De Gereformeerde Kerk te Balk c.a. (2)

Ds. J. van Henten (1913-1917).

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Na een jaar vacature kwam er in 1913 opnieuw een predikant. Kandidaat J. van Henten (1888-1969) deed op 14 december intrede. Hij was toen pas 25 jaar oud.

Ds. J. van Henten (1888-1969) op iets oudere leeftijd.

Een aardig detail uit zijn ambtsperiode heeft betrekking op zijn echtgenote. In Wijckel kwam op enig moment ter sprake waarom zij de ochtenddienst in Balk niet bijwoonde, maar wel de middagdienst in Wijckel. Kennelijk wist ds. Van Henten hiervoor een bevredigend antwoord te geven, al is dat antwoord niet bewaard gebleven.

Op 29 april 1917 nam ds. Van Henten afscheid. Hij vertrok naar de Gereformeerde Kerk van Oldekerk.

Zending in Balk.

In Balk was de belangstelling voor de zending in deze periode duidelijk aanwezig. In 1911 hadden elf gemeenteleden een abonnement op het Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken.

De Friese Gereformeerde Kerken werkten samen in het zendingswerk in Keboemen op Midden-Java. De kerk van Heeg was ‘de zendende kerk’: de missionaire predikanten werden officieel door die kerk uitgezonden. De Friese kerken droegen financieel bij en de kerk van Heeg hield de overige gemeenten op de hoogte van de ontwikkelingen in Keboemen.

Op de zendingskaart van Nederlands Oost-Indië zijn de zendingsvelden van Midden Java en Soemba met een pijl aangeduid.

In 1912 kwam een brief binnen waarin melding werd gemaakt van plannen voor de stichting van een Christelijke Hollandse School in Keboemen. In Balk was dat aanleiding om een Zendingsvereniging op te richten. Al direct telde die 26 leden en tien begunstigers.

Later werd ook geld ingezameld voor het zendingsziekenhuis in Keboemen. De bedragen die per kwartaal voor dit doel werden afgedragen, stegen in enkele jaren van ongeveer fl. 7 tot fl. 24.

Ds. K. Prins (1918-1921).

Na anderhalf jaar vacature deed op 20 oktober 1918 de 35-jarige kandidaat K. Prins (1883-1938) intrede.

Ook uit zijn ambtsperiode zijn enkele opmerkelijke details bewaard gebleven. Ds. Prins wilde in de studeerkamer van de pastorie graag elektrisch licht. De kerkenraden vonden de aanleg kennelijk te duur en het plan ging niet door.

Een ander voorstel van de predikant had meer succes. Hij stelde voor om tijdens de vergaderingen van de kerkenraad in Wijckel koffie te drinken en een sigaartje te roken. Dat werd aangenomen.

Ds. K. Prins (1883-1938).

Zijn traktement bedroeg aanvankelijk fl. 2.500, het bedrag dat door de classis werd geadviseerd. De kerkenraden van Wijckel en Balk vonden dat kennelijk wat te weinig en verhoogden het tot fl. 2.700.

Opzicht en tucht.

De kerkenraden hielden nauwlettend toezicht op leer en leven van de gemeenteleden. In Wijckel werd in 1918 een veehouder aangesproken omdat hij melk verkocht waarin water was gemengd. Dat was niet toegestaan. Hij werd enige tijd van het avondmaal afgehouden en kon na schuldbelijdenis weer worden toegelaten.

Ook het gedrag van ambtsdragers werd niet buiten beschouwing gelaten. Een ouderling uit Wijckel had zijn hond mishandeld. Hij werd daar in de kerkenraad op aangesproken. De man erkende dat hij verkeerd had gehandeld en beleed schuld. Hij wilde zelfs zijn ouderlingschap neerleggen. De andere kerkenraadsleden vonden dat niet nodig, maar de ouderling was bang dat gemeenteleden kritiek zouden hebben op zijn aanblijven. Daarom trad hij uiteindelijk toch af.

