De Gereformeerde Kerk te Sassenheim (2)

Een nieuwe kerk (1912).

( < Naar deel 1 ) – De kerk van Sassenheim bleef groeien. In het dorp werd dan wel geen Dolerende Kerk gesticht, maar toch vonden overgangen plaats vanuit de Hervormde Gemeente.

Nog druk bezig met de bouw van de nieuwe kerk, die in 1912 in gebruik genomen werd. Links de pastorie.

Bovendien behoorden ook de dorpen Voorhout, Warmond, De Kaag en het zuidelijk deel van Lisse tot de kerk van Sassenheim, en ook de ‘natuurlijke groei’ van de kerk ging gewoon door. Met andere woorden: het aantal zitplaatsen in de kerk werd te klein. Vandaar dat de wens om een grotere kerk te bouwen steeds duidelijker klonk. Weliswaar had de kerk in de loop van de tijd enkele aanpassingen ondergaan, zodat het aantal zitplaatsen tot maximaal 400 kon worden uitgebreid, maar het bleek op den duur niet voldoende.

Toch kon geen snelle beslissing over verbouw of nieuwbouw op dezelfde of op een andere plaats genomen worden, omdat daarover onenigheid in de gemeente ontstond. Uiteindelijk werd in maart 1907 een commissie benoemd die over aankoop van een bouwterrein  moest adviseren. De commissie rapporteerde echter dat nieuwbouw op dezelfde locatie het goedkoopst was. Wel werd alvast een bouwcommissie benoemd, maar kennelijk kon men er nog niet direct uitkomen. Daarom werd begin 1909 een bijeenkomst met de manslidmaten uitgeschreven om te vertellen wat men wilde. Het bleek dat men nieuwbouw wilde van een kerk met ongeveer 800 zitplaatsen. Na enig gesteggel over de precieze locatie van de nieuwe kerk werd in 1910 besloten een kerkgebouw en een pastorie te bouwen aan de Julianalaan (in 1909 was prinses Juliana geboren, vandaar de naam).

Het interieur van de kerk in 1912 met het orgel dat uit de oude kerk was meegenomen.

Architect Th. Anema uit Den Haag maakte de bouwtekeningen. De totale kosten werden geschat op fl. 40.000, inclusief de grond.  De bouw van de kerk zelf zou zo’n fl. 24.000 kosten en die van de pastorie fl. 7.000. In 1911 werd het werk aanbesteed, van kerk en pastorie beide. De laagste inschrijver was aannemer De Vreede uit Noordwijk, die de kerk voor een totaalbedrag van fl. 35.640 wilde bouwen. Wel liep het totaalbedrag uiteindelijk op tot bijna fl. 50.000, maar daarin waren dan ook de inrichting van kerk en tuin begrepen. Aanvankelijk was in de plannen geen galerij opgenomen.

De bouw van de kerk verliep voorspoedig. Op 8 april 1912, het was Tweede Paasdag, werd de kerk in gebruik genomen tijdens een dienst die onder leiding stond van ds. Thijs. ’s Avonds werd een ‘feestrede’ gehouden door ds. J. Douma (1873-1958) van Watergraafsmeer. De kerk kreeg de naam ‘Julianakerk’.

Ds. J. Douma (1873-1958) van Watergraafsmeer  – hier op latere leeftijd – hield ’s avonds de feestrede bij de opening van de Julianakerk.

Een paar dagen later werd een ‘publieke verkooping’ gehouden van de kerkbanken, de preekstoel, de gordijnen enz. van de oude gereformeerde kerk. De nieuwe kerk werd voor een groot deel opnieuw ingericht. Wat wel meegenomen werd uit de oude kerk was het orgel, dat daar in 1890 was geplaatst. Het betrekkelijk eenvoudige instrument bleef daar tot 1921 in gebruik.

De advertentie t.g.v. de publieke verkoping van de inventaris van de oude kerk (Leidsch Dagblad, 10 april 1912).

Al snel werd geconstateerd dat niet elke predikant in de nieuwe kerk even duidelijk te verstaan was. Vandaar dat architect Anema opdracht kreeg het klankbord boven de preekstoel te vergroten, zodat het geluid directer de kerk ingestuurd werd. Ook werd een proef genomen met het spannen van wollen draden door de kerk om de nagalm te verminderen (dat gebeurde in die tijd vaker). De proef slaagde uitstekend. Maar de omvang van het klankbord werd enkele jaren later toch weer tot haar oorspronkelijke afmetingen teruggebracht, omdat de eerdere ingreep geen verbetering had opgeleverd.

Opzicht en tucht.

