( < Naar deel 3 – Back to Part 3 ) – In dit laatste deel van de geschiedenis van De Gereformeerde Kerk te Kampen beschrijven we in grote lijnen nog een aantal onderwerpen in de periode van 1940 tot heden.

De predikantsplaatsen.
De Gereformeerde Kerk te Kampen kende perioden van groei en krimp. Hetzelfde beeld zien we – enigszins vertraagd – ook in de vorm van de predikantsplaatsen. De kerkenraad van Kampen telde in 1896 in totaal drie predikanten. In 1943 werd de vierde predikantsplaats vervuld, vlak voor de ‘Vrijmaking’, waardoor meer dan de helft van de leden vertrok. Dat vertaalde zich in 1955 met het aantal van drie predikanten die aan de Gereformeerde Kerk van Kampen verbonden waren.
De groei zette weer in, wat inhield dat in 1966 de vierde predikantsplaats weer werd ingesteld. De ledentallen van de Kerk van Kampen liepen vanaf de jaren ’90 van de twintigste eeuw terug. Daarmee in verband werd het aantal predikantsplaatsen verminderd.
De tijd voor de Tweede Wereldoorlog.
Op de drempel van de Tweede Wereldoorlog ontstond een conflict met dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische Hogeschool in Kampen. Dr. Schilder, hoofdredacteur van het gereformeerd kerkelijk weekblad De Reformatie, publiceerde in dat blad felle aanvallen op de gereformeerde predikant dr. H.W. van der Vaart Smit (1888-1985), die lid was van de Nationaal-Socialistische Beweging (de NSB). De generale synode had het lidmaatschap van de NSB (en dat van de CDU) onverenigbaar verklaard met het lidmaatschap van De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Dr. Van der Vaart Smit diende tegen dr. Schilder een aantal klachten in bij de kerkenraad van Kampen. De eerste (in juli 1937) werd door de kerkenraad niet ontvankelijk verklaard en de tweede aan de kerkenraad gerichte klacht van dr. Van der Vaart Smit, gebaseerd op de uitspraak van de kerkenraad, had tot gevolg dat een kerkenraadscommissie werd benoemd om een onderhoud te hebben met dr. Schilder. De commissie bestond uit ds. H.H. Schoemakers (1873-1943), ds. C.N. Impeta (1850-1934) en ds. C.B. Bavinck (1907-1989).

Omdat dr. Schilder intussen al geantwoord had op de tweede klacht van dr. Van der Vaart Smit, achtte hij een onderhoud met de kerkenraad niet meer nodig. Ook na meerdere verzoeken van de kerkenraad om toch een gesprek te hebben over de zaak Van der Vaart Smit, ten einde hoor en wederhoor toe te passen, bleef dr. Schilder ‘hardnekkig weigeren’ een gesprek met de kerkenraad te hebben. De hoogleraar meende zelfs dat de kerkenraad kennelijk niet veel belang meer hechtte aan het behandelen van de Zaak- Van der Vaart Smit (met betrekking tot diens lidmaatschap van de NSB). Daarover was de kerkenraad natuurlijk erg verbaasd, omdat het daar toch vanaf het begin over ging.

Kennelijk door de onverkwikkelijk verlopen briefwisseling preekte dr. Schilder vervolgens niet vaak meer in de kerken in Kampen. Iemand die hem had bezocht meende dat dit kwam omdat de door dr. Schilder hooggeachte ds. J. Kapteyn (1908-1942) van Kralingscheveer, die op een zondag in Kampen gepreekt had, volgens de hoogleraar ‘niet de waardering had gekregen van enkele hooggeplaatste kerkenraadsleden die hij had verdiend’.

De tijd van de Tweede Wereldoorlog.
Ondertussen was de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940 begonnen. De bezetters sloten om een of andere reden de IJsselbrug op onregelmatige tijden af, zodat het voor mensen buiten de stad moeilijk was de diensten in Kampen bij te wonen. Vandaar dat de kerkernaad aan de Duitse commandant vroeg de brug tijdens de kerkdiensten niet te sluiten.
Om het avondmaal te kunnen bedienen moesten vanaf 1940 ‘broodbonnen’ worden aangevraagd om zich te verzekeren van voldoende avondmaalsbrood (ook na de bezetting duurde deze ‘bonnenregeling’ tot 1948 voort).

Hoewel vóór de oorlog, in verband met de verjaardag van H.M. Koningin Wilhelmina (in augustus), altijd een ‘wijdingsdienst’ gehouden werd, besloot de kerkenraad die te vervangen door een bidstond. Maar toen de Duitsers meedeelden dat elke demonstratie voor het Koninklijk Huis achterwege diende te worden gelaten, werd besloten op 31 augustus geen bidstond te houden.
Tijdens de oorlog – zo bleek uit gesprekken van onderzoekers met Kamper gemeenteleden – kwam vrijwel geen politiek voor in de preken, zij het dat in het begin van de oorlog wel gebeden werd voor de ‘wettige overheid‘. Ook werd er niet ’tegen de Duitsers’ gepreekt, omdat men kennelijk voorzichtig wilde zijn. Een van de ondervraagden vond dat – hoewel de taak van de kerk in de oorlog ‘een bemoedigende behoorde te zijn – de meeste dominees in de stad niet zo bemoedigend waren’.

