De Gereformeerde Kerk in het Zeeuwse Serooskerke op Walcheren ontstond in februari 1897, toen de gemeenten uit Afscheiding en Doleantie werden verenigd tot De Gereformeerde Kerk te Serooskerke.

1. De Afscheiding in Serooskerke.
De Christelijke Afgescheidene Gemeente te Middelburg had rond 1845 ongeveer veertig leden in het dorp Serooskerke, ten zuiden van de Zeeuwse hoofdstad. Weliswaar konden de Serooskerkers op zondag lopend in Middelburg komen – ze liepen dan via het dorp Sint Laurens – maar de afstand naar de Middelburgse Gasthuiskerk was toch behoorlijk groot. De Middelburgse kerkenraad besefte dat. Dit was dan ook de reden dat het college in 1851 een ouderling richting Arnemuiden, Nieuwland en Serooskerke stuurde om daar op gezette tijden catechisaties te geven.
In de winter van 1851 op 1852 vroegen de Afgescheidenen in Serooskerke toestemming om op de zondagen dat in Middelburg geen predikant in de kerkdienst voorging (maar er ‘preeklezen’ door een ouderling was), eigen diensten in het eigen dorp te mogen houden. Dat kon, want Willem Janse had daarvoor namelijk een ruimte ter beschikking gesteld. De opbrengst van de collecte voor de armen ging dan – zo beloofden de Serooskerkers – gewoon naar de gemeente in Middelburg. De kerkenraad stemde er mee in.

Een eigen houten kerkje (1864).
Kennelijk bevielen die eigen kerkdiensten in het dorp goed, want hoe langer hoe meer gingen stemmen op om de kerkenraad te vragen in Serooskerke een eigen Afgescheiden Gemeente te institueren. Steeds meer mensen werden in het dorp en in de omgeving namelijk aangetrokken door het Evangelie. Dat bleek ook duidelijk toen de schuur van Janse te klein werd om hun allen onderdak te bieden. Daarom bouwde men in 1864 met toestemming van de kerkenraad in Serooskerke een eenvoudig houten vergaderlokaal (waarvan overigens geen foto bekend is). Het stond op de locatie van de latere pastorie.
De plannen werden langzamerhand werkelijkheid, al duurde het nog een paar jaar. Tijdens de Provinciale Vergadering van april 1864 kon ds. H. Renting (1825-1891) van Middelburg namelijk meedelen dat in Serooskerke over enige tijd een zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente gesticht zou worden en dat men alvast bezig was een eenvoudig kerkje te bouwen, dat binnenkort in gebruik genomen zou worden. De aanwezigen waren ‘innig verheugd’. Ds. Renting nodigde de classispredikanten ook uit om er af en toe eens te gaan preken. Van Goes was ds. A. de Bruijne (1810-1877) aanwezig, van Baarland ds. P. den Boer (1828-1901), uit Wolphaartsdijk ds. H.H. Middel (1802-1882), uit Nieuwdorp was ds. C. Steketee (1819-1882) present, uit Zierikzee ds. H.A. Jonkman (1825-1898), uit Vlissingen ds. P. Diermanse (1822-1912) en uit (Ter) Neuzen tenslotte ds. S.O. Los (1803-1882). Ze stemden er allen mee in. En ook beloofden ze ‘zoo veel dit voor hen doenlijk is ook daar het visnet des Evangelies uit te werpen’.

Toen kon op zondag 1 mei 1864 het houten kerkje in gebruik genomen worden. De eerste dienst werd uiteraard geleid door ds. Renting. Daar preekte hij over Haggaï 2 de verzen 4 en 5, onder ‘de grootste belangstelling’ aangehoord door ‘eene talrijke schaar’. De preek ging dus over Haggaï’s opwekking om de tempel te herbouwen al zou die nooit zo mooi kunnen worden als de vroegere, verwoeste tempel.