Ook in Balk werd streng toegezien op het kerkelijk en maatschappelijk gedrag. Wie de kermis bezocht, begaf zich volgens de kerkenraad naar „de plaats der ijdelheid” en kon een bezoek van de kerkenraad verwachten. Gemengde en gedwongen huwelijken werden eveneens streng beoordeeld.

In 1919 bracht de kerkenraad een bezoek aan twee weduwen en een inwonende broeder die van het avondmaal waren afgehouden. De beide vrouwen gaven aan wegens ‘ongesteldheid’ — ziekte — niet te kunnen deelnemen. De broeder zei dat hij „geen vrijmoedigheid” had om aan het avondmaal te gaan. Hij achtte zich daartoe niet verwaardigd.

Balk krijgt een nieuw orgel en een andere kerkgevel.

De gereformeerde kerk te Balk.

Het vochtgevoelige orgel van Balk had inmiddels zijn beste tijd gehad. In 1919 ging de kerkenraad daarom op zoek naar een nieuw instrument. Men had een pijporgel op het oog, maar dat was zo groot dat de kerk ervoor moest worden verbouwd. Zowel de aanschaf van het orgel als de verbouwing werd goedgekeurd.

De orgelfirma Dekker uit Goes plaatste het nieuwe instrument.

Ook het kerkgebouw zelf veranderde ingrijpend. In 1919 besloot de kerkenraad tot verbouwing en kreeg de kerk een nieuwe voorgevel. Op 6 december verleende de burgerlijke gemeente daarvoor toestemming. De kerk van Balk kreeg daarmee een ander aanzien.

Ds. J. Hettinga (1923-1929).

Op 6 juni 1923 deed kandidaat J. Hettinga (1898-1976) intrede. Hij bleef zes jaar aan de beide gemeenten verbonden. Op 30 juni 1929 nam hij afscheid wegens zijn vertrek naar Hasselt. Daar zou hij in 1945 meegaan met de Vrijmkaing.

Ds. J. Hettinga (1898-1976).

Kerkelijk leven in Wijckel.

In Wijckel werd in 1925 – ds. Hettinga was toen dus predikant – een kleine verandering in de liturgie ingevoerd. Na het lezen van de Apostolische Geloofsbelijdenis zou voortaan het laatste vers van de Avondzang worden gezongen.

Het zingen van gezangen was binnen de Gereformeerde Kerken altijd een gevoelig onderwerp geweest. Uiteindelijk had de synode bepaald dat een beperkt aantal bijbelgetrouwe liederen, die niet in het psalmboek stonden, in de eredienst mochten worden gezongen. Ze waren opgenomen in het dunne bundeltje ‘Eenige Gezangen’.

Het bundeltje ‘Eenige Gezangen’.

Ook het kerkelijke toezicht bleef streng. In april 1926 besloot de kerkenraad van Wijckel een classicaal besluit over gemengde en gedwongen huwelijken vanaf de kansel voor te lezen. Een huwelijk met iemand uit een andere kerk werd met argwaan bekeken. Nog ernstiger vond men het wanneer een kind werd geboren voordat het huwelijk was gesloten.

Oude ansicht met gezicht op Wijckel.

De gezamenlijke kerkenraden van Wijckel en Balk hadden in 1924 afgesproken dergelijke huwelijken niet meer kerkelijk in te zegenen. Een jaar later werd dit besluit alweer ingetrokken. Wie zich aan een dergelijke zonde schuldig had gemaakt, moest tot waarachtig berouw worden gebracht. Daarna kon schuldbelijdenis tegenover de kerkenraad volgen. Bij een openbare zonde, waarvan de hele gemeente wist, kon de schuldbelijdenis ook tijdens een kerkdienst plaatsvinden.

Ook zondagsarbeid werd nauwlettend gevolgd. Sommige veehouders brachten op zondag hun melk naar de zuivelfabriek. Zij vonden dat noodzakelijk om te voorkomen dat de melk zuur zou worden. De kerkenraad vond echter dat alleen de ‘werken der noodzakelijkheid’ op zondag waren toegestaan, en dan nog uitsluitend wanneer daardoor de kerkgang niet werd verhinderd.

