De tweede predikant liet op zich wachten…

De gang van zaken bij de instelling van de tweede predikantsplaats in Meppel. 

Ds. T. Noordewier (1843-1913), die van 29 februari 1880 (toen hij intrede deed in de Christelijke Gereformeerde Gemeente (later Kerk A) tot 7 augustus 1913 aan de Gereformeerde Kerk te Meppel verbonden was, overleed op laatstgenoemde datum.

Ds. T. Noordewier (1843-1913).

Tijdens diens predikantschap had de enige Meppeler Dolerende predikant, ds. P.D. de Groot (1858-1923), na de in 1897 gerealiseerde plaatselijke Ineensmelting van de Kerken A en B, in 1899 afscheid genomen van de verenigde Meppeler Gereformeerde Kerk. En dr. J. Ridderbos (1879-1960) – die sinds 1909 in Meppel gereformeerd predikant was – vertrok na zijn afscheid op 21 juli 1912 naar de kerk van Bussum. Hij werd opgevolgd ds. J.C. Brussaard (1884-1963), die binnen vier maanden na Ridderbos’ afscheid intrede deed.

Na het overlijden van ds. Noordewier verschenen de lijrede en Afscheuidspredikatie, gehouden door ds. Brussaard, in drukvorm.

Na het overlijden van ds. Noordewier was de enige fulltime predikant in Meppel dus ds. Brussaard, die op 12 november 1912 intrede deed. Ds. Brussaard had als enige predikant hulp nodig bij zijn ambtelijk werk vanwege de grootte van de Gereformeerde Kerk, die op dat moment 1.450 leden telde (de kerk groeide weliswaar, maar niet in overweldigende mate).

Over ds. Brussaard ontstond een vervelende verdachtmakerij, zowel in de kerkenraad als in de gemeente, waar hij veel last van heeft gehad.

Ds. J.C. Brussaard (1884-1963).

Kandidaat C. Koppenaal (van 1914 tot 1915).

Na verscheidene predikanten ‘gehoord’ te hebben werd op 25 augustus 1914 besloten kandidaat Cornelis Koppenaal voorlopig te benoemen als hulpprediker, op een traktement van fl. 1.100. Hij nam de benoeming aan. Op 8 oktober was hij voor het eerst aanwezig. Omdat ds. Brussaard met zijn komst slechts gedeeltelijk geholpen was en op diens schouders ongetwijfeld meer werk neer zou komen dan bij de komst van een ‘echte’ predikant, werd zijn salaris gedurende het hulppredikerschap met fl. 300 verhoogd.

De kerkelijke financiën bleven echter problemen geven. Vandaar dat de kerkenraad in mei 1915 moest beslissen, dat ‘als de [voorlopige] dienst van de hulpprediker ophoudt, er geen tweede predikant kan komen door de financiën’. Tegelijk zou, op verzoek van ds. Brussaard, aan de gemeente worden meegedeeld ‘dat wanneer er slechts één [‘echte’] predikant was, de gemeentelijke arbeid daaruit voortvloeiend niet in alle opzichten kan worden uitgevoerd’.

Ds. J.C. Koppenaal (1888-1931).

‘Omkoperij…?!’

Op de manslidmatenvergadering van eind mei 1915 werd voorgesteld (en met op zes na algemene stemmen aangenomen) ‘om na het vertrek van ds. Koppenaal slechts één predikant te houden, bijaldien ds. Brussaard genegen mocht zijn in dat voorstel te treden’. Uiteraard zouden dan het traktement en de beroepingsbrief (c.q. de werkzaamheden) van ds. Brussaard worden aangepast, ‘met het oog op de meerdere diensten’.

De vergadering had echter een erg vervelend staartje. Er werd namelijk onder meer gesuggereerd dat ds. Brussaard voorstander was van één predikant, omdat zijn traktement alleen dán zou kunnen worden verhoogd (de predikant was namelijk van mening dat het jaarlijkse traktement van fl. 1.700 te laag was). Door er bovendien op te hameren ‘dat de predikantswerkzaamheden bij het hebben van één predikant niet in alle opzichten konden worden uitgevoerd’ zou ds. Brussaard ook nog een extra traktementsverhoging ‘voor meerdere arbeid’ hebben afgedwongen.