Een uitzondering wed gemaakts door ds. F. Slomp (1898-1978), in de oorlog bekend als verzetsstrijder onder de schuilnaam Frits de Zwerver. In 1942 preekte hij in de Nieuwe Kerk over de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, die de bevelen van de farao negeerden om pas geboren joodse jongetjes te doden. ‘Ds. Slomp riep de gemeenteleden op tot radicaal verzet tegen de nazi’s, die even goddeloze bevelen gaven als de farao’. Dezelfde preek werd op verzoek van de kerkenraad ook gehouden in de Burgwalkerk (ds. Slomp preekte enkele maanden later over diezelfde tekst in Zwolle, waar hij op verzoek van de kerkenraad bovendien het Wilhelmus liet zingen).
Even een tussendoortje: gemeenteleden vroegen zich in 1940 af waarom alleen bij het overtreden van het zevende gebod (‘waardoor een huwelijk noodzakelijk werd’) in de kerk schuldbelijdenis moest worden afgelegd, en niet voor andere wetsovertredingen. De kerkenraad zag de logica van die gedachte in en besloot in het vervolg ook in gevallen van overtreding van het zevende gebod alleen schuldbelijdenis voor de kerkenraad te eisen, en niet meer voorin de kerk tijdens de dienst. Ook zou daarover geen afkondiging van de preekstoel meer gedaan worden.
Tegen de NSB.

Dr. Schilder en dr. R.J. Dam (1896-1945) (de al eerder genoemde rector van het Gereformeerd Gymnasium in Kampen) stonden vooraan in het verzet tegen de geest van het Nationaal-Socialisme van de NSB. Schilder schreef zijn brochure ‘Geen duimbreed’ en zijn artikelen in De Reformatie en sprak op de preekstoel over het onverenigbare van het christelijk geloof en van de beginselen van de NSB, net als de synode in 1936 al gedaan had. Schilder werd op 22 augustus 1940 door de bezetter gevangen genomen naar aanleiding van een artikel in De Reformatie, waarin hij naar het oordeel van de Duitsers bad voor de nederlaag van de bezetters. Op 6 december 1940 kwam hij weer vrij.

Dr. Dam hield op het Gereformeerd Gymnasium op 10 mei 1940 – de dag van de Duitse inval – een toespraak voor leerlingen en docenten over ‘de totale oorlog’, waarin elk toegeven verwerpelijk werd genoemd. Op zondagavonden hield hij bijeenkomsten om de anti-revolutionaire beginselen aan de toehoorders uit te leggen. De Duitsers ontsloegen hem als rector op 7 oktober 1942, maar het bestuur accepteerde het ontslag niet. Hij moest uiteindelijk onderduiken en werd op 10 april 1945 met tien andere verzetsstrijders doodgeschoten. Vlak voor de bevrijding…

Geen samenwerking!
In mei 1941 besprak de kerkenraad de mogelijkheid dat de bezetters van plan waren een Arbeidsdienst voor jeugdige personen op te richten, en die verplicht te stellen. Na ingewonnen advies bij de classis besloot de kerkenraad, overtuigd van het gevaar van de invloed van die Arbeidsdienst voor jeugdigen, daaraan niet mee te werken Ook besloot de kerkenraad geen gebruik meer te maken van de mogelijkheid om de kerkdiensten te laten vermelden in het Anti-Revolutionaire dagblad De Standaard, dat door de Duitsers ongemoeid werd gelaten omdat men van die wel erg voorzichtige krant geen gevaar vreesde. De Kamper Kerkbode was echter verboden. Vandaar dat een ‘Mededeelingen’-blaadje gestencild werd, waarin alleen de strikt kerkelijke mededelingen konden worden vermeld (beschouwende artikelen mochten niet).
In maart 1942 kwamen brieven bij de kerkenraad binnen die ook nadrukkelijk wezen op het gevaar van de Arbeidsdienst voor jeugdigen. In de brieven werd erop aangedrongen vooral geen medewerking aan de Arbeidsdienst voor jeugdigen te verlenen, ondanks de door de bezetters opgelegde verplichting. In juni 1943 besloot de kerkenraad om jeugdigen die voor die Arbeidsdienst in aanmerking zouden komen te bezoeken en hun te waarschuwen voor de gevaren van het NSB-beginsel en tegen de geestelijke en zedelijke gevaren ervan.

Toen Duitse soldaten de klas van leraar D.J. Buwalda (1907-1987) van het Gereformeerd Gymnasium binnenkwamen om de jongens die daarvoor in aanmerking kwamen mee te nemen voor de Arbeidsdienst, weigerde hij dat pertinent. ‘Met de hele klas marcheert hij af naar het politiebureau, tot wanhoop van de Sicherheits Dienst’. Ook Buwalda bracht kort daarop enige tijd in gevangenschap door.
Samen zingen.
In februari 1942 werd de mogelijkheid besproken om samen met de hervormden een gemeenschappelijke zangdienst te beleggen. De Christelijke Gereformeerde Gemeente werkte niet mee, hoewel haar predikant de gezamenlijke zangdienst ‘een sympathiek idee’ noemde.
Predikanten gevangen genomen.
Omdat ds. C.B. Bavinck tijdens een kerkdienst had gebeden voor H.M. de Koningin en ‘voor de verlossing van den druk waaronder ons volk gebukt gaat’, werd hij door de bezetters gearresteerd. Ds. Bavinck kwam in oktober 1942 weer vrij. Hetzelfde overkwam de predikanten C.N. Impeta en J. de Waard (1888-1959). Ds. H.H. Schoemakers (1873-1943) stond er toen dus alleen voor.
In de herfst van 1942 werden de jeugdverenigingen verboden. Geadviseerd werd toen ‘Bijbelkringen’ op te richten. Dr. R.J. Dam vond dat niet alleen de bijbel daar aan de orde moest komen, maar ook politieke en maatschappelijke vraagstukken zouden moeten worden behandeld.

