De Gereformeerde Kerk te Dieren (2)

Van 1945 tot heden in snelle vogelvlucht.

( < Naar deel 1 ) – In dit tweede deel verhalen we in het kort iets over de rest van de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Dieren. We stippen daarbij uitsluitend enkele belangrijke gebeurtenissen aan.

Ds. J.E. Goudappel (1870-1951).

De predikanten tot 1945.

Na het overlijden van ds. J.C. van Schelven (1854-1904) nam de kerkenraad het beroepingswerk weer ter hand. Ds. J.E. Goudappel (1870-1951) van Heteren en Randwijk nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed op 21 mei 1905 intrede in Dieren. Hij was tot januari 1912 aan de kerk van Dieren verbonden. Achtereenvolgens kwamen na hem de volgende predikanten naar Dieren: ds. H.C. van den Brink (1866-1947) van Rotterdam deed op 2 juni 1912 intrede en nam op 5 oktober 1919 afscheid (hij vertrok toen naar Zandvoort, waar hij zich in 1926 aansloot bij de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband van dr. J.G. Geelkerken – daarover straks meer). Ds. L.J.C. Kreyt (1874-1960) uit Huizum bij Leeuwarden verbond zich op 11 april 1920 aan de gemeente te Dieren en nam – na een ambtsperiode van ongeveer drieëndertig jaar – op 1 maart 1933 afscheid. Kandidaat G. Chr. H. Plantagie was aanvankelijk al van 15 oktober 1932 tot 11 juni 1933 hulppredikant in Dieren, maar deed op 11 juni 1933 intrede als predikant. Op 23 maart 1945 stierf hij in het concentratiekamp Dachau.

Een nieuwe kerk (1911).

De nieuwe kerk, die in 1911 in gebruik genomen werd.

Het kerkgebouw werd door het groeiende ledental te klein zodat de kerkenraad al betrekkelijk kort na de ingebruikneming van het eerste bedehuis moest besluiten tot volledige afbraak en nieuwbouw op dezelfde plaats. Gedurende de tijd dat de nieuwe kerk gebouwd werd, stond tegenover het bouwterrein een houten noodkerk waar de kerkdiensten gehouden werden. Voor de bouw van de nieuwe kerk werd de bekende kerkarchitect Tjeerd Kuipers (1857-1942) uit Amsterdam te hulp geroepen. Voor fl. 775 maakte hij het ontwerpplan voor het nieuwe kerkgebouw. In de bouwcommissie zaten niet alleen kerkenraadsleden maar ook gemeenteleden.

Ds. H.C. van den Brink (1866-1947) stond van 1912 tot 1919 in Dieren.

Aannemer J. Steinvoort was degene die de klus kreeg toebedeeld, omdat hij met fl. 17.268 de laagste inschrijver was. Het orgel was uit de oude kerk weggehaald en vervoerd naar de werkplaats van orgelbouwer Proper, die het instrument restaureerde. Tjeerd Kuipers had bij het ontwerp van de kerkzaal de ideeën van dr. A. Kuyper (1837-1920) in zijn achterhoofd, uitvoerig beschreven in diens werk Onze Eeredienst. Daarin toonde Kuyper zich voorstander van het groeperen van de zitplaatsen rondom de preekstoel. Vandaar dat de kansel tegen de lange muur geplaatst werd, zodat de banken daar in een halve cirkel omheen gegroepeerd konden worden.

De Kwestie-Geelkerken (1926).

Ds. Geelkerken en zijn vrouw vast en zeker op weg naar of komend uit de kerk.

In 1926 werd ds. J.G. Geelkerken (1879-1960) van Amsterdam-Zuid door de generale synode van Assen geschorst. Hij had in een preek de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de ‘bomen en de sprekende slang in het paradijs’ in het midden gelaten. Aanvankelijk leek één en ander met een sisser te zullen aflopen (zijn kerkenraad bleef voor het grootste deel achter hem staan), maar de zaak was intussen zo uit de hand gelopen, dat de Gereformeerde Kerken er enkele jaren lang door werd beziggehouden.

