Een korte terugblik.
( < Naar deel 2 – Back to Part 2 ) – Welke gereformeerde predikanten stonden er na de plaatselijke ‘Vereniging’ van ‘Kerk A’ en ‘Kerk B’ nu eigenlijk in De Gereformeerde Kerk te Kampen?

Dat waren achtereenvolgens de twee Christelijke Gereformeerde predikanten (van Kerk A): ds. J. Bavinck (1826-1909), die hier al in 1873 gekomen was, en ds. G. Elzenga (1856-1918), die hier in 1891 intrede deed; en tenslotte ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926), die als Dolerend predikant in 1893 naar Kampen gekomen was. Gedrieën maakten ze tevens deel uit van de redactie van de Kamper Kerkbode ten dienste van De Gereformeerde Kerk, waarvan in januari 1896 het eerste nummer verscheen. Daarin werd meegedeeld dat de Gereformeerde Kerk te Kampen inmiddels uit zo’n negenhonderd huisgezinnen bestond (verdeeld over drie wijken), waaronder ook ‘veel personen die overkwamen uit de Hervormde Kerk’.
De Christelijke Gereformeerde Gemeente (1892).
Nog voordat in Kampen de Kerken ‘A’ en ‘B’ bij elkaar kwamen (in 1895), splitste zich een aantal leden zich van ‘Kerk A’ af. Daardoor werd op 26 december 1892 de [‘voortgezette’] ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ in Kampen ‘opgericht en op 15 januari 1893 geïnstitueerd’, door de bevestiging van de kerkenraad (en dat is de officiële stichtingsdatum van een kerk).
Een student van de Theologische School in Kampen had bezwaar gehad tegen de ‘Vereniging van 1892’). Dat was student P.J.M. de Bruin (1868-1946). Samen met anderen belegde hij op 26 december 1892 een vergadering op een niet nader genoemde plek. Daar werd door elf mannen dus besloten over te gaan tot het oprichten van de wat genoemd werd ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Gemeente, als afscheiding van ‘Kerk A’.

De ‘verontrusten’ hadden bezwaren tegen de ‘Vereniging’ met de Dolerenden. Door met die ‘Ineensmelting’ akkoord te gaan, zo zeiden ze, had de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1892 het kerkelijk standpunt van de Afscheiding van 1834 verlaten. Bovendien hadden de ‘verontrusten’ bezwaren tegen de leer van prof. Kuyper, vooral tegen ‘de leer van de veronderstelde genade als grond van den doop, en de leer der eeuwige rechtvaardigmaking’. De gereformeerde kerkenraad ontkende die redenen natuurlijk.
Hoe dan ook, tijdens die vergadering werd een kerkenraad gekozen met twee ouderlingen en twee diakenen. Op 15 januari 1893 werden de kerkenraadsleden bevestigd door ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) uit Zetten. De nieuwe gemeente telde op dat moment zestien manslidmaten plus hun vrouwen en kinderen, in totaal ongeveer honderd personen. Hun eerste predikant ontvingen ze op 9 oktober 1898 in de persoon van ds. M. Schouten.

Toen professor D.K. Wielenga (1841-1902) van de Theologische School in november dat jaar een gesprek had met de predikant van de ‘voortgezette’ Chr. Geref. Gemeente, constateerde de professor dat ds. Schouten ‘geen ja durfde zeggen op de vraag of de Gereformeerde broeders als ketters beschouwd moesten worden. Hierdoor had hij natuurlijk zijn eigen vonnis getekend’, vond prof. Wielenga.

De periode tot 1918.
Geleidelijk werden de in beide kerken levende gewoonten gelijk getrokken. Zo gebruikten de kerkgangers in de Burgwalkerk bij het avondmaal ‘gewone wijn’, terwijl in de Dolerende Hagenpoortkerk ‘betere’ wijn geschonken werd. ‘Besloten wordt [in 1896] de wijn zoveel mogelijk gelijk te doen zijn, doch niet van de dure soort van fl. 1,60 te nemen, maar bijv. gemengd, rood en wit’.
Mochten de diaconale ‘bedeelden’ gebruik maken van het kiesrecht op grond van de nieuwe kieswet-Van Houten die in 1896 door de Staten-Generaal werd aangenomen? Mannen kregen stemrecht als ze aan bepaalde eisen voldeden (afgeleid van bijvoorbeeld inkomen, opleiding of maatschappelijke positie). Formeel hadden diakenen daar geen rol in—zij bepaalden niet wie mocht stemmen. Diakenen waren verantwoordelijk voor armenzorg binnen de kerk. Zij wisten precies wie steun kreeg. Omdat afhankelijkheid van armenzorg vaak betekende dat iemand niet voldeed aan de “zelfstandigheid” die impliciet werd verwacht voor kiesrecht, hadden diakenen indirect invloed op wie als “kiesgerechtigd” werd gezien.

Enkele aspecten van het kerkelijk leven in het kort.
In 1898 gaf de kerkenraad opdracht het archief van de kerk in orde te maken ’en zoveel als mogelijk alle bescheiden te verzamelen en samen te voegen’. —⊕— In 1900 heerst in gereformeerd Kampen de vrees dat de generale synode zou besluiten tot het opheffen van de Theologische School, ten faveure van de ‘dolerende’ Vrije Universiteit in Amsterdam. De kerkenraad dacht er daarom zelfs over na niet meer voor de Vrije Universiteit te collecteren, waarover de synode hem een vermanende brief zond… —⊕— De Bijzondere Kerkenraad (alleen met ouderlingen) ging over het Opzicht en de tucht. Hij moest leer en leven van de gemeenteleden in de gaten houden. ‘De notulen van de Bijzondere Kerkenraad lijken soms wel een bundel schelmenverhalen, grote ‘schelmen’ een enkele keer, kleine ‘schelmen’ verreweg het meest’. Zo kwamen aan de orde gemeenteleden met drankproblemen, gemeenteleden die zich niet hielden aan de zondagsrust, die in echtscheiding lagen of dreigden te geraken, leden die zondigden tegen het zevende gebod, leden die zich bezighielden met gokken, met de loterij, met dansen, en met wat al niet. Soms (of vaak) volgde censuur, zoals afhouding van het avondmaal, en het doen van schuldbelijdenis om weer onder de censuur uit te komen. —⊕— De kerkenraad waarschuwde regelmatig tegen het kermisvermaak, tegen de praktijk van het Neo-Malthusianisme, dat pleitte voor geboortenbeperking. —⊕— Ook werd in die tijd zo nu en dan gediscussieerd over de vraag of gereformeerden eigenlijk bij anderen dan geloofsgenoten hun boodschappen konden doen. —⊕– In september 1900 werd in de kerkenraad verzucht dat ‘vele, zeer vele doopleden, ook der Gereformeerde Kerken ongeregeld wandelen’, waarmee onder meer bedoeld werd dat ze de kerkdiensten nogal eens links lieten liggen (duurden de diensten te lang?). In 1904 besloot de kerkenraad zulke dwalende leden op niet nader genoemde wijze te zullen vermanen, en daarna werd over elk individueel geval afzonderlijk geoordeeld. Uiteindelijk zou de kerkenraad kunnen besluiten dat ze niet meer tot de kerk zouden behoren.
De dominees en de kerkgang.