De zuivelcoöperaties speelden in deze discussies eveneens een rol. Het was voor de kerkenraad moeilijk te aanvaarden dat iemand die bij een zuivelfabriek betrokken was en op zondag melk vervoerde, tegelijk ouderling zou zijn.

‘Leesdiensten’ en catechisatie.

Wanneer de predikant elders verbleef, werden in zowel Wijckel als Balk zgn. ‘leesdiensten’ gehouden. Een ouderling las dan een strikt gereformeerde preek voor. De leesdiensten waren niet populair. Bovendien kon de ene ouderling het beter dan de andere.

De belijdeniscatechisaties van jongeren uit Wijckel en Balk werden in 1926 gezamenlijk door de predikant gegeven. Ook het onderzoek voorafgaand aan de openbare belijdenis werd vaak door beide kerkenraden gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij ging het niet alleen om kennis, maar ook om de vraag of er daadwerkelijk geloof aanwezig was.

Gereformeerde kerk en pastorie te Wijckel.

In Balk besloot de kerkenraad in 1926, op advies van de classis, doopleden die maar niet tot belijdenis kwamen herhaaldelijk ernstig te vermanen. Wanneer zij niet reageerden, kon de zaak vanaf de preekstoel worden afgekondigd. Eerst zonder naam, later met naam. Wie inmiddels de leeftijd van dertig jaar had bereikt, kon uiteindelijk zelfs van de kerk worden ‘afgesneden’.

In 1938 zou de kerkenraad hierop terugkomen. De classis wilde de strenge regels opnieuw toepassen, maar Balk adviseerde om iedere zaak afzonderlijk te bekijken en niet alle gevallen over één kam te scheren.

‘Geelkerken’ in Balk.

In 1926 kwam ook de kwestie-Geelkerken in Balk aan de orde. De Amsterdamse gereformeerde predikant dr. J.G. Geelkerken (1879-1960) had in een preek vragen gesteld over de letterlijke, zintuiglijk waarneembare werkelijkheid van het paradijsverhaal. Hij zei niet te weten of de slang in het paradijs werkelijk had gesproken en of de bomen in het paradijs werkelijk zintuiglijk waarneembaar waren geweest.

Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960).

Dat leidde binnen de Gereformeerde Kerken tot ernstige bezwaren. De Generale Synode oordeelde uiteindelijk dat predikanten zich moesten houden aan de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de bomen in het paradijs en van de sprekende slang. Geelkerken wilde zich daar niet aan conformeren en werd afgezet. Hij en zijn medestanders vormden vervolgens De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband), een kerkgenootschap dat uiteindelijk niet meer dan ongeveer 7.000 leden zou tellen.

Ook in Balk werden de gevolgen van de kwestie merkbaar. De leider van de ‘Knapenvereniging’ (voor jongens tot ongeveer 16 jaar) bedankte voor zijn functie toen de kerkenraad probeerde de sluimerende vereniging nieuw leven in te blazen. De man meende dat de kerkenraad hem niet vertrouwde. Daar was waarschijnlijk wel enige reden voor: hij sympathiseerde met Geelkerken.

Ook de Jongelingsvereniging vroeg zich af of hij voorzitter van de regionale JV-vergaderingen kon blijven. De kerkenraad stelde voor dat hij een verklaring zou tekenen waarin hij zich aan de uitspraak van de synode zou onderwerpen. Kennelijk gebeurde dat niet. Het gemeentelid verhuisde naar Amsterdam.

Ds. S.P. Vermeer (1893-1978) van Oudemirdum.

De kwestie kwam nog eenmaal nadrukkelijk aan de orde toen ds. S.P.  Vermeer (1893-1978) van Oudemirdum, een medestander van Geelkerken, in Balk een toespraak hield. De kerkenraad bezocht vervolgens gereformeerde gemeenteleden die de bijeenkomst hadden bijgewoond, om na te gaan of de ideeën van ds. Vermeer navolging hadden gevonden.

