Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Barendrecht (2)

2. De Gereformeerde Gemeente (onder ’t Kruis) te Barendrecht (maart 1868).

( < Naar deel 1 )  – De groep van Krijn Dorsman kwam dus bijeen in zijn vlasschuur aan de Dorpsstraat, op ongeveer twintig meter afstand van het kerkje van de Christelijke Afgescheidene Gemeente van ds. Koopmann. Ds. Koopmann zelf woonde tussen beide kerkgebouwtjes in!

De boogramen van de vlasschuur van Krijn Dorsman zijn nog goed te zien (foto: ‘100 jaar Gereformeerde Kerk van Barendrecht’).

Op 17 maart 1868 werd de groep van Krijn Dorsman, die al tien jaar bijeenkwam in zijn vlasschuur, officieel geïnstitueerd als een zelfstandige gemeente, behorende tot de Gereformeerde Kerk (onder ’t Kruis). Dit kerkgenootschap was in en na 1838 ontstaan als afsplitsing van de Christelijke Afgescheidene Kerk vanwege een aantal meningsverschillen over de leer en over de kerkregering. In de inleiding van hun notulenboek (dat aanvangt op 17 maart 1868) wordt het ontstaan van de gemeente als volgt onder woorden gebracht:

“Het ontstaan van deze gemeente heeft plaats gevonden doordat er bij de Afgescheiden Gemeente te Barendrecht, waar wij leden van waren, de zuivere leer en de dienst onzer Dordtse Vaderen werd gemist, en wij al tijden lang hebben uitgezien om vereniging met de Gereformeerde Gemeenten en de ware Kerk. [Toen op 4 december 1866] door ’s Heeren goedheid er een gemeente te Katendrecht werd gesticht, die een leeraar mochten ontvangen [zijnde ds. D.J. van Brummen (1825-1902)] aan wie wij onze belangen konden openbaren en die onze behoefte (…) aan de Synodale Commissie heeft voorgesteld en die commissie onze belangen heeft erkend, door toestemming te verlenen tot het stichten van een gemeente onder ons”.

Ds. D.J. van Brummen (1825-1902) droeg het ambtsgewaad nog, zoals veel ‘Kruispredikanten’. Hij institueerde de Kruisgemeente van Barendrecht in 1868.

“En alzoo zijn wij tot een gemeente geïnstitueerd den 17. Maart 1868 [met een preek over] Matth. 16 vers 18 [“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen”] door consulent D. van Brummen, leeraar te Katendrecht.“

De stichting van de Kruisgemeente te Barendrecht werd op 10 juni 1868 door de classis Noord- en Zuid-Holland officieel gemeld op de Synodale Vergadering der Gereformeerde Kerk in Nederland’, die de kerknaam soms sierde met de toevoeging ‘onder ’t Kruis’. De Kruisgemeente van Barendrecht werd ingedeeld bij de classis Rotterdam.

Zo bestonden in 1868 in Barendrecht dus twee uit de Afscheiding van 1834 afkomstige geïnstitueerde gemeenten: de Christelijke Afgescheidene Gemeente met als predikant ds. Koopmann, en de Gereformeerde Gemeente (onder ’t Kruis).

Twee Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Barendrecht (1869).

Maar intussen waren de beide landelijke Afgescheiden kerkgenootschappen, de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk in Nederland (onder ’t Kruis) nader tot elkaar gekomen. Al in de jaren ’50 waren er incidentele contacten tussen beide synodes geweest waarbij gesproken werd over eenwording, maar pas later in de jaren ’60 kwam men nader tot elkaar. In juni 1869 werd de landelijke eenwording bereikt (enkele Kruisgemeenten deden niet mee). Als nieuwe kerknaam werd gekozen: Christelijke Gereformeerde Kerk. Ook de Kruisgemeente van Barendrecht trad toe tot de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Toch bleven beide gemeenten in Barendrecht zelfstandig. Dat bleek ook tijdens de (nu dus ook verenigde) classis van 21 oktober 1969. Niet alleen ds. Koopmann was daar met een ouderling aanwezig, ook ouderling P. van Essen en diaken C. Vijfvinkel van de vroegere Kruisgemeente waren er. Van Essen en Vijfvinkel lieten er geen misverstand over bestaan dat zij wel wilden behoren tot de nu verenigde Christelijke Gereformeerde Kerk, maar met ds. Koopmann niet in zee wilden, omdat deze volgens hen ongereformeerd preekte.