De twee kerken, de Burgwalkerk en de Hagenpoortkerk, werden te klein om de groeiende gemeente te huisvesten. Vandaar dat al in 1907 plannen gemaakt werden voor nieuwbouw, waaruit in 1912 de Nieuwe Kerk aan de Broederweg voortkwam (tegenwoordig in gebruik bij de Nederlandse Gereformeerden). De diensten duurden ook daar ongeveer anderhalf uur, waarbij de preek naar gewoonte door een ‘tussenzang’ in twee delen gesplitst werd (alle te zingen psalmen werden overigens voorafgaande aan het zingen integraal voorgelezen).
De oudste predikant was ds. J. Bavinck, die op 25 januari 1903 afscheid nam en van wie de afscheidspreek in druk uitgegeven werd. Tijdens zijn bediening was de gemeente in Kampen volgens hem uitgegroeid tot ‘eene groote schare’. De predikant vroeg zijn toehoorders zichzelf nauwkeurig te onderzoeken en zich af te vragen ‘of de arbeid der genade, die aan u is besteed, ten zegen is geweest en of de prediking bij u ook vrucht heeft gedragen, des geloofs en der bekering waardig’. Die typisch piëtistische vroomheid, bij alle drie de Kamper predikanten voelbaar, demonstreert duidelijk de ‘ligging’ van de Kamper Gereformeerde Kerk in die tijd. De bekende predikant ds. J. Waterink (1890-1966) beschreef op deze website in ‘Kampen rond 1904’ de kerkelijke sfeer in Kampen tijdens zijn studententijd, rond de eeuwwisseling.
Ds. G. Wisse (van 1909 tot 1912).

Ds. Bavinck werd in 1903 opgevolgd door ds. N. Schuurman (1859-1933) uit Alphen aan den Rijn. Hij diende ongeveer zes jaar in Kampen. Daarna kwam ds. G. Wisse (1873-1957) uit Driebergen. Maar voordat hij intrede deed moesten er veel hobbels genomen worden. Hij stelde nogal wat eisen en vond trouwens ook het traktement onvoldoende. Hij zou dus wel voor het beroep bedanken, dacht men. Maar nadat de kerkenraad enkele concessies deed deelde de predikant mee dat hij ‘na biddend opzien tot den Heere’ het beroep zou aannemen.
De predikant stond ook bekend om zijn zgn. ‘tijdredes’. Toen de Titanic in 1918 in de golven verdwenen was preekte hij over De Titanic en de Ark. Iedereen had altijd gedacht dat de Titanic het summum van veiligheid was, maar – zo zei de predikant – Noachs Ark was de ‘ware Ark der behoudenis’. De predikant had volle kerken. Toen hij op de maandag 21 oktober 1912 op het station onder grote belangstelling de stad verliet, werd hem psalm 121 vers 4 toegezongen.

Problemen…
De prediking van ds. Wisse sloeg zozeer aan, dat een aantal gemeenteleden, ook kerkenraadsleden, de prediking van de andere dienaren des Woords (Elzenga en Westerbeek van Eerten) veel minder bleken te waarderen. De problemen werden niet geringer toen ds. Wisse een beroep naar de Kerk van Bodegraven aannam. De kerkenraad kreeg verwijten dat men had geprobeerd het leven van de predikant in Kampen onmogelijk te maken. Toen enkele kerkenraadsleden op eigen houtje de kerkenraad bijeenriepen om het traktement van Wisse te verhogen – waardoor de predikant mogelijk zou blijven – werd zijn toelage inderdaad verhoogd, maar omdat andere ouderlingen de vergadering (terecht) onwettig achtten, werd het besluit ongeldig verklaard.
Na ds. Wisses vertrek ontstonden spanningen in de gemeente en in de raad. Anderzijds was ook een deel van de gemeente helemaal niet tevreden over Wisses optredens. Men vond de prediking van Wisse ‘te eenzijdig mystiek en dat ze de gemeente van haar vasten grond afsloeg’. Hoe dan ook, ouderling J.H. Kok (1871-1940), oprichter van de bekende uitgeverij, trachtte in een brochure de feiten van de zaak nuchter op een rijtje te zetten, maar het loste de problemen niet op.

Ouderling J.H. Landwehr kwam in die tijd met een brochure – ‘De kerkelijke actie te Kampen’, voorafgegaan door zijn ‘Open Brief’ met alle feiten op een rijtje – waarin hij kritiek uitte op sommige leerstellingen van dr. A. Kuyper, die zijns inziens steeds vaker op de gereformeerde kansels werden verkondigd. Daarbij doelde hij speciaal op Kuypers leer van het Supralapsarisme. De professoren van de Theologische School waren het overigens niet met Landwehr eens.
En dan komt in december 1912 ook nog een brief op poten bij de kerkenraad binnen van de vertrokken ds. Wisse zelf. Hij verzocht de kerkenraad dringend ieder die hem direct of indirect benadeelde te behandelen ‘zoals een gereformeerde kerkenraad behoort te doen’. In die tijd kwam ook de Open Brief van ouderling Landwehr in de kerkenraad aan de orde, waarin hij klaagde dat de zijns inziens afwijkende leerstukken van dr. Kuyper teveel op de preekstoel belandden. Een gesprek met Landwehr lukte niet, maar prof. A.G. Honig (1864-1940) hield in de Burgwalkerk een preek waarin hij, zonder Landwehr te noemen, waarschuwde voor de brochure van Landwehr. Op die behandeling werd trouwens ook kritiek geuit: hoorde dat vanaf de preekstoel te gebeuren?