De kerk van Wijckel opgeknapt.

Ook het kerkgebouw van Wijckel kreeg in deze periode opnieuw aandacht. In 1926 besloot de kerkenraad aanvankelijk de kerk niet op het elektriciteitsnet aan te sluiten. Waarschijnlijk waren de kosten te hoog.

Wel wilde men het gebouw grondig opknappen. Er werd een inzameling gehouden die fl. 275 opbracht. Een gemeentelid stelde bovendien fl. 1.200 beschikbaar als lening tegen vier procent rente.

In december 1927 werd ingeschreven op het werk. De houten vloer zou worden vervangen door beton. Daarbij werd een hoogteverschil van 25 centimeter aangebracht: naar achteren liep de vloer op, zodat ook de kerkgangers op de achterste banken een goed zicht op de kansel kregen.

En uiteindelijk kwam er toch elektriciteit. De kerk werd alsnog op het elektriciteitsnet aangesloten. Kennelijk was er na de verbouwing voldoende financiële ruimte over.

Ds. S.J. de Boer (1930-1947).

Op 7 september 1930 deed kandidaat S.J. de Boer (1895-1965) intrede. Hij zou ongeveer zeventien jaar aan Wijckel en Balk verbonden blijven.

Het traktement werd aanvankelijk vastgesteld op fl. 3.000. De economische werkelijkheid veranderde echter snel. Na de beurskrach van Wall Street in oktober 1929 raakte ook Nederland in een diepe economische crisis. Kerk en gemeenteleden ondervonden daarvan de gevolgen.

Ds. S.J. de Boer (1895-1965).

Ds. De Boer stelde daarom zelf voor zijn traktement te verlagen. De kerkenraden besloten een korting van fl. 500 toe te passen. Ook de predikant moest, net als zijn gemeenteleden, de tering naar de nering zetten.

Bloei van het verenigingsleven in Wijckel.

Na de oprichting van de eerste christelijke school in Wijckel, in 1931, kwam het kerkelijke verenigingsleven sterk tot bloei.

Het flinterdunne bundeltje ‘Eenige Gezangen’.

Toch waren er ook spanningen. Het zingen van de gezangen uit de al genoemde ‘Eenige Gezangen’ bleef voor sommigen een principiële kwestie. In 1935 ontving de kerkenraad van Wijckel een bezwaarschrift dat door zestien gemeenteleden was ondertekend. Zij maakten bezwaar tegen het zingen van de gezangen.

De kerkenraad organiseerde een speciale vergadering. De predikant vroeg de bezwaarden naar hun argumenten. Die konden zij eigenlijk niet geven. Hun gevoel zei eenvoudig dat het zingen van gezangen niet juist was. De psalmen waren ruim voldoende.

De kerkenraad nam hun gevoelens serieus, maar kon niet aan hun verzoek tegemoetkomen. De gezangen waren door de synode toegestaan en bleven daarom onderdeel van de eredienst.

In Wijckel was de kerkenraad kennelijk niet altijd even gemakkelijk wanneer het om financiële verplichtingen ging. In 1937 werd dat tijdens een classicale vergadering ter sprake gebracht. Ds. H.M. Dethmers (1864-1938) uit Sneek zou hebben gezegd: „Ik ben nu 35 jaar lid van de classis Sneek en altijd is Wijckel een lastige gemeente geweest als het op betalen aankomt.”

De kerkenraad van Wijckel was daar niet van gediend en tekende protest aan. Het antwoord van de predikant was uiteindelijk verzoenend en ontkennend. Als hij het inderdaad had gezegd — hij had er geen actieve herinnering aan — nam hij zijn woorden terug.

In 1939 werd op initiatief van ds. De Boer in Wijckel een Meisjesvereniging opgericht onder de naam ‘Uw Koninkrijk Kome’.

