Afscheiding en Doleantie te Delft – en daarna (2)

2. Van ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ naar ‘Gereformeerde Kerk te Delft A’.

Ds. H.A. de Vos (van 1857 tot 1867).

( < Naar deel 1  )  – Enfin,  toen oefenaar Jan van Oel in 1857 naar Naaldwijk was vertrokken, nam de kerkenraad het beroepingswerk ter hand. Men kwam uit bij ds. H.A. de Vos (1816-1868) uit Tiel, die daarvóór al in meerdere andere gemeenten gestaan had, dus veel ervaring had, en bovendien de eerste serieus opgeleide Delftse predikant was.

Ds. H.A. de Vos (1816-1868).

Zijn studie had hij overigens níet gevolgd aan de Theologische School in Kampen die in 1854 opgericht was – ds. De Vos was al in 1841 predikant in Ommeren en Tiel geworden – maar bij de predikanten ds. H. de Cock (1801-1842) (de eerste Afgescheiden predikant in Nederland) en ds. F.A. Kok (1803-1860) van Dwingeloo. Op 29 november 1857 deed ds. De Vos in Delft intrede, en wel in de pas in gebruik genomen nieuwe kerk aan de Voldersgracht nr. 135, direct tegenover de Oude Manhuissteeg.

Van ds. F.A. Kok (1803-1860) is geen foto, maar wel zijn handtekening bekend.

Problemen in de school (1860).

Tussen ds. De Vos en de kerkenraad ontstond in 1860 echter verschil van mening over de christelijke  diaconieschool, die met toestemming van het gemeentebestuur in 1850 (toen Jan van Oel oefenaar  was) door een commissie uit de Delftse Christelijke Afgescheidene Gemeente was gesticht. Het leerlingental was onder de wijze bestiering van hoofdmeester W. Smink (1811-1892) zozeer toegenomen, dat de school aan de Nieuwe Langendijk in 1859 vergroot moest worden. De financiering van de uitbreiding werd rond gemaakt door aandelen van fl. 25 te plaatsen. Ook de bekende staatsman mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) hielp mee: hij schonk zes aandelen; anderen volgden zijn voorbeeld. Zo kon de school met haar werk – ook van groot belang als evangelisatiearbeid! – ongehinderd voortgaan.

De bekende staatsman mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) steunde de uitbreiding van de Delftse Afgescheiden diaconieschool.

Tót er problemen kwamen. In 1860 verzocht ds. De Vos namelijk aan de provinciale vergadering mee te werken aan de oplossing van enkele problemen met betrekking tot de school. De predikanten ds. J.H. Donner (1824-1903) van Leiden en ds. H.B. Geuchies (1826-1905) van Rotterdam werden als commissieleden benoemd. De klacht van ds. De Vos was dat de financiële administratie van de school niet op orde zou zijn en dat de schoolcommissie niet bereid was daarin inzage te geven. Ook had de kerkenraad – als uiteindelijk verantwoordelijk orgaan (hij benoemde de schoolcommissie) – onvoldoende toezicht gehouden.

Ds. H.B. Geuchies (1826-1905) onderzocht samen met ds. Donner de klachten over de schooladministratie.

Wat bleek nu? De daders waren al eerder afgetreden schoolcommissieleden die met de administratie belast geweest waren, maar de boeken niet wilden overhandigen en geen verantwoording wilden afleggen. De provinciale vergadering oordeelde dat de kerkenraad de daders ter verantwoording diende te roepen en, als ze zich niet gewonnen gaven, hen kerkelijk en desnoods via de rechter achter de broek te zitten. Door de kwestie werd het avondmaal in de Delftse gemeente zelfs enige tijd niet gevierd.

In 1861 bleek uit verklaringen op de classis dat de zaak inmiddels geheel opgelost was. Dat wilde echter niet zeggen dat alles weer koek en ei was. De predikant had nog ‘zeer slechte herinneringen aan zijn eerdere voorzitterschap van de schoolvereniging’, omdat hij in die tijd ‘door ouderling Beth zedelijk vermoord is geworden’. En toen gebeurden er twee dingen die de zaak halt zetten: er werd weer een klassikale commissie benoemd én ds. De Vos werd ziek. Zo bleef de zaak onbeslist, althans voor de toeschouwers. De predikant ging in 1867 door gezondheidsklachten gedwongen met pensioen en kreeg een jaargeld van fl. 300 als oudedagvoorziening. ‘Na langdurig smartelijk lijden’ overleed hij het jaar daarop.