De vrouw in Kampens kerk.
Geschiedschrijver Leih wijst er in zijn boek op dat over de vrouwen in de Gereformeerde Kerk van Kampen nauwelijks geschreven werd in de kerkelijke notulen, hoewel zij ‘achter de schermen’ veel voor de kerk deden. Denk alleen maar aan de activiteiten van de vrouwenvereniging. Ook wijst hij op het feit dat veel vrouwen niet eens aanwezig waren bij de doop van hun kind; vooral in kringen van de vroegere ‘Kerk B’ (uit de Doleantie) vond men dat de doop zo snel mogelijk moest plaatsvinden, of de moeder er nu bij kon zijn of niet.
Er werd door de dames ook aan evangelisatie gedaan. B. Wielenga vertelt in het boek De Reformatie van 1834 over zijn moeder: ‘Mijn moeder ging persoonlijk de goddeloze achterbuurt in, die grensde aan de achterzijde van onzen tuin in Kampen en noodigde de menschen hunne kinderen op de zondagsschool te haren huize te zenden [dat was de pastorie van prof. Wielenga van de Theologische School]. De achterkamer stroomde vol met voor een groot deel vieze, proletarische kinderen, aan wie zij Zondag aan Zondag het evangelie bracht’.
Ook werd in de Kamper Kerkbode zo nu en dan gemeld dat vrouwen en meisjes probeerden de jeugd van de straat te houden, terwijl ook het verenigingswerk van de vrouwen en de meisjes in de stad op gang kwam.

Het Interbellum (1918 tot 1940).
De heer Leih constateert dat in deze periode in Kampen het gezag van de predikanten langzaam maar zeker afnam en dat de kerkgang minder werd. Bovendien was na de Eerste Wereldoorlog de uitwerking van de economische crisis, die in 1929 begon – waardoor de handel vrijwel stil lag – nog lang niet uitgewerkt “Ook in de jaren ‘20 en ‘30 bestaat de Gereformeerde Kerk te Kampen voor het grootste deel uit eenvoudige, ongeletterde mensen, die het materieel niet al te goed hebben”, wat nog verergerd werd door de economische crisis die in oktober 1929 met de crash van Beurs van New York begon.
De bevindelijke en gemoedelijke vroomheid die spreekt uit de preken van de Kamper predikanten – eigen aan de vroegere ‘Kerk A’ – verdroeg zich nauwelijks met de dogmatische inborst van de volgelingen van dr. A. Kuyper. Toch werd ook die bevindelijkheid in de Kamper gemeente kennelijk minder, omdat steeds meer mensen hun heil gingen zoeken bij de ‘Gereformeerde Bond’ in de Hervormde Kerk, of bij de in 1892 in Kampen opgerichte ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Gemeente’.
Het Avondmaal werd door veel gemeenteleden heel serieus genomen. Kon je vanwege je zonden wel aangaan aan de Tafel des Heeren? Om die reden namen sommigen aan ‘de Disch des Heeren’ geen deel.
Er was nog iets gaande: de regering had plannen in werking gezet om de Zuiderzee in te polderen. Daardoor groeide ook de Gereformeerde Kerk van Kampen. Gereformeerden van een andere ‘snit’ vestigden zich in de stad. Daardoor veranderde de kerkelijke bevolking. De kerkwijk Zuid ontstond en de al bestaande wijk Brunnepe werd uitgebreid.
De kerkgebouwen.

In de wijk Brunnepe stond de eenvoudige en steeds minder geschikt geachte Hagenpoortkerk. De Nieuwe Kerk en de Burgwalkerk voldeden aan de gestelde eisen, maar voor Brunnepe wilde de kerkenraad in september 1927 een nieuwe kerk bouwen. Een half jaar later werd daartoe definitief besloten. De ‘eerste steen’ werd op 4 december 1929 gelegd door ds. C.N. Impeta. De bouw verliep vlot, en als naam voor de kerk werd uiteindelijk ‘Westerkerk’ gekozen. Op 1 oktober 1930 kon het nieuwe kerkgebouw in gebruik genomen worden.
De Hagenpoortkerk werd publiek verkocht met de bepaling dat het gebouw in de toekomst niet mocht worden gebruikt als café, danszaal, bioscoop, en ook niet voor het houden van toneelvoorstellingen. Er kwam een bakker in. Dat mocht wel.

Het aantal predikanten.
Het aantal predikantsplaatsen breidde intussen uit. Direct na de ‘ineensmelting’ van de Kerken ‘A’ en ‘B’ in 1895 waren er zoals al opgemerkt drie predikanten aan de kerk verbonden: ds. J. Bavinck (1826-1909) en ds. G. Elzenga (1856-1918); de van oorsprong dolerende predikant ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926) bezette sinds 1896 de derde predikantsplaats, opgevolgd door de predikanten M. Schuurman (1859-1933), G. Wisse (1873-1957) en H. Schoemakers (1873-1943). In augustus 1920 werd de vierde predikantsplaats ingesteld, die vervuld werd door ds. L. Kuiper (1868-1935). Een maand later, in september 1920, kwam ds. C.N. Impeta (1884-1937) naar Kampen, de predikant die de leiding had bij het ingebruiknemen van de Westerkerk.

Toen ds. Elzenga in 1918 met emeritaat ging ontving de kerkenraad een schrijven van 230 gemeenteleden, die een en andermaal verzochten ds. Wisse opnieuw te beroepen. Ouderling prof. L. Lindeboom (1845-1933) – van de Theologische School – vond die ‘actie’ niet in de haak, en de kerkenraad ging niet op het verzoek in.
“De sprekende slang en de bomen…”
Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960), gereformeerd predikant van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Zuid was in 1926, zonder daarbij de kerkenraad te betrekken, door de synode afgezet om zijn visie op de ‘zintuiglijke waarneembaarheid’ van de bomen en de sprekende slang in het paradijsverhaal. Hoewel de synode vond dat daaraan niet mocht worden getwijfeld, liet dr. Geelkerken dat in het midden.