De kerkenraad, geroepen om toezicht te houden op leer en leven van de gemeenteleden, hield ook de  zondagsheiliging en het bezoek aan de kerkdiensten nauwkeurig in de gaten. Zo bleek een jeugdig vrouwelijk gemeentelid op zondag de tram te hebben genomen! Voor haar zelf was het natuurlijk een uitstekende manier om de zondagsrust te praktiseren, maar de trambestuurder en de conducteur moesten daarvoor wel opdraaien. Dat was  reden genoeg het meisje op de kerkenraad haar spijt te laten betuigen, hetgeen ze deemoedig  deed, en bovendien beloofde ze met de hand op het hart de tram in het vervolg op zondag links te zullen laten liggen.

De burgemeester besproken.

Schelto Baron van Heemstra, van 1903 tot 1911 burgemeester van Sassenheim en sinds 1890 ook gemeentelid, had zich op een zondag in plaats van naar de kerk aan de Hoofdstraat, naar de roomse Pancratiuskerk, ook aan de Hoofdstraat, begeven! Dat viel bij de broeders kerkenraadsleden – en ongetwijfeld ook bij vele gemeenteleden – niet in goede aarde. Aanvankelijk was de burgemeester in zijn wiek geschoten toen de kerkenraad hem daarover op de vingers tikte, maar later betuigde de edelachtbare heer burgemeester – ondanks alles immers ‘gewoon gemeentelid’ – spijt over het gebeurde.

Baron Schelto van Heemstra.

Ook was in 1911 enige verwijdering ontstaan tussen de predikant en de burgemeester. De aanleiding was het feit dat ds. Thijs, bij de opening van een bazar ten bate van het Suppletiefonds, niet had gewacht op de aankomst van de door het suppletiefondsbestuur speciaal voor deze gelegenheid uitgenodigde burgemeester. Het speet dominee dat het zo gelopen was, hij verklaarde ook niets tegen de burgemeester te hebben en zou hem aan huis bezoeken om de irritaties weg te nemen (het Suppletiefonds was opgericht om het schoolgeld voor kinderen van behoeftige ouders te betalen, zodat ze gewoon naar school konden).

Een merkwaardige gebeurtenis speelde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) af. De toenmalige burgemeester Pieter Besselaar (net als zijn voorganger Van Heemstra lid van de ‘gereformeerde’ Anti-Revolutionaire Partij‘ (ARP) en lid van de Gereformeerde Kerk), kreeg van inwoners van zijn gemeente kritiek op het door hem gevoerde distributiebeleid (de verdeling van schaarse levensmiddelen). Kennelijk vonden sommigen dat beleid niet eerlijk. De burgemeester had daar flink de pee over in en besloot de hem door de overheid verleende verlenging van zijn burgemeesterschap niet aan te nemen.

De pastorie, die tegelijk met de Julianakerk gebouwd werd (foto: ‘Julianakerk 100 jaar’).

Hoe dan ook, de kerkenraad sprak toen over de vraag of het ook wenselijk was de burgemeester de toegang tot het Heilig Avondmaal te ontraden, ‘omdat hij ergernis gegeven had’  met zijn ‘oneerlijke distrubutiebeleid’.  Ze gingen dus bij de gezagsdrager op bezoek en begrepen toen dat het niet nodig was zo’n drastische maatregel te nemen. Maar de burgemeester nam de hem door de minister verleende verlenging van zijn benoeming niet aan.

Harde kerkelijke praktijken.

Allerlei andere zaken kwamen in de kerkenraad aan de orde die met ‘opzicht en tucht’ te maken hadden. Sommigen offerden teveel aan Bacchus, anderen waren verwikkeld geraakt in onderlinge ruzies, en telkens probeerde de kerkenraad de zaken recht te breien. In 1916 was een broeder der gemeente betrapt op smokkelhandel met koopwaar. Het was de tijd van de ‘Grote Oorlog’ (1914-1918), waarin deze praktijken nogal eens voorkwamen. Hij was dan ook door de rechter tot een stevige gevangenisstraf veroordeeld als gevolg waarvan de kerkenraad hem de toegang tot het avondmaal ontzegde (omdat hij toch in de nor zat zal dat voor hem weinig consequenties gehad hebben, althans in de vier maanden dat hij moest brommen), maar later moest hij in het midden der gemeente alsnog openbare schuldbelijdenis afleggen. De kerk zat dan in elk geval weer tot de rand toe vol. De kerkelijke praktijken waren soms wel erg hard.

Ds. A.M. Boeyinga (van 1919 tot 1928).

Ds. A.M. Boeyinga (1887-1973) op latere leeftijd.