Ds. Koopmann verklaarde aanvankelijk dat hij het veld wel wilde ruimen als dat de eenwording tussen beide gemeenten kon bevorderen, maar later trok hij die toezegging in, zodat beide gemeenten zelfstandig naast elkaar bleven voortbestaan. De gemeente van ds. Koopmann werd rond die tijd in het vervolg ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente van Oost-Barendrecht’ genoemd; de voormalige Kruisgemeente ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente van West-Barendrecht’.

Het nieuwe kerkgebouw van West-Barendrecht (1873).

De kerk aan de Voordijk, die in 1873 in gebruik genomen werd.

De classis en de provinciale synode hadden de situatie in Barendrecht eens bekeken en besloten resp. in 1871 en 1872, dat beide kerkgebouwen aan de Dorpsstraat te dicht bij elkaar stonden en dat de vroegere Kruisgemeente haar kerkgebouw moest verlaten en elders een kerk moest bouwen. De generale synode van 1872 was het daarmee eens.

De uitspraak van de eerste synode van de verenigde Christelijke Gereformeerde Kerk in 1872.

Classis en de provinciale vergadering steunden daarom de kerkbouw financieel, die op 21 februari 1873 werd aanbesteed voor ruim fl. 3.000. De nieuwe kerk werd gebouwd aan de Voordijk, op de plaats waar de tegenwoordige Christelijke Gereformeerde Kerk staat. Men had echter een tekort. Een van de gemeenteleden, P. van Essen, zegde toe het bedrag van fl. 1.111 voor te schieten, zodat de bouw kon beginnen. Totdat die kerk gereed was, werden de diensten gehouden in een schuur aan de Singel.

Ds. Koopmann vertrekt (1876).

Ds. Winandus Koopmann nam op 3 oktober 1876 afscheid van de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Oost-Barendrecht. Hij vertrok naar Duitsland, preekte op 26 april 1879 nog wel een keer in zijn vroegere gemeente, maar werd in 1880 predikant bij Altreformierte Kirche in Emden, die hij acht jaar diende. In 1898 overleed hij daar.

De predikanten van ‘West-Barendrecht’.

Ds. W. Raman (1829-1919) preekte zo nu en dan in de kerk aan de Voordijk.

De kerkenraad van christelijk gereformeerd West-Barendrecht aan de Voordijk (de vroegere Kruisgemeente) had in 1875 ondertussen een pastorie aangekocht voor de prijs van fl. 1.800, want men was begonnen met het beroepingswerk. Dat leverde niet direct succes op. In die vacante periode traden onder meer de volgende predikanten in de vroegere Kruisgemeente van West-Barendrecht op: natuurlijk de consulent, ds. D.J. van Brummen, ds. W. Raman (1829-1919) van Puttershoek, ds. W. Eichhorn (1828-1872) van Katendrecht en ds. D. Klinkert (1818-1898) van Rotterdam.

Ook ds. D. Klinkert (1818-1898) preekte af en toe in de kerk aan de Voordijk

Ds. A. Verheij (1875 tot 1877).

Maar na verscheidene vergeefse beroepen nam ds. A. Verheij (1821-1913) van Katwijk aan Zee het beroep van de Christelijke Gereformeerde Gemeente van West-Barendrecht aan. Hij deed op 5 september 1878 intrede. Omdat deze gemeente nu een predikant had, en die van Oost-Barendrecht, door het vertrek van ds. Koopmann, niet, wilden verscheidene leden uit laatstgenoemde gemeente graag overgeschreven worden naar die van ds. Verheij. Maar de (verenigde) classis had bepaald dat dit alleen mocht gebeuren als beide gemeenten er mee instemden. De verzoeken werden niet afgehandeld, omdat in 1877 de twee gemeenten door de classis geadviseerd werd voortgang te maken met de vereniging.