Toen de synode haar schorsingsbesluit genomen had schreef de kerkenraad van Dieren een brief aan de synode, waarin meegedeeld werd dat de kerkenraad zijn volle instemming met het genomen besluit betuigde en “dankt God dat Hij U getrouwheid schonk, de belijdenis van onze kerken, inzake het gezag van Gods Woord tegen een zich noemende wetenschappelijke exegese, die dit gezag onzeker stelt, te handhaven en zo het accoord der gemeenschap onzer kerken ongeschonden te bewaren”. Medestanders van dr. Geelkerken verlieten de Gereformeerde Kerken (enkele predikanten waren om soortgelijke redenen als dr. Geelkerken geschorst) en stichtten de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband)’, overigens bestaande uit nooit meer dan omstreeks 7.000 leden. In 1946 ging het ‘Hersteld Verband’ over naar de Hervormde Kerk, terwijl de gereformeerde generale synode in 1967 (opnieuw in Assen vergaderend) het schorsingsbesluit introk en dr. Geelkerken c.s. rehabiliteerde.

Opknapbeurt en uitbreiding (1927-1935).

De kerk voor de verbouwing.

Bij de grote opknapbeurt in 1927 wilde men het nieuwe kerkgebouw voorzien van een luidklok (waarvoor een gift binnengekomen was), die opgehangen zou worden in het daktorentje. De constructie van het torentje bleek daarvoor echter te licht, zodat het plan niet werd uitgevoerd en in plaats daarvan een centrale verwarming werd aangelegd. Vier jaar later kreeg de kerk een grote opknapbeurt: het plafond en de banken werden van een fris verfje voorzien. Een en ander kostte ruim fl. 3.500.

De vergaderruimte bleek in de jaren ’30 te klein te zijn. Vandaar dat de vergaderlokalen in 1935 uitgebreid werden, een klus die volgens kerkenraadsbesluit alleen uitgevoerd zouden worden door gereformeerde aannemers, t.w. de heren Reinders en Boerman. Voor ruim fl. 5.300 werd het werk uitgevoerd.

De crisisjaren ’30.

In oktober 1929 crashte op Wall Street in New York de Beurs. Het gevolg ervan was een grote economische wereldcrisis die veel werkloosheid en armoede veroorzaakte. De financiën van de kerk van Dieren konden door zuinig beleid op peil gehouden worden, al had de diaconie de handen vol aan het verlenen van steun aan behoeftige gemeenteleden en al waren de financiële consequenties van de langdurige ziekte van ds. L.J.C. Kreyt een extra punt van aandacht, naast de persoonlijke aspecten daarvan.

Ds. L.J.C. Kreyt (1874-1960).

Tijdens zijn ziekte trachtte de kerkenraad door het regelmatig inzetten van ‘preeklezers’ de kosten voor vervanging te beperken; ook werden begrafenissen vaak door ouderlingen geleid. In die tijd werd in de kerkenraad onder meer gesproken over de vraag of een preeklezende ouderling eigenmachtig veranderingen mocht aanbrengen in een door hem voorgedragen preek van een predikant. Dat was namelijk gebeurd, en nog wel in een preek van prof. dr. H. Bavinck (1854-1921). De kerkenraad was van oordeel dat dit niet mocht en zag daarop in het vervolg nauwgezet toe. Ondertussen verergerde de ziekte van ds. Kreyt zodat hij In 1932 emeritaat moest aanvragen, waarna hij op 1 maart 1933 afscheid nam.

“Dr. A. Kuyper en dr. F.L. Rutgers (1836-1917) hebben een grote invloed op ds. Kreyt uitgeoefend en op hem een stempel gezet. Een zekere waardigheid en deftigheid was hem eigen; wie hem eenmaal; in een preek het woord ‘waereld’ had horen uitspreken, wist waar hij in dit opzicht aan toe was. Hoezeer ds. Kreyt ook in later jaren aan de theologische faculteit [van de Vrije Universiteit] verknocht bleef moge eruit blijken dat men hem op 77-jarige leeftijd, reeds jaren na zijn emeritering, kon zien deelnemen aan de predikantencolleges, die in de eerste week van januari gehouden werden”.

Ds. G.Chr.H. Plantagie (1897-1945).