De Vrijmaking (1944).
In de zomer van 1944, terwijl Nederland nog bezet was door Duitsland en de oorlog het dagelijks leven beheerste, voltrok zich in gereformeerd Nederland een kerkscheuring die diepe sporen zou nalaten: de Vrijmaking. Nergens werd die gebeurtenis vermoedelijk zo intens beleefd als in Kampen, een van de twee centra van de gereformeerde wereld in ons land. Naast de Vrije Universiteit te Amsterdam stond in Kampen de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken. Daar doceerden bekende gereformeerde theologen en daar woonde ook dr. K. Schilder, de man die het gezicht van de Vrijmaking zou worden.
De spanningen binnen de Gereformeerde Kerken liepen al vanaf de jaren dertig langzaam op. Aan de oppervlakte ging het over ingewikkelde theologische vragen rond ‘verbond en doop’: wat betekende Gods verbond precies en hoe moest de kinderdoop worden verstaan? Maar onder die discussies lag nog een andere, minstens zo belangrijke kwestie: hoeveel gezag had een landelijke synode eigenlijk? Volgens sommigen begon de synode steeds dwingender op te treden. Besluiten over leer en geloofsopvattingen werden steeds nadrukkelijker bindend verklaard voor predikanten en gemeenteleden.

Schilder verzette zich daar fel tegen. Hij vond dat de synode meer macht naar zich toetrok dan volgens gereformeerd kerkrecht geoorloofd was. Plaatselijke kerken mochten volgens hem niet onder een soort centraal kerkbestuur komen te staan. Juist in oorlogstijd, waarin vrijheid en gehoorzaamheid overal thema’s waren, kregen deze discussies extra lading. Ook andere Kamper theologen en predikanten kozen zijn zijde. Onder hen bevond zich dr. S. Greijdanus (1871-1948), de gezaghebbende Nieuwtestamenticus aan de Theologische Hogeschool. Greijdanus behoorde tot de meest gerespecteerde geleerden binnen de Gereformeerde Kerken en verzette zich krachtig tegen het toenemende gezag dat de synode volgens hem naar zich toetrok. Zijn steun gaf de beweging rond Schilder groot gewicht.
Ook binnen de plaatselijke gemeente van Kampen groeide de weerstand tegen de besluiten van de Synode. Daarbij speelde naast Schilder en Greijdanus ook ds. C.H. Lindeboom (1908-1972) een centrale rol. Als predikant van de Gereformeerde Kerk te Kampen schaarde hij zich openlijk achter de bezwaarden, evenals ds. J. de Waard (1888-1959). Hoewel ds. De Waard niet dezelfde landelijke bekendheid had als Schilder of Greijdanus, behoorde hij in Kampen tot de predikanten die zich uiteindelijk met de Vrijmaking verbonden en daarmee mede richting gaven aan het kerkelijke leven in de stad.
De Synode grijpt in.
De Generale Synode besloot uiteindelijk in te grijpen. In 1944 werd Schilder geschorst en daarna afgezet als hoogleraar en predikant. Kort daarna volgde ook de schorsing en afzetting van dr. Greijdanus. Voor hun aanhangers voelde dat als een onrechtmatige daad. Niet Schilder en zijn medestanders, maar juist de Synode zelf zou volgens hen de gereformeerde beginselen hebben verlaten.

Op 11 augustus 1944 kwam het tot de definitieve landelijke breuk. In Den Haag werd door Schilder de “Acte van Vrijmaking of Wederkeer” voorgelezen en ondertekend. Daarmee verklaarden hij en zijn medestanders zich “vrij” van de synodale besluiten. Zij zagen zichzelf niet als een nieuwe kerk die zich afscheidde, maar juist als de voortzetting van de ware Gereformeerde Kerken.

In Kampen sloeg het nieuws in als een bom. De stad was klein, hecht en sterk gereformeerd. Vrijwel iedereen kende elkaar via kerk, school of vereniging. Families raakten verdeeld. Vrienden kwamen tegenover elkaar te staan. Studenten moesten kiezen aan welke kant zij stonden, soms tegenover hun eigen docenten. Zelfs binnen gezinnen ontstonden spanningen die jarenlang voelbaar bleven.
De breuk werd in Kampen definitief zichtbaar toen ds. Lindeboom samen met een groot aantal ouderlingen door de synodale leiding werd geschorst en afgezet wegens vermeende “scheurmaking”.
Het preekverbod op 20 augustus.

