Ds. J. van Henten (1913-1917).
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Na een jaar vacature kwam er in 1913 opnieuw een predikant. Kandidaat J. van Henten (1888-1969) deed op 14 december intrede. Hij was toen pas 25 jaar oud.

Een aardig detail uit zijn ambtsperiode heeft betrekking op zijn echtgenote. In Wijckel kwam op enig moment ter sprake waarom zij de ochtenddienst in Balk niet bijwoonde, maar wel de middagdienst in Wijckel. Kennelijk wist ds. Van Henten hiervoor een bevredigend antwoord te geven, al is dat antwoord niet bewaard gebleven.
Op 29 april 1917 nam ds. Van Henten afscheid. Hij vertrok naar de Gereformeerde Kerk van Oldekerk.
Zending in Balk.
In Balk was de belangstelling voor de zending in deze periode duidelijk aanwezig. In 1911 hadden elf gemeenteleden een abonnement op het Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken.
De Friese Gereformeerde Kerken werkten samen in het zendingswerk in Keboemen op Midden-Java. De kerk van Heeg was ‘de zendende kerk’: de missionaire predikanten werden officieel door die kerk uitgezonden. De Friese kerken droegen financieel bij en de kerk van Heeg hield de overige gemeenten op de hoogte van de ontwikkelingen in Keboemen.

In 1912 kwam een brief binnen waarin melding werd gemaakt van plannen voor de stichting van een Christelijke Hollandse School in Keboemen. In Balk was dat aanleiding om een Zendingsvereniging op te richten. Al direct telde die 26 leden en tien begunstigers.
Later werd ook geld ingezameld voor het zendingsziekenhuis in Keboemen. De bedragen die per kwartaal voor dit doel werden afgedragen, stegen in enkele jaren van ongeveer fl. 7 tot fl. 24.
Ds. K. Prins (1918-1921).
Na anderhalf jaar vacature deed op 20 oktober 1918 de 35-jarige kandidaat K. Prins (1883-1938) intrede.
Ook uit zijn ambtsperiode zijn enkele opmerkelijke details bewaard gebleven. Ds. Prins wilde in de studeerkamer van de pastorie graag elektrisch licht. De kerkenraden vonden de aanleg kennelijk te duur en het plan ging niet door.
Een ander voorstel van de predikant had meer succes. Hij stelde voor om tijdens de vergaderingen van de kerkenraad in Wijckel koffie te drinken en een sigaartje te roken. Dat werd aangenomen.

Zijn traktement bedroeg aanvankelijk fl. 2.500, het bedrag dat door de classis werd geadviseerd. De kerkenraden van Wijckel en Balk vonden dat kennelijk wat te weinig en verhoogden het tot fl. 2.700.
Opzicht en tucht.
De kerkenraden hielden nauwlettend toezicht op leer en leven van de gemeenteleden. In Wijckel werd in 1918 een veehouder aangesproken omdat hij melk verkocht waarin water was gemengd. Dat was niet toegestaan. Hij werd enige tijd van het avondmaal afgehouden en kon na schuldbelijdenis weer worden toegelaten.
Ook het gedrag van ambtsdragers werd niet buiten beschouwing gelaten. Een ouderling uit Wijckel had zijn hond mishandeld. Hij werd daar in de kerkenraad op aangesproken. De man erkende dat hij verkeerd had gehandeld en beleed schuld. Hij wilde zelfs zijn ouderlingschap neerleggen. De andere kerkenraadsleden vonden dat niet nodig, maar de ouderling was bang dat gemeenteleden kritiek zouden hebben op zijn aanblijven. Daarom trad hij uiteindelijk toch af.
Ook in Balk werd streng toegezien op het kerkelijk en maatschappelijk gedrag. Wie de kermis bezocht, begaf zich volgens de kerkenraad naar „de plaats der ijdelheid” en kon een bezoek van de kerkenraad verwachten. Gemengde en gedwongen huwelijken werden eveneens streng beoordeeld.
In 1919 bracht de kerkenraad een bezoek aan twee weduwen en een inwonende broeder die van het avondmaal waren afgehouden. De beide vrouwen gaven aan wegens ‘ongesteldheid’ — ziekte — niet te kunnen deelnemen. De broeder zei dat hij „geen vrijmoedigheid” had om aan het avondmaal te gaan. Hij achtte zich daartoe niet verwaardigd.
Balk krijgt een nieuw orgel en een andere kerkgevel.