Ds. L. Tobi (in 1868).

De kerkenraad ging dus op zoek naar een nieuwe voorganger. Men kwam op het idee ds. L. Tobi (1832-1888) te vragen als predikant te willen dienen (van hem is helaas geen foto bekend). Deze was in 1859 in ‘ons Indië’ zendeling op de Midden-Molukken geworden, maar was door zijn zwakke gezondheid naar Nederland teruggekeerd en in Delft beland. Nog tijdens de actieve ambtsperiode van ds. De Vos verrichtte hij daar hulpdiensten, zodat het niet vreemd was dat men hem vroeg predikant te worden. Dat ging overigens niet zonder slag of stoot, want er waren voor- en tegenstanders.

Ds. P. Wagemaker (1824-1906) van Vlaardingen werd het niet…

Sommigen wilden liever ds. P. Wagemaker (1824-1906) van Vlaardingen, die ook op het drietal stond. Toch werd Tobi door de manslidmaten met tweemaal zoveel stemmen als Wagemaker gekozen en dus door de kerkenraad beroepen. Hij begon op 15 februari 1868 – zonder in het ambt bevestigd te zijn! – aan zijn werk. Hoe dan ook,  gemeentelid C.J. van Andel trok dit alles niet en liet zich met zijn gezin uitschrijven. En kort daarop bleek dat een ouderling (L.A. Post) en een diaken (M. Hoogenraad) zich en plein public negatief uitlieten over het beroep op Tobi uitgebracht. Zij werden door de kerkenraad ‘ontslagen’.

Maar het werk viel ds. Tobi allemaal niet mee. Want ‘uit hoofde van  Zijn Edeles lichgaamstoestand’ vroeg hij ‘van het op hem uitgebragte beroep te worden losgemaakt, wegens de veelvuldige werkzaamheden alhier’. De kerkenraad was echter vooralsnog niet van plan daarin te berusten. De provinciale vergadering oordeelde uiteindelijk echter dat men ds. Tobi moest laten gaan. En hij ging. Al probeerde een aantal gemeenteleden hem toch nog als predikant te behouden. Dat zal hem ongetwijfeld gestreeld hebben, maar hij nam per 22 oktober 1868 afscheid en vertrok naar de kerk van Vlissingen, waarna hij bovendien nog de kerken van Serooskerke (W.), Tholen en Naaldwijk diende. Daar overleed hij in 1888.

‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Delft’ (1869).

Net vóór de komst van de volgende predikant veranderde de naam van de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Delft, en niet van haar alléén. In juni 1869 werd namelijk de landelijke samenvoeging een feit van de Christelijke Afgescheidene Kerk en het kleine kerkgenootschap van de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis. Dat laatste kerkverband was in 1838 ontstaan door afsplitsing van de Christelijke Afgescheidene Kerk. Men was het oneens over de aanneming van de Dordtse Kerkorde en over het vragen van vrijheid van godsdienstoefening en erkenning door de overheid en over enkele andere zaken.

In (een deel van) dit gebouw aan de Voldersgracht nr. 135, tegenover de Oude Manhuissteeg, kerkten de Afgescheidenen van 1858 tot 1882. Het stond op de plaats waar nu het Vermeer Centrum staat.

Meerdere Afgescheiden gemeenten wilden strikte handhaving van de Dordtse Kerkorde uit 1618-1619 en waren het bovendien pertinent oneens met het vragen van vrijheid van godsdienstoefening en erkenning bij de overheid. Ook stonden zij pal voor het blíjven gebruiken van de aanduiding ‘gereformeerd’ in de kerknaam. Die benaming mocht namelijk op last van de overheid (!) niet meer door Afgescheiden Gemeenten gebruikt worden,  als ze althans door de regering erkend wilden worden. Om al deze redenen kwam er een kerkscheuring in de Christelijke Afgescheidene Kerk en ontstond de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die met plaatselijke gemeenten een eigen kerkelijk leven voortzette.