De feitelijke escalatie in de Nieuwe Kerk ontstond namelijk toen de inmiddels ‘vrijgemaakte’ predikant ds. C.H. Lindeboom op zondagochtend 20 augustus 1944 wilde voorgaan. In de kerkenraadskamer deelde de gereformeerde prof. dr. G.M. den Hartogh (1899-1959) aan ds. Lindeboom mee dat hij niet mocht preken. Lindeboom was immers geschorst omdat hij de lijn van Schilder volgde.
Dr. Schilder was zelf ook in de kerk aanwezig. Toen de gereformeerde kerkenraad ds. Lindeboom de kansel ontzegde, weigerde de overgrote meerderheid van de aanwezige gemeenteleden dit te accepteren. De spanningen liepen zo hoog op dat de gereformeerden de dienst moesten staken en het gebouw verlieten om verdere escalatie te voorkomen. Onder leiding van de principes van Schilder (het niet erkennen van de “goddeloze schorsing”) eisten de ‘vrijgemaakten’ de kerkruimte op
Een meerderheid van de kerkenraad koos de zijde van ds. Lindeboom. Ook ds. J. de Waard sloot zich dus bij de ‘vrijgemaakte’ richting aan. Daarmee ontstonden in Kampen feitelijk twee Gereformeerde Kerken naast elkaar: de Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt).

De gevolgen waren enorm. Een groot deel van de gereformeerden in Kampen sloot zich aan bij de vrijgemaakte kerk. De blijvende Gereformeerde Kerk verloor duizenden leden. De vrijgemaakten kregen de Nieuwe Kerk als centrum van hun kerkelijk leven, en Kampen groeide uit tot een bolwerk van de nieuwe Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. De vrijgemaakte kerk van Kampen werd officieel op 19 augustus 1944 geïnstitueerd.
Wat de gebeurtenissen extra schrijnend maakte, was de tijd waarin alles plaatsvond. Terwijl elders in Nederland mensen onderdoken, razzia’s plaatsvonden en de hongerwinter naderde, voerden gereformeerden verhitte discussies over kerkorde en leer. Voor buitenstaanders leek het soms onbegrijpelijk dat juist toen zo’n bittere kerkscheuring ontstond.
De ‘vrijgemaakten’ bouwden een eigen wereld op, met eigen scholen, kranten, studentenverenigingen en maatschappelijke organisaties. Het kerkelijke conflict werkte door in bijna alle aspecten van het dagelijks leven. Tegelijk bleef het verdriet over de breuk bestaan. Veel mensen droegen de pijn van verbroken familiebanden en verloren vriendschappen nog decennialang mee.
De verdeling van de kerkelijke goederen.

De Vrijmaking zorgde ervoor dat de Gereformeerde Kerk ruim de helft van haar leden verloor. Het ledental van de Gereformeerde kerk daalde van ruim 5.300 in 1944 naar circa 2.000 in 1946. Terwijl de ‘vrijgemaakten’ na een gerechtelijke uitspraak het vrije gebruik en beheer kregen over de Nieuwe Kerk, bleven de overige twee grote gereformeerde kerkgebouwen in het bezit van de Gereformeerde Kerk: de Burgwalkerk (gebouwd in 1877, een centraal middelpunt van de gereformeerde gemeenschap en van de Theologische School), en de Westerkerk (gebouwd in 1930 aan de Wilhelminalaan in de Oranjewijk).
De rechter bepaalde op 31 augustus 1944 in een kort geding dat alle officiële kerkelijke goederen en eigendommen juridisch werden toegewezen aan de Gereformeerde kerkenraad. Echter, omdat de ‘vrijgemaakten’ destijds veruit de meerderheid van de Kamper kerkleden vormden, wees de rechter hun de Nieuwe Kerk toe om in hun acute behoefte aan kerkruimte te voorzien. De gereformeerden behielden het gebruik van de Burgwalkerk en de Westerkerk.
Hoe dan ook, de gereformeerde kerkelijke gemeenschap was na de Vrijmaking grondig verdeeld: twee Gereformeerde Kerken met een even verdeeld verenigingsleven. Jeugdverenigingen, vrouwenverenigingen en mannenverenigingen gingen uit elkaar, net als andere kerkelijke groepen. De Gereformeerde Kerk telde eind 1945 nog 2050 leden, de vrijgemaakte kerk bijna 3.300 leden. In woord en geschrift stond men tegenover elkaar.
Voor een uitvoeriger en gedetailleerder verhaal over de Vrijmaking in Kampen kan men terecht in het interessante boek van drs. H.G. Leih.
Zalk en Veecaten.

In 1945 ging De Gereformeerde Kerk te Zalk en Veecaten – geïnstitueerd op 8 december 1835 – onder leiding van ds. J.J. Verleur (1905-1981) over naar de vrijgemaakte kerk; de gereformeerden die niet met de Vrijmaking meegingen, sloten zich aan bij de Gereformeerde Kerk te Kampen.
De tijd na de Tweede Wereldoorlog (in grote lijnen).