De gezondheid van ds. Thijs liet het afweten, zodat hij in 1919 emeritaat aanvroeg en dit verkreeg. In juni nam hij afscheid van de kerk van Sassenheim. En dus nam de kerkenraad het beroepingswerk weer ter hand. In augustus 1919 werd een beroep uitgebracht op ds. A.M. Boeyinga van Koog-Zaandijk. Deze nam het beroep aan en deed op 30 november dat jaar intrede. De gemeenteleden waren tevreden met hem en met zijn prediking. Ook de catechisanten waren vermoedelijk in hun nopjes met het cadeau dat ze uitgereikt kregen na het doen van belijdenis: het boekje ‘Wees getrouw’ van ds. Elzinga. Het boekje ‘Voor een distel een mirt’ door de grote gereformeerde roerganger dr. A. Kuyper (1837-1920) was te duur.

Het orgel vervangen (1921).

Het interieur van de nieuwe kerk na de plaatsing van het nieuwe orgel in 1921.

Het oude orgel – dat nog uit de oude kerk was meegenomen – voldeed niet meer. Het was te klein. Vandaar dat in november 1920 door een commissie geadviseerd werd een nieuw orgel in de kerk te plaatsen. Gekozen werd voor een instrument van orgelbouwer Standaart uit Rotterdam, dat voor fl. 16.000 werd aangeschaft. Om een grote prijsverhoging van 40% per 1 januari 1921 voor te zijn werd snel overgegaan tot aanschaf van het orgel, dat op 15 juli 1921 in gebruik genomen werd. Het oude orgel werd geschonken aan de Gereformeerde Kerk te Lisse.

Leidsch Dagblad, 16 juli 1921.

Kerkelijk leven.

De groeiende kerk van Sassenheim telde begin 1922 inmiddels ruim 1.200 leden. Ook het jeugdwerk bloeide. De Jongelings Vereniging ‘Jonathan’ bestond inmiddels zo’n veertig jaar, had dat natuurlijk uitvoerig gevierd en de ouderlingen die er geregeld op bezoek gingen, kwamen over het algemeen met positieve verhalen op de kerkenraad. Er was ook een meisjesvereniging, ‘Credo’ genaamd. Ook daar deden de ouderlingen bij hun toezichthoudend werk over het algemeen uitstekende ervaringen op:  ‘Niettegenstaande de kleine vossen die vaak de wijngaard bederven, was het geheel niet onaardig’.

Wél een beetje onaardig vonden kerkenraad en predikant het als avondmaalbezoekers in dezelfde week als waarin de dis aangericht werd, ook een bioscoop hadden bezocht. Dat wrong! Wat volgens een van de ouderlingen ook een beetje wrong, althans kon wringen, was het feit dat één van de gemeenteleden, die niet in staat was de kerk te bezoeken, toestemming kreeg ‘de draden voor zijn radiotoestel te mogen verbinden aan de kerk’, zodat hij de preek thuis kon volgen via de radio. Dat was op zichzelf natuurlijk prima, zolang het dan maar bij die preek bleef! Want een van de ambtsdragers maande tot voorzichtigheid, omdat de radio in het algemeen gevaar brengt, ‘omdat men daarmee ook Speenhoff kan beluisteren’, een destijds bekende liedjeszanger, met vermoedelijk niet op gereformeerde grondslag berustende liederen.

Niet naar de ingebruikneming van de Chr. Geref. Kerk.

De Christelijke Gereformeerde Kerk te Sassenheim, die sinds 2005 ‘Havenkerk’ genoemd wordt (foto: Reliwiki, Jan Sonneveld).

Zoals al eerder vermeld werd in Sassenheim in 1924 (wat tegenwoordig heet) de Havenkerk van de hetzelfde jaar geïnstitueerde ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Gemeente in gebruik genomen (zij waren het in 1892 en daarna niet eens met de vereniging van de kerken uit de Afscheiding en de Doleantie). Nu deze ‘scheurmakers’, zoals ze overal in het land door  ondeugende gereformeerden betiteld werden, aan de Bijweglaan een eigen kerk openden, werd ook de gereformeerde kerkenraad van harte uitgenodigd dit heuglijke feit in dankbaarheid mee te maken. Maar voor de grootste helft  van de kerkenraad was het feit helemaal niet zo heuglijk en was men er helemaal niet zo dankbaar voor. Met een krappe meerderheid van stemmen werd de uitnodiging dan ook afgeslagen. Wel ging er een brief heen. Daarin werd de afwijzing van de uitnodiging met redenen omkleed: ‘Werd door Uw daad van kerkoprichting, zelfs zonder dat u één poging gedaan hebt om u met de bestaande Gereformeerde Kerk te verstaan, niet ‘de eenheid van het lichaam van Christus’ gebroken?’

