also dissatisfaction about other developments within the church. The church steward exercised influence over the leasing of church-owned farmland. According to those involved, people who sympathized with the movement that would later lead to the Doleantie were already being obstructed before the Doleantie. Among other things, tenants were confronted with increases in their rents. This, too, strengthened the feeling that change was necessary.
On 15 July 1888, members of the ‘hevormde’ congregation gathered in a barn on a local farm. A prayer service was held there. It was a striking step: for the time being, they were setting aside the existing “national church.” Even more far-reaching was the fact that elders were elected during the meeting. Rev. M. Brouwer (1828–1904), the Doleantie minister from Lemmer, led the service and the election.
S.J. den Hollander and H.R. Bouwstra were appointed as elders. Albert Stegenga and B. Stegenga were elected as deacons. Thus the first church council was taking shape.
On Sunday, 29 July 1888, the elected office-bearers were installed, again by Rev. Brouwer. He preached on Colossians 3:4: “When Christ, who is our Life, shall be revealed, then you also will be revealed with Him in glory.” With this installation service, the ‘Hervormde’ Church (Doleantie) in Wijckel became a reality.
A Parsonage and Church of Their Own.
The young congregation initially consisted of sixteen male members, together with their families. Bouwstra’s barn soon became too small. A church building of their own was needed, but eventually a minister would also need a house.
In August 1888, it was therefore decided to acquire a parsonage. A house with a garden was purchased for 1,700 guilders. This provided accommodation in advance for the future minister.
Construction of a church building was also tackled energetically. Carpenter Tj. M. Hofman of Sloten undertook the work for 2,500 guilders. Rev. L.H. Wagenaar (1855–1910), the Doleantie minister from Heeg, personally came to Wijckel on 11 October 1888 to lay the foundation stone. The church was given the name “Eben Haëzer.”
On 21 December 1888, the new church building was put into use. The Sunday before, the final service had been held in Bouwstra’s barn. The small congregation now had its own church, its own parsonage, and its own church council.
Rev. K. Stelma (1889–1890).
Before long, there was also discussion of appointing a minister of their own. Rev. Brouwer was in Wijckel again on 30 November 1888. The church council discussed the possibilities with him. The new minister, above all, had to be willing to preach the “full Word of God.”
On 13 December, the eighteen male members entitled to vote agreed to call Rev. K. Stelma (1831–1897) from the Free ‘Gereformeerde’ Congregation in Lemmer. He originally belonged to another church denomination, but enjoyed sufficient confidence in Wijckel. He entered upon his ministry on 15 September 1889.
The confidence, however, was not rewarded. Although the Church Order of Dordt contained provisions concerning the length of a minister’s stay in a congregation, Rev. Stelma believed that staying for only one year did not prevent him from accepting another call. He accepted the call to Voorburg and on 26 September 1890 ceased to be minister in Wijckel. He left, as was later remarked, “with little fanfare.”
Meanwhile, an important development was also taking place at the national level. Discussions between the synods of the Christian Reformed Church, which had emerged from the Secession, and the ‘Hervormde’ Churches, which had emerged from the Doleantie, had been successfully concluded. The local church joined the “Union of 1892” and from then on was called: The ‘Gereformeerde’ Church in Wijckel.
For Wijckel, this marked the beginning of a new phase.
2. The Doleantie in Balk.
The developments in Wijckel did not fail to have consequences for Balk. A number of residents of Balk had attended the services in Bouwstra’s barn and later attended services in the new church in Wijckel. There was also dissatisfaction with the ‘Hervormde’ Church in Balk. But the ‘hervormde’ church council was unwilling to comply with the request to “take up the Reformation of the church.”
On 8 February 1889, eleven male members from Balk therefore decided to turn their backs on the ecclesiastical administration of the ‘Hervormde’ Church. As in several surrounding places, they wanted to “take up the Reformation” themselves.
Initially, they wanted to cooperate closely with Wijckel. It was agreed that the church council of Wijckel would be expanded by two Doleantie members from Balk: Elder Hemstra and Deacon Bosma.
Nevertheless, there was soon a desire for independence in Balk. On 14 April 1889, its own church council was installed. The ‘Hervormde’ Church (Doleantie) in Balk had now become an independent church. The church council consisted of elders L. Hemstra and W. van der Veer and deacons W. Bosma and O. Bouwstra.
From 1891 onward, the church council of Balk met entirely on its own. After the national “Union” of the churches arising from the Secession and Doleantie had also been established, the name changed. On 17 June 1892, the congregation henceforth became known as The ‘Gereformeerde’ Church in Balk.
A Church Building of Their Own.
At first, the members of the Balk congregation continued to attend church in Wijckel. A church building of their own was urgently desired, but financial possibilities were limited.
Church council member W. van der Veer bought a property that appeared suitable for church use. Nevertheless, it did not become a church building. Balk was to receive 25 guilders annually from the classis building fund for church construction, but naturally a church could not be built with such an amount.
Next to Van der Veer’s property stood a house belonging to G. Franken. That house appeared better suited for use as a church hall. The property was rented for 50 guilders a year. In 1894, it was renovated, and from then on the ‘gereformeerde’ people of Balk could hold their own services.
The church hall, however, was small and stuffy. Members asked for something to be done about the ventilation. The church council also wanted to enlarge the hall, but there was not enough money for this.
In 1897, contractor Tj. Hofman of Sloten was nevertheless asked to prepare an estimate for converting the house into a “presentable” little church. In 1899, a circular was distributed throughout the country to raise money for the renovation. The proceeds were disappointing. Eventually, shares were issued. “With a great deal of pain and difficulty,” they managed to raise enough money.
There was also an ecclesiastical change in 1899. ‘gereformeerde’ people from the neighboring villages of Harich and Ruigahuizen would henceforth belong to the church in Balk.