Intussen was kandidaat G.Chr.H. Plantagie (gekozen uit twaalf sollicitanten) naar Dieren gekomen om bijstand in het pastoraat te verlenen. Zijn aanstelling werd mogelijk gemaakt door de financiële bijdragen van het Comité Overvloed van Werk en Werkkrachten van de Gereformeerde Kerken. Ten behoeve van dit comité werden kerkcollecten gehouden waarmee de aanstelling van hulppredikanten mogelijk werd, ook voor kerken die door de economische crisis daartoe financieel niet goed in staat waren. Kort na het emeritaat van ds. Kreyt werd ds. Plantagie beroepen als predikant in Dieren, wat hij aannam en op 11 juni 1933 intrede deed.

Feest (1936).

Toch was er in de crisisjaren ook feest in de kerk van Dieren. De kerkenraad besteedde veel aandacht aan de vijftigjarige Doleantie in Nederland en in Dieren. De hele kerk was uitbundig versierd met planten en andere versieringen toen de genodigden en de gemeenteleden tijdens de herdenkingsdienst op 9 februari 1937, vijftig jaar na de eerste Dolerende kerkdienst in Dieren. Er was een zangkoor en er waren oud-predikanten aanwezig.

Ook ds. K. Fernhout (1858-1953) van Zwartsluis hield een toespraak tijdens de Doleantieherdenking in Dieren.

De bekende ds. K. Fernhout (1858-1953) – ten tijde van de Doleantie predikant in Zwartsluis – tekende in donkere kleuren het onrecht dat de behoeftige diaconaal ondersteunde hervormde gemeenteleden overkwam toen zij – als ze zich hadden aangesloten bij de Doleantie – ‘onmiddellijk het diaconiehuis moesten verlaten en ‘naakt aan den dijk gezet’ werden. Geen wonder dat de predikant na de ademloos aangehoorde toespraak door de gemeente werd toegezongen met psalm 71 vers 12.

Het herdenkingsboekje dat in 1937 uitgegeven werd.

Van de de gehele dag durende festiviteiten werd ook een boekje uitgegeven, waarin nogmaals de hele correspondentie met het classicaal bestuur in de tijd van de Doleantie werd weergegeven en waarin ook een uitvoerig (‘Kort’) verslag van de Dierense Doleantieherdenking opgenomen was.

De Tweede Wereldoorlog.

Al jaren lang vielen zwarte schaduwen vanuit het oosten over ons land. In Duitsland was in het begin van de jaren ’30 Hitlers Nazi-partij opgekomen, die in Nederland aanhangers had gevonden in de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Mussert. De generale synode zag het gevaar in 1936 al en besloot dat het lidmaatschap van de NSB en dat van de Gereformeerde Kerken in Nederland onverenigbaar waren en dat de kerkenraden gemeenteleden die zich ondanks deze kerkelijke uitspraak toch bij de NSB aansloten onder de tucht diende te stellen en bij onbekeerlijkheid uit de kerk moest zetten.

Het interieur van de kerk voor de verbouwing van de jaren ’60.

Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit. De predikant, ds. Plantagie, merkte in de kerkenraad op dat ‘wij in alle voorzichtigheid hebben te wandelen en zal onze trouw moeten blijken aan Gods Woord’, ongetwijfeld beseffend dat dit vaak niet makkelijk zou zijn.

De Gereformeerde Kerk te Rotterdam had grote schade geleden door het verlies van gemeenteleden die bij het bombardement het leven lieten en door de verwoesting van enkele kerkgebouwen. Overal in het land werd in de Gereformeerde Kerken voor de oorlogsschade daar en elders gecollecteerd. Ook in Dieren werd door een comité van de Gereformeerde Kerk bij de deuren langs gegaan om ‘kleeding en dekking’ in te zamelen en door te sturen naar de kerk in Rotterdam waar vierhonderd gezinnen dakloos geworden waren.

Ondertussen besloot de kerkenraad geen gehoor te geven aan de oproep van de Stichting Winterhulp Nederland (WHN), een nationaalsocialistische organisatie die tijdens de Tweede Wereldoorlog alle maatschappelijke hulpverlening van de overheid en van particuliere en kerkelijke organisaties in Nederland moest overnemen. De diaconie zou voor haar eigen armen blijven zorgen en zou dat natuurlijk nooit uit handen geven, laat staan aan de Stichting WHN.