Daartoe verschenen afgevaardigden van beide gemeenten op de classis van augustus 1877. Tot een oplossing om beide gemeenten samen te smelten kwam het echter vooralsnog niet. Het bleek dat de door ds. Koopmann opgerichte éénklassige Christelijke School – met meester J. Fransen als onderwijzer – de oorzaak van de geschillen was. De gemeente van West-Barendrecht vreesde te moeten  gaan meebetalen aan het godsdienstonderwijs van meester Fransen, terwijl in ‘West’ tot dan toe door de predikant gratis godsdienstonderwijs gegeven werd.

Ds. A. Verheij (1821-1913).

Ds.  Verheij was overigens slechts kort aan de gemeente van West-Barendrecht verbonden, want hij had een beroep naar de kerk van Woerden aangenomen en nam daarom op 12 augustus 1877 afscheid van zijn gemeente in Barendrecht.

Ds. M. Bruininks (van 1880 tot 1883).

Ds. Van Brummen werd weer consulent, de pastorie werd verkocht en de kerkenraad zorgde voor het aanvullen van de financiële middelen om opnieuw een predikant te kunnen beroepen. Een van de mogelijkheden om geld bij elkaar te krijgen was het invoeren van verhuurde zitplaatsen in de kerk aan de Voordijk. Er werd geld geleend om een pastorie bij de kerk te bouwen ten bedrage van fl. 3.718 en daarna werd het beroepingswerk weer aangepakt.

Kandidaat  P. van Schaik (1841-1916) nam het beroep aan, maar zakte voor zijn examen.

Twee maal werd een ‘tweetal’ samengesteld waaruit de gemeente de te beroepen predikant zou kiezen. De eerste beroepen predikant bedankte; de tweede was een kandidaat, P. van Schaik (1841-1916), die het beroep weliswaar in 1879 aannam, maar voor zijn examen zakte, zodat het feest niet doorging. In 1880 nam hij het beroep van Wapenveld aan. Tenslotte nam ds. M. Bruininks (1827-1906) van Westbroek het beroep aan op een jaartraktement van fl. 800 en deed hij op 8 februari 1880 intrede.

Ds. M. Bruininks (1827-1906).

Het gevolg daarvan was dat veel leden van de hervormde gemeente te Barendrecht zich toen aansloten bij de Christelijke Gereformeerde Gemeente van ds. Bruininks.

3. Eén Christelijke Gereformeerde Gemeente te Barendrecht (1890).

We lopen even op de geschiedenis vooruit: Toen ds. Bruininks in augustus 1883 naar de kerk van Westmaas vertrok was ook de gemeente van Oost-Barendrecht vacant. Dat gaf de stoot tot nader overleg om tot eenheid te komen. Uiteindelijk kwam men er in 1890 toe om samen te gaan als één Christelijke Gereformeerde Gemeente te Barendrecht. De kerkdiensten van de verenigde gemeente worden gehouden in de kerk aan de Voordijk; ‘het kerkje van ds. Koopmann’ aan de Dorpsstraat werd verlaten.

4. De ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Barendrecht (1887).

Al ver voor de jaren ’80 van de negentiende eeuw ontstond in de hervormde kerk onrust over de toenemende vrijzinnigheid in de prediking. Naar veler oordeel werd ook de kerkelijke tucht niet meer gehandhaafd. Als oorzaak van de vrijzinnigheid werd onder meer aangewezen de proponentsformule, de verklaring die predikanten moesten ondertekenen voordat  ze in het ambt als predikant bevestigd konden worden. Deze proponentsformule bood a.s. predikanten de ruimte om een eigen interpretatie te geven ‘aan de bijbel en de daarop berustende belijdenisgeschriften’. Ook de kerkregering was de rechtzinnige hervormden een doorn in het oog. Sinds 1816 had de overheid  de Dordtse Kerkorde voor de hervormde kerk afgeschaft en daarvoor in de plaats gesteld het nieuwe ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk’, waarvan de koning het hoofd was. Ook dat reglement zette volgens velen de poort voor de vrijzinnigheid open.