In het verkeerde keelgat.

Dat schoot bij ds. Brussaard uiteraard in het volstrekt verkeerde keelgat, omdat hij dezelfde suggesties tevoren ook op de kerkenraad had moeten verdragen: ‘De voorzitter [ds. Brussaard] deed mededeeling van het feit dat hij [op de manslidmatenvergadering] bij deze en geene opmerkingen en beschouwingen had gehoord, waarvan hij moest veronderstellen dat ze vanuit de kerkeraad besproken zijn omdat ze nergens anders vandaan konden komen’.

De gereformeerde kerk in de Groenmarktstraat.

Daarom stelde hij de ambtsdragers hoofd voor hoofd een aantal vragen, waaronder ten eerste: ‘Acht de kerkenraad wat geschied is, omkooperij?’ Ten tweede: ‘Vindt iemand het onredelijk dat het traktement van fl. 1.700 door mij te laag gevonden wordt?’ Ten derde: ‘Is iemand van mening dat – door het feit dat ik [na het vertrek van Koppenaal] als enige dienaar overblijf – tekort wordt gedaan aan de stromingen in ons kerkelijk leven?’ Met dat laatste doelde hij op de nog steeds bestaande verschillen tussen de kerkelijke bloedgroepen van ‘Afscheiding en Doleantie. Ds. Brussaard had aan de Dolerende Vrije Universiteit gestudeerd, maar beschouwde de VU-hoogleraar dr. H. Bavinck (1854-1921) – afkomstig uit de Afscheidingstraditie (maar in 1902 van Kampen naar de VU in Amsterdam overgestapt) – ‘als zijn vertrouwelijke vriend’.

Prof. dr. H. Bavinck (1854-1921): van 1882 tot 1902 hoogleraar aan de Theologische School in Kampen; van 1902 tot zijn overlijden in 1921 hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Enkele vragen…

Brussaard lichtte zijn vragen toe ‘omdat er verkeerde gevolgtrekkingen zijn gemaakt en ook omdat zijn persoon en karakter met die gevolgtrekkingen werden aangerand, alsof hij om geldelijk voordeel de manslidmatenvergadering beïnvloed zou hebben, terwijl hij nog berekende dat met de wijzigingen [één predikant en een verhoging van het traktement voor ‘meerdere arbeid’] fl. 1.000 zo niet méer aan de gemeente ten goede komt’.

Alle vragen werden ontkennend beantwoord, behalve de derde vraag: inderdaad zou bij het alleen overblijven van ds. Brussaard een deel van de gemeente tekort gedaan worden aan de geestelijke stroming en daarom was het beter dat er twee predikanten waren [één afkomstig uit de Afgescheiden traditie en één uit die van de Dolerenden], ook al vond de kerkenraad dat dat voorlopig vanwege de financiën niet mogelijk was. Daarop deelde ds. Brussaard mee zijn beslissing over het zojuist ontvangen beroep van de Kerk te Batavia op korte termijn te zullen nemen. ‘ZEW werd nog meegedeeld dat de kerkeraad een toekomstig traktement van fl. 2.300 had genoemd’. Uiteindelijk was de predikant door de antwoorden van de kerkenraad tevreden gesteld en bedankte hij voor het beroep naar Batavia.

Hulppredikant ds. Koppenaal was op 30 september 1915 voor het laatst op de kerkenraad. Daar werden hem voor zijn arbeid hartelijke woorden toegesproken. ‘Ds. Brussaard geeft hem nogmaals de verzekering van de achting die de kerkeraad hem heeft toegedragen en wenscht hem in zijn verdere leven des Heeren leiding toe en ook spoedig een eigen gemeente’.

De gereformeerde kerk te Meppel (foto: Meppeler Courant).

Een nieuwe werkregeling voor ds. Brussaard.