De Gereformeerde Kerk te Kampen had na de Vrijmaking alleen nog ds. C.N. Impeta over. Naast hem werd ds. E.I.F. Nawijn (1901-1972) beroepen (de kort daarvoor beroepen ds. J. Overduin (1902-1983) wilde zijn gemeente in Arnhem niet in de steek laten en bedankte voor het op hem uitgebrachte beroep). Ds. Nawijn stimuleerde, net als ds. Overduin destijds, het evangelisatiewerk. Op de zaterdagavonden werden op de stampvolle Nieuwe Markt evangelisatiebijeenkomsten gehouden, waar ds. Nawijn een korte toespraak hield, met gezang ondersteund door een evangelisatiekoor. Ook werden zgn. ‘Zaaiweken’ georganiseerd, waar alle activiteiten erop gericht waren om Kampen in aanraking met het Evangelie te brengen.
Enkele zaken uit het kerkelijk leven.

Ook het Zendingswerk werd weer ter hand genomen. Al in 1905 was Kampen als ‘Zendende Kerk’ betrokken bij het werk op Soemba, waarvoor ds. C. de Bruijn Czn. (1859-1932) uit Kampen werd uitgezonden. Deze bleef daar tot 1972. Ds. J.G. Luinstra (*1949) werkte er van 1981 tot 1992.

Het gereformeerde verenigingsleven werd weer opgebouwd. In de jaren ‘50 werd de Gereformeerde Jeugdraad opgericht die activiteiten van de jeugdverenigingen coördineerde en die avonden belegde waar actuele onderwerpen besproken werden.
Ook de hoogleraren van de Theologische School waren bereid actief mee te doen in het gereformeerd kerkelijk leven in Kampen. Ze waren (soms) lid van de kerkenraad en/of van de Commissie van Beheer. In de Burgwalkerk hadden ze vaste plaatsen in de ‘professorenbanken’. Ook leidden ze diensten. Een grote gebeurtenis was telkens de jaarlijkse Hogeschooldag in deze kerk. In de jaren ‘70 verminderde de animo voor die happenings en uiteindelijk verdween deze bijzondere dag.
Verontrusting…
De hoogleraren genoten veel gezag. Totdat in de jaren ‘70 van de vorige eeuw de ‘verontrusting’ over nieuwe kerkelijke ontwikkelingen in opmars kwam. Er was een landelijke ‘Vereniging van Verontrusten’ opgericht die zich ook plaatselijk openlijk afvroeg of alle professoren wel op alle punten trouw bleven aan de gereformeerde belijdenis. De kerkenraad nam in 1971 stelling, door te verklaren dat men begrip had voor de verontrusting in de kerken, maar dat geen van de theologische hoogleraren op ‘fundamentele punten’ van de gereformeerde belijdenis afweek.
Wat de politiek betreft had de Gereformeerde Kerk officieel altijd aan de kant van de Anti Revolutionaire Partij gestaan (de ARP, opgericht door dr. A. Kuyper). Maar na de oorlog waren er gemeenteleden die dat pad verlieten en hun stem gaven aan de op 9 februari 1946 opgerichte Partij van de Arbeid, die van socialistische principes uitging. De kerkenraad kon aanvankelijk niet besluiten PvdA-stemmers tot de Gereformeerde Kerk toe te laten (het waren er trouwens weinigen), maar ze waren wel van harte welkom op de catechisaties. Enig kerkelijk onderricht zou misschien kunnen helpen.
Toenadering tot de ‘vrijgemaakten’ zat er ondertussen niet in. Op de schriftelijk uitgestoken hand van de gereformeerde kerkenraad werd slechts vermanend gereageerd: de gereformeerde kerkenraad diende eerst afstand te nemen van de ‘zondige besluiten van de synode’ met betrekking tot de leer en tot de afzetting van de vrijgemaakte broeders.
Open Hof (1972).

De samenwerking tussen de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente groeide onderwijl langzaam.
In dat verband werd het kerkgebouw Open Hof in de Lelystraat in 1972 in gebruik genomen als modern kerkgebouw in de uitbreidingswijk van Kampen. Bijzonder is dat het gebouw vanaf het begin ontstond uit samenwerking tussen de Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Gemeente — in die tijd (tot 2019) nog twee aparte protestantse stromingen. Daarmee was de Open Hof een vroeg voorbeeld van oecumenische samenwerking in Kampen.
Het kerkgebouw aan de Lelystraat kreeg een eigentijdse architectuur met een moderne toren en multifunctionele zalen. Het was bedoeld als wijkkerk voor de groeiende woonwijken van Kampen-Zuid. In tegenstelling tot de oude monumentale binnenstadskerken koos men hier voor een praktische en open opzet, passend bij de kerkvernieuwing van de jaren zestig en zeventig.
Vanaf de jaren 2000 groeide de samenwerking tussen hervormden en gereformeerden verder. De Open Hof werd steeds meer een gezamenlijke protestantse wijkgemeente. Rond 2017 onderging het gebouw een grote verbouwing waarbij de kerkzaal, entree, keuken en ontmoetingsruimten werden vernieuwd. Daarbij verdwenen delen van de traditionele bankenopstelling en kwam er meer nadruk op ontmoeting en multifunctioneel gebruik.
Protestantse Gemeente Kampen (2019).
Per 1 september 2019 fuseerden de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente in Kampen officieel tot één Protestantse Gemeente Kampen. De Open Hof bleef daarna één van de drie hoofdkerkgebouwen van deze nieuwe gemeente, naast de Broederkerk en de Westerkerk.
In de Burgwalkerk was in 2018 de laatste kerkdienst gehouden. Deze kerk werd tot verdriet van velen afgestoten.
Kerkasiel sinds 2024.