Het vochtgevoelige orgel van Balk had inmiddels zijn beste tijd gehad. In 1919 ging de kerkenraad daarom op zoek naar een nieuw instrument. Men had een pijporgel op het oog, maar dat was zo groot dat de kerk ervoor moest worden verbouwd. Zowel de aanschaf van het orgel als de verbouwing werd goedgekeurd.
De orgelfirma Dekker uit Goes plaatste het nieuwe instrument.
Ook het kerkgebouw zelf veranderde ingrijpend. In 1919 besloot de kerkenraad tot verbouwing en kreeg de kerk een nieuwe voorgevel. Op 6 december verleende de burgerlijke gemeente daarvoor toestemming. De kerk van Balk kreeg daarmee een ander aanzien.
Ds. J. Hettinga (1923-1929).
Op 6 juni 1923 deed kandidaat J. Hettinga (1898-1976) intrede. Hij bleef zes jaar aan de beide gemeenten verbonden. Op 30 juni 1929 nam hij afscheid wegens zijn vertrek naar Hasselt. Daar zou hij in 1945 meegaan met de Vrijmkaing.

Kerkelijk leven in Wijckel.
In Wijckel werd in 1925 – ds. Hettinga was toen dus predikant – een kleine verandering in de liturgie ingevoerd. Na het lezen van de Apostolische Geloofsbelijdenis zou voortaan het laatste vers van de Avondzang worden gezongen.
Het zingen van gezangen was binnen de Gereformeerde Kerken altijd een gevoelig onderwerp geweest. Uiteindelijk had de synode bepaald dat een beperkt aantal bijbelgetrouwe liederen, die niet in het psalmboek stonden, in de eredienst mochten worden gezongen. Ze waren opgenomen in het dunne bundeltje ‘Eenige Gezangen’.

Ook het kerkelijke toezicht bleef streng. In april 1926 besloot de kerkenraad van Wijckel een classicaal besluit over gemengde en gedwongen huwelijken vanaf de kansel voor te lezen. Een huwelijk met iemand uit een andere kerk werd met argwaan bekeken. Nog ernstiger vond men het wanneer een kind werd geboren voordat het huwelijk was gesloten.

De gezamenlijke kerkenraden van Wijckel en Balk hadden in 1924 afgesproken dergelijke huwelijken niet meer kerkelijk in te zegenen. Een jaar later werd dit besluit alweer ingetrokken. Wie zich aan een dergelijke zonde schuldig had gemaakt, moest tot waarachtig berouw worden gebracht. Daarna kon schuldbelijdenis tegenover de kerkenraad volgen. Bij een openbare zonde, waarvan de hele gemeente wist, kon de schuldbelijdenis ook tijdens een kerkdienst plaatsvinden.
Ook zondagsarbeid werd nauwlettend gevolgd. Sommige veehouders brachten op zondag hun melk naar de zuivelfabriek. Zij vonden dat noodzakelijk om te voorkomen dat de melk zuur zou worden. De kerkenraad vond echter dat alleen de ‘werken der noodzakelijkheid’ op zondag waren toegestaan, en dan nog uitsluitend wanneer daardoor de kerkgang niet werd verhinderd.
De zuivelcoöperaties speelden in deze discussies eveneens een rol. Het was voor de kerkenraad moeilijk te aanvaarden dat iemand die bij een zuivelfabriek betrokken was en op zondag melk vervoerde, tegelijk ouderling zou zijn.
‘Leesdiensten’ en catechisatie.
Wanneer de predikant elders verbleef, werden in zowel Wijckel als Balk zgn. ‘leesdiensten’ gehouden. Een ouderling las dan een strikt gereformeerde preek voor. De leesdiensten waren niet populair. Bovendien kon de ene ouderling het beter dan de andere.
De belijdeniscatechisaties van jongeren uit Wijckel en Balk werden in 1926 gezamenlijk door de predikant gegeven. Ook het onderzoek voorafgaand aan de openbare belijdenis werd vaak door beide kerkenraden gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij ging het niet alleen om kennis, maar ook om de vraag of er daadwerkelijk geloof aanwezig was.