De Christelijke Afgescheidene Gemeente geïnstitueerd (1864).
Toen het kerkgebouw eenmaal in gebruik genomen was werd het ook tijd om de Christelijke Afgescheidene Gemeente te institueren. Ook daarbij had ds. Renting de leiding. Dat gebeurde op woensdag 3 augustus 1864. Bij die gelegenheid preekte hij over Handelingen 14 de verzen 22 en 23, waarin voorzegd werd dat het binnengaan in het Koninkrijk Gods plaatsvindt ‘door vele verdrukkingen heen’. Daarbij konden ‘standvastigheid, lijdzaamheid en Christelijke verordeningen’ niet ontbreken, zo zei de predikant. Na de dienst werd aan de manslidmaten gelegenheid gegeven ouderlingen en diakenen te kiezen. De 49-jarige landbouwer Bartel Meijers en de 40-jarige akkerbouwer en veehouder Jacobus de Wolf werden verkozen als ouderling, terwijl als diakenen werden aangewezen Willem de Wolf, 38 jaar oud en landbouwer (hij was al diaken in Middelburg en hoefde dus niet opnieuw in het ambt bevestigd te worden), en de 55- jarige winkelier Hendrik Broerse.
De eerste predikant: ds. D. de Pree (van 1866 tot 1870).

De eerste tijd was niet zonder problemen. Er was aanvankelijk nog geen predikant en dus werden ‘leesdiensten’ gehouden, waarbij ouderlingen een preek van een orthodoxe predikant voorlazen. Ook ouderling Meijers deed dat, maar over hem kwam de klacht binnen dat hij de preek zo onduidelijk voorlas. Gelukkig kon diaken H. Broerse het naar hun mening beter. In ieder geval probeerde de kerkenraad nu snel een eigen predikant te krijgen.

Dat lukte met de komst van de 38-jarige kandidaat Daniël de Pree (1832-1891), die voor die tijd in de Afgescheiden Gemeente van Sluis ouderling geweest was en later naar Kampen ging om daar voor dominee te studeren. Op 4 november 1866 werd hij in het ambt bevestigd door ds. H.H. Middel van Wolphaartsdijk met een preek over 1 Petrus 5 de verzen 2 tot 4: “Weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang, maar gewillig, noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed.“ ‘s Middags deed ds. De Pree intrede met een preek over Efeze 6 vers 19: “Biddende voor mij opdat mij het woord gegeven wordt in de opening mijns monds met vrijmoedigheid om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken”.
Hoe het kerkelijk leven zich verder ontwikkelde.
Het was de taak van de kerkenraad de levenswandel van de gemeenteleden in de gaten te houden. Ook in Serooskerke vatte de kerkenraad die taak serieus op. Iemand die vloekte moest schuldbelijdenis doen en als iemand de Rijksslachtbelasting had ontdoken kwam hij daarvoor evenzeer in aanmerking, ook tijdens de kerkdienst in de kerk. Van gemeenteleden werd uiteraard verwacht dat ze de kerkdiensten trouw bezochten; een in dat opzicht ‘slordige levenswandel’ werd in de kerkenraad serieus besproken en het gemeentelid werd gegarandeerd vermaand.
De predikant ging bij zijn gemeenteleden op bezoek tegen de tijd dat het Heilig Avondmaal gevierd zou worden. Waren er ruzies? Die dienden voor het Nachtmaal te zijn opgelost. Anders kon men van het avondmaal afgehouden worden.
De predikant werd al gauw betrokken bij het werk in de Afgescheiden Gemeenten in de omtrek. Op 9 september 1867 werd hem gevraagd de nieuwe predikant van Middelburg te bevestigen. Het was ds. A. Littooij (1834-1909). Daaraan voldeed hij, en als ‘beloning’ vroeg hij geen financiële vergoeding (zoals dat voor de vervulling van een preekbeurt vaak gewoonte was), maar vroeg hij de nieuwe predikant eens in Serooskerke te komen preken.

Ook verder het land in was ds. De Pree opgevallen. Nog maar twee jaar in Serooskerke werkzaam ontving hij de eerste beroepen, die van Sneek en van Velp. Voor beide bedankte hij.
In maart 1868 hadden de Afgescheidenen van Bergen op Zoom hun vergrote kerkgebouw in gebruik genomen, waarbij ds. De Pree de leiding had. Dat was bij de Bergen op Zoomse ouderling Vetten kennelijk goed in de smaak gevallen, want toen ds. De Pree voor de beroepen van Sneek en Velp had bedankt schreef hij een felicitatiebrief aan de kerkenraad van Serooskerke in verband met het feit dat ds. De Pree in Serooskerke bleef.
In de gemeente van Serooskerke deed een behoorlijk aantal gemeenteleden (vaak, maar niet altijd, jongeren) belijdenis van het geloof. Daarvoor was eens per jaar gelegenheid. In 1868 waren het er acht, in het jaar daarop weer acht en in 1869 vier.
Een nieuw kerkgebouw (1868).