Maar in de jaren ’50 van de negentiende eeuw werd toch – zij het mondjesmaat – gesproken over hernieuwde eenwording. Pas in de tweede helft van de jaren ’60 werden er wat dat betreft significante stappen naar eenwording gezet, wat in juni 1869 officieel uitmondde in de hereniging van beide kerkverbanden. Besloten was als nieuwe naam te dragen ‘Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland’. De gemeente in Delft heette sindsdien dus ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Delft’.

Ds. L. van der Valk (van 1869 tot 1892).

Ook het beroepen van de opvolger van ds. Tobi verliep niet gladjes. De kerkenraad had namelijk geweigerd  ds. W.J. Weijenberg (1819-1885) van Zuid-Beijerland op tal te zetten. Enkele leden protesteerden daartegen (zij wilden ds. Weijenberg omdat deze afkomstig was uit de Christelijke Afgescheidene ‘bloedgroep’ van de pas verenigde kerk), maar de provinciale vergadering oordeelde dat de talstelling  het goed recht van de kerkenraad was. Beroepen werd ds. Leendert van der Valk (1838-1910) van Rotterdam, die oorspronkelijk behoorde tot de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis.  Hij nam het beroep aan en deed op 6 november 1869 intrede, na diezelfde dag in het ambt bevestigd te zijn. Hij zou drieëntwintig jaar aan de kerk van Delft verbonden zijn. De Christelijke Gereformeerde Gemeente  te Delft telde in die tijd omstreeks 340 leden.

Ds. L. van der Valk (1838-1910).

De school in de problemen – én eruit.

Kort na het aantreden van ds. Van der Valk bleek dat de christelijke diaconieschool opnieuw uitgebreid moest worden: het leerlingenaantal steeg! Maar dat kostte geld! Ds. Van der Valk spande zich er voor in het benodigde bedrag bijeen te krijgen. In een week tijd werd fl. 1.400 bijeengebracht! Maar… toen volgde een vreemde gebeurtenis: omdat door de overheid steeds meer ‘eisen van deugdelijkheid’ aan de openbare scholen gesteld werden, moesten ook de christelijke scholen daaraan voldoen: kleinere klassen, betere schoolgebouwen, een beter traktement voor het personeel, enz. (op zich uitstekende maatregelen). De christelijke scholen kwamen echter nog steeds niet in aanmerking voor subsidie. De kerkenraad gaf de strijd daarom op! Het werd te duur. Hij verzocht meester Smink de school voor eigen rekening (!) voort te zetten, zij het dat de kerk fl. 400 per jaar zou doneren. “Eere den man, die alleen ging torsen wat voor een gansche gemeente te zwaar was gebleken!”

In de jaren ’80 stapelden de moeilijkheden zich voor meester Smink huizenhoog op, toen ook de hervormde kerkenraad besloot een eigen school te openen, aan de Voldersgracht, nog wel in het gebouw dat vroeger had dienst gedaan als christelijke gereformeerde kerk (dat gebouw stond namelijk sinds 1882 leeg, toen de christelijke gereformeerden de nieuwe Oosterkerk aan de Vlamingstraat in gebruik namen). De hervormden brachten fl. 9.000 bijeen en zo kon de hervormde school – met 96 leerlingen – op 17 augustus 1883 van start gaan.

Zicht op Delft, lang geleden.

De school weer aan de kerk (1889).

Hoofdmeester Smink was intussen ongeveer 80 jaar oud geworden, en de strijd werd hem te zwaar. De Christelijke Gereformeerde Gemeente nam de school daarom in 1889 weer van hem over. Op 15 oktober dat jaar nam hij in een samenkomst afscheid van de school. Hij had het onderwijs toen maar liefst 62 jaar gediend. Bovendien was hij van 1842 tot 1889 ook nog voorzanger in de kerk geweest, want een orgel kende de gemeente aanvankelijk nog niet, hoewel er in de jaren ’80 wel een kwam. Hoe dan ook, aan meester Smink werd jaarlijks fl. 500 pensioen toegezegd. Toen ‘de oud-strijder’ drie jaar later overleed kreeg zijn weduwe in het vervolg de helft van dat bedrag.