De Protestantse Wijkgemeente Open Hof speelde tot enkele jaren geleden geen landelijk bekende rol in de opvang van asielzoekers. Dat veranderde ingrijpend in november 2024, toen de gemeente besloot zogenoemd kerkasiel te verlenen aan de Oezbeekse familie Babayants, die al jarenlang in Nederland verbleef maar dreigde te worden uitgezet.
Het kerkgebouw Open Hof is zoals al aangegeven een protestantse kerk uit 1972, ontstaan uit oecumenische samenwerking tussen gereformeerden en hervormden. Deze kerkelijke gemeente profileerde zich al langer als sociaal betrokken en open naar de samenleving.
Op 21 november 2024 begon de Open Hof met een onafgebroken kerkdienst om de familie Babayants bescherming te bieden. Die werkwijze is gebaseerd op een oud beginsel van kerkasiel: tijdens een lopende religieuze viering treedt de overheid in Nederland uiterst terughoudend op met binnentreden van een kerkgebouw. Daarom organiseerde de kerkelijke gemeente een 24-uurs rooster van gebeden, vieringen, lezingen en muziek, zodat de dienst formeel nooit werd onderbroken.
De opvang werd gedragen door honderden, later duizenden vrijwilligers uit heel Nederland. Predikanten, kerkleden en sympathisanten namen diensten van enkele uren voor hun rekening. Ook maatschappelijke organisaties en niet-kerkelijke groepen sloten zich aan.
Werkwijze en karakter.
De aanpak van de Open Hof combineert fysieke opvang van het gezin in het kerkgebouw, voortdurende liturgische bijeenkomsten, publieke aandacht voor “gewortelde kinderen” in het asielbeleid en een brede samenwerking tussen kerken, vrijwilligers en maatschappelijke organisaties.
De kerk presenteerde het initiatief nadrukkelijk als een moreel en religieus appel op overheid en samenleving, niet alleen als juridische noodmaatregel. De familie leeft (op moment van schrijven: nog steeds) gedurende het kerkasiel grotendeels binnen de muren van de kerk; kinderen volgen deels online onderwijs en vrijwilligers verzorgen maaltijden, begeleiding en organisatie.

Het kerkasiel in de Open Hof duurt anno 2026 nog steeds voort. Daarmee is het uitgegroeid tot een van de langstdurende en meest zichtbare voorbeelden van modern kerkasiel in Nederland. De Open Hof is daardoor een symbool geworden in het debat over asiel, humaniteit en de positie van langdurig in Nederland verblijvende gezinnen zonder verblijfsvergunning.
De kerkelijke gemeente Open Hof in Kampen kreeg half mei 2026 de Over Hoop Prijs. De Open Hof kreeg de onderscheiding voor het organiseren van het kerkasiel, waarbij het gezin uit Oezbekistan al anderhalf jaar onderdak kreeg. Aan deze landelijke prijs was een geldbedrag van 25.000 euro verbonden.
Tenslotte:
Over de laatste jaren kunt u meer lezen in de hieronder aangegeven artikelen:
De gereformeerde predikanten te Kampen >
Kampen gaat van zes naar drie kerken > (2 november 2015)
Iets over de Vrijmaking te Kampen > (3 november 2015)
Kamper Burgwalkerk al in 2016 dicht > (18 december 2015)
Voor het eerst naar ‘Kampen’ in 1863 > (22 juli 2016)
Geref. Westerkerk Kampen wordt aangepast > (14 augustus 2017)
Publicatie 3-delige Archiefinventaris Theol. Univ. Kampen > (2 oktober 2017)
Open Huis na verbouwing Westerkerk Kampen > (12 januari 2018)
De oprichting van ‘De school der Kerk’ in 1854 > (juli 2018)
Jan Waterink naar Kampen > (27 april 2019)
Kampen rond 1904 > (16 juli 2019)
Vroegere Burgwalkerk Kampen opgeknapt > (27 november 2020)
Klokgelui Westerkerk Kampen nog mysterie > (4 november 2021)
Verzetsplaquette onthuld in Kampen > (15 april 2022)
‘Verboden voor Joden’ in Kampen > (23 februari 2026)
De Kamper Theol. School in de 19de eeuw > (maart/april 2026)
Kamper wandeling over theologische historie > (16 april 2026)
De Gereformeerde Kerk te Kampen > (april/mei 2026)
Ledentallen van De Gereformeerde Kerk te Kampen.

