De Vrijmaking en de Drentse Kerken

door dr. O.C. Broek Roelofs

De onrust in de Gereformeerde Kerken, aan het licht gekomen in felle perspolemieken aan het einde van de jaren dertig van de twintigste eeuw, leidde uiteindelijk tot een breuk. Leer- en tuchtuitspraken wekten beroering. Ook aan de kerken in het ‘Olde Landschap’ is het niet ongemerkt voorbijgegaan.

De Vrijgemaakte kerken in de provincie Drenthe met het jaartal van de instituering (kaart: Google).

Weliswaar heeft het conflict geen massale uittocht teweeggebracht en bleef het beperkt tot een vijftiental van de ruim veertig Kerken in Drenthe. Maar waar de scheuring plaatsvond heeft deze geleid tot een gebroken kerkelijke samenleving, die na jaren nog veel pijnlijke herinneringen geeft. Met name in de kleinere Kerken werden gezinnen en families uit elkaar geslagen. De gevolgen zijn nog schrijnend merkbaar.

We vragen ons verwonderd af, welke motieven de doorslag gaven om in het donkere uur van de Duitse bezetting tot zo’n breuk te komen. Ook in Drenthe woedde in 1944 de terreur op gruwelijke wijze. Deportaties en executies waren aan de orde van de dag. We memoreren slechts Johannes Post (1906-1944) en zijn groep. Juist in Drenthe, waar de invloed van het nationaalsocialisme onder de agrarische bevolking groot was, hebben tal van gereformeerden zich tot het uiterste verzet tegen deze demonische macht.

De gereformeerde Drentse verzetsstrijder Johannes Post (1906-1944).

In het laatste jaar van de bezetting namen honger, angst en bedreiging toe. Vergaderen was veelal niet mogelijk. Bombardementen en beschietingen ontwrichtten het onderlinge verkeer. Bovendien waren tal van vooraanstaande en leidinggevende figuren – ook kerkelijke – naar concentratiekampen gevoerd of ondergedoken, zodat ze geen invloed konden uitoefenen op de gang van zaken in het kerkelijke leven. Toch kwam juist in die tijd de scheuring.

De tijd is [in 1983] nog niet aangebroken voor een wetenschappelijk verantwoorde studie. Ook al is er een overvloed van lectuur in boeken, brochures en pamfletten, het blijft moeilijk de achtergronden op zuivere wijze te analyseren. We laten daarom de feiten spreken.

Allereerst treft ons dan de oproep tot ‘Vrijmaking’, die door de bezwaarden en verontrusten werd gedaan. Men wilde zich ‘vrijmaken’ van ‘schorsingen’ en ‘bindingen’. Aangedrongen werd op de opheffing daarvan. Toen dat niet gebeurde, ‘maakte’ men zich ‘vrij’ van de kerkelijke gemeenschap, die de leer- en tuchthandelingen van de generale synode van de Gereformeerde Kerken had aanvaard.

Dr. K. Schilder (1890-1952).

De ‘schorsingen’ hadden betrekking op beslissingen van de synode en andere kerkelijke instanties, die aandrongen op aanvaarding van in 1942 genomen besluiten en bij weigering overgingen tot het oefenen van kerkelijke tucht. De schorsing van prof. dr. K. Schilder [1890-1952] – hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van Kampen – op 23 maart 1944, die uitliep op zijn afzetting op 3 augustus 1944, wekte in brede kring ontsteltenis en verontwaardiging en was de aanleiding om op een landelijke bijeenkomst in Den Haag op 11 augustus 1944 een door Schilder opgestelde ‘Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ te onderschrijven, waarmee de breuk een feit geworden was.

Prof. dr. K. Schilder op de Vrijmakingsvergadering in Den Haag (11 augustus 1944).

Spoedig daarna werd ook in Drenthe de in de genoemde Acte gedane oproep gevolgd. In de eerste week van september 1944 werd de ruim 3.400 leden tellende kerk van Assen vrijwel gehalveerd, toen twee van de drie dienstdoende predikanten zich vrijmaakten [ds. B.A. Bos (1901-1977) en ds. J. van Bruggen (1909-1965)]. In dezelfde maand kwam de breuk in Zuidlaren, waar ruim een kwart van de meer dan 1.250 leden tellende Kerk meeging. Ook werd in hetzelfde jaar (december 1944) de Vrijmaking te Hijken-Hooghalen een feit; één van de kleinere Kerken, die ongeveer de helft van haar leden moest afstaan. Na de bevrijding volgde in april 1945 de kerk van Hoogeveen: ruim 500 van de ongeveer 3.000 leden gingen over naar de vrijgemaakte Gereformeerde Kerk.