Een vergadering in Amsterdam.

‘De Heraut’, april 1883.

Over de proponentsformule werd in april 1883 in Amsterdam vergaderd door afgevaardigden van hervormde kerkenraden uit het hele land, die gehoorzaamheid aan de belijdenisgeschriften wilden. Deze Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden werd ook bezocht door twee afgevaardigden van de hervormde kerkenraad van Barendrecht, namelijk door de ouderlingen J. van der Sijs jr. en A. Vrijhof. Dat was opmerkelijk, want betrekkelijk kort daarvoor was de kerkenraad nog geheel vrijzinnig en in die tijd zou men natuurlijk geen afgevaardigden naar die ‘rechtzinnige conferentie’ gestuurd hebben.

Bij binnenkomst diende men namelijk de presentielijst te tekenen met als opschrift: “Ondergeteekenden, hunne namen op deze presentielijst plaatsende, betuigen daardoor tevens hunne hartelijke instemming met de Drie Formulieren van Eenigheid als accoord van kerkelijke gemeenschap, niet VOOR ZOOVERRE, maar OMDAT zij met den Woorde Gods overeenkomstig zijn”. Die omschrijving was precies de ruimte die de door de synode opgestelde proponentsformule aan aanstaande predikanten bood.

De kerkenraad veranderd.

Maar wat was in Barendrecht het geval? Juist voordat de conferentie gehouden werd was de Barendrechtse hervormde kerkenraad ‘omgedraaid’. De kerkenraad van Barendrecht was namelijk in 1881 nog geheel vrijzinnig, dit in schril contrast met de rest van de hervormde gemeente, die voor het grootste gedeelte orthodox was. Dat de kerkenraad desondanks vrijzinnig was kwam doordat de kerkenraad zélf de kerkenraadsleden koos. Maar het bovengenoemde ‘Algemeen Reglement’ was officieel al per 1 maart 1867 aangepast, waardoor er sindsdien twee mogelijkheden waren om de kerkenraad te kiezen: door de kerkenraad zelf óf door een kiescollege dat gekozen werd door stemgerechtigde manslidmaten.

Het boekje van dr. A. Kuyper.

Dr. A. Kuyper (1837-1920) had in zijn eerste geschrift in de ‘strijd voor kerkherstel’ daarover duidelijke taal gesproken: het kiescollege zou de kerkenraad moeten kiezen. Dat boekje droeg als titel: ‘Wat moeten wij doen, het stemrecht aan onszelven houden of de kerkeraad machtigen?’ (Culemborg, 1867).

De Barendrechtse manslidmaten beslisten in 1881 met meerderheid van stemmen (84 tegen 59) dat de kerkenraad in het vervolg niet meer door de kerkenraad zélf gekozen zou worden, maar door een kiescollege, op haar beurt gekozen door de (meestal rechtzinnige) stemgerechtigde manslidmaten. Zo kwam er met ingang van 1883 een bijna geheel rechtzinnige kerkenraad (slechts één diaken was op de hand van de vrijzinnige predikant ds. M.J. Adriani – laatstgenoemde vertrok daarom nog hetzelfde jaar, september 1883, naar de hervormde gemeente te Edam). Zó kwam het dat de kerkenraad twee van zijn leden afvaardigde naar de  ‘Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden’ in Amsterdam!

Een deel van de presentielijst van de  ‘Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden’.

De eerste predikant: ds. F. Fortuin (van 1884 tot 1887).

Daar was ook aanwezig ds. F. Fortuin (1853-1928) uit het Friese Heeg. Zijn aanwezigheid gaf al aan dat hij rechtzinnige predikanten op de preekstoel wilde hebben. Mogelijk hebben de ouderlingen Van der Sijs en Vrijhof en ds. Fortuin daar met elkaar kennis gemaakt. De groep aanwezigen was namelijk betrekkelijk klein.

Ds. F. Fortuin (1853-1928).