Bronnen onder meer:
J. Bavinck, Toespraak gehouden door ds. J. Bavinck, bij gelegenheid van de herdenking van het Vijftigjarig bestaan van de Gereform. Kerk te Kampen. Kampen, 1901
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen, div. jrg.
J.D. Brouwer-de Boer (e.a.), Een eeuw christelijk gereformeerd in Kampen. Kampen, 1993.
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
W. de Graaf, Een verhaal over examens, teksten en diploma’s. In: De Hoeksteen, Tijdschrift voor Vaderlandse Kerkgeschiedenis. 13e jrg. nr. 1, februari 1984
De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
Het Kerkblad, officieel orgaan van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Div. jrg.
H.G. Leih, Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Kampen. 1895-1994. Kampen, 1994
J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der Negentiende Eeuw. Amsterdam, 1917
J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Overijssel, deel 1, De Classis Zwolle. Groningen, 1984
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church of Kampen (4).
(< Back to Part 3 ) — In this final part of the history of the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen, we describe in broad outline several topics covering the period from 1940 to the present day.
The Ministerial Positions.
The ‘Gereformeerde’ Church of Kampen experienced periods of growth and decline. The same pattern can be seen — though somewhat delayed — in the number of ministerial positions. In 1896, the church council of Kampen had a total of three ministers. In 1943, shortly before the “Liberation” (Vrijmaking), a fourth ministerial position was filled, after which more than half of the members left the church. This was reflected in 1955, when only three ministers remained attached to the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen.
Growth resumed, however, and in 1966 the fourth ministerial position was reinstated. From the 1990s onward, membership numbers in the Church of Kampen declined again. As a result, the number of ministerial positions was reduced.
The Period Before the Second World War.
On the eve of the Second World War, a conflict arose involving Dr. K. Schilder (1890–1952), professor at the Theological College in Kampen. Dr. Schilder, editor-in-chief of the ‘gereformeerde’ ecclesiastical weekly De Reformatie, published fierce attacks in that paper against the ‘gereformeerde’ minister Dr. H.W. van der Vaart Smit (1888–1985), who was a member of the National Socialist Movement (NSB). The General Synod had declared membership in the NSB (and in the CDU) incompatible with membership in the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.
Dr. Van der Vaart Smit submitted several complaints against Dr. Schilder to the church council of Kampen. The first complaint (in July 1937) was declared inadmissible by the council. A second complaint submitted to the council, based on the council’s earlier ruling, led to the appointment of a church council committee to meet with Dr. Schilder. The committee consisted of Rev. H.H. Schoemakers (1873–1943), Rev. C.N. Impeta (1850–1934), and Rev. C.B. Bavinck (1907–1989).
Since Dr. Schilder had already responded to the second complaint from Dr. Van der Vaart Smit, he no longer considered a meeting with the church council necessary. Even after repeated requests from the council to discuss the Van der Vaart Smit affair in order to apply the principle of hearing both sides, Dr. Schilder “stubbornly refused” to meet with the council. The professor even believed that the church council apparently no longer attached much importance to handling the Van der Vaart Smit case (concerning his NSB membership). Naturally, the council was astonished by this, since that issue had been central from the very beginning.
Apparently because of the unpleasant correspondence, Dr. Schilder subsequently preached less frequently in the churches of Kampen. Someone who had visited him believed this was because Rev. J. Kapteyn (1908–1942) of Kralingscheveer — whom Dr. Schilder held in high esteem and who had preached one Sunday in Kampen — had, according to the professor, “not received the appreciation from certain high-ranking church council members that he deserved.”
The Period of the Second World War.
Meanwhile, the Second World War had begun on 10 May 1940. For some reason, the occupiers closed the IJssel bridge at irregular times, making it difficult for people outside the city to attend services in Kampen. Therefore, the church council asked the German commander not to close the bridge during church services.
From 1940 onward, “bread coupons” had to be requested in order to ensure enough communion bread for the celebration of the Lord’s Supper (the rationing system continued until 1948, even after the occupation).
Before the war, a “consecration service” had traditionally been held in connection with Queen Wilhelmina’s birthday in August. The church council decided to replace this with a prayer service. However, when the Germans announced that all demonstrations in favor of the Royal House had to cease, it was decided not to hold a prayer service on 31 August.
During the war — according to conversations researchers later had with church members in Kampen — politics was rarely mentioned in sermons, although prayers for the “lawful government” were still offered at the beginning of the war. Ministers also refrained from preaching “against the Germans,” apparently out of caution. One interviewee remarked that, although the church’s task during the war “ought to have been encouraging,” most ministers in the city were not very encouraging.
An exception was made by Rev. F. Slomp (1898–1978), known during the war as resistance fighter “Frits de Zwerver.” In 1942 he preached in the Nieuwe Kerk about the Egyptian midwives Shiphrah and Puah, who ignored Pharaoh’s command to kill newborn Jewish boys. “Rev. Slomp called upon the congregation to offer radical resistance against the Nazis, who issued equally godless commands as Pharaoh.” At the request of the church council, the same sermon was also delivered in the Burgwal Church. (A few months later Rev. Slomp preached on the same text in Zwolle, where, at the request of the church council, he also had the congregation sing the Wilhelmus.)
A Brief Interlude.