Ons Kerkblad’ werd in 1942 verboden evenals onder meer de vergaderingen van het jeugdwerk. Omdat Bijbelstudie wel was toegestaan besloot de Dierense kerkenraad de jongens- en meisjesclubs als Bijbelstudieclubs voort te zetten, net als op talloze andere plaatsen gebeurde.

Ondertussen werden allerlei maatregelen genomen om te zorgen dat de kerkgangers bij het onverhoopt plaatsvinden van bombardementen toch veilig zouden zijn. Niemand mocht in dat geval de kerk verlaten, behalve natuurlijk als men bij de Luchtbescherming betrokken was.

De Vrijmaking (1944).

Ds. K. Schilder (1890-1952).

Ondertussen woedde in de Gereformeerde Kerken ook een interne strijd over de betekenis van de doop. Kort gezegd waren sommige synodebesluiten daarover bij velen niet in goede aarde gevallen met als gevolg dat onder leiding van de geschorste Kamper hoogleraar dr. K. Schilder (1890-1952) – die zich tegen de synodebesluiten keerde –  een groot aantal gereformeerden de kerk verlieten en de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ stichtten, met de aanvankelijke toevoeging ‘vrijgemaakt’. In Dieren betrof het overigens slechts één gemeentelid dat zich bij de Vrijmaking aansloot.

Ds. Plantagie gevangen genomen en overleden (1945).

Ds. Plantagie was betrokken bij het verzetswerk en was daardoor bij de Duitsers opgevallen, die hem in de nacht van 20 op 21 januari 1944 oppakten en gevangen namen, overigens zonder het noemen van een reden. Maar zijn anti-Duitse houding en zijn hulp aan onderduikers en het geven van leiding aan het verzet in Dieren zullen voldoende bekend geweest zijn. De predikant overleed op 23 maart 1945 op zevenenveertigjarige leeftijd in het concentratiekamp Dachau aan vlektyfus. Hij werd begraven in een massagraf.

De steen op het graf van ds. Plantagie op het ereveld te Loenen.

De herdenkingsdienst werd op 7 juni 1945 in Dieren gehouden. Op 8 september 1960 vond zijn herbegrafenis plaats, samen met andere omgekomen verzetsstrijders, op het ereveld te Loenen.  In Dieren werd een straat naar hem genoemd, het Gerrit Plantagiepad.

De predikanten vanaf 1945.

Ds. G. van Andel (1916-1999) volgde ds. Plantagie in 1946 op en diende de kerk tot 1951. Achtereenvolgens waren de volgende gemeentepredikanten aan de kerk van Dieren verbonden: ds. A.J.R. Brussaard (1918-1986) van 1951 tot 1955; ds. H. van de Plaat (1928-?) van 1955 tot 1959; ds. R. Strijker (1925-2013) van 1960 tot 1966; ds. H.N. de Mooij (*1930) van 1966 tot 1970; ds. J.W.K. Kelder (1935-1981) van 1967 tot 1974; ds. D.N. Verschoor (1938-2018) van 1971 tot 1976; ds. M. Mellema (1946-?) van 1975 tot 1980, toen hij als gereformeerd predikant emigreerde naar Argentinië; ds. J.M.G. Sijtsma (*1940) van 1976 tot 1979; ds. C. van der Linden (*1935) van 1979 tot 1988; ds. H. Hessels (*1950) van 1981 tot 1987; ds. H. Boonen (*1952) van 1989 tot 2018 en ds. J. ter Avest (*1951) (in gedeeltelijke dienst) van 1989 tot 2003.

Ook was ds. R. de Roos (1914-1989) van 1950 tot 1970 aan de kerk van Dieren verbonden voor het evangelisatiewerk en verleende de heer J.M.P. van Vliet (*1947) in 1987 en 1988 hulpdiensten.

De kerk wordt verbouwd: Opstandingskerk (1962).

De gereformeerde ‘Opstandingskerk’ na de verbouwing.