Begin 1884 ontving hij in elk geval een beroep van de hervormde gemeente te Barendrecht. De kerkenraad verwachtte overigens niet dat Fortuin het beroep zou aannemen. Maar volgens de predikant zelf was er toch een dringende reden die hem deed besluiten zijn Heeger gemeente te verruilen voor die van Barendrecht. Die reden was ‘dat voor meer dan honderd jaar de rechtzinnige prediking [in Barendrecht] niet meer gehoord was en de laatste jaren het brutaalste modernisme er de toon had aangegeven’. De Doleantie in Heeg werd later, in 1887, geleid door dr. L.H. Wagenaar (1855-1910).

Hoe dan ook, ds. Fortuin nam het beroep dus aan en op 24 augustus 1884 werd hij bevestigd als predikant van de hervormde gemeente te Barendrecht. De predikant had zondag aan zondag een volle kerk en al twee maanden na zijn komst moest men de kerk uitbreiden.

De hervormde Dorpskerk te Barendrecht.

Op 20 maart 1885 besloot de kerkenraad dat elk kerkenraadslid in het vervolg verplicht was de ‘Drie Formulieren van Eenigheid’ te ondertekenen en dat ook geen predikant meer beroepen zou worden van wie men vooraf niet zeker wist dat ook hij bereid was de Formulieren te ondertekenen.

Het Gereformeerd Kerkelijk Congres (1887).

De aankondiging van het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ te Amsterdam (De Heraut, 2 januari 1887).

Ds. Fortuin is ongetwijfeld ook aanwezig geweest op het van 11 tot en met 14 januari 1887 Amsterdam gehouden Gereformeerd Kerkelijk Congres, georganiseerd door zijn grote voorbeeld dr. Abraham Kuyper. Daar werd gesproken over wat de hervormde gemeenten in ons land te doen stond ‘om de synodale hiërarchie af te werpen en de reformatie der kerk ter hand te nemen’ (als men het Congres wilde bijwonen diende men bij binnenkomst een verklaring te ondertekenen ‘het plichtmatig te achten de reformatie der kerk ter hand te nemen’).

Barendrecht in Doleantie (1887).

Nog geen twee weken later, tijdens de kerkenraadsvergadering van 29 januari 1887, besloot de kerkenraad (naar aanleiding van een verzoekschrift van maar liefst 411  ‘lidmaten en doopleden’) ‘te breken met de synodale hiërarchie, zoals die op onwettige wijze in 1816 was ingevoerd’.  Vanaf dat ogenblik werd daardoor – in de door het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ aangereikte terminologie – ‘alle kracht en geldigheid ontzegd aan het Algemeen Reglement van 7 januari 1816, en van nu aan weer kracht en geldigheid verleend aan de Dordtsche Kerkenorde’. Ook werd de oude naam van ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ (vooralsnog met de toevoeging ‘doleerende’) weer aangenomen.

Een oude uitgave van de Dordtse Kerkorde.

Uiteraard werd van ‘de afwerping van het synodale juk’ kennis gegeven aan de bevoegde autoriteiten, zo ook aan het Barendrechtse hervormde ‘College van Kerkvoogden en Notabelen’. Zij stemde van harte in met het besluit van haar kerkenraad en bleef het beheer voeren over de kerkelijke goederen, zoals het kerkgebouw, dat zij ten dienste stelde van de ‘wettige kerkeraad’, waarmee ze uiteraard de Dolerende kerkenraad bedoelde. De kerkenraad en het College van Kerkvoogden en Notabelen werden kort daarop door de hervormde kerkelijke besturen afgezet en hun het lidmaatschap van de hervormde kerk ontzegd.

Ondertussen had de Dolerende kerkenraad inschrijflijsten laten drukken, waarmee op 7 en 8 maart koster Jan Ophof en L. Booy, langs alle gemeenteleden gingen met het verzoek of ze wilden tekenen. De verklaring luidde als volgt: “Ondergeteekende, stemgerechtigd lidmaat van de Ned. Herv. Gemeente (Gereformeerde Kerk) verklaart met zijn handtekening zijn hartelijke instemming met het besluit van de kerkeraad dd. 29 januari jl., waarbij hij de synodale organisatie van 1816 heeft afgesneden, en kracht en geldigheid voor heel de Ned. Herv. Gemeente te Oost- en West-Barendrecht verleent aan de Dordtse Kerkenorde van 1618/1619”. De verklaring werd door 143 van de in totaal 219 stemgerechtigde lidmaten getekend.