In 1940, church members wondered why only violations of the seventh commandment (“making marriage necessary”) required a public confession of guilt in church, while other violations of God’s law did not. The church council saw the logic of this argument and decided that in future, even in cases involving the seventh commandment, confession would only need to be made before the church council and no longer publicly during the service. Announcements from the pulpit concerning such matters would also cease.
Against the NSB.
Dr. Schilder and Dr. R.J. Dam (1896–1945) — the previously mentioned rector of the ‘Gereformeerd’ Gymnasium in Kampen — stood at the forefront of resistance against the spirit of National Socialism as represented by the NSB. Schilder wrote his pamphlet Geen duimbreed (“Not an Inch”) and his articles in De Reformatie, and preached from the pulpit about the incompatibility between the Christian faith and NSB principles, just as the synod had already done in 1936.
On 22 August 1940, Schilder was arrested by the occupiers because of an article in De Reformatie in which, according to the Germans, he prayed for the defeat of the occupiers. He was released again on 6 December 1940.
On 10 May 1940 — the day of the German invasion — Dr. Dam gave a speech at the ‘Gereformeerd’ Gymnasium to students and teachers about total war, in which any form of surrender was condemned. On Sunday evenings he held meetings to explain anti-revolutionary principles to attendees. The Germans dismissed him as rector on 7 October 1942, but the school board refused to accept the dismissal. Eventually he was forced into hiding and was shot dead with ten other resistance fighters on 10 April 1945, shortly before liberation.
No Cooperation!
In May 1941, the church council discussed the possibility that the occupiers intended to establish a compulsory Labor Service for young people. After consulting the classis, the council decided not to cooperate, convinced of the harmful influence such a Labor Service would have on youth.
The council also decided no longer to use the possibility of announcing church services in the Anti-Revolutionary newspaper De Standaard, which the Germans tolerated because they considered the paper excessively cautious and therefore harmless. The Kampen church bulletin, however, had been banned. As a result, a mimeographed leaflet called Mededeelingen (“Announcements”) was produced, containing only strictly ecclesiastical notices (reflective articles were not permitted).
In March 1942, letters arrived at the church council strongly emphasizing the dangers of the Labor Service for youth. The letters urged the council not to cooperate with it despite its compulsory nature. In June 1943, the council decided to visit young people eligible for the Labor Service and warn them about the dangers of NSB ideology and its spiritual and moral consequences.
When German soldiers entered the classroom of teacher D.J. Buwalda (1907–1987) at the ‘Gereformeerd’ Gymnasium to take away boys eligible for the Labor Service, he flatly refused. “With the entire class he marched to the police station, to the despair of the Sicherheitsdienst.” Shortly afterward, Buwalda himself also spent time in prison.
Singing Together.
In February 1942, the possibility was discussed of holding a joint hymn service together with the ‘Hervormde’ congregation. The Christian Reformed congregation did not cooperate, although its minister described the idea of a joint singing service as “sympathetic.”
Ministers Arrested.
Because Rev. C.B. Bavinck had prayed during a church service for the Queen and “for the deliverance from the oppression under which our people suffer,” he was arrested by the occupiers. Rev. Bavinck was released again in October 1942. The same happened to ministers C.N. Impeta and J. de Waard (1888–1959). Rev. H.H. Schoemakers (1873–1943) was therefore left to carry on alone.
In the autumn of 1942, youth organizations were banned. It was then advised to establish “Bible circles.” Dr. R.J. Dam believed that these groups should discuss not only the Bible, but also political and social issues.
The Church-‘Liberation’ (Vrijmaking) — 1944.
In the summer of 1944, while the Netherlands was still occupied by Germany and daily life was dominated by war, an event occurred within the ‘Hervormde’ world that would leave deep scars: the Vrijmaking (“Liberation”). Nowhere was this church schism probably experienced more intensely than in Kampen, one of the two centers of the ‘Gereformeerde’ world in the Netherlands. Alongside the Free University in Amsterdam stood the Theological College of the ‘Gereformeerde’ Churches in Kampen. Many highly respected ‘gereformeerde’ theologians taught there, including Dr. K. Schilder, who would become the leading figure of the Vrijmaking.
Tensions within the ‘Gereformeerde’ Churches had been rising slowly since the 1930s. On the surface, the debates concerned complex theological questions surrounding “covenant and baptism”: what exactly did God’s covenant mean, and how should infant baptism be understood? But beneath those discussions lay another, equally important issue: how much authority did a national synod actually possess? According to many, the synod had begun acting increasingly forcefully. Decisions concerning doctrine and matters of faith were more and more explicitly declared binding upon ministers and church members.
Schilder strongly opposed this development. He believed the synod was assuming more power than ‘gereformeerde’ church polity allowed. In his view, local churches should not come under a kind of centralized church government. Precisely during wartime — when freedom and obedience were major themes everywhere — these discussions gained additional emotional weight.
Other theologians and ministers in Kampen also sided with him. Among them was Dr. S. Greijdanus (1871–1948), the authoritative New Testament scholar at the Theological College. Greijdanus was one of the most respected scholars within the ‘Gereformeerde’ Churches and strongly resisted what he saw as the synod’s increasing accumulation of power. His support gave the movement around Schilder considerable authority.
Within the local congregation of Kampen, resistance to the synodical decisions also continued to grow. Besides Schilder and Greijdanus, Rev. C.H. Lindeboom (1908–1972) played a central role. As minister of the ‘Gereformeerde’ Church of Kampen, he openly sided with the objectors, as did Rev. J. de Waard (1888–1959). Although Rev. De Waard did not enjoy the same national prominence as Schilder or Greijdanus, in Kampen he belonged to the ministers who ultimately aligned themselves with the Vrijmaking, thereby helping shape church life in the city.