In Kampen veroorzaakte de kwestie slechts kleine rimpelingen. Gemeentelid en gymnasiumleraar natuurkunde W.J.A. Schouten had tegen de synodale beslissing een bezwaarschrift ingediend. Er wordt in de kerkelijke notulen nauwelijks over geschreven, maar toen de leraar naar Arnhem verhuisde kwam de kwestie opnieuw bovendrijven, omdat men zich afvroeg of zijn houding ten opzichte van het paradijsverhaal ook in de attestatie aan de orde moest komen. Dat gebeurde inderdaad, al heeft hij er als zeer gewaardeerde leraar in Arnhems kerk geen last van gehad.
Ook enkele gemeenteleden wilden in september 1927 over de kwestie-Geelkerken graag eens met de kerkenraad spreken. Er kwam geen conflict uit voort, al had de kerkenraad geoordeeld dat de betreffende gemeenteleden de zaak niet helemaal in het juiste perspectief plaatsten.
Beroepingswerk.

In 1924 ging ds. Westerbeek van Eerten met emeritaat. Hij werd negen jaar later (!) opgevolgd door ds. J. de Waard (1903-1959) uit Rijnsburg, die op 19 maart 1933 intrede deed.
Kort daarop kwam ds. J. Overduin (1902-1983) uit Sleen naar Kampen. Hij deed op 6 juli 1933 intrede. Bij hem zaten de kerken vol. De predikant deed veel aan evangelisatie, ook onder – wat men noemt – ‘intellectuelen’. Ds. G. van Dooren (1911-1996) schreef over ds. Overduin dat ‘door zijn vurige prediking heel wat spinnewebben die in Kampens kerk, die mede door de jarenlange traditionele prediking waren gegroeid, wegblies’. Leih schreef: “Hij kon je onrustig maken, ja zelfs ondersteboven preken”.

Het was niet verwonderlijk dat het vele werk dat mede door zijn eigen optreden op hem af kwam, hem teveel werd en hij om een hulppredikant vroeg. De kerkenraad ging daar aanvankelijk niet in mee, maar toen hij een beroep van een andere kerk kreeg en vertrek dreigde, werd alsnog hulppredikant kandidaat Oostenbrink (1911-1975) benoemd.
Dr. R.J. Dam.
Ds. Overduin kreeg echter ook kritiek. Toen de predikant in 1935 een citaat aanhaalde uit de roman Rubber van de schrijfster Székely-Lulofs verliet rector R.J. Dam (1896-1945) van het Gereformeerd Gymnasium demonstratief de kerk, wat natuurlijk opzien baarde. De roman behelst een realistisch groepsportret van de koloniale samenleving in Indië: hoe mensen leefden, werkten en moreel veranderden onder invloed van geld, isolement en macht. De predikant gaf toe dat hij het daaruit gehaalde citaat beter niet had kunnen uitspreken (‘Wat Christus van ons eischt is niet ten diepste rechtzinnigheid, maar opening des harten’), maar de kerkenraad was het met hem eens dat de demonstratie van dr. Dam afkeurenswaardig was.
Dr. Dam had in 1937 opnieuw kritiek op een preek van ds. Overduin. Bij veel kerkenraadsleden was die kritiek tegen het zere been en ds. Overduin gaf aan dat het zenuwslopend was dat dr. Dam hem als het ware bespioneerde of hij ook iets ‘ongereformeerds’ in zijn preken kon vinden. “Het is tekenend dat bijna alle ouderlingen ds. Overduin overtuigd steunen tegen de principieel confessionele Dam”.

Sommigen naar een andere kerk?
In de jaren ‘20 en ‘30 nam het kerkbezoek wat af. In de kerkenraad werd gesuggereerd dat sommigen liever naar de gereformeerde bondsprediking in de hervormde kerk en naar de christelijke gereformeerde gemeente gingen; sommigen trokken zelfs naar een kerk in IJsselmuiden! Het leek erop dat velen sommige predikanten meden, ook ouderlingen…! Maar wat er aan te doen? Je kon de mensen niet dwingen! Vandaar dat de kerkenraad in augustus 1929 een vriendelijk verzoek aan de gemeenteleden deed uitgaan waarin gevraagd werd meer naar de middagdiensten te gaan. Moest er trouwens misschien ook meer huisbezoek gedaan worden? De voorstellen werkten niets uit. Zelfs na de inval van de Duitsers waren de kerken middelmatig bezet.
Ook andere tekenen van wereldgelijkvormigheid waren te zien. Ouderling Van Dooren hield een toespraak bij de christelijke gymnastiekvereniging, maar merkte daar dat door ‘vrijwel naakte mannen en bij ritmische oefeningen van meisjes berispelijke houdingen aangenomen werden’.
Er waren ook gemeenteleden die op zondag een krant in de bus kregen en anderen die op de Dag des Heeren een fietstocht maakten, zonder dat die ten doel had de kerk te bezoeken. Ook bleken veel jongeren niets af te weten van de Afscheiding en Doleantie. En wat te zeggen van de verschillende ‘bubbels’ (toen ‘standen’ genoemd) in de gemeente?
Het kerkelijk leven.

In 1924 werd de Nederlandsche Christelijke Radio Vereniging (NCRV) opgericht. Ds. Impeta waarschuwde er in de Kamper Kerkbode voor, dat de radio een gevaar voor de kerk kon betekenen. Zo zouden sommigen misschien op het idee komen om in plaats van naar de kerk te gaan, de preek van de radiodominee te beluisteren. Lekker makkelijk!
De kerkenraad had onder meer ook tot taak leer en leven van de gemeenteleden in het oog te houden (‘opzicht en tucht’ genoemd). Want er waren gedwongen huwelijken en de bioscoop had zijn intrede gedaan met films die schadelijk konden zijn. Ook het volgen van het onderwijs op de christelijke school was van groot belang. Ouderling Kruithof vertelde op de kerkenraad verhalen over jongeren die de openbare school hadden gevolgd en van het goede pad waren afgeraakt. De Kamper Kerkbode was er duidelijk over: ‘De ouders die zich hieraan schrikkelijk bezondigen’ dienden vermaand te worden.
’Ons Gebouw’.