Nu ds. Brussaard vooralsnog de enige gereformeerde predikant van de Kerk te Meppel was, werden zijn werkzaamheden aangepast om overbelasting te voorkomen. Per 1 oktober 1915 trad de nieuwe regeling in werking. Daarin werd hij ontheven van het huisbezoek; werd voor gemeenteleden een spreekuur op vaste tijden ingesteld; werd vastgesteld dat begrafenisdiensten alleen aan het sterfhuis zouden geschieden en dat de predikant werd vrijgesteld van de gang naar het kerkhof; werd een kaartsysteem gemaakt voor het goede overzicht van de gemeente; werd het aantal avondmaalsdiensten, waarin hij diende voor te gaan, beperkt tot twee per jaar; een derde dienst zou door een vervanger worden geleid; werd hem het ziekenbezoek opgedragen; voor de catechese werd hulp toegezegd uit de genabuurde gemeenten; werden de vakantiezondagen tot tien uitgebreid en kreeg hij ‘bij feestdagen de bevoegdheid zich met predikanten uit de genabuurde gemeenten te verstaan om voor één of twee diensten op die dagen te ruilen. Het traktement werd vastgesteld op fl. 2.200 (plus fl. 100 voor belasting) en vrije woning.

Het interieur van de gereformeerde kerk aan de Groenmarktstraat, lang geleden, nadat de stoelen voorin de kerk weggehaald waren.

Klachten…

Kennelijk bestond echter toch weerstand tegen deze behoorlijk luxe regeling. Want op 5 juli 1917 ‘heeft een ouderling uitgerekend dat de predikant ongeveer zeventig dagen per jaar buiten de stad is en dat het herderlijk werk er onder lijdt en dat er gemeenteleden zijn die in geen twee jaar of langer bezoek van de predikant krijgen’, zodat ‘de wenschelijkheid van een tweede predikant aan de orde wordt gesteld’; maar tot een definitief besluit kwam het toen nog niet. Wel werd in oktober 1917 besloten het synodevoorstel om – bij wijze van duurtetoeslag – het traktement met 12% te verhogen niet op te volgen, maar in december kreeg de predikant alsnog een traktementsverhoging van fl. 300, ingaande 1 september 1917. In november ontving ds. Brussaard echter een beroep van de Kerk te Bloemendaal, dat hij aannam. Ds. Brussaard nam op 20 februari 1918 afscheid van de kerk van Meppel.

De kerk in de winter van 1911.

Nog steeds één predikant…

Het beroepingswerk kon dus meteen weer beginnen. ‘Er wordt eerst een predikant beroepen en aan hem meegedeeld dat er extra werk is [hij zou immers de enige predikant zijn] dat ook extra beloond zou worden. Dat zal bij de eventuele komst van een tweede predikant komen te vervallen’. Eerst één predikant dus en, wie weet, later een tweede.

Namen van geschikte predikanten konden worden genoemd, maar dan wel graag enigszins beredeneerd: ‘S. heeft eenige namen genoemd van predikanten, die zijns inziens ook in aanmerking kunnen komen. Het blijkt dat S. echter meer op den klank is afgegaan; althans van sommigen deelt hij mee ze niet te kennen. Het lijstje ondervindt dan ook nogal eenige bestrijding’. Gelukkig kwamen er ook bruikbare tips, zodat achtereenvolgens ds. R.E. van Arkel (1885-1943) van Soest en ds. A. Hoeneveld (1873-1955) van Nijkerk konden worden beroepen, die echter beiden bedankten.

Dr. J. Thijs (van  1918 tot  1926).

Ds. J. Thijs (1881-1947) stond van 22 december 1918 tot 6 juni 1926 in Meppel.

Begin juli 1918 werd ds. J. Thijs (1881-1947) van Rijswijk ‘gehoord’. Hij was nog maar twee jaar in Rijswijk, maar had meegedeeld ‘daar niet erg vast te zitten’. Hij werd vervolgens uitgenodigd in een ‘weekdienst’ in Meppel te preken en werd toen eind van die maand beroepen op een traktement van fl. 2.500. In augustus nam hij het beroep naar Meppel aan. Op medisch advies – zijn vrouw was ziek – werd zijn komst uitgesteld tot 22 december. Die zondag werd hij om tien uur in het ambt bevestigd en om vijf uur ’s middags deed hij intrede. Hij was op dat moment dus de enige gereformeerde predikant van Meppel. In die hoedanigheid was hij ruim twee jaar werkzaam.

Ds. D.J. Couvée (1889-1978).