De gemeente groeide dus. Geen wonder dat het houten gebouw op het laatst niet meer geschikt was om plaats te bieden aan alle kerkgangers. In 1868 ontstonden dus plannen om een stenen kerk te bouwen. Tijdens de bouw van de nieuwe kerk werden de diensten gehouden in een oude vlasschuur. De nieuwe kerk kon op 20 december 1868 in gebruik genomen worden; het kerkgebouw stond naast het oude houten gebouwtje. De eerste steen werd op 8 juli 1868 door de predikantsvrouw gelegd; haar naam is vereeuwigd in een gedenksteen. Op de andere steen stond de naam: ‘Den 8sten Juli 1868 Eben Haezer’. Ds. De Pree preekte bij die gelegenheid over Efeze 2 vers 19 tot 22, waarin Paulus aangeeft dat de Kerk gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten en dat Jezus Christus de Hoeksteen is. Ook ds. Littooij was bij de ingebruikneming van de nieuwe kerk aanwezig.

“Christelijke Gereformeerde Gemeente” (1869).
* Een korte terugblik:
Rond 1838 ontstond in ons land de ‘Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis’, bestaande uit een betrekkelijk klein aantal Afgescheiden Gemeenten die zich (geheel of deels) afsplitsten van de Christelijke Afgescheidene Kerk. Ze hadden onder meer bezwaar tegen het feit dat veel Afgescheiden Gemeenten bij de landelijke overheid ‘zomaar’ vrijheid van godsdienst aanvroegen om onder de vervolgingen van de overheid uit te komen. Een van de voorwaarden voor die overheidserkenning was dat men de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde diende af te schaffen en een voor de overheid aanvaardbare kerkorde naar Den Haag te sturen. Die vond men in de ‘Utrechtse Kerkorde’ van ds. H.P. Scholte (1805-1868), een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land. De bezwaarden wilden de Dordtse Kerkorde echter niet loslaten en vormden toen een eigen kerkverband, ‘De Gereformeerde Kerk onder ‘t Kruis’, kortheidshalve ook de ‘Kruiskerken’ genoemd.

Maar zo’n dertig jaar later waren de door de overheid gestelde eisen niet meer actueel en konden de beide kerkgenootschappen onderhandelingen beginnen over de eenwording. Dat lukte in juni 1869. Afgesproken werd dat de verenigde kerk een nieuwe naam kreeg: ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Daarmee was de kerkenraad van Serooskerke het eens en men sloot zich bij de verenigde kerk aan. Haar nieuwe naam was dus ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Serooskerke’.
Het ledental van de gemeente groeide. Telde de gemeente in 1869 nog ongeveer 191 leden, een jaar later waren het er al 250.
Ds. L. Tobi (van 1871 tot 1877).
Nadat ds. De Pree op 31 juli 1870 afscheid van Serooskerke genomen had en naar de gemeente van Middelburg vertrok, nam de kerkenraad uiteraard het beroepingswerk weer ter hand.
Leonard Tobi (1832-1888) was vanaf juni 1859 werkzaam als zendeling op de Molukken, maar ‘wegens lichaamszwakte’ werd hij gedwongen naar Nederland terug te keren. Hij vroeg toen aan de synodale commissie van de Christelijke Afgescheidene Kerk of hij als leraar of onderwijzer van toekomstige zendingspredikanten aan de kerk verbonden mocht worden. De synode van Amsterdam (1866) gaf hem echter het recht om gedurende een jaar in vacante gemeenten te preken, maar zonder het recht de sacramenten te bedienen.

De classis Amsterdam examineerde hem vervolgens op 17 en 18 juli 1867 en stelde hem beroepbaar. Achtereenvolgens diende hij de gemeenten van Delft en Vlissingen, tot hij op 16 april 1871 bevestigd werd als predikant van Serooskerke. Daaraan bleef hij zes jaar verbonden, toen hij naar Tholen ging.
In 1876 dreigde de hervormde zondagsschool leeg te lopen omdat de ouders hun kinderen naar de zondagsschool van de Afgescheiden Gemeente lieten gaan. Om dit tegen te gaan trachtte de hervormde kerkenraad de teugels strakker aan te trekken en verzocht hij de ouders in de dorpskern hun kinderen er weer naar toe te sturen.
Ds. Tobi nam op 22 april 1877 afscheid.
Ds. S. de Jager (van 1878 tot 1914).
De opvolger van ds. Tobi trad al vrij snel aan. Op 7 april 1878 deed ds. S. de Jager (1836-1914) uit Murmerwoude intrede.