Ds. Overduin was een sociaal voelend man. Het waren de crisisjaren ‘30. Ruim 1.200 werkloze Kampenaren moesten ‘stempelen’, zoals dat heette, om in aanmerking te komen voor ondersteuning door de burgerlijke gemeente. De rest van de dag was het vervelen geblazen. Daarom vond de predikant dat er een ruimte moest komen waar de mensen konden ontspannen, lezingen beluisteren en films (wel goeie, natuurlijk!) en dia’s konden bekijken. De kerk had het geld niet en daarom begon hij in de Kamper Kerkbode met de rubriek ‘Ons Gebouw’, waar hij om bijdragen vroeg voor het stichten van een lokaal. Na vier weken was er fl. 7.000 in kas en uiteindelijk kwam er fl. 10.000 binnen. Nadat de Algemene Kerkenraad toestemming gegeven had werd ‘Ons Gebouw’ gerealiseerd naast de Nieuwe Kerk!
De vakbeweging.
Begin 1929 ontving de kerkenraad een brief van een gemeentelid waarin stond dat sommige gereformeerden lid waren van de ‘moderne vakbeweging’, die uitging van de socialistische principes. Er waren er zelfs die lid waren van de communistische vakbond! Hoewel de kerkenraad lang daarvóór, in 1882, zeer wantrouwig stond tegenover het plan van een aantal gemeenteleden om een protestants-christelijke werknemersvereniging op te richten (‘Wordt daardoor het gezag niet aangetast?’), kon men zich later, in de jaren ‘20, van harte verenigen met dat idee, omdat dit immers tegenwicht kon bieden tegen de socialistische vakbeweging. Maar ds. Impeta waarschuwde tegen een ‘te groote machtsaanmatiging van de werknemers ten opzichte van de werkgevers’…
Kerk en politiek.

De meeste gereformeerden – ook in Kampen – stemden op de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), opgericht door dr. A. Kuyper. Maar op 11 december 1926 was ook de Christelijk-Democratische Unie (CDU) opgericht. De Christelijk-Democratische Unie was een kleine Nederlandse protestants-christelijke, linkse en antimilitaristische partij. De partij ontstond uit christen-socialistische groeperingen. In 1946 zou de CDU op in de latere Partij van de Arbeid (PvdA).
Lidmaatschap van die CDU werd door de kerkenraad niet op prijs gesteld; sterker, men was er tegen. Toch hadden zich al enkele gemeenteleden bij die partij aangesloten, die die alle bewapening afwees. Ook de generale synode keerde zich tegen de CDU, net als tegen de Nationaal-Socialistische Beweging (de NSB), die later met de Duitsers zou heulen. In 1936 besloot de synode namelijk dat het lidmaatschap van beide partijen niet verenigbaar was met het lidmaatschap van De Gereformeerde Kerken in Nederland. De synode vond dat het lidmaatschap ervan behoorde te worden gevolgd door kerkelijke censuur, als men zich van de vermaningen van de kerkenraad niets zou aantrekken.