In Balk besloot de kerkenraad in 1926, op advies van de classis, doopleden die maar niet tot belijdenis kwamen herhaaldelijk ernstig te vermanen. Wanneer zij niet reageerden, kon de zaak vanaf de preekstoel worden afgekondigd. Eerst zonder naam, later met naam. Wie inmiddels de leeftijd van dertig jaar had bereikt, kon uiteindelijk zelfs van de kerk worden ‘afgesneden’.
In 1938 zou de kerkenraad hierop terugkomen. De classis wilde de strenge regels opnieuw toepassen, maar Balk adviseerde om iedere zaak afzonderlijk te bekijken en niet alle gevallen over één kam te scheren.
‘Geelkerken’ in Balk.
In 1926 kwam ook de kwestie-Geelkerken in Balk aan de orde. De Amsterdamse gereformeerde predikant dr. J.G. Geelkerken (1879-1960) had in een preek vragen gesteld over de letterlijke, zintuiglijk waarneembare werkelijkheid van het paradijsverhaal. Hij zei niet te weten of de slang in het paradijs werkelijk had gesproken en of de bomen in het paradijs werkelijk zintuiglijk waarneembaar waren geweest.

Dat leidde binnen de Gereformeerde Kerken tot ernstige bezwaren. De Generale Synode oordeelde uiteindelijk dat predikanten zich moesten houden aan de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de bomen in het paradijs en van de sprekende slang. Geelkerken wilde zich daar niet aan conformeren en werd afgezet. Hij en zijn medestanders vormden vervolgens De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband), een kerkgenootschap dat uiteindelijk niet meer dan ongeveer 7.000 leden zou tellen.
Ook in Balk werden de gevolgen van de kwestie merkbaar. De leider van de ‘Knapenvereniging’ (voor jongens tot ongeveer 16 jaar) bedankte voor zijn functie toen de kerkenraad probeerde de sluimerende vereniging nieuw leven in te blazen. De man meende dat de kerkenraad hem niet vertrouwde. Daar was waarschijnlijk wel enige reden voor: hij sympathiseerde met Geelkerken.
Ook de Jongelingsvereniging vroeg zich af of hij voorzitter van de regionale JV-vergaderingen kon blijven. De kerkenraad stelde voor dat hij een verklaring zou tekenen waarin hij zich aan de uitspraak van de synode zou onderwerpen. Kennelijk gebeurde dat niet. Het gemeentelid verhuisde naar Amsterdam.

De kwestie kwam nog eenmaal nadrukkelijk aan de orde toen ds. S.P. Vermeer (1893-1978) van Oudemirdum, een medestander van Geelkerken, in Balk een toespraak hield. De kerkenraad bezocht vervolgens gereformeerde gemeenteleden die de bijeenkomst hadden bijgewoond, om na te gaan of de ideeën van ds. Vermeer navolging hadden gevonden.
De kerk van Wijckel opgeknapt.
Ook het kerkgebouw van Wijckel kreeg in deze periode opnieuw aandacht. In 1926 besloot de kerkenraad aanvankelijk de kerk niet op het elektriciteitsnet aan te sluiten. Waarschijnlijk waren de kosten te hoog.
Wel wilde men het gebouw grondig opknappen. Er werd een inzameling gehouden die fl. 275 opbracht. Een gemeentelid stelde bovendien fl. 1.200 beschikbaar als lening tegen vier procent rente.
In december 1927 werd ingeschreven op het werk. De houten vloer zou worden vervangen door beton. Daarbij werd een hoogteverschil van 25 centimeter aangebracht: naar achteren liep de vloer op, zodat ook de kerkgangers op de achterste banken een goed zicht op de kansel kregen.
En uiteindelijk kwam er toch elektriciteit. De kerk werd alsnog op het elektriciteitsnet aangesloten. Kennelijk was er na de verbouwing voldoende financiële ruimte over.
Ds. S.J. de Boer (1930-1947).
Op 7 september 1930 deed kandidaat S.J. de Boer (1895-1965) intrede. Hij zou ongeveer zeventien jaar aan Wijckel en Balk verbonden blijven.
Het traktement werd aanvankelijk vastgesteld op fl. 3.000. De economische werkelijkheid veranderde echter snel. Na de beurskrach van Wall Street in oktober 1929 raakte ook Nederland in een diepe economische crisis. Kerk en gemeenteleden ondervonden daarvan de gevolgen.

Ds. De Boer stelde daarom zelf voor zijn traktement te verlagen. De kerkenraden besloten een korting van fl. 500 toe te passen. Ook de predikant moest, net als zijn gemeenteleden, de tering naar de nering zetten.
Bloei van het verenigingsleven in Wijckel.
Na de oprichting van de eerste christelijke school in Wijckel, in 1931, kwam het kerkelijke verenigingsleven sterk tot bloei.