Ds. B.A. Bos (1901-1977) maakte zich in 1944 vrij, maar keerde in 1950 als legerpredikant naar de GKN terug. Een jaar voor zijn overlijden  ging hij in 1970 over naar de  Christelijke Gereformeerde Kerken.

De kerken die met de Vrijmaking meegingen, waren vooral gemeenten waar de predikanten zich losmaakten van het synodaal verband. Dat gebeurde, zoals vermeld, in Assen en Hijken [(ds. L.L. van der Vliet (1915-2004) – hij keerde later terug naar de Gereformeerde Kerken]. Later volgden nog de predikanten te Diever [ds. J.H. van der Hoeven (1914-2004)], Emmer Erfscheidenveen [ds. L.J. Goris (1911-1980)] en die van de veenkoloniën Nieuw-Buinen [ds. H. Drost (1920-1957)], Tweede Exloërmond [ds. C. Stam (1913-2006)] en Valthermond [ds. T. de Haan (1902-1986)]. Vermelding verdient nog de scheuring in de Kerk van Gees – in 1946! – die in deze oer-Drentse omgeving een pijnlijke verwijdering onder de dorpsgenoten ten gevolge had.

Ds. C. Stam (1913-2006), hier op latere leeftijd.

Een lange voorgeschiedenis.

De Kerken, die zich schaarden achter de ‘Acte van Vrijmaking’ zijn van oordeel, dat zij de voortzetting zijn van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Alleen om verwarring te voorkomen hebben zij een nadere aanduiding aanvaard. Zij noemden zich aanvankelijk ‘Gereformeerde Kerken onderhoudende artikel 31 van de Kerkorde’. De verwijzing naar het kerkorde-artikel houdt in, dat de leden van deze Gereformeerde Kerken op grond van dat artikel besluiten van een generale synode niet voor vast en bondig behoeven te houden, als zij voor zichzelf bewezen achten dat zulke besluiten strijden tegen het Woord van God.

Wanneer we ons verdiepen in de voorgeschiedenis van 1944, zien we dat in de jaren dertig de vragen, die in vroeger dagen binnen de gereformeerde wereld spanningen hadden opgeroepen, opnieuw aan de orde worden gesteld. Bekwame woordvoerders brachten namelijk bezinning op hetgeen in 1905 was geformuleerd over de spanningen tussen de leer van de uitverkiezing en de leer van het Verbond. Het artikel over ‘De Drentse Richting’ laat zien hoezeer deze zaak samenbinding én verdeeldheid bracht, ook al in de negentiende eeuw. Ná 1892 kwam, in verband met leringen van dr. Abraham Kuyper [1837-1920], de behoefte om door een bevredigende formulering rust te brengen. Zo werd in 1905 een verzoenende verklaring aanvaard, waarin zowel het welbehagen van God en de soevereiniteit van Zijn genade (de belijdenis van de verkiezing), als de verantwoordelijkheid van de mens, die wordt geroepen tot geloof en bekering (het Verbond), werden bijeengebracht.

Koperen plaquette van dr. A. Kuyper (1837-1920) – Eigen foto.

In de verklaring van 1905 was een zinsnede opgenomen over degenen die gedoopt zijn: ‘dat volgens de belijdenis van onze Kerken het zaad des Verbonds krachtens de belofte van God te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd. Deze omschrijving werd bijna veertig jaar later – in 1942, toen de synode zich opnieuw met dezelfde vragen moest bezighouden – overgenomen. Men verkeerde blijkbaar in de mening, dat deze formule opnieuw samenbindend zou werken voor enerzijds degenen die de vrije, soevereine genade van God accentueerden, en anderzijds hen die leefden bij de  geloften en voorwaarden van het Verbond, dat God met de gelovigen en hun zaad heeft opgericht.

De bezwaarden vreesden echter, dat de uitdrukking ‘houden voor wedergeboren’ aanleiding kon geven voor de gedachte dat de doop niet werd bediend op grond van de beloften en de eis van God, maar op grond van iets, dat reeds aanwezig was, hetzij geloofsvermogen dan wel wedergeboorte. Daartegenover merkten de verdedigers van de synodale uitspraak op, dat het Verbond van God met de gelovigen steeds is gefundeerd in Zijn verkiezende genade.