Geen applaus s.v.p.!

In 1926 vroeg het muziekkorps Crescendo toestemming om in de kerk een uitvoering te geven. Daar had de kerkenraad niets op tegen, maar wel zou men ‘het bestuur van Crescendo ermee in kennis stellen dat zij zorg draagt voor een zoo veel mogelijk gewijde muziek en ook applaudisseren na te laten, de bijeenkomst met gebed te openen en te sluiten, opdat een ieder voldaan huiswaarts kan gaan’. Deze manier van werken bleek achteraf  ‘allen ten volle te hebben bevredigd’.

De kerk vergroot (1928).

In 1924 had de kerkenraad besloten de kerkenraadskamer en het catechisatielokaal te vergroten. Er was te weinig ruimte voor de vele vergaderingen van kerkelijke verenigingen. De verbouwing kostte ruim fl. 5.250 en werd in 1925 in gebruik genomen (veel later, in 1963, werden deze vergaderruimten nog eens opgeknapt).

De Julianakerk werd in 1928 vergroot. Deze foto dateert van dertig jaar later (foto: ‘Julianakerk 100 jaar’).

Niet lang nadat de Julianakerk in 1912 in gebruik genomen was, bleek dat de groeiende gemeente er de oorzaak van was dat het aantal zitplaatsen te klein dreigde te worden. Vandaar dat al in 1920 over uitbreiding van de kerk gesproken werd, maar zonder dat dit tastbare gevolgen had. Wel adviseerde architect Anema de kerk uit te breiden en er een galerij in te bouwen, maar vooralsnog gebeurde er niets, behalve dan, dat in 1921 elektrische verlichting in de kerk werd aangelegd. Vijf jaar later sprak de kerkenraad  opnieuw over de vergroting van de kerk. Er moest iets gebeuren. De architecten Anema en B.T. Boeyinga (1886-1969) uit Amsterdam werden gevraagd uitbreidingsplannen te maken; uiteindelijk werd het voorstel van architect Boeyinga (broer van de dominee!) aangenomen.

De plannen hielden een niet geringe verbouwing in. De zuidwestgevel werd naar achteren verplaatst zodat een galerij in de kerk kon worden aangebracht met zo’n vierhonderd extra zitplaatsen. Bovendien werden nieuwe ‘hoge banken’ aan weerszijden van de preekstoel geplaatst en ook werden nieuwe opklapbare houten zitbanken (‘van de beste kwaliteit eikenhout’) in de kerk geplaatst en werd het liturgisch centrum volledig aangepast en vergroot. Ook werd centrale verwarming aangebracht. De kosten waren dan ook niet gering: er moest fl. 74.000 bij elkaar gebracht worden. Dat werd voor elkaar gemaakt door giften van maar liefst fl. 35.000 en een lening van fl. 39.000.

Een uitgebreid verhaal over de ingebruikneming van de vergrote Julianakerk verscheen in de ‘Nieuwe Leidsche Courant’ van 22 maart 1928.

De verbouwing was dus ingrijpend genoeg om er gedurende de ingreep niet te kunnen kerken. Achtereenvolgens kon men kerkdiensten houden in het tentoonstellingsgebouw Bloemlust aan de Hoofdstraat, met ongeveer 480 zitplaatsen, daarna in gebouw Concordia op de hoek van de Hoofdstraat met de Concordiastraat en tenslotte in de winter van 1927 op 1928 in de bollenschuur van de fa. Zonneveld en Philippo aan de Hoofdstraat, dichtbij de Zuiderstraat. Op 21 maart 1928 werd de vergrote Julianakerk in gebruik genomen. Een groot verhaal verscheen er over in de Nieuwe Leidsche Courant van de dag daarop.

Ds. P.D. Kuiper (van 1929 tot 1966).

Verscheidene door hem ontvangen beroepen waren door ds. Boeyinga afgewezen, maar uiteindelijk was het toch zover: op 16 september 1928 nam hij afscheid wegens vertrek naar de kerk van Haarlem. De kerkenraad zette zich dus weer aan de arbeid om een opvolger te vinden. Dat lukte niet zo vlot als men gewenst had. Zes vergeefse beroepen op andere predikanten moesten geïncasseerd worden alvorens een beroep op ds. P.D. Kuiper (1900-1966) van Oud-Loosdrecht door hem werd aangenomen. Op 20 oktober 1929 deed hij intrede. Maar liefst ongeveer zevenendertig jaar zou deze predikant aan de kerk van Sassenheim verbonden blijven. Onnodig te zeggen dat hij een stevig stempel op het kerkelijk leven drukte.