Pas op 22 mei 1921 werd de tweede predikantsplaats bezet in de persoon van ds. D.J. Couvée (1889-1978) van Ridderkerk. Toen hij vertrok (in maart 1924) werd de tweede predikantsplaats definitief gehandhaafd door als zijn opvolger ds. B. Hagenaar (1894-1971) uit Warffum in het ambt te bevestigen.

Bronnen onder meer:

Archief van de Gereformeerde Kerk te Meppel. Drents Archief, Assen

Gemeenten en Predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

G.J. Kok, ‘… Die verenigde wat gescheiden was …’. Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Meppel (1835-2005) met Inventaris van het Archief. Groningen, 2014

© 2024. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The Second Pastor Took His Time…

The Process of Establishing the Second Pastorate in Meppel.

Rev. T. Noordewier (1843–1913), who was affiliated with the Christian Reformed Church (later Church A) in Meppel from his installation on February 29, 1880, until August 7, 1913, passed away on the latter date.

During his ministry, Rev. P.D. de Groot (1858–1923), the only Meppel pastor from the Doleantie, departed from the united ‘Gereformeerde’ Church of Meppel in 1899, following the local merger of Churches A and B in 1897. Meanwhile, Dr. J. Ridderbos (1879–1960), who had served as a ‘gereformeerde’ pastor in Meppel since 1909, left for Bussum on July 21, 1912. He was succeeded by Rev. J.C. Brussaard (1884–1963), who was installed within four months after Ridderbos’s departure.

So, after Rev. Noordewier’s death, the only full-time pastor in Meppel was Rev. Brussaard, who began his ministry on November 12, 1912. Due to the size of the ‘Gereformeerde’ Church in Meppel, which at that time had 1,450 members, Rev. Brussaard needed assistance with his pastoral duties. Although the church was growing, it was not doing so at an overwhelming rate.

Suspicion Around Rev. Brussaard.

There was an unpleasant air of suspicion about Rev. Brussaard, both within the church council and the congregation, which caused him significant distress.

Candidate C. Koppenaal (1914–1915).

After hearing several pastors, on August 25, 1914, the council decided to temporarily appoint candidate Cornelis Koppenaal as an assistant pastor with a salary of 1,100 guilders. Koppenaal accepted the appointment and began his duties on October 8, 1914. Since Rev. Brussaard’s workload would undoubtedly increase due to the assistant pastor not being a full-fledged minister, his salary was raised by 300 guilders during Koppenaal’s tenure.

However, financial issues continued to plague the church. In May 1915, the council decided that when the assistant pastor’s temporary service ended, it would not be financially feasible to appoint a second pastor. At the same time, at Rev. Brussaard’s request, the council informed the congregation that the duties of the church could not be fully carried out with only one full-time pastor.

Accusations of “Bribery”?

At a male church members’ meeting in late May 1915, a proposal was made (and adopted, with only six dissenting votes) to retain just one pastor after Koppenaal’s departure, provided Rev. Brussaard agreed. In this case, his salary and job description would be adjusted to reflect the increased workload.

This meeting, however, had an unpleasant aftermath. It was suggested that Rev. Brussaard supported the one-pastor proposal because it would lead to a salary increase (he had expressed that his annual salary of 1,700 guilders was too low). Moreover, by emphasizing that pastoral duties could not be fully performed by one pastor, he was accused of pressuring for an additional salary increase for the extra work.

The Wrong Impression.

These accusations deeply upset Rev. Brussaard, as he had already faced similar insinuations within the church council. He stated:

“The chairman [Rev. Brussaard] reported that during the male church members’ meeting, he heard remarks and opinions that must have originated from the council, as they could not have come from anywhere else.”

He posed several questions to the council members, one by one:

  1. “Does the council consider what happened to be bribery?”
  2. “Does anyone find it unreasonable that I consider my salary of 1,700 guilders to be too low?”
  3. “Does anyone believe that my remaining as the sole pastor after Koppenaal’s departure would disadvantage certain factions within our church life?”

The last question referred to the ongoing differences between the church groups rooted in the Secession and the Doleantie movements. Although Rev. Brussaard had studied at the Doleantie’s Free University, he considered Professor H. Bavinck (1854–1921), who came from the Secession tradition, to be his trusted friend.

Clarifications and Resolution.