“Hij was een waardig dienaar des Heeren en was middelmatig van lengte, stevig gebouwd en met een deftig uiterlijk. Zijn oogen waren een afspiegeling van zijn zacht en degelijk karakter en zijn lichamelijke en geestelijke vermogens waren geadeld door zijn liefde tot den Heiland. Onder al de verwarring welke er soms was, heeft hij nooit zijn zelfbeheersing verloren. Nooit liet hij zich verlokken tot onvoorzichtige uitlatingen en onbezonnen uitvallen”, zo schreef ds. L. Bouma (1855-1935) in het Handboek 1916 ten dienste van De Gereformeerde Kerken.
Maar al lang voor die tijd, op 18 februari dat jaar, preekte hij voor het laatst, omdat zijn gezondheid hem in de steek liet. ‘Een aanval van beroerte noopte hem emeritaat aan te vragen, wat hem per 1 december 1914 verleend werd’. Ruim drie weken later, op 24 december 1914, overleed hij.

Nóg een Gereformeerde Kerk in Serooskerke op komst…
Tijdens het predikantschap van ds. De Jager in Serooskerke was in de landelijke hervormde kerk nog steeds een ‘strijd voor kerkherstel’ aan de gang. Velen vonden dat de Algemene Synode van de Hervormde Kerk veel te veel macht had (men sprak al gauw van ‘synodale hiërarchie’) en bovendien vond men dat de kerkelijke besturen nauwelijks of niet optraden tegen de voortwoekerende vrijzinnigheid in de hervormde kerk. Daaruit ontstond in 1886 de Doleantie, de tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk, onder leiding van vooral dr. A. Kuyper (1837-1920). In 1892 verenigden de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Dolerende Kerken van dr. Kuyper zich tot De Gereformeerde Kerken in Nederland.