Ds. P.D. Kuiper (1900-1966).

Enige flitsen uit het kerkelijk leven.

Een opmerkelijke gebeurtenis viel de predikant al kort na zijn aantreden in Sassenheim ten deel. Tijdens een kerkenraadsvergadering in oktober 1929 bleek dat twee gemeenteleden op zondag 6 oktober meegereisd waren met de Zeppelin die de stad had aangedaan! De raad was er duidelijk over: niet alleen de Gereformeerde Kerk van Sassenheim, maar het hele kerkverband was door deze gebeurtenis te schande gemaakt!

De twee gemeenteleden hadden het ding beslist willen zien vertrekken; was het daar maar bij gebleven! Maar terwijl ze gewoon in de kerk hadden behoren te zitten, waren ze doodgemoedereerd  ingestapt en hadden ze een plezierrondje boven het dorp  gemaakt! Het spreekt vanzelf dat, toen de ouderlingen hen hierover onderhielden, zij deemoedig diepe spijt betuigden over hun wegblijven uit de dienst des Woords.

Andere onaanvaardbare uitspattingen werden op volgende kerkenraadsvergaderingen besproken. In maart 1930 bijvoorbeeld sprak men uitvoerig over de wereldgelijkvormigheid die ook de Gereformeerde Kerken was binnengedrongen. Het schaakspel, dat anders zo rustig in de woonkamer beoefend werd, had zich verplaatst naar de koffiekamer in het hotel. En daar vond ook het kegelspel haar beoefenaars. Alles draaide om sport en spel. ‘Hoe is het mogelijk dat onze broeders en zusters daar lust in kunnen hebben! (…) Het is een sfeer die de onze niet is’. Daar hoorde je je als gereformeerde niet te vertonen noch er aan mee te doen.

En ook de organist werd besproken: moest hij nu beslist op zondag de bus nemen om plaats te kunnen nemen achter het orgel in de kerk? Reizen op zondag hoorde immers niet. De kerkenraad zou proberen hem met een auto te halen en te terug te brengen.

De ‘Eenige Gezangen’ worden meerdere.

Mocht het flinterdunne gezangenbundeltje ‘Eenige Gezangen‘, dat in de Gereformeerde Kerken in gebruik was, met daarin alleen strikt Bijbelse liederen zoals de Tien Geboden, de Lofzang van Maria en die van Zacharias en nog enkele andere –  mocht dat bundeltje uitgebreid worden met nog meer gezangen? Was het psalmboek met haar honderdvijftig psalmen dan niet voldoende? Hadden gereformeerden (al in de tijd van de Afscheiding van 1834) niet een grondige hekel aan al die gezangen sinds die hun in die tijd door de overheid waren opgedrongen in de hervormde bundel Evangelische Gezangen? Dat waren menselijke maaksels in plaats van bijbelse waarheden! En nu had de gereformeerde synode het plan opgevat aan dat dunne bundeltje Eenige Gezangen een aantal toe te voegen!

Had – zei een van de gemeenteleden in Sassenheim – de kerkvader Augustinus al niet gezegd dat ‘niemand iets Godswaardigs kan zingen dat hij niet van God Zelf ontvangen had’? Al met al bleek dat de kerkenraad voor de helft voor en de helft tegen de uitbreiding van het gezangenbundeltje was. Maar toen ds. Kuiper er op aandrong de synode in haar voorstel te volgen – zij was tenslotte de vertegenwoordiging van al onze kerken – stemden de kerkenraadsleden er in september 1933 er toch maar mee in.

De oorlog werpt haar schaduwen vooruit.

In ons land was sinds 1931 de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Mussert in opkomst. In de Gereformeerde Kerk van Sassenheim zag men het gevaar er in 1933 meteen van in. Ouderling Warnaar hield toen namelijk in de kerkenraad een inleiding over die beweging. Hij liet duidelijk uitkomen dat ‘de gedachten van de NSB over gezag en vrijheid zoveel van de leer van de kerk verschillen, dat de kerk die beweging moet veroordelen. Als een gemeentelid, die de NSB toegedaan was, belijdenis van het geloof wilde doen, achtte hij het de roeping van de kerk hem of haar er op te wijzen ‘dat de eer van God boven alle belangen van de Staat gaat en dat de NSB-gedachten tegen Gods Woord ingaan’.

In 1936 deed ook de generale synode er een duidelijke uitspraak over: de opvattingen van de NSB werden strijdig verklaard met die van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Gemeenteleden die zich bij de NSB hadden aangesloten en, ondanks ernstig vermaan van de kerkenraad, daarin volhardden, moesten onder de kerkelijke censuur gesteld worden en bij blijvende ongehoorzaamheid van de kerk worden afgesneden. Die uitspraak herhaalde de synode in 1941.