Het orgel van Balk.

Het interieur van het oude kerkje aan de Gaaikemastraat (foto: Johan Groenewoud).

Het orgel in Balk was in 1930 aan een grondige onderhoudsbeurt toe. Orgelbouwer Klimstra uit Metslawier kreeg opdracht het instrument te herstellen en om te bouwen tot een mechanisch orgel. Ook moest een nieuwe blaasbalg worden aangebracht en werd het aantal registers uitgebreid. De kosten bleven uiteindelijk beneden de begrote fl. 900.

De ‘kerkeschapen’.

De economische crisis leidde in Balk tot een opmerkelijke manier om de financiële positie van de kerk te versterken. In 1932 besloot de kerkenraad tot het invoeren van de ‘kerkeschapen’.

Tegen een redelijke prijs werden lammetjes gekocht. Die werden geweid op grond van de kerk of van gemeenteleden. Wanneer de dieren groter en zwaarder waren geworden, konden ze met winst worden verkocht. De opbrengst was steeds positief en vormde zo een welkome aanvulling op de kerkelijke financiën.

In 1942 besloot de kerkenraad echter met de kerkeschapen te stoppen.

De strijd tegen de ‘leesdienst’.

Ook de leesdiensten bleven in Balk onderwerp van gesprek. In 1932 werd tijdens een ledenvergadering opnieuw gevraagd of het niet mogelijk was om de opbrengst van de collectebusjes bij de uitgang te gebruiken om een theologisch kandidaat te betalen die bij afwezigheid van de predikant zou kunnen voorgaan. Daarmee zouden de impopulaire leesdiensten kunnen verdwijnen.

De busjes brachten jaarlijks ongeveer fl. 60 op. De kerkenraad had dat geld echter nodig om het kerkelijk leven draaiende te houden en voelde daarom weinig voor het plan.

Een voorval maakte duidelijk waarom de kwestie speelde. Tijdens een leesdienst werd een preek van de bekende Haagse predikant dr. K. Dijk (1885-1968) door een ouderling voorgelezen. De preek was zo lang dat sommige gemeenteleden zich afvroegen of de leesdiensten niet korter konden.

Dr. K. Dijk (1885-1968).

De kerkenraad antwoordde dat men ernaar zou streven dat een leesdienst niet langer dan ongeveer anderhalf uur zou duren. Daarbij werd echter een uitzondering gemaakt voor een ‘buitengewone situatie’, zoals de bedoelde preek van dr. Dijk uit Den Haag.

Zo groeiden Wijckel en Balk in de eerste helft van de twintigste eeuw steeds verder naar elkaar toe. Ze hadden ieder hun eigen geschiedenis, hun eigen kerkenraad, hun eigen kerkgebouw en hun eigen plaatselijke gebruiken. Tegelijkertijd deelden zij steeds dezelfde predikant, veel van hun kerkelijke activiteiten en uiteindelijk ook een groot deel van hun toekomst.

Deel 3 volgt binnenkort.

Bronnen onder meer:

A. Algra, De Historisch gaat door Het Eigen Dorp, dl. 1 en dl. IV. Leeuwarden, g.j.

De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk, Kampen, div. jrg.

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

De Heraut van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.

H.W. Hoekstra (eindred.), Een preekstoel in de bagage. Honderd jaar Gereformeerde Kerk Wijckel en Balk. Balk, 1991

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church in Balk and Surroundings (2).

Rev. J. van Henten (1913–1917).

( < Back to Part 1 ) – After a vacancy of one year, another minister arrived in 1913. Candidate J. van Henten (1888–1969) was installed on 14 December. He was only 25 years old at the time.

An amusing detail from his period of office concerns his wife. At some point in Wijckel, the question arose as to why she did not attend the morning service in Balk, but did attend the afternoon service in Wijckel. Apparently, Rev. Van Henten was able to give a satisfactory answer to this, although that answer has not been preserved.