Na vijftig jaar leek het de kerkenraad nodig de kerk een flinke opknapbeurt te geven. Hier en daar waren lekkages in het dak, de vloer vertoonde op enkele plaatsen houtrot, de banken voldeden niet meer en het tochtte in de kerk. De opknapbeurt moest zo grondig zijn dat men zelfs heeft overwogen een nieuwe kerk te bouwen, maar uiteindelijk werd het plan van architect Zuiderhoek gevolgd, waarbij weliswaar de muren overeind bleven, maar de kerk voor het overige compleet vernieuwd werd. Er was ruim fl. 173.000 voor nodig (met fl. 56.500 in de kas van de bouwcommissie) om aannemer Bulten uit Doetinchem de klus te laten klaren.

Tijdens een feestelijke bijeenkomst op 14 maart 1962 werd de ‘nieuwe’ kerk in gebruik genomen en konden de diensten in de hervormde kerk – bereidwillig toegestaan door de hervormde kerkenraad –  gestaakt worden; de gereformeerde kerkenraad bood die gemeente een avondmaalsstel aan als dank. Natuurlijk werden enkele toespraken gehouden, waarbij gememoreerd werd dat enkele gemeenteleden geld beschikbaar gesteld hadden voor de reparatie van de houten vloer en voor de nieuwe preekstoel.

De kerk had ondertussen een geheel ander uiterlijk gekregen. De grote ramen werden vervangen door betonnen blokken met gekleurde glaasjes. Het puntdak aan de westkant van de kerk werd vervangen door een lange strakke kant. De verbouwde kerk werd toen ook voorzien van een naam: in het vervolg heette de kerk Opstandingskerk.

De Gereformeerde Kerk te Eerbeek (1964).

De Beekkerk te Eerbeek.

De Gereformeerde Kerk te Dieren is de moedergemeente van die te Eerbeek (aanvankelijk Laag-Soeren genoemd). Hoewel in de Doleantietijd, in 1887, zich in Eerbeek slechts één hervormd gezin bij de Dolerende Kerk voegde, kwam in de jaren ‘30 een aantal gereformeerde families in Eerbeek wonen. Na verloop van tijd werden onder leiding van ds. Plantagie kerkdiensten in Eerbeek gehouden, aanvankelijk met tien personen in een particuliere woning, later in de papierfabriek Coldenhove, en na de oorlog in de kantine van de papierfabriek De Zeeuw.

Uiteindelijk was het aantal gereformeerden – vooral door de groei van het dorp – voldoende om er een zelfstandige Gereformeerde Kerk te vestigen. Op 13 mei 1964 werd dit een feit en telde die kerk ruim 320 leden. Als ‘cadeau’ van de kerk te Dieren kreeg de jonge kerk fl. 30.000 mee om het kerkelijk leven op poten te zetten, en kon in 1964 – met steun van de gereformeerde Stichting Steun Kerkbouw – een kerkgebouw geopend worden.

De Grote Sprong (1961-1965).

Ds. R. Strijker (1925-2013) stond van 1960 tot 1966 in Dieren.

Maar ook de Gereformeerde Kerk te Dieren zelf had grote plannen. Behalve de gezamenlijke kerkbouw in Dieren-Noord – daarover hierna meer – stond ook het beroepen van de tweede predikant op het programma (dat werd in 1966 ds. H.N. de Mooij), terwijl in 1961 de bouw van de pastorie aan de Julianalaan in de planning stond; in 1962 de restauratie van de Opstandingskerk, waarover we reeds schreven; in 1964 de ook al verhaalde zelfstandig wording van de Gereformeerde Kerk te Eerbeek; in 1965 de verbouwing van de woning naast de kerk, ten behoeve van de koster en van het jeugdwerk, en tenslotte de vernieuwing van het jeugdhonk aan de Wilhelminaweg voor het jeugd- en evangelisatiewerk. Om het geld dat daarvoor nodig was bij elkaar te krijgen moesten de kerkelijke bijdragen omhoog. In 1966 kon gerapporteerd worden dat de actie De Grote Sprong geslaagd was, omdat de bijdragen tussen 1954 en 1966 van fl. 12.000 naar fl. 72.000 gestegen waren, overigens mede dankzij de uitbreiding van de kerkelijke gemeente.

De Ontmoetingskerk (1968).