Scherpe verhoudingen…

Het hervormde kerkgebouw bleef vooralsnog in gebruik bij de Dolerenden. “Vier maanden lang kwam er elke zondag een [hervormde] ringpredikant, vergezeld van een paar rijksveldwachters en de burgemeester ons kerkgebouw binnen, om, zoals dat heette, te trachten zijn vacaturebeurt te vervullen. Wijselijk bleven de rustverstoorders in het portaal om zich te overtuigen dat de kansel bezet was en daarvan proces-verbaal te laten opmaken. Ze kónden trouwens ook niet verder komen, wijl het volk vooral bij de ingang van de kerk zó dicht opeen gehoopt stond, dat er van doorkomen geen sprake kon zijn”.

De verhoudingen tussen hervormden en Dolerenden waren scherp in Barendrecht. Zo was ds. Fortuin na de Doleantie nogal eens met stenen bekogeld. “Een vijand kocht zelfs zijn koetsier om, om hem ‘van den hoogen dijk af in de rivier te rijden’. De koetsier kwam echter tot bezinning. Toen de dienstbode van Fortuin het verhaal ‘trillend en bevend’ aan mevrouw Fortuin vertelde, schrok zij zó hevig, ‘dat ze in één nacht grijs werd’.

Wat ‘De Heraut‘ over de Barendrechtse Doleantie schreef.

Het kerkelijk weekblad van dr. A. Kuyper heette De Heraut. Direct na de Doleantie in Barendrecht  schreef de kerkenraad (vermoedelijk door ds. Fortuin) een verslag van de gebeurtenissen aan de redactie van De Heraut. Die publiceerde dat verhaal in het nummer van 13 februari 1887:

De Heraut, 13 februari 1887.

De christelijke school.

Ds. Fortuin stelde op de Dolerende kerkenraad van 8 juni 1887 voor een christelijke school op te richten. Alle kerkenraadsleden waren ‘doordrongen van de noodzakelijkheid ener vrije christelijke school voor de gereformeerde jeugd in deze plaats’, en besloten alles te doen om dat doel te realiseren. Er werd dus een Vereeniging voor Schoolonderwijs op Gereformeerde Grondslag opgericht en binnen een jaar werd de school geopend, genoemd naar de staatsman en verdediger van de Afgescheidenen Groen van Prinsterer (1801-1876). Meester Van den Bosch en onderwijzeres E. Breevaart (geholpen door de kinderjuffrouw van ds. Fortuin) namen het onderwijs ter hand.

De Groen van Prinstererschool te Barendrecht.

De zondagsschool, die tot dan toe in de (hervormde) kerk gehouden was, werd verplaatst naar de school. Ook in de openbare school te Smitshoek werd zondagsschool gehouden.

Een eigen kerkgebouw (1890).

Op advies van het Gereformeerd Kerkelijk Congres (januari 1887 in Amsterdam) had de kerkenraad direct na de plaatselijke Doleantie  de zgn. Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ opgericht, die als een soort van Commissie van Beheer werkte. Het probleem was namelijk dat volgens de toenmalige wetgeving de Dolerende Kerk zélf geen officiële erkenning kon krijgen en dus ook geen rechtspersoonlijkheid. Maar voor bijvoorbeeld de bouw van een kerk was dat wél nodig. Vandaar dat op het Congres aanbevolen was een Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ op te richten, die wèl rechtspersoonlijkheid kon verkrijgen. Deze kon dan namens en onder verantwoording aan de kerkenraad handelen.

De Dolerende ‘Nieuwe Kerk’ met pastorie aan de Singel te Barendrecht.