On 29 April 1917, Rev. Van Henten preached his farewell sermon. He left for the ‘Gereformeerde’ Church in Oldekerk.

Mission work in Balk.

During this period, there was clearly considerable interest in missionary work in Balk. In 1911, eleven members of the congregation subscribed to the Zendingsblad (Missionary Magazine) of the ‘Gereformeerde’ Churches.

The Frisian ‘Gereformeerde’ Churches worked together in missionary work in Keboemen in Central Java. Heeg was the sending church: the missionary ministers were officially sent out by that church. The Frisian churches contributed financially, while the church in Heeg kept the other congregations informed about developments in Keboemen.

In 1912, a letter was received reporting plans to establish a Christian Dutch School in Keboemen. In Balk, this prompted the establishment of a Missionary Association. It immediately had 26 members and ten supporters.

Later, money was also collected for the mission hospital in Keboemen. The amounts contributed quarterly for this purpose increased over several years from approximately ƒ7 to ƒ24.

Rev. K. Prins (1918–1921).

After a vacancy of a year and a half, the 35-year-old candidate K. Prins (1883–1938) was installed on 20 October 1918.

Several noteworthy details have also been preserved from his period of office. Rev. Prins wanted electric lighting in the study of the parsonage. Apparently, the church councils considered the installation too expensive, and the plan did not go ahead.

Another proposal by the minister was more successful. He suggested that during the church council meetings in Wijckel they should drink coffee and smoke a cigar. This was approved.

His initial stipend was ƒ2,500, the amount recommended by the classis. The church councils of Wijckel and Balk apparently considered this somewhat too little and increased it to ƒ2,700.

Supervision and discipline.

The church councils kept a close watch on the doctrine and conduct of the members of the congregations. In Wijckel, a dairy farmer was reprimanded in 1918 because he sold milk that had been mixed with water. This was not permitted. He was barred from the Lord’s Supper for some time and could be readmitted after confessing his guilt.

The conduct of office-bearers was not overlooked either. An elder from Wijckel had mistreated his dog. He was called to account for this by the church council. The man acknowledged that he had acted wrongly and confessed his guilt. He even wanted to resign his position as an elder. The other members of the church council did not think this was necessary, but the elder was afraid that members of the congregation would criticize him for remaining in office. He therefore ultimately resigned anyway.

In Balk too, strict attention was paid to ecclesiastical and social conduct. Anyone who attended the fair, according to the church council, was going to “the place of vanity” and could expect a visit from the church council. Mixed marriages and marriages entered into under compulsion were also judged strictly.

In 1919, the church council visited two widows and a resident brother who had been barred from the Lord’s Supper. Both women indicated that they could not participate because of “indisposition”—illness. The brother said that he had “no freedom of conscience” to go to the Lord’s Supper.

Balk gets a new organ and a different church façade.

The moisture-sensitive organ in Balk had by then seen better days. In 1919, the church council therefore began looking for a new instrument. They had their eye on a pipe organ, but it was so large that the church would have to be remodeled to accommodate it. Both the purchase of the organ and the remodeling were approved.

The Dekker organ-building firm from Goes installed the new instrument.

The church building itself also underwent major changes. In 1919, the church council decided to remodel it, and the church received a new front façade. On 6 December, the civil authorities granted permission for this. The church in Balk consequently acquired a different appearance.

Rev. J. Hettinga (1923–1929).

On 6 June 1923, candidate J. Hettinga (1898–1976) was installed. He remained associated with both congregations for six years. On 30 June 1929, he preached his farewell sermon because he was leaving for Hasselt. There, in 1945, he would join the Vrijmaking (Liberation).

Church life in Wijckel.

In Wijckel, a small change was introduced into the liturgy in 1925. After the reading of the Apostles’ Creed, the final verse of the Avondzang would henceforth be sung.

The singing of hymns had always been a sensitive subject within the ‘Gereformeerde’ Churches. Eventually, the synod had determined that a limited number of Bible-faithful songs that were not included in the psalter could be sung during worship. They were included in the small booklet Eenige Gezangen (A Few Hymns).