In november 1961 ontstond het plan om in het noorden van Dieren als hervormden en gereformeerden een gezamenlijke kerk te bouwen. Na enkele jaren onderhandelen kon op14 april 1964 het contract voor gezamenlijke kerkbouw ondertekend worden. “Ds. Strijker [van1960 tot 1966 gereformeerd predikant in Dieren] zei dat één van de drijfveren voor de gezamenlijke kerkbouw de roeping is om het evangelielicht helder te laten uitstralen in de Dierense samenleving, waarin wij als kerken geplaatst zijn”.

De Ontmoetingskerk aan de Admiraal Helfrichlaan.

De kerkbouw kon beginnen. De bouwkosten waren, inclusief een orgel, berekend op zo’n fl. 850.000, waarvan het Rijk fl. 220.000 aan subsidie bijdroeg. Voor zowel de hervormde gemeente als de Gereformeerde Kerk resteerde dus elk nog zo’n fl. 315.000. Een opgenomen hypotheek van fl. 275.000 en een vierjarige steun van de Stichting Steun Kerkbouw fl. 8.000 per jaar zorgden voor de financiering. Hoewel de kerkenraden nog discussieerden over de vraag of de toren, die fl. 57.500 moest kosten, misschien maar beter weggelaten kon worden, besloot men die toch te realiseren. “Hervormden en gereformeerden in Dieren zorgden samen voor een der mooiste kerken in ons land”, jubelde de pers.

Het logo van de Stichting Steun Kerkbouw.

En verder: “De bijna vijftig meter lange Ontmoetingshal is uniek., Een echte plaats voor ontmoeting voor en na de kerkdiensten. De kerkzaal is een juweel, met ‘eerlijke’ bouwmaterialen, een fraai houten plafond en veel schoon metselwerk. Beproefde paden waren verlaten, het resultaat was een speelse ruimte. Het liturgisch centrum met de avondmaalstafel staat in het volle licht. Later zijn kleurige wandkleden aangebracht, die aangepast kunnen worden aan de kleuren van het kerkelijk jaar”.

Op 7 september 1968 kon de nieuwe kerk in  gebruik genomen worden. De dag erna werden de eerste diensten gehouden, weliswaar gescheiden, als hervormde en gereformeerde diensten. Door deze gezamenlijke activiteit groeide het wederzijds vertrouwen tussen beide kerken.

Het interieur van de Ontmoetingskerk, zoals dat enige jaren geleden gefotografeerd werd (foto: Reliwiki).

De Protestantse Gemeente te Dieren (2006).

Het ontstaan van de Protestantse Gemeente te Dieren, als gevolg van het samengaan van de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente van Dieren, in 2006, had ook consequenties voor de kerkgebouwen. Er waren er op dat moment drie: de hervormde Dorpskerk, de gereformeerde Opstandingskerk en de gezamenlijk gebouwde Ontmoetingskerk. Het was een wijs besluit de hervormde Dorpskerk en de gereformeerde Opstandingskerk te sluiten en de gezamenlijk gebouwde Ontmoetingskerk in het vervolg als bedehuis te gebruiken. Al was er verdriet over de sluiting van de twee kerken, die zo lang als kerkgebouw hadden gediend. De keuze die gemaakt werd is destijds uitvoerig beschreven in het blad ‘Kerkinformatie’, waarnaar we kortheidshalve verwijzen.

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Dieren.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Dieren van 1906 tot 2006 (bron: Jaarboeken GKN en PKN).

Bronnen onder meer:

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Lunteren, 1992

Jaarboeken (en dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

Kerkeraad te Dieren, Kerkelijk Conflict te Dieren. Bekendmaking van de officieele stukken gewisseld tussen het Classicaal Bestuur van Arnhem en den Kerkeraad der Nederlandsche Hervormde Gemeente te Dieren. Arnhem, 1887

G. Kamerling, Honderd jaar gereformeerd kerkelijk leven te Dieren. 1887-1987. Dieren, 1987

G.Chr.H. Plantagie e.a., ‘Na vijftig jaren’. 6 februari 1887 – 6 februari 1937. Ter gelegenheid der herdenking van den aanvang der Doleantie te Dieren door den Raad der Geref. Kerk te Dieren aangeboden aan de leden dier kerk. Dieren, 1937

J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der negentiende eeuw. Amsterdam, 1917

© 2021. GereformeerdeKerken.info