Intussen zag men het met de groeiende school aan de Nieuwe Langendijk weer helemaal zitten. In een paar dagen werd onder de gemeenteleden fl. 650 ingezameld en inmiddels kon de nieuw benoemde hoofdonderwijzer met zijn taak beginnen. Bovendien leek een (gedeeltelijke) Rijkssubsidie op komst, zodat de kerkenraad besloot de school deels geheel te vernieuwen en bovendien met een aantal lokalen uit te breiden. De school bloeide in de vele jaren daarna zozeer, dat in 1950 inmiddels driehonderdveertig leerlingen de school bevolkten, verdeeld over zeven lokalen. Sterker: er kwam in die tijd een tweede school, met samen zevenhonderd leerlingen. “Stormen gingen over ons heen, maar nog staan we daar als getuigen van de trouw en de genade des Heren”, zo getuigde het bestuur tijdens het gouden jubileum in 1950.

Iets over het kerkelijk leven.

Terug naar de tijd van ds. Van der Valk. Hoewel we hier slechts in grote lijnen over de drieëntwintigjarige ambtsperiode van de predikant  kunnen handelen, is het allereerst van belang te weten dat door de komst van ds. Van der Valk in 1869 de rust in de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Delft weer terugkeerde. Het was hem wel toevertrouwd tegenstellingen in de gemeente te overbruggen en van ‘zoveel hoofden zoveel zinnen’ een eenheid te smeden. Zijn preken spraken behalve door de inhoud ook aan door zijn welsprekendheid. In de gemeente stond hij bekend om zijn vriendelijkheid.

Ds. L. van der Valk (1838-1910).

“De Delvenaars hebben hem gezien in zijn heerlijk enthousiasme, in zijn geloofsvertrouwen, dat een kleine schaar tot eenheid bracht, aanvankelijk verdubbeld door de Kohlbruggianen, nóg eens verdubbeld door zóveel anderen, die een gereformeerde preek wenschten te hooren, en straks de leer zouden omhelzen en opgenomen zouden worden in de zich steeds uitbreidende kerk. ’t Is niet alleen het kerkgebouw op de Vlamingstraat dat hij heeft gesticht [de Oosterkerk, waarover straks meer], hij heeft de Gereformeerde Kerk opgebouwd en de gereformeerde leer het eerst ingang doen vinden in breeden kring, en daarna de zege behaald voor de christelijke beginselen in de politiek”.

Vriendelijk, OK, maar samen met de kerkenraad soms ook streng! Men had immers toe te zien op leer en leven van de gemeenteleden. Zo werd eens een gemeentelid door de kerkenraad op het matje geroepen omdat hij een schuld van maar liefst fl. 9.000 had opgebouwd,  die hij niet kon aflossen. De kerkenraad bestrafte hem met strenge woorden, en de man ging daarna heen ‘met een vloed van tranen en snikkende’. Later werd hij gearresteerd en veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, waarna de kerkenraad niet anders kon dan hem onder censuur plaatsen.

Een ander ‘tuchtgeval’ betrof een vrouwelijk gemeentelid dat  –  na het overlijden van haar man – wilde hertrouwen met de broer van haar overleden man. Al vele jaren eerder was een dergelijk ‘geval’ voor de kerkenraad geweest, waarover uiteindelijk door de landelijke synode  was verklaard dat zo’n huwelijk in de kerk weliswaar niet toegestaan was, maar géén ‘bloedschendig huwelijk’ genoemd kon worden. Ook nu werd de classis geraadpleegd, net als toen, maar in dit geval horen we er niets meer over. Het zal met een sisser zijn afgelopen.

Ambtsdragersverkiezingen.

De kerkenraad in 1881/1882. Zittend v.l.n.r.: H. Frijlink, L.A. Post, ds. L. van der Valk, J.A. van der Bent, W.J.G. Basoski (ouderlingen). Staande: J.H. Doorn, H.J. Kouwenhoven, H. den Boer, A. van den Bos, F.H. van der Struyf, A. van den Berg (diakenen), en koster H. de Vriend (foto:  ‘Delft naar die verborgen schat’).