Church discipline also remained strict. In April 1926, the church council of Wijckel decided to read aloud a classis decision concerning mixed and forced marriages. Marriage to someone from another church was viewed with suspicion. Even more serious was considered the situation in which a child was born before the marriage had taken place.

In 1924, the joint church councils of Wijckel and Balk had agreed that such marriages would no longer be solemnized in church. A year later, this decision was withdrawn. Anyone who had been guilty of such a sin had to be brought to genuine repentance. After that, a confession of guilt before the church council could take place. In the case of a public sin, of which the entire congregation was aware, the confession of guilt could also take place during a church service.

Sunday work was also closely monitored. Some dairy farmers took their milk to the dairy factory on Sundays. They considered this necessary to prevent the milk from turning sour. The church council, however, held that only the “works of necessity” were permitted on Sundays, and even then only when this did not prevent attendance at church.

The dairy cooperatives also played a role in these discussions. It was difficult for the church council to accept that someone who was involved with a dairy factory and transported milk on Sundays could simultaneously serve as an elder.

“Reading services” and catechism.

When the minister was staying elsewhere, reading services were held in both Wijckel and Balk. An elder would then read a strictly ‘gereformeerde’ sermon aloud. The reading services were not popular. Moreover, some elders were better at it than others.

In 1926, the minister jointly taught the catechism classes for young people preparing to make public profession of faith from Wijckel and Balk. The examination preceding public profession of faith was also often conducted jointly by both church councils. The issue was not merely knowledge, but also whether there was genuine faith present.

In Balk, the church council decided in 1926, on the advice of the classis, to repeatedly admonish baptized members who continued to avoid making profession of faith. If they did not respond, the matter could be announced from the pulpit. At first without mentioning their name, and later with their name. Those who had meanwhile reached the age of thirty could eventually be “cut off” from the church.

In 1938, the church council would return to this matter. The classis wanted to reapply the strict rules, but Balk advised considering each case individually rather than treating all cases alike.

“Geelkerken” in Balk.

In 1926, the Geelkerken controversy also came up in Balk. The Amsterdam ‘gereformeerde’ minister Dr. J. G. Geelkerken (1879–1960) had raised questions in a sermon about the literal, perceptible reality of the paradise story. He said he did not know whether the serpent in paradise had actually spoken and whether the trees in paradise had really been perceptible to the senses.

This led to serious objections within the ‘Gereformeerde’ Churches. The General Synod eventually ruled that ministers had to adhere to the perceptible reality of the trees in paradise and of the speaking serpent. Geelkerken refused to conform to this and was deposed. He and his supporters subsequently formed De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) [The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (in Restored Association)], a denomination that would ultimately have no more than approximately 7,000 members.

The consequences of the controversy were also felt in Balk. The leader of the Young Men’s Association resigned his position when the church council attempted to breathe new life into the dormant association. The man believed that the church council did not trust him. There was probably some reason for this: he sympathized with Geelkerken.

The Young Men’s Association also wondered whether he could remain chairman of the regional JV meetings. The church council proposed that he sign a declaration in which he submitted to the synod’s ruling. Apparently, he did not do so. The church member moved to Amsterdam.

The issue came up explicitly once more when Rev. Vermeer (1893–1978) of Oudemirdum, a supporter of Geelkerken, gave a speech in Balk. The church council subsequently visited ‘gereformeerde’ church members who had attended the meeting to determine whether Rev. Vermeer’s ideas had found any followers.

The church in Wijckel renovated.

The church building in Wijckel also received renewed attention during this period. In 1926, the church council initially decided not to connect the church to the electricity grid. The costs were probably too high.

They did, however, want to thoroughly renovate the building. A collection was held that raised ƒ275. In addition, a member of the congregation made ƒ1,200 available as a loan at four percent interest.