By this time, the two congregations had become firmly connected. This would be particularly evident in their joint efforts to call ministers.
3. Two Congregations with One Minister.
After Rev. Stelma’s departure, Wijckel and Balk faced the same problem. Neither of the two small congregations could easily afford to call a minister independently. The church councils therefore decided to undertake the calling of ministers jointly from then on.
That decision determined the character of both congregations for many decades. Wijckel and Balk each retained an independent church council and their own church building, but shared one minister. From that point onward, the histories of the two congregations ran parallel in many respects.
Joint Ministers.
Rev. J. van der Vlies (1892–1894).
The first minister called jointly was Rev. J. van der Vlies (1846–1932) from Duurswoude. On 6 March 1892, he entered upon his ministry in both congregations, which at that time did not yet belong to the united ‘Gereformeerde’ Churches, because the national merger did not take place until 17 June of that year.
Rev. Van der Vlies knew the region well. He had initially worked as a lay preacher and had been a minister in Echten since 1897. He came from the churches of the Secession. Because of the national union of the Secession and Doleantie, the church councils of Wijckel and Balk had no objection to this background.
This minister, too, stayed only a short time. On 28 November 1894, he took his leave because he had accepted the call to the ‘Gereformeerde’ Church in Nieuw-Dordrecht, the church that would later be called Klazienaveen.
A lengthy vacancy followed. Eleven times the church councils issued a call to a minister or candidate, but each time without success.
Rev. F.C. Diemer (1900–1904).
It was not until five years later that a new minister arrived. Rev. F.C. Diemer (1869–1904) from Aalden entered upon his ministry on 29 April 1900.
Rev. Diemer immediately announced that he would bring five to six thousand peat turves with him to heat the parsonage. The fuel was transported by skûtsje, a traditional Frisian sailing barge. The minister was unmarried. His sister lived with him and managed the household.
Rev. Diemer’s health, however, was poor. In the very year he began his ministry, his family doctor forbade him to preach more than once on a Sunday in either of the two church buildings. Fortunately, ministers from the classis were regularly able to fill in.
Early retirement on medical grounds was considered, but it did not come to that. On 2 March 1904, Rev. Diemer died at the age of only 34.
This period also contains a small but revealing detail from church life. From 1900 onward, R.P. de Vries’s daughter was paid twenty cents a week for cleaning the church. In addition, she distributed foot warmers to churchgoers who paid for them.
Rev. J.C.R. van Mourik (1904–1907).
On 9 October 1904, candidate J.C.R. van Mourik (1877–1949) entered upon his ministry. Not much is known about him. He was described, however, as “a sociable man, who gave and valued friendship and had a sense of humor and music.”
He, too, stayed only a few years. On 13 October 1907, he took his leave because he had accepted the call to De Wilp.
Rev. E. van der Laan (1908–1912).
His successor was Rev. E. van der Laan (1883–1972). He entered upon his ministry on 30 August 1908 and served both congregations until 1912. On 18 February 1912, he took his leave because of his departure for Onstwedde.
Around 1908, many things were happening in both congregations, both ecclesiastically and socially. Wijckel and Balk each had their own developments.
Wijckel: Renovation, Organ and Youth Work.
In 1907, the church in Wijckel underwent extensive renovation. The building was shortened by 4.5 meters and the walls were raised by one meter. This also required the roof to be removed. Contractor K. Visser of Oudemirdum carried out the work for 1,040 guilders.
It is quite possible that churchgoers temporarily found accommodation in Balk during the renovation.
The organ also received attention. In 1908, music dealer R. Veenstra of Sneek provided a quotation for a church organ suitable for the church in Wijckel. It was an instrument that had come from the Roman Catholic church in Balk. Before the ‘Gereformeerde’ congregation could purchase it, however, it turned out that it had already been sold. Another instrument therefore had to be found.
Meanwhile, youth work in Wijckel had a long tradition. The young men’s association “Het Mosterdzaad” (“The Mustard Seed”) had already been established during the time of the Doleantie. In 1909, a new young men’s association was founded under the name “Prediker 12:1a”: “Remember now your Creator in the days of your youth.”
The boys held their meetings in the church hall. They could also use it for an annual meeting, but the church council imposed clear conditions. No “dialogues” or “recitations” were to be held, and the church council wanted to attend a meeting itself from time to time.
There was also, from time to time, a Boys’ Association for boys up to approximately sixteen years of age. In a sense, this served as a training ground for the young men’s association. For the girls there was a Little Girls’ Association called “In Lentebloei” (“In Spring Blossom”).
Serious study took place in the associations. Papers and presentations were prepared and discussed during the meetings. Excursions were also on the annual program.
Balk: Organ and Youth Work.
During these years, there was also a desire in Balk for good musical accompaniment during worship. There was not yet an organ. Initially, a harmonium was offered, but experts considered the instrument completely unsuitable for the church hall.
In 1906, the church council decided to purchase another organ. It is not known whether this was a pipe organ. The instrument, however, proved extremely sensitive to dampness. In 1919, it finally gave up the ghost.
Youth work in Balk was also active. A Young Men’s Association had existed there since at least 1911, under the name “Proverbs 9:10a”: “The fear of the Lord is the beginning of wisdom.”
The association needed more space. In 1918, the boys asked the church council to renovate the small house in front of the church hall. The space could serve as a consistory room and also be used for church council meetings and other gatherings. The church council agreed, and the plans were carried out.
A request made in 1922, however, did not receive approval. The boys wanted to hold a recitation competition in the church. The church council considered this inappropriate for the church building.
In Balk, there was also at least by 1921 a Young Women’s Association for girls of approximately sixteen years of age and older.