Tijdens de oorlog.

Op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. De kerkdiensten konden de navolgende zondag gewoon doorgaan, maar er zou op worden toegezien ‘dat geen vreemdelingen de kerk binnendringen’; men dacht aan Duitse parachutisten en andere spionnen die zich mogelijk onopgemerkt tussen het kerkvolk zouden mengen en zich op die manier zouden kunnen verschuilen. Ook onder de gemeenteleden waren enkele NSB’ers. Een van hen werd bezocht en deze bleek zelf al besloten te hebben niet aan het Avondmaal te gaan (in plaats van dat hij zijn NSB-lidmaatschap opzegde…).

Leidsche Courant, 19 september 1941.

In 1941 bleek er – ondanks het toezicht bij de ingang van de kerk – met een uitgestreken gezicht een dief in de kerk te zitten. Het bleek dat hij al enkele jaren in allerlei kerken in het land in plaats van iets in de collectezak te doen, er iets uit haalde. Koster W. van Diggelen had het op een gegeven moment door en hij bond de strijd aan met de dief. Maar hij deed dit in het verborgene. Hij naaide op de bodem van een collectezakje een paar bankbiljetten vast. Daaraan had hij bovendien een constructie van enkele draden bevestigd die de dief zouden ontmaskeren: als de rover de bankbiljetten eruit wilde pakken, trok hij tegelijk aan een draad die er voor zorgde dat de zak zich van boven om de grijpgrage vingervlugge hand van de dief sloot en deze daarvan niet los kon komen. Voor de rechter bekende hij alles.

De Vrijmaking.

Om het werk van de predikant te verlichten werd kandidaat J. Rijneveld (1911-1988) als hulppredikant benoemd. Hij was in Sassenheim werkzaam van 22 februari tot 16 augustus 1942 en ging in 1944 met de Vrijmaking mee, die overigens in Sassenheim niet leidde tot een vrijgemaakte Gereformeerde Kerk.

De eerste bladzijde van de 7 pagina’s tellende ‘Open Brief’ van ds. Kuiper.

Overigens hield ds. Kuiper zich niet afzijdig wat betreft de kerkstrijd, die uiteindelijk in 1944 uitliep op de Vrijmaking. Op 5 juni 1944 schreven dr. H. Dooyeweerd (1894-1977) en dr. D.H.Th Vollenhoven (1892-1978), beiden hoogleraar aan de Amsterdamse Vrije Universiteit,  een  brief aan de generale synode. Daarin uitten zij  bezwaren tegen de handelwijze van de synode betreffende  de in het geding zijnde leergeschillen (onder meer over de betekenis van de Doop en het Verbond), die de Gereformeerde Kerken sinds de jaren ’30 met toenemende felheid bezighielden.

Ds. Kuiper schreef een brochure in de vorm van een Open Brief, met enkele opmerkingen over de vragen die de hoogleraren aan de synode stelden, die volgens hem overigens ongetwijfeld bedoeld waren als een hooggeleerde vredespoging, omdat het schrijven van de beide professoren de felheid miste die andere  brieven en brochures kenmerkte.

Een nieuwe psalmberijming in de maak.

Ds. H. Hasper (1886-1974).

In die tijd werd ook gesproken over de kerkzang.  Ds. H. Hasper (1886-1974), sinds 1946 hervormd predikant te Den Haag, was namelijk druk bezig met het maken van een nieuwe psalmberijming. Het leek er een tijdje op dat die berijming misschien ook in de Gereformeerde Kerken zou worden ingevoerd. In een behoorlijk aantal gemeenten werd de ‘berijming van Hasper’ met toestemming van de generale synode in of voor de kerkdiensten ‘beproefd’.

Het grote verschil met de gangbare psalmbundel was het feit dat de psalmen in de bundel van ds. Hasper niet op lange noten, maar met  lange en korte noten gezongen moesten worden. In de Gereformeerde Kerken was het gewoonte dat alles op lange noten gezongen werd. Ds. Kuiper vond dat de gemeente van Sassenheim te langzaam zong en ook de toonzetting van de psalmen moest naar zijn oordeel verbeterd worden. Vandaar dat hij de bundel van ds. Hasper aanbeval. De kerkenraadsleden zouden de ‘nieuwe psalmen’ thuis eerst maar eens even beproeven, en dan later oordelen of het misschien in de gemeente geoefend kon worden. Van invoering is het nooit gekomen. Niet in Sassenheim en niet in De Gereformeerde Kerken in Nederland.