De Dolerenden hadden ondertussen goed om zich heen gekeken en hadden op grond van gerechtelijke uitspraken wel begrepen dat het gebruik van de hervormde Dorpskerk over niet al te lange tijd weer in handen van de hervormden zou komen. Vandaar dat men er alvast op rekende een noodkerk te moeten bouwen, voor het geval men eerder dan verwacht het gebruik van de hervormde kerk zou moeten beëindigen. Voor fl. 110 werd een stuk grond gekocht en ook werd veel hout voor de bouw van de noodkerk  aangeschaft. De noodgreep bleek echter niet nodig.

Ondertussen had de kerkenraad besloten een nieuw kerkgebouw met pastorie te stichten aan de Singel. De afstand tot de hervormde Dorpskerk was echter zo gering (vijftig meter!) dat de hervormde kerkenraad tegen de bouw bezwaar maakte. Een commissie kwam op 29 september 1889 kijken (en vooral luisteren) en constateerde dat men – ‘hoewel de ramen openstonden’ – het gezang in de hervormde kerk niet kon horen. De bouw kon dus gewoon doorgaan.

De ‘Nieuwe Kerk’ met de pastorie aan de Singel.

Meester-timmerman Adriaan van Ekelenburg kreeg de opdracht om het timmerwerk voor fl. 10.590 te verzorgen, terwijl meester-metselaar B. van der Lecq het metselwerk mocht verrichten voor fl. 8.183. Totaalkosten dus bijna fl. 19.000. A. Vrijhof mocht de eerste steen leggen. Als beloning kregen de arbeiders – toen de kerk ‘onder dak’ was – een beloning van fl. 10, maar daarvoor mochten ze absoluut geen drank kopen!

Er kwamen veel cadeaus binnen: een zilveren doopbekken, een zilveren avondmaalsstel, linnengoed voor de avondmaalstafel, servetten, de hele kerkverlichting met petroleumlampen en kronen, de gordijnen, tweehonderddertig stoelen, de kanselbijbel, een bijbel voor de voorlezer, twee grote wetsborden voor aan de muur (met daarop de Tien Geboden), en nog veel meer; het werd allemaal geschonken. Over liefde voor de kerk gesproken…!

Op 27 april 1890 werd in de zogenoemde Nieuwe Kerk de eerste dienst gehouden. De hervormde kerk was weer ter beschikking gesteld van de hervormde kerkenraad. Tijdens de laatste dienst die daar de week daarvoor, op 20 april 1890, door de Dolerenden gehouden werd, preekte ds. Fortuin over Openbaring 2 vers 10 (“Zijt getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens”). Toen hij de kanselbijbel dichtsloeg zei hij nog: ‘Hier zal van nu aan het Woord Gods niet meer worden bediend’.

Natuurlijk moesten ook het kerkelijk archief en de diakonalia aan de inmiddels bevestigde hervormde kerkenraad worden teruggegeven. Ook moest fl. 2.400 schadevergoeding worden betaald. Maar men had nu tenminste een eigen kerk! Ds. Fortuin preekte in de eerste dienst over psalm 115 vers 1 (“Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen Naam geef eer”).

Ds. G. Vlug (van 1891 tot 1896) volgt ds. Fortuin op.

Ds. G. Vlug (1843-1912).

Niet lang daarna nam ds. Fortuin afscheid van de gemeente van Barendrecht. Nadat hij al enkele beroepen van andere kerken had ontvangen en afgeslagen, kreeg hij dat van de kerk van Hilversum, en nam het aan, al drong de kerkenraad er bij hem op aan dat hij in het belang van de gemeente voorlopig nog zou blijven. Op 25 mei 1891 nam hij afscheid van Barendrecht, met een preek naar aanleiding van 1 Petrus 5 de verzen 10 en 11 (“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.”).

Begin september 1891 werd hij opgevolgd door ds. G. Vlug (1843-1912) van Leiderdorp, waar de predikant de Doleantie geleid had. Ds. Vlug deed op 6 september 1891 intrede in Barendrecht. Het beroepingswerk had behoorlijk wat voeten in de aarde gehad: de kerkenraad had zelfs aan vijftig predikanten per circulaire het verzoek gedaan eens in Barendrecht te komen preken en de sacramenten bedienen, zodat men kon beslissen of op hem een  beroep zou worden uitgebracht. Daarop kwam slechts één positieve reactie binnen. Uiteindelijk viel het oog op ds. G. Vlug van Leiderdorp. Deze nam het beroep aan en werd op 6 september 1891 door de consulent, ds. F.H.J. Smith (1842-1924) van IJsselmonde, bevestigd, waarna hij intrede deed.