In Serooskerke ontstond ook een Dolerende Kerk (officieel heette die ”Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)” ds. De Jager speelde een belangrijke rol in de plaatselijke vereniging van beide gemeenten, zodat ook in Serooskerke in februari 1897 De Gereformeerde Kerk ontstond. Het wordt dus hoog tijd na te gaan hoe de Doleantie in Serooskerke verliep en hoe De Gereformeerde Kerk er tot stand kwam.
© 2025. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
Secession and Doleantie in Serooskerke (1).
The ‘Gereformeerde’ Church in the Zeeland village of Serooskerke on the island of Walcheren came into being in February 1897, when the congregations originating from the Afscheiding (Secession) and the Doleantie (Grievance Movement) were united to form The ‘Gereformeerde’ Church of Serooskerke.
1. The Secession in Serooskerke.
Around 1845, the Christian Seceded Congregation of Middelburg had about forty members living in the village of Serooskerke, south of the Zeeland capital. The people of Serooskerke could, of course, walk to Middelburg on Sundays—usually via the village of Sint Laurens—but the distance to the Middelburg “Gasthuiskerk” was still quite considerable. The Middelburg church council realized this. For that reason, in 1851, the consistory sent an elder in the direction of Arnemuiden, Nieuwland, and Serooskerke to conduct catechism classes there.
During the winter of 1851–1852, the Seceders in Serooskerke asked permission to hold their own Sunday services in their village on the Sundays when no minister was preaching in Middelburg (but instead, an elder read a sermon). Willem Janse had made a space available for that purpose. The proceeds of the collection for the poor, they promised, would still go to the Middelburg congregation. The church council agreed.
Their own wooden church (1864).
Apparently, those local services were well received, because more and more voices were raised to ask the church council to establish a separate Seceded congregation in Serooskerke. More and more people in and around the village were being drawn to the Gospel. This became especially clear when Janse’s barn became too small to accommodate everyone. Therefore, in 1864, with the permission of the church council, a simple wooden meeting hall was built in Serooskerke (no photograph of it is known). It stood on the site where the later parsonage would be built.
Plans slowly became reality, though it still took a few years. During the Provincial Assembly in April 1864, Rev. H. Renting (1825–1891) of Middelburg was able to announce that in Serooskerke, a separate Christian Seceded Congregation would soon be established and that an unpretentious church building was already under construction and would soon be in use. “Those present were deeply delighted.” Rev. Renting also invited the ministers to come and preach there from time to time. Present were Rev. A. de Bruijne (1810–1877) from Goes, Rev. P. den Boer (1828–1901) from Baarland, Rev. H.H. Middel (1802–1882) from Wolphaartsdijk, Rev. C. Steketee (1819–1882) from Nieuwdorp, Rev. H.A. Jonkman (1825–1898) from Zierikzee, Rev. P. Diermanse (1822–1912) from Vlissingen, and finally Rev. S.O. Los (1803–1882) from (Ter) Neuzen. They all agreed and promised “so far as it is possible for them also there to cast out the net of the Gospel.”
Thus, on Sunday, May 1, 1864, the wooden church could be brought into use. The first service was naturally conducted by Rev. Renting, who preached on Haggai 2:4–5, heard “with the greatest interest” by “a large throng.” The sermon dealt with Haggai’s call to rebuild the temple, even though it could never be as beautiful as the earlier, destroyed one.
The congregation formally instituted (1864).
Once the church building was in use, it was also time to formally establish the Christian Seceded Congregation. Rev. Renting again led the occasion, which took place on Wednesday, August 3, 1864. He preached on Acts 14:22–23, where it is said that entry into the Kingdom of God comes “through many tribulations.” “Steadfastness, patience, and Christian ordinances,” said the minister, “cannot be lacking.” After the service, the male members were given the opportunity to elect elders and deacons. The 49-year-old farmer Bartel Meijers and the 40-year-old arable farmer and cattle breeder Jacobus de Wolf were chosen as elders, while the 38-year-old farmer Willem de Wolf (already a deacon in Middelburg, so he did not need to be re-ordained) and the 55-year-old shopkeeper Hendrik Broerse were chosen as deacons.
The first minister: Rev. D. de Pree (1866–1870).
The early period was not without problems. At first there was no minister, and so “reading services” were held, in which elders read sermons by orthodox ministers. Elder Meijers did so, but complaints arose that he read so unclearly. Fortunately, Deacon H. Broerse was thought to do better. In any case, the church council tried to obtain a minister of their own.
That succeeded with the arrival of the 38-year-old candidate Daniël de Pree (1832–1891), who had previously been an elder in the Seceded congregation of Sluis and had later gone to Kampen to study for the ministry. On November 4, 1866, he was ordained by Rev. H.H. Middel of Wolphaartsdijk, who preached on 1 Peter 5:2–4:
“Feed the flock of God which is among you, taking the oversight thereof, not by constraint, but willingly; not for filthy lucre, but of a ready mind.”
In the afternoon, Rev. De Pree preached his inaugural sermon on Ephesians 6:19:
“Pray for me, that utterance may be given unto me, that I may open my mouth boldly, to make known the mystery of the gospel.”
Further development of church life.
It was the task of the church council to keep an eye on the conduct of the congregation members. In Serooskerke, too, the church council took that task seriously. Anyone who cursed had to make a confession of guilt, and anyone who had evaded the national slaughter tax was equally held accountable — even in church. Congregation members were expected to attend church services faithfully; a “careless lifestyle” in that regard was taken seriously by the church council, and the member in question would be admonished.
The minister would visit his congregation members around the time the Lord’s Supper was to be celebrated. Were there quarrels? Those had to be resolved before Communion. Otherwise, one could be barred from participating in the sacrament.