Maar niet iedereen dacht er zo over. Toen prof. G.M. den Hartogh (1899-1959) in de Westerkerk uitsprak dat het lidmaatschap van de CDU ‘verraad tegen het Evangelie’ was, kwam er al snel een bezwaarschrift binnen. Als gevolg daarvan zou prof. Den Hartogh de gemeenteleden tijdens een tweetal avonden informeren over de doelstellingen van de CDU., om zijn uitlatingen op die manier te onderbouwen. Lang niet iedereen was het met de strakke houding van Den Hartogh eens. Van de kansel behoorde niet aan politiek te doen en de uitspraak ‘Verraad tegen het Evangelie’ kon ook wel wat minder, vonden ze. Er kwam trouwens een flinke botsing uit voort met de schrijver van het bezwaarschrift, br. Z. Noordman.
Wat de NSB betreft: slechts één gereformeerd gezin was in Kampen bij de NSB aangesloten. In de Tweede Wereldoorlog werden de gezinsleden na lange tijd vermaand te zijn geweest, uit de kerk gezet.
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church in Kampen (3).
A brief retrospective.
(< Back to Part 2) – Which ‘gereformeerde’ ministers actually served in the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen after the local “Union” of “Church A” and “Church B”?
These were, successively, the two Christian Reformed ministers (from Church A): Rev. J. Bavinck (1826–1909), who had already come here in 1873, and Rev. G. Elzenga (1856–1918), who entered service here in 1891; and finally Rev. J.J. Westerbeek van Eerten (1856–1926), who had come to Kampen in 1893 as a minister of the Doleantie. The three of them also served together on the editorial board of the Kamper Kerkbode for the benefit of the ‘Gereformeerde’ Church, whose first issue appeared in January 1896. It reported that the ‘Gereformeerde’ Church in Kampen then consisted of about nine hundred households (divided over three districts), including “many persons who had come over from the ‘Hervormde’ Church.”
The Christian Reformed Congregation (1892).
Even before Churches “A” and “B” in Kampen united (in 1895), a number of members separated from “Church A.” As a result, on 26 December 1892 the so-called “continued” Christian Reformed Congregation in Kampen was founded, and on 15 January 1893 it was officially instituted through the installation of its consistory (which is the official founding date of a church).
A student from the Theological School in Kampen had objected to the Union of 1892. This was student P.J.M. de Bruin (1868–1946). Together with others, he convened a meeting on 26 December 1892 at an unspecified location. There, eleven men decided to proceed with the establishment of what was called the “continued” Christian Reformed Congregation, as a secession from “Church A.”
The “concerned” members had objections to the “Union” with the Doleantie churches. By agreeing to this “fusion,” they argued, the Christian Reformed Church in 1892 had abandoned the ecclesiastical position of the Secession of 1834. Moreover, they objected to the teachings of Prof. Kuyper, especially “the doctrine of presumed grace as the basis of baptism and the doctrine of eternal justification.” The ‘gereformeerde’ consistory, of course, denied these accusations.
In any case, during that meeting a consistory was elected consisting of two elders and two deacons. On 15 January 1893, these office-bearers were installed by Rev. F.P.L.C. van Lingen (1832–1913) from Zetten. At that time, the new congregation numbered sixteen male confessing members, plus their wives and children—about one hundred persons in total. They received their first minister on 9 October 1898 in the person of Rev. M. Schouten.
When Professor D.K. Wielenga (1841–1902) of the Theological School spoke with the minister of the “continued” Christian Reformed Congregation in November of that year, he concluded that Rev. Schouten “did not dare to say yes to the question whether the ‘gereformeerde’ brethren should be considered heretics. By this he had, of course, signed his own sentence,” according to Prof. Wielenga.
The Period up to 1918.
Gradually, the customs that existed in both churches were brought into alignment. For example, churchgoers in the Burgwal Church used “ordinary wine” at the Lord’s Supper, whereas in the Doleantie Hagenpoort Church “better” wine was served. In 1896 it was decided “to make the wine as similar as possible, though not to take the expensive kind of ƒ1.60, but, for example, a mixture of red and white.”
Were recipients of diaconal poor relief allowed to exercise voting rights under the new Van Houten electoral law, adopted in the States General in 1896? Men were granted suffrage if they met certain requirements (derived, for example, from income, education, or social status). Formally, deacons had no role in this—they did not determine who was allowed to vote. Deacons were responsible for poor relief within the church and knew exactly who received support. Because dependence on poor relief often meant that a person did not meet the “independence” implicitly required for suffrage, deacons had indirect influence on who was regarded as eligible to vote.
Some Aspects of Church Life, Briefly.
In 1898 the consistory commissioned the organization of the church archives “and to gather and combine as many documents as possible.” —⊕— In 1900, there was fear in ‘Gereformeerd’ Kampen that the general synod would decide to close the Theological School in favor of the Free University in Amsterdam. The consistory therefore even considered no longer taking collections for the Free University, about which the synod sent it an admonishing letter. —⊕— The Special Consistory (consisting only of elders) dealt with supervision and discipline. It was to monitor the doctrine and life of the members. “The minutes of the Special Consistory sometimes resemble a collection of rogue stories, with a few ‘great rogues,’ but far more often small ones.” Among the cases discussed were members with drinking problems, members who did not observe Sunday rest, those in or threatening divorce, members who sinned against the seventh commandment, members involved in gambling, lotteries, dancing, and much else. Often (indeed, frequently) censure followed, such as exclusion from the Lord’s Supper and the requirement of a confession of guilt in order to be released from censure. —⊕— The consistory regularly warned against fairground amusements and against the practice of Neo-Malthusianism, which advocated birth control. —⊕— At that time there was also occasional discussion about whether ‘gereformeerde’ believers could do their shopping with those outside their own faith community. —⊕— In September 1900 the consistory lamented that “many, very many baptized members, including those of the ‘gereformeerde’ Churches, walk irregularly,” meaning among other things that they often neglected church attendance (were the services too long?). In 1904 the consistory decided to admonish such erring members in an unspecified manner, after which each case would be judged individually. Ultimately, the consistory could decide that they no longer belonged to the church.
The Ministers and Church Attendance.
The two church buildings, the Burgwal Church and the Hagenpoort Church, became too small to accommodate the growing congregation. Hence, plans for new construction were already being made in 1907, resulting in the New Church on Broederweg in 1912 (now used by the Nederlandse Gereformeerde’ Kerk). Services lasted about an hour and a half, with the sermon customarily divided into two parts by an intermediate hymn (incidentally, all psalms to be sung were read aloud in full beforehand).
The oldest minister was Rev. J. Bavinck, who took leave on 25 January 1903, and whose farewell sermon was published in print. During his ministry, the Kampen congregation had, according to him, grown into “a great multitude.” The minister urged his listeners to examine themselves carefully and to ask “whether the work of grace bestowed upon you has been a blessing and whether the preaching has borne fruit in you worthy of faith and repentance.” This typically pietistic piety, evident in all three Kampen ministers, clearly shows the spiritual orientation of the ‘Gereformeerde’ Church in Kampen at that time. The well-known minister Rev. J. Waterink (1890–1966) describes on this website, in “Kampen around 1904,” the ecclesiastical atmosphere in Kampen during his student years, around the turn of the century.