De functie van de voorlezer verdween in oktober 1943 trouwens van het toneel. De hele dienst zou in het vervolg door de predikant worden verricht, dus ook de Bijbellezingen enz., die anders door de voorlezer gedaan werden.

De eerste ‘tweede predikant’: ds. F.E. Hoekstra (van 1944 tot 1949).

Ds. F.E. Hoekstra (1908-1983).

Er was al eerder over gesproken, maar  in 1943 stelde de kerkenraad uiteindelijk de tweede predikantsplaats in. De gemeente groeide snel en het werk werd voor één predikant te zwaar. Maar als de kerkelijke bijdragen met fl. 6.000 zouden worden opgeschroefd was het mogelijk een ‘tweede predikant’ te beroepen. De gemeente stemde ermee in. De tweede predikant – naast ds. P.D. Kuiper – werd ds. F.E. Hoekstra (1908-1983) van Velsen. Op 19 maart 1944 deed hij intrede in de kerk van Sassenheim. Daarom ging de kerkenraad over  tot de aankoop van een tweede pastorie. Het werd de villa ‘Even Buiten’ aan de Hoofdstraat 89.

Ds. H. van den Berg (van 1949 tot 1976).

Ds. H. van den Berg (1911-1981).

Na het vertrek van ds. Hoekstra naar de kerk van ’s-Gravenhage-Oost, op 15 juli 1949, deed de nieuwe predikant, ds. H. van den Berg (1911-1981) van Soest, op 27 november van hetzelfde jaar intrede in de kerk van Sassenheim. In 1949 had de kerkenraad trouwens voor fl. 48.000 het naast de kerk staande koetshuis met koetsierswoning gekocht; dit pand  werd voor fl. 25.000 omgebouwd tot Jeugdhuis en kosterswoning. Het Jeugdhuis werd op 14 januari 1950 in gebruik genomen.

Het Jeugdhuis (achter) met de kosterswoning, naast de kerk.

Een nieuw orgel (1958).

Na de verbouwing van de kerk in 1928 bleek dat het Standaartorgel, dat in 1921 aangeschaft was, minder goed te horen was onder de aangelegde galerijen en bovendien waren er geregeld storingen aan het instrument; het geluid van het orgel was voor de kerk te licht. In 1955 kon het zo niet langer, want de storingen waren bijna regelmaat geworden. Op advies van de Gereformeerde Organistenvereniging werd een elektrisch-pneumatisch orgel aangeschaft dat geplaatst werd door de orgelbouwer Leeflang uit Apeldoorn. Het instrument was aanzienlijk groter dan het vorige orgel (het aantal pijpen was van 1400 naar 2600 gegaan).

Het liturgisch centrum met het nieuwe Leeflang-orgel uit 1958.

Omdat de wisseling van orgels enige tijd vergde werd de christelijke harmonievereniging ‘Crescendo’ gevraagd de kerkdiensten zolang te begeleiden. Het orgel werd op 11 juli 1958 in gebruik genomen. Met de plaatsing van het nieuwe instrument waren de problemen opgelost. Het orgel kon nu ook mooi de psalmen uit de nieuwe berijming begeleiden, want de kerkenraad besloot eind 1961 die in gebruik te nemen. Het was echter ’slechts’ een ‘proeve van een nieuw berijming’, want de synode had afgesproken dat de ervaringen in de gemeenten zouden worden gebruikt voor de samenstelling van de definitieve bundel.

De proefbundel ‘150 psalmen’.

Het begin van Samen-op-Weg (1961).

Op 24 april 1961 publiceerde een achttiental hervormde en gereformeerde predikanten een verklaring waarin men er met klem op aandrong om als Gereformeerde Kerken en Hervormde Kerk zo snel mogelijk samen te gaan. De groep predikanten noemde zichzelf ‘De Achttien’, en zo zijn ze dan ook bekend geworden en gebleven. Na hun eerste boekje ‘Van Kerken tot Kerk’ (1962) verschenen nog twee, waarin de oproep nader werd uitgewerkt.

De drie boekjes van ´De Achttien’ (foto:   GereformeerdeKerken.info).

De predikanten stelden de kerkenraad toen voor deel te nemen aan een bespreking met de hervormde kerkenraden te Sassenheim, Voorhout, De Kaag en Warmond. Ds. Kuiper wees erop dat ‘we ons niet uitsluitend moeten laten leiden door de vraag: Wat winnen we er mee? Het is immers mogelijk dat niet direct tastbare resultaten worden bereikt, en ook mag niet met grote stappen naar een hereniging worden gedraafd’. Maar het deelnemen aan zo’n bespreking liet duidelijk zien dat ook in de Gereformeerde Kerk bezorgdheid bestond over ‘de gescheurdheid van de kerk’.