Rev. Brussaard explained his questions to correct misconceptions and defend his character against accusations of financial motives. He also argued that the changes (one pastor with an adjusted salary) would save the church at least 1,000 guilders annually.

All questions were answered in the negative, except the third. The council agreed that having only one pastor would neglect part of the congregation’s spiritual needs. They acknowledged the importance of maintaining both Secession and Doleantie perspectives but stated that financial constraints made a second pastorate impossible for the time being.

Subsequently, Rev. Brussaard announced that he would soon decide whether to accept a recent call from the Batavia Church. He noted that the council had proposed a future salary of 2,300 guilders. Ultimately, Rev. Brussaard, satisfied by the council’s responses, declined the call to Batavia.

Farewell to Assistant Pastor Koppenaal.

Assistant Pastor Koppenaal attended his last council meeting on September 30, 1915. He was warmly thanked for his service. Rev. Brussaard expressed the council’s respect for Koppenaal and wished him God’s guidance and a swift appointment to his own congregation.

A New Work Schedule for Rev. Brussaard.

As Rev. Brussaard was, at the time, the sole ‘gereformeerde’ minister of the Church in Meppel, his duties were adjusted to prevent overburdening. The new schedule came into effect on October 1, 1915. Under this arrangement:

  • He was relieved of house visits. Instead, office hours were established for church members to meet him at fixed times.
  • Funeral services were to be held only at the home of the deceased, and the minister was excused from accompanying the procession to the cemetery.
  • A card system was introduced to maintain an accurate overview of the congregation.
  • The number of Communion services in which he was required to officiate was limited to two per year, with a third service to be conducted by a substitute.
  • He was tasked with visiting the sick.
  • Assistance for catechesis was arranged with neighboring congregations.
  • Vacation Sundays were increased to ten.
  • On holidays, he was allowed to coordinate with neighboring ministers to exchange one or two services.

His salary was set at fl. 2,200 (plus fl. 100 for taxes), along with free housing.

Complaints…

Despite these seemingly favorable conditions, there was apparent resistance to this arrangement. On July 5, 1917, an elder noted that the minister spent approximately seventy days per year outside the city, leading to concerns that pastoral work was suffering. Some church members reportedly had not received a visit from the minister in two years or more. This prompted a discussion on the desirability of appointing a second minister, although no definitive decision was made at the time.

In October 1917, it was decided not to follow the Synod’s proposal to increase the salary by 12% as a cost-of-living adjustment. However, in December 1917, Rev. Brussaard received a salary increase of fl. 300, retroactive to September 1, 1917. Despite this, in November 1917, he accepted a call from the church in Bloemendaal. Rev. Brussaard bid farewell to the church in Meppel on February 20, 1918.

Still Only One Minister…

The search for a new minister began immediately. The plan was to first call one minister and inform them about the additional workload (as they would be the sole minister) with the promise of extra compensation. This extra compensation would cease if a second minister were later appointed.

Suggestions for suitable candidates were invited, preferably with well-reasoned justifications. Some names were proposed, but it was noted that one proposer had relied more on reputation than personal knowledge, which led to some debate about the list. Fortunately, usable suggestions emerged, and calls were extended to Rev. R.E. van Arkel (1885–1943) from Soest and Rev. A. Hoeneveld (1873–1955) from Nijkerk. Both declined the calls.

Rev. J. Thijs (1918–1926).

In early July 1918, Rev. J. Thijs (1881–1947) from Rijswijk was interviewed. He had been in Rijswijk for only two years but indicated that he was not strongly tied to the position. He was invited to preach during a weekday service in Meppel and was subsequently called at a salary of fl. 2,500. In August, he accepted the call to Meppel.

Due to his wife’s illness, on medical advice, his arrival was postponed until December 22, 1918. On that Sunday, he was ordained into office at 10:00 a.m. and delivered his inaugural sermon at 5:00 p.m. He served as the sole ‘gereformeerde’ minister in Meppel for over two years.

The Second Minister’s Position.

On May 22, 1921, the second minister’s position was finally filled by Rev. D.J. Couvée (1889–1978) from Ridderkerk. When Rev. Couvée departed in March 1924, the second ministerial position was retained, with Rev. B. Hagenaar (1894–1971) from Warffum being ordained as his successor.