Het kan enige verwondering wekken, dat de Vrijmaking in Drenthe geen grotere omvang heeft gekregen. In de discussie in deze provincie over deze zaak speelden namelijk niet uitsluitend bezwaren van dogmatische en kerkrechtelijke aard een rol. De verontrusten vreesden ook, dat de synode te kort deed aan de opvattingen van de broeders en zusters van de Afscheiding. Dat moest wel indruk maken op de veelal uit de Afscheiding voortgekomen Drentse Kerken. Ook was er vanouds een sterke band tussen Drenthe en de Hogeschool in Kampen, waardoor in brede kring bewogenheid ontstond over de tuchtmaatregelen, die allereerst enkele hoogleraren in Kampen troffen.

De gereformeerde (tegenwoordig protestantse) ‘Oude Kerk’ te Meppel.

Toch waren het slechts kleine groepen – veelal ternauwernood honderd leden – die in plaatsen waar de predikant niet de zijde van de Vrijmaking koos, zelfstandig als vrijgemaakt Gereformeerde Kerken hun weg gingen. Dat gebeurde in Meppel, Zuidwolde, Emmen, Beilen, Smilde, Ruinerwold en Oosterwolde [laatstgenoemde (Friese) Kerk behoorde tot de particuliere synode Drenthe].

Daarover wil ik enkele opmerkingen maken, die niet volledig zijn, maar toch iets kunnen zeggen over de gevolgen van de Vrijmaking voor de Drentse Kerken. Er bestaat bij de Drentse bevolking in het algemeen huiver voor verdeeldheid. Men tracht de onderlinge band zolang mogelijk te bewaren en het zijn met name invloeden van buiten, die tot een breuk leidden. Zo was het al in de dagen van de Afscheiding! Bovendien zal ook wel in de geslachten hebben doorgewerkt, wat al naar voren kwam in de ‘Drentse richting’: ‘de verkiezing beheerst het Verbond’.

Leidinggevende predikanten.

Ds. N. Duursema (1875-1951) van Nieuw-Amsterdam.

In de strijd rondom de Vrijmaking zijn er vooral twee vooraanstaande leidinggevende predikanten geweest, die de doorwerking van de scheuring hebben willen stuiten. Dat waren ds. N. Duursema [1875-1951], destijds predikant in Nieuw-Amsterdam en ds. D. Scheele (1894-1971), die toentertijd in Assen stond. Beiden waren leerlingen van de Hogeschool in Kampen geweest. Zij betreurden de breuk, maar verwierpen het beroep van de bezwaarden op de opvattingen van de Afgescheidenen. Ook hebben ze – veelal tevergeefs! – getracht allerlei misvattingen weg te nemen.

Ds. D. Scheele (1894-1971) van Assen.

In de Drentse Kerken heeft ook ds. Y.K. Vellenga (1896-1968), predikant in Meppel, een invloedrijke positie gehad. Als redacteur van het Gereformeerd Kerkblad voor Drenthe en Overijssel verdedigde hij de synodale uitspraken met kracht en gloed. Hij ging daarbij in op de consequenties van de Vrijmaking en stelde vooral in het licht, welk een onheilig vuur soms op het altaar werd gelegd in de kerkelijke strijd. Scherp keurde hij de uitwassen daarvan af.

Ds. Y.K. Vellenga (1896-1986) van Meppel.

Ook in Drenthe zijn pogingen gedaan om tot hereniging te komen. Toen omstreeks 1950 enkele vrijgemaakte predikanten zich herenigden met de Gereformeerde Kerken, kwamen met hen, vooral in Assen en Zuidlaren, vrij veel gemeenteleden mee terug. Alle overige samensprekingen zijn  op niets uitgelopen. Tot in de geslachten werkt de verwijdering door. Er is ook een zeker mentaliteitsverschil ontstaan, waardoor het kerkelijk gesprek zeer bemoeilijkt wordt. (…)

Bron:

Dr. O.C. Broek Roelofs, ‘De Vrijmaking en de gevolgen voor de Drentse Gereformeerde Kerken’, in: Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land, deel 1, Drenthe, Kampen, 1983. Dit verhaal is met toestemming van Uitgeverij Kok overgenomen uit genoemde bron. De redactie van GereformeerdeKerken.info voegde de illustraties en [tussen vierkante haakjes] enkele aanvullende gegevens toe.