Onrust in Voorhout.

De Voorhoutse gereformeerden vonden het lastig om op zondag naar de kerk in Sassenheim te komen. Het openbaar vervoer was destijds nauwelijks geschikt om zonder teveel overstappen van Voorhout naar Sassenheim te reizen. Vandaar dat men in mei 1963 aan de kerkenraad voorstelde om in Voorhout zo nu en dan gereformeerde diensten te houden. Want tegen het organiseren van gezamenlijke diensten met de hervormden bestonden nog bezwaren. Na veel overleg werd besloten dat op elke tweede, vierde (en soms vijfde) zondag van de maand een gereformeerde avonddienst gehouden zou worden in de hervormde kerk.

Ds. Kuiper met emeritaat.

Ds. P.D. Kuiper ging op 1 januari 1966 met emeritaat en overleed nog geen jaar later, op 14 november. “35 jaar dominee in één gemeente, die midden in de stroom van het leven staat, en vele contacten met andere landen heeft, de prediking van ds. Kuiper bleef boeien. Niet door opvallende moderniteit, wel door eenvoud en directheid; hij kende de mensen, meer, hij kende zijn God.”

Ds. Kuiper rond zijn emeritaat.

“Sinds voorvaderen van zowel ds. Kuiper als van mevrouw Kuiper-Kok, resp in 1851 [ds. J.J. Kuiper (1824-1906) te Coevorden] en 1840 [ds. F.A. Kok (1803-1860) te Dwingeloo], predikant werden, waren er uit hun geslacht altijd opvolgers. Lang waren het vier broers Kuiper tegelijk, en de lijn zet zich [in 1966] nog voort  . In die lijn wist ds. Kuiper zich echt geroepen. Wat wordt zijn heengaan betreurd in heel de kring van onze Theologische Hogeschool, wat wordt hij gemist in de generale synode, in het werk van de nieuwe Psalmberijming. Een man van de kerk, van de kerk van Christus, daardoor ook een man die in breder kring zijn taak zag”.

Met reuzensprongen nog enkele punten.

Honderd jaar Gereformeerde Kerk te Sassenheim zijn nu in grote lijnen aan ons voorbij getrokken. Maar daar hield het in 1966 natuurlijk niet op. Meerdere predikanten volgden hun voorgangers in de loop van de tijd op.   Vandaar nog slechts in zevenmijlslaarzen enkele korte punten:

– In 1965 werd de derde predikantsplaats ingesteld. Deze werd met ingang van 26 september dat jaar vervuld door ds. J.D. te Winkel (1932-2018) van Vorden.

– In 1973 werd besloten het nieuwe Liedboek voor de Kerken te gaan gebruiken, voortgekomen uit verscheidene proefbundels.

– Tussen de kerk en het Jeugdhuis werd in 1979 de Tussenzaal gebouwd, onder architectuur van A.P.A. van der Neut. De aannemer was de fa. J. Dijkstra en Zn.

De in 1979 gebouwde Tussenzaal (foto: ‘Julianakerk 100 jaar’).

– In 1992 vond een ingrijpende vernieuwing van het interieur van de kerk plaats. De in 1912 in de Julianakerk geplaatste ‘hoge banken’ aan weerszijden van de preekstoel werden verwijderd en het liturgisch centrum werd geheel aangepast en vergroot. Bovendien werd de kerk van binnen geverfd. Tijdens deze onderhoudsbeurt werden de kerkdiensten gehouden in de Sint Pancratiuskerk.

– Op 1 oktober 2007 ontstond de Protestantse Gemeente Sassenheim, als samensmelting van de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente te Sassenheim. Op zondagmorgen is er (bijna) altijd om 10.00 uur een kerkdienst in de Julianakerk. Een enkele keer is de dienst op zondagmorgen in de voormalig hervormde Dorpskerk.

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Sassenheim.

De ledentallen van De Gereformeerde Kerk te Sassenheim tussen 1896 en 2006 (bron: Jaarboeken GKN en PKN).

Bronnen onder meer:

J.L.B. Fransen, Gereformeerde Kerk Sassenheim van 1863 tot 1963. Sassenheim, 1996

Jaarboeken ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

C. Smits, De Afscheiding van 1834. Zevende deel, Classes Rotterdam en Leiden. Dordrecht, 1986

T. Wilbrink, G. Overvliet en T. Moll, Julianakerk 100 jaar. Sassenheim, 2012

© 2019. GereformeerdeKerken.info