In December 1927, contractors were invited to submit bids for the work. The wooden floor was to be replaced with concrete. A difference in height of 25 centimeters was introduced: the floor rose toward the back, so that worshippers sitting on the rear benches would also have a good view of the pulpit.

And eventually electricity was installed after all. The church was connected to the electricity grid. Apparently, sufficient financial room remained after the renovation.

Rev. S. J. de Boer (1930–1947).

On 7 September 1930, candidate S. J. de Boer (1895–1965) was installed. He would remain associated with Wijckel and Balk for approximately seventeen years.

His stipend was initially set at ƒ3,000. Economic reality, however, changed rapidly. After the Wall Street crash of 1929, the Netherlands too fell into a deep economic crisis. The church and its members experienced the consequences.

Rev. De Boer therefore proposed reducing his own stipend. The church councils decided to apply a reduction of ƒ500. The minister, like his congregation members, had to live within his means.

Flourishing of church associations in Wijckel.

After the establishment of the first Christian school in Wijckel in 1931, church-based associations flourished.

There were nevertheless tensions. For some people, singing the hymns from Eenige Gezangen remained a matter of principle. In 1935, the church council of Wijckel received a letter of objection signed by sixteen members of the congregation. They objected to the singing of hymns.

The church council organized a special meeting. The minister asked the objectors for their arguments. In fact, they could hardly provide any. Their feelings simply told them that singing hymns was not right.

The church council took their feelings seriously, but could not comply with their request. The hymns had been authorized by the synod and therefore remained part of the worship service.

In Wijckel, the church council was apparently not always particularly easygoing when it came to financial obligations. This was brought up at a classis meeting in 1937. Rev. Dethmar of Sneek was said to have remarked: “I have now been a member of the Sneek classis for 35 years, and Wijckel has always been a difficult congregation when it comes to paying.”

The church council of Wijckel was not pleased with this and lodged a protest. The minister’s eventual response was conciliatory and denied the accusation. If he had indeed said it—he could no longer remember doing so—he withdrew his words.

In 1939, on the initiative of Rev. De Boer, a Girls’ Association was founded in Wijckel under the name Uw Koninkrijk Kome (“Your Kingdom Come”).

The organ in Balk.

The organ in Balk was due for a thorough overhaul in 1930. Organ builder Klimstra from Metslawier was commissioned to repair the instrument and convert it into a mechanical organ. A new bellows also had to be installed, and the number of stops was increased.

The final cost remained below ƒ900.

The “church sheep”.

The economic crisis led to a remarkable way of strengthening the church’s finances in Balk. In 1932, the church council decided to introduce the “church sheep.”

Lambs were purchased at a reasonable price. They were grazed on land belonging to the church or to members of the congregation. Once the animals had grown larger and heavier, they could be sold at a profit. The proceeds were consistently positive and thus provided a welcome addition to the church’s finances.

In 1942, however, the church council decided to discontinue the church sheep.

The struggle against the “reading service”.

The reading services in Balk also remained a subject of discussion. At a members’ meeting in 1932, it was once again asked whether it might be possible to use the proceeds from the small collection boxes at the exits to pay a theological candidate who could lead the service when the minister was absent.

This would allow the unpopular reading services to disappear.

The boxes brought in approximately ƒ60 a year. The church council needed that money, however, to keep church life running and therefore had little enthusiasm for the proposal.

An incident made clear why the issue had arisen. During a reading service, a sermon by the well-known The Hague minister Dr. K. Dijk (1885–1968) was read aloud by an elder. The sermon was so long that some members of the congregation wondered whether the reading services could not be made shorter.

The church council replied that it would strive to ensure that a reading service lasted no longer than approximately an hour and a half. An exception was nevertheless made for an extraordinary situation, such as the aforementioned sermon by Dr. Dijk of The Hague.

Thus, during the first half of the twentieth century, Wijckel and Balk gradually grew ever closer. Each had its own history, its own church council, its own church building, and its own local customs. At the same time, they increasingly shared the same minister, many of their church activities, and ultimately a large part of their future.

Part 3 will follow soon.