The minister soon became involved in work among the surrounding Seceded congregations. On September 9, 1867, he was asked to ordain the new minister of Middelburg, Rev. A. Littooij (1834–1909). He did so, and as a “reward” asked no financial compensation (as was often customary for filling a preaching engagement), but instead requested that the new minister come and preach once in Serooskerke.
Elsewhere in the country, too, Rev. De Pree’s work had been noticed. After only two years in Serooskerke, he received calls from Sneek and from Velp, both of which he declined.
In March 1868, the Seceders of Bergen op Zoom brought their enlarged church into use, with Rev. De Pree leading the service. Elder Vetten of that congregation must have been impressed, because after hearing that Rev. De Pree had declined the calls from Sneek and Velp, he wrote a congratulatory letter to the Serooskerke church council, rejoicing that their minister was staying.
Each year there was an opportunity for members—often but not always young people—to make public profession of faith. In 1868 there were eight; the following year eight again; and in 1869 four.
A new church building (1868).
The congregation was growing, and no wonder the wooden building eventually became too small. Thus in 1868, plans arose to build a stone church. During construction, services were held in an old flax barn. The new church was dedicated on December 20, 1868; it stood next to the old wooden structure. The foundation stone was laid on July 8, 1868, by the minister’s wife; her name was recorded on a memorial stone. On another stone was inscribed: “On the 8th of July 1868, Eben Haëzer.” On that occasion, Rev. De Pree preached on Ephesians 2:19–22, in which Paul declares that the Church is built upon the foundation of the apostles and prophets, Jesus Christ Himself being the chief cornerstone. Rev. Littooij was also present at the dedication.
“Christian Reformed Congregation” (1869).
- A brief look back:
In 1838, a separate denomination called The ‘Gereformeerde’ Church under the Cross arose in the Netherlands, consisting of a relatively small number of Seceded congregations that had broken away from the Christian Seceded Church. They objected, among other things, to the fact that many Seceded congregations had simply requested freedom of religion from the national government in order to escape persecution. One of the government’s conditions for legal recognition was that the old ‘gereformeerde’ Church Order of Dordt be abolished and that a new, government-acceptable church order be submitted to The Hague. That was found in the “Utrecht Church Order” of Rev. H.P. Scholte (1805–1868), one of the first Seceded ministers in the country. But the objectors refused to abandon the Dordt Church Order and therefore formed their own denomination, The Reformed Church under the Cross, often simply called the “Cross Churches.”
About thirty years later, the government’s restrictive conditions were no longer relevant, and negotiations for union between the two bodies could begin. These succeeded in June 1869. It was agreed that the united church would bear a new name: Christian Reformed Church. The church council of Serooskerke agreed and joined the united church. Its new name thus became Christian Reformed Congregation of Serooskerke.
The congregation grew in membership. In 1869, it counted about 191 members; a year later already 250.
Rev. L. Tobi (1871–1877).
After Rev. De Pree said farewell to Serooskerke on July 31, 1870, to move to Middelburg, the church council naturally resumed the search for a new minister.
Leonard Tobi (1832–1888) had served as a missionary in the Moluccas from June 1859, but “due to physical weakness” was forced to return to the Netherlands. He asked the synodal committee of the Christian Seceded Church whether he might be attached to the church as teacher or instructor of future missionary ministers. The Synod of Amsterdam (1866) instead authorized him to preach for a year in vacant congregations, though without the right to administer the sacraments. The Amsterdam classis examined him on July 17–18, 1867, and declared him eligible for a call. He successively served the congregations of Delft and Vlissingen until, on April 16, 1871, he was installed as minister of Serooskerke. He remained six years, departing for Tholen in 1877 and preaching his farewell sermon on April 22 that year. Little is known about his work there.
Rev. S. de Jager (1878–1914).
His successor soon took up the work. On April 7, 1878, Rev. S. de Jager (1836–1914) from Murmerwoude was installed. “He was a worthy servant of the Lord. He was of medium height, sturdily built, and with a dignified appearance. His eyes reflected his gentle and solid character, and his bodily and spiritual powers were ennobled by his love for the Savior. Amid all the confusion that sometimes arose, he never lost his self-control. Never did he allow himself to be drawn into rash remarks or thoughtless outbursts,” wrote Rev. L. Bouma (1855–1935) in the Handbook 1916 for The ‘Gereformeerde’ Churches.
Long before that time, however—on February 18 of that year—he had preached for the last time, as his health failed. “A stroke forced him to request emeritus status, which was granted as of December 1, 1914.” Just over three weeks later, on December 24, 1914, he passed away.
Yet another ‘Gereformeerde’ Church in Serooskerke in the making…
During Rev. De Jager’s pastorate in Serooskerke, a “struggle for church reform” was going on within the national ‘Hervormde’ Church. Many believed that the General Synod of the ‘Hervormde’ Church had far too much power (it was soon called “synodal hierarchy”) and that the church boards did little or nothing to act against the spreading liberalism within the denomination. From this arose, in 1886, the Doleantie—the second orthodox exodus from the Reformed Church—led primarily by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920).
In 1892, the Christian Reformed Church and the Dolerende Churches of Dr. Kuyper united to form The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (De Gereformeerde Kerken in Nederland).
A Dolerende Church also arose in Serooskerke; Rev. De Jager played an important role in the local union of the two congregations, so that in Serooskerke, too, The Reformed Church was established in February 1897.
It is therefore high time to look into how the Doleantie unfolded in Serooskerke and how The Reformed Church came into being there.