Toch waren er ook spanningen. Het zingen van de gezangen uit de al genoemde ‘Eenige Gezangen’ bleef voor sommigen een principiële kwestie. In 1935 ontving de kerkenraad van Wijckel een bezwaarschrift dat door zestien gemeenteleden was ondertekend. Zij maakten bezwaar tegen het zingen van de gezangen.
De kerkenraad organiseerde een speciale vergadering. De predikant vroeg de bezwaarden naar hun argumenten. Die konden zij eigenlijk niet geven. Hun gevoel zei eenvoudig dat het zingen van gezangen niet juist was. De psalmen waren ruim voldoende.
De kerkenraad nam hun gevoelens serieus, maar kon niet aan hun verzoek tegemoetkomen. De gezangen waren door de synode toegestaan en bleven daarom onderdeel van de eredienst.
In Wijckel was de kerkenraad kennelijk niet altijd even gemakkelijk wanneer het om financiële verplichtingen ging. In 1937 werd dat tijdens een classicale vergadering ter sprake gebracht. Ds. H.M. Dethmers (1864-1938) uit Sneek zou hebben gezegd: „Ik ben nu 35 jaar lid van de classis Sneek en altijd is Wijckel een lastige gemeente geweest als het op betalen aankomt.”
De kerkenraad van Wijckel was daar niet van gediend en tekende protest aan. Het antwoord van de predikant was uiteindelijk verzoenend en ontkennend. Als hij het inderdaad had gezegd — hij had er geen actieve herinnering aan — nam hij zijn woorden terug.
In 1939 werd op initiatief van ds. De Boer in Wijckel een Meisjesvereniging opgericht onder de naam ‘Uw Koninkrijk Kome’.
Het orgel van Balk.

Het orgel in Balk was in 1930 aan een grondige onderhoudsbeurt toe. Orgelbouwer Klimstra uit Metslawier kreeg opdracht het instrument te herstellen en om te bouwen tot een mechanisch orgel. Ook moest een nieuwe blaasbalg worden aangebracht en werd het aantal registers uitgebreid. De kosten bleven uiteindelijk beneden de begrote fl. 900.
De ‘kerkeschapen’.
De economische crisis leidde in Balk tot een opmerkelijke manier om de financiële positie van de kerk te versterken. In 1932 besloot de kerkenraad tot het invoeren van de ‘kerkeschapen’.
Tegen een redelijke prijs werden lammetjes gekocht. Die werden geweid op grond van de kerk of van gemeenteleden. Wanneer de dieren groter en zwaarder waren geworden, konden ze met winst worden verkocht. De opbrengst was steeds positief en vormde zo een welkome aanvulling op de kerkelijke financiën.
In 1942 besloot de kerkenraad echter met de kerkeschapen te stoppen.
De strijd tegen de ‘leesdienst’.
Ook de leesdiensten bleven in Balk onderwerp van gesprek. In 1932 werd tijdens een ledenvergadering opnieuw gevraagd of het niet mogelijk was om de opbrengst van de collectebusjes bij de uitgang te gebruiken om een theologisch kandidaat te betalen die bij afwezigheid van de predikant zou kunnen voorgaan. Daarmee zouden de impopulaire leesdiensten kunnen verdwijnen.
De busjes brachten jaarlijks ongeveer fl. 60 op. De kerkenraad had dat geld echter nodig om het kerkelijk leven draaiende te houden en voelde daarom weinig voor het plan.
Een voorval maakte duidelijk waarom de kwestie speelde. Tijdens een leesdienst werd een preek van de bekende Haagse predikant dr. K. Dijk (1885-1968) door een ouderling voorgelezen. De preek was zo lang dat sommige gemeenteleden zich afvroegen of de leesdiensten niet korter konden.

De kerkenraad antwoordde dat men ernaar zou streven dat een leesdienst niet langer dan ongeveer anderhalf uur zou duren. Daarbij werd echter een uitzondering gemaakt voor een ‘buitengewone situatie’, zoals de bedoelde preek van dr. Dijk uit Den Haag.
Zo groeiden Wijckel en Balk in de eerste helft van de twintigste eeuw steeds verder naar elkaar toe. Ze hadden ieder hun eigen geschiedenis, hun eigen kerkenraad, hun eigen kerkgebouw en hun eigen plaatselijke gebruiken. Tegelijkertijd deelden zij steeds dezelfde predikant, veel van hun kerkelijke activiteiten en uiteindelijk ook een groot deel van hun toekomst.
Deel 3 volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
A. Algra, De Historisch gaat door Het Eigen Dorp, dl. 1 en dl. IV. Leeuwarden, g.j.
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk, Kampen, div. jrg.
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
De Heraut van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
H.W. Hoekstra (eindred.), Een preekstoel in de bagage. Honderd jaar Gereformeerde Kerk Wijckel en Balk. Balk, 1991
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.