Rev. G. Wisse (1909–1912).
Rev. Bavinck was succeeded in 1903 by Rev. N. Schuurman (1859–1933) from Alphen aan den Rijn, who served in Kampen for about six years. After him came Rev. G. Wisse (1873–1957) from Driebergen. But before he took office, many obstacles had to be overcome. He set quite a number of conditions and also considered the salary insufficient. It was therefore thought that he would decline the call. However, after the consistory made several concessions, the minister announced that, “after prayerful looking up to the Lord,” he would accept the call.
The minister was also known for his so-called “topical sermons.” When the Titanic sank beneath the waves in 1918, he preached on The Titanic and the Ark. Everyone had always thought the Titanic was the height of safety, but—so the minister said—Noah’s Ark was the “true Ark of salvation.” His services were well attended. When he left the city by train on Monday, 21 October 1912, he was sung Psalm 121:4 amid great interest.
Problems…
The preaching of Rev. Wisse was so well received that a number of congregation members, including consistory members, came to appreciate much less the preaching of the other ministers (Elzenga and Westerbeek van Eerten). The problems did not diminish when Rev. Wisse accepted a call to the Church of Bodegraven. The consistory was accused of having tried to make the minister’s life in Kampen impossible. When several consistory members independently convened a meeting in order to raise Wisse’s salary—so that he might stay—his allowance was indeed increased, but since other elders (rightly) considered the meeting unlawful, the decision was declared invalid.
After Rev. Wisse’s departure, tensions arose in both the congregation and the consistory. On the other hand, a portion of the congregation was not at all satisfied with Wisse’s preaching. It was said to be “too one-sidedly mystical and that it undermined the congregation’s firm foundation.” In any case, elder J.H. Kok (1871–1940), founder of the well-known publishing house, attempted in a brochure to present the facts of the matter, but this did not resolve the problems.
Elder J.H. Landwehr published a brochure at that time—“The Ecclesiastical Action in Kampen,” preceded by his “Open Letter” laying out all the facts—in which he criticized certain doctrines of Abraham Kuyper, which in his view were increasingly being proclaimed from ‘gereformeerde’ pulpits. In particular, he targeted Kuyper’s doctrine of Supralapsarianism. The professors of the Theological School, however, did not agree with Landwehr.
Then, in December 1912, the church council also received a strongly worded letter from the departed Rev. G. Wisse. He urgently requested the council to treat anyone who harmed him, directly or indirectly, “as a ‘Gereformeerde’ church council ought to do.” Around the same time, Landwehr’s Open Letter was also discussed in the council, in which he complained that what he considered to be deviant doctrines of Kuyper were appearing too often in the pulpit. A conversation with Landwehr could not be arranged, but Prof. A.G. Honig (1864–1940) delivered a sermon in the Burgwal Church in which, without mentioning his name, he warned against Landwehr’s brochure. This approach, however, also drew criticism: was it appropriate to address such matters from the pulpit?
The woman in Kampen’s church.
Mr. Leih points out in his book that very little was written in church records about the women in the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen, even though they did much “behind the scenes” for the church. One need only think of the activities of the women’s association. He also notes that many women were not even present at their child’s baptism; especially among circles of the former “Church B” (from the Doleantie), it was believed that baptism should take place as quickly as possible, whether the mother could be present or not.
Women were also active in evangelism. B. Wielenga recounts in the book De Reformatie van 1834 about his mother:
“My mother personally went into the godless back neighborhood that bordered the rear of our garden in Kampen and invited the people to send their children to Sunday school at her home [this was the parsonage of Prof. Wielenga of the Theological School]. The back room filled with largely dirty, proletarian children, to whom she brought the gospel Sunday after Sunday.”
It was also occasionally reported in the Kamper Church Messenger that women and girls tried to keep young people off the streets, while organized association work among women and girls in the city also began to take shape.
The Interwar Period (1918–1940).
Leih observes that during this period in Kampen, the authority of ministers gradually declined and church attendance decreased. Moreover, after World War I, the effects of the economic crisis that began in 1929—when trade virtually came to a standstill—lingered for a long time. “Even in the 1920s and 1930s, the ‘Gereformeerde’ Church in Kampen consisted largely of simple, uneducated people who were not materially well-off,” a situation worsened by the economic crisis that began in October 1929 with the crash of the Wall Street Crash of 1929.
The experiential and heartfelt piety expressed in the sermons of Kampen’s ministers—characteristic of the former “Church A”—barely aligned with the dogmatic disposition of Kuyper’s followers. Yet this experiential piety also seems to have declined, as more and more people sought spiritual support with the “’Gereformeerde’ Alliance” within the ‘Hervormde’ Church or with the “continued” Christian Reformed congregation founded in Kampen in 1892. The Lord’s Supper was taken very seriously by many members. Could one, because of one’s sins, truly approach the Lord’s Table? For that reason, some refrained from participating.
Another development was underway: the government had initiated plans to reclaim land from the Zuiderzee. As a result, the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen also grew. ‘gereformeerde’ believers of a different “type” settled in the city, changing the church population. The South church district emerged, and the already existing Brunnepe district was expanded.
Church buildings.
In the Brunnepe district stood the simple Hagenpoort Church, increasingly considered unsuitable. The New Church and the Burgwal Church met requirements, but in September 1927 the church council decided to build a new church for Brunnepe. Half a year later, the decision became final. The “first stone” was laid on December 4, 1929, by Rev. C.N. Impeta. Construction progressed quickly, and the name “Westerkerk” was eventually chosen. On October 1, 1930, the new church building was brought into use.
The Hagenpoort Church was sold publicly, with the condition that it could never be used as a café, dance hall, cinema, or theater. A baker moved into the building.
The number of ministers.
Meanwhile, the number of ministerial positions expanded. Immediately after the merger in 1895, three ministers were attached to the church: Rev. J. Bavinck (1826–1909) and Rev. G. Elzenga (1856–1918); the originally Doleantie minister Rev. J.J. Westerbeek van Eerten (1856–1926) occupied the third position from 1896 onward, followed by ministers M. Schuurman (1859–1933), G. Wisse (1873–1957), and H. Schoemakers (1873–1943). In August 1920, a fourth position was established, filled by Rev. L. Kuiper (1868–1935). A month later, in September 1920, Rev. C.N. Impeta (1884–1937) came to Kampen, the minister who led the inauguration of the Westerkerk.
When Rev. Elzenga retired in 1918, the church council received a letter from 230 members repeatedly requesting that Rev. Wisse be called again. Elder Prof. L. Lindeboom (1845–1933) of the Theological School considered this “campaign” improper, and the council did not grant the request.
“The speaking serpent and the trees…”.
Dr. J.G. Geelkerken (1879–1960), ‘gereformeerde’ minister of the ‘Gereformeerde’ Church of Amsterdam-South, was deposed by the synod in 1926—without involving his church council—for his views on the “sensory perceptibility” of the trees and the speaking serpent in the paradise narrative. Although the synod held that this should not be doubted, Dr. Geelkerken left the matter open.