De consulent van Barendrecht, ds. F.H.J. Smith (1842-1922) van IJsselmonde, bevestigde ds. Vlug in het ambt.

De Vereniging van 1892/1895.

Tijdens de ambtsperiode van ds. Vlug vond op 17 juni 1892 de landelijke vereniging plaats tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Dat wilde niet zeggen dat de ineensmelting van beide kerken overal in ons land een fluitje van een cent was. Op nogal wat plaatsen waren er verschillen van mening over leerstelligheden en/of over materiële zaken. Maar daarmee had de synode gerekend; daarom was al besloten dat desondanks beide kerken vanaf 17 juni 1892 ‘Gereformeerde Kerk’ heetten, maar (totdat de plaatselijke eenheid bereikt was) met toevoeging van een ‘A’ achter de kerknaam van de oudste van de twee kerken (meestal die uit de Afscheiding), en een ‘B’ achter de naam van de jongste (meestal die uit de Doleantie). Zo ging dat dus ook in Barendrecht. De gemeente aan de Dorpsstraat werd ‘Gereformeerde Kerk te Barendrecht A’ genoemd en die aan de Singel ‘Gereformeerde Kerk te Barendrecht B‘. Elke kerk had nog steeds haar eigen kerkenraad.

Verscheidene keren werden daarna gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen gehouden. Er werden allerlei geschilpunten besproken. Kerk A wilde bijvoorbeeld dat de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ van Kerk B opgeheven werd; ze wilde niet geregeerd worden door die Dolerende commissie. Kerkenraad A vreesde ook dat de dominee van kerk B (ds. Vlug) niet voor iedereen goed te verstaan zou zijn in de grote Nieuwe Kerk. En daarom wilde kerk A graag twee predikanten hebben (uiteraard iemand van de eigen A-‘kleur’), zodat ze samen de grote gemeente zouden kunnen ‘bewerken’. Na allerlei vergaderingen en briefwisselingen kwam men uiteindelijk tot de slotsom wel te kunnen verenigen, natuurlijk na raadpleging van de eigen gemeenteleden.

De kerk aan de Singel werd de gereformeerde kerk te Barendrecht.

5. De Gereformeerde Kerk te Barendrecht (1895).

Dat gedenkwaardige feit vond plaats op 1 augustus 1895, toen de classis de door beide kerkenraden inmiddels getekende Acte van Ineensmelting had goedgekeurd en besloot dat de eenwording per direct zou ingaan.

Voorlopig bleven beide kerkgebouwen, die aan de Singel en aan de Voordijk, in gebruik. Maar ondertussen maakte de verenigde kerkenraad een plan om in de Singelkerk een galerij aan te leggen, zodat voor de hele gemeente plaats genoeg zou zijn. Bovendien kon de Voordijkkerk dan verkocht worden. Dat laatste lukte in 1898. Twee jaar eerder was de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ al opgeheven, tot opluchting van Kerk A.

Ds. Vlug nam op 27 september 1896 afscheid van de Gereformeerde Kerk te Barendrecht en vertrok naar de kerk van Nijkerk (voor de tweede keer).

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Barendrecht.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Barendrecht tussen 1909 en 2009 (bron: Jaarboeken GKN en PKN).

Klik hier voor een kort overzicht van de verdere historie (2017).

Bronnen onder meer:

J.E.J. Blinde, 100 jaar Gereformeerde Kerk van Barendrecht. Barendrecht, 1987

Gemeenten en Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

De Heraut, februari 1887

Jaarboeken (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

C. Smits, De Afscheiding van 1834. Tweede deel, Classis Dordrecht c.a. Dordrecht 1974

© 2020. GereformeerdeKerken.info