In Kampen, the issue caused only minor ripples. Church member and physics teacher W.J.A. Schouten had submitted an objection to the synod’s decision. The matter is scarcely mentioned in the church records, but when the teacher moved to Arnhem, the issue resurfaced, as people wondered whether his stance on the paradise story should be mentioned in his attestation. It was indeed included, although as a highly respected teacher he experienced no problems in Arnhem.
A few church members also wanted to discuss the Geelkerken issue with the church council in September 1927. No conflict arose, although the council judged that these members did not place the matter entirely in the proper perspective.
Calling ministers.
In 1924, Rev. Westerbeek van Eerten retired. He was succeeded nine years later (!) by Rev. J. de Waard (1903–1959) from Rijnsburg, who was installed on March 19, 1933.
Shortly thereafter, Rev. J. Overduin (1902–1983) came from Sleen to Kampen, entering office on July 6, 1933. With him, the churches were full. The minister was very active in evangelism, also among what were called “intellectuals.” Rev. G. van Dooren (1911–1996) wrote of Overduin that “through his fiery preaching, quite a few cobwebs that had grown in Kampen’s church—partly due to years of traditional preaching—were blown away.” Leih wrote: “He could make you restless, even preach you upside down.”
It was not surprising that the heavy workload resulting partly from his efforts became too much for him, and he requested an assistant minister. The church council initially refused, but when he received a call from another church and the threat of departure loomed, candidate Oostenbrink (1911–1975) was appointed as assistant minister.
Dr. R.J. Dam.
Rev. Overduin also faced criticism. When in 1935 he quoted from the novel Rubber by Székely-Lulofs, rector R.J. Dam (1896–1945) of the ‘Gereformeerd’ mnasium demonstratively left the church, which naturally caused a stir. The novel presents a realistic group portrait of a colonial society in the Dutch East Indies: how people lived, worked, and morally changed under the influence of money, isolation, and power. The minister admitted that he should not have used the quotation (“What Christ demands of us is not, at the deepest level, orthodoxy, but openness of heart”), but the church council agreed with him that Dr. Dam’s demonstration was reprehensible.
Dr. Dam again criticized one of Rev. Overduin’s sermons in 1937. Many church council members took offense at this criticism, and Rev. Overduin indicated that it was nerve-wracking that Dr. Dam seemed to be watching him closely to find anything “un-‘gereformeerd’” in his sermons. “It is telling that almost all the elders firmly supported Rev. Overduin against the principled confessionalist Dam.”
Some to another church?
In the 1920s and 1930s, church attendance declined somewhat. In the church council it was suggested that some people preferred to attend the preaching of the ‘Gerewformeerde Bond in the ‘Hervormde’ Church and the Christian Reformed congregation; some even went as far as IJsselmuiden! It seemed that many avoided certain ministers, and even some elders…! But what could be done about it? People could not be forced. Therefore, in August 1929 the church council issued a friendly request to the congregation, asking them to attend the afternoon services more often. Perhaps more home visits should also be made? The proposals had no effect. Even after the German invasion, the churches were only moderately filled.
Other signs of conformity to the world were also visible. Elder Van Dooren gave a speech at the Christian gymnastics association, but noted there that “almost naked men and, during rhythmic exercises of girls, reprehensible postures were assumed.”
There were also congregation members who had a newspaper delivered on Sundays, and others who went on bicycle trips on the Lord’s Day without the purpose of attending church. Many young people also appeared to know nothing about the Secession and the Doleantie. And what about the various “bubbles” (then called “classes” or “ranks”) within the congregation?
Church life.
In 1924 the Netherlands Christian Radio Association (NCRV) was founded. Rev. Impeta warned in the Kamper Kerkbode that radio could pose a danger to the church. Some might get the idea of listening to the sermon of the radio minister instead of going to church. Very convenient!
Among other things, the church council also had the task of overseeing the doctrine and life of the congregation members (called “supervision and discipline”). For there were forced marriages, and the cinema had made its appearance with films that could be harmful. Attending education at the Christian school was also of great importance. Elder Kruithof told stories in the council about young people who had attended public school and had gone astray. The Kamper Kerkbode was clear about it: “The parents who grievously sin in this matter” were admonished.
“Our Building”.
Rev. Overduin was a socially minded man. These were the crisis years of the 1930s. More than 1,200 unemployed residents of Kampen had to “stamp” (register) in order to qualify for support from the municipal authorities. The rest of the day was spent in boredom. Therefore, the minister believed a space should be created where people could relax, listen to lectures, and watch films (good ones, of course!) and slides. The church did not have the money, so he started a column in the Kamper Kerkbode titled “Our Building,” in which he asked for contributions to establish a hall. After four weeks, 7,000 guilders had been collected, and eventually 10,000 guilders came in. After the General Church Council granted permission, “Our Building” was realized next to the Nieuwe Kerk!
The labor movement.
At the beginning of 1929, the church council received a letter from a congregation member stating that some ‘gereformeerde’ believers were members of the “modern labor movement,” which was based on socialist principles. There were even some who were members of the communist trade union! Although the church council had been very suspicious long before, in 1882, about a plan by some members to establish a Protestant Christian workers’ association (“Would that not undermine authority?”), by the 1920s they could wholeheartedly support the idea, since it could provide a counterbalance to the socialist labor movement. However, Rev. Impeta warned against “too great an assertion of power by employees in relation to employers”…
Church and politics.
Most ‘gereformeerde’ believers—also in Kampen—voted for the Anti-Revolutionary Party (ARP), founded by Dr. A. Kuyper. But on December 11, 1926, the Christian Democratic Union (CDU) was founded. The CDU was a small Dutch Protestant-Christian, left-wing, and anti-militarist party. It arose from Christian socialist groups. In 1946, the CDU would merge into the later Labour Party (PvdA).
Membership in the CDU was not appreciated by the church council; in fact, they opposed it. Nevertheless, several congregation members had already joined the party, which rejected all armament. The general synod also opposed the CDU, as well as the National Socialist Movement (NSB), which would later collaborate with the Germans. In 1936, the synod decided that membership in both parties was incompatible with membership in the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. The synod believed that such membership should be followed by ecclesiastical discipline if one did not heed the admonitions of the church council.
But not everyone agreed. When Prof. G.M. Den Hartogh (1899–1959) declared in the Westerkerk that membership in the CDU was “betrayal of the Gospel,” an objection was soon submitted. As a result, Prof. Den Hartogh would inform the congregation over the course of two evenings about the aims of the CDU. Not everyone agreed with Den Hartogh’s strict stance. Politics should not be preached from the pulpit, and the statement “betrayal of the Gospel” could have been phrased more mildly, they felt. In fact, a serious clash arose with the author of the objection, brother Z. Noordman.
As for the NSB: only one ‘gereformeerde’ family in Kampen was affiliated with it. During the Second World War, after a long period of admonitions, the family members were excommunicated.