In 1870 kreeg de kerkenraad te maken met een bezwaarschrift van dertien gemeenteleden die problemen hadden met de kandidaatstelling voor ambtsdragers. Men vond sommigen ‘te jong’ en anderen ‘ongeschikt’ voor het ambt waarvoor zij op tal stonden. Je moest immers volgens de Statenvertaling geen ‘nieuwelingen’ kiezen ‘opdat zij niet opgeblazen worden’? En wat die ‘ongeschiktheid’ betrof: sommigen van hen gingen thuis aan de maaltijd niet eens voor in gebed! En dan ouderling worden?! De dertien critici stelden daarom ook voor dat de kerkenraad in zijn geheel zou aftreden en nieuwe verkiezingen zou uitschrijven.

Maar zo’n vaart zou het niet lopen. Ds. Van der Valk legde uit dat het woord ‘nieuweling’ in het betreffende Statenbijbelgedeelte niet sloeg op de leeftijd, maar op het feit dat het een ‘pas bekeerde’ was. De predikant kon praten als Brugman, maar het hielp niet. De kerkenraad bleef echter bij de gedane talstelling, waarna de broeders ‘hogerop’ wilden gaan, al was de classis geen ‘hogere’ maar een ‘meerdere’ vergadering. En dat is nogal een verschil. Hoe dan ook, het bracht geen verandering in de zaak.

De gemeenteleden hielden de ambtsdragersverkiezingen trouwens altijd nauwkeurig in de gaten! In 1871 moest een stemming zelfs overgedaan worden omdat per post ingezonden stembriefjes niet waren meegeteld, wat bij de hernieuwde verkiezing wél gebeurde. Toen ook tegen die hernieuwde talstelling bezwaar gemaakt werd en gemeenteleden zich op de classis beriepen, oordeelde die dat de kerkenraad de eerste verkiezing niet zomaar had mogen laten vervallen en bij de eerste verkiezing op de kansel duidelijk had moeten meedelen dat ingestuurde briefjes niet zouden worden meegeteld.

Ds. P.M. Dijksterhuis (1814-1882) stond de kerkenraad van Delft bij in het conflict rond de ambtsdragersverkiezingen.

Toen de tweede verkiezing gehouden was en de uitslag bekend, kwamen er opnieuw beschuldigingen bij de kerkenraad binnen, nu over een broeder die zou hebben gelobbyd om in de kerkenraad te komen. De beschuldigde gaf het nog toe ook! Hij en zijn geestverwanten hadden willen proberen de kerkenraad ‘omver te werpen’ (‘om te zetten’) door er minstens twee op tal staande leden uit te houden. De verdere discussie liep uit op de beschuldiging dat de predikant de kerkenraadsvergadering ‘op vooringenomen wijze’ leidde. Dit werd bestreden door ds. P.M. Dijksterhuis (1814-1882), predikant van Den Haag, die als afvaardiging van de kerkenraad van de ‘genabuurde kerk’ ook aanwezig was (de genabuurde kerk werd op grond van de kerkorde te hulp geroepen bij grote problemen). Ook de kerkenraad stond vierkant achter ds. Van der Valk.

Wat we met dit alles willen zeggen is dat – hoezeer de predikant op handen gedragen werd (zoals ds. Van der Valk) – er altijd wel gemeenteleden bereid waren een spaak in het wiel te steken. Ook later zouden de kerkenraadsverkiezingen soms aanleiding tot tweespalt geven, zo ook in 1904 en 1905, waarop we later terugkomen.

Kerkbouw: de Oosterkerk (1883).

Gelukkig was de weduwe Verbrecht lid van de Christelijke Gereformeerde Gemeente! In 1870 berichtte ze de kerkenraad dat ze de kerk aan de Voldersgracht zo langzamerhand aan de kleine kant vond. Zou de kerkenraad er eens over willen nadenken om het bedehuis te vergroten of een nieuwe kerk te bouwen? Ze schonk de kerk voor dat doel fl. 2.000. En inderdaad viel het meerderen op dat er in de kerk door de vele kerkgangers ‘een stinklucht’ hing. Het werd er benauwd! De kerkenraad dacht er ook zo over en besloot daarom een nieuwe kerk te gaan bouwen. In uitbreiding van het oude kerkje zag men geen heil.

Stadsarchitect Scholten werd gevraagd tekeningen te maken. En hij liet er geen gras over groeien want al vier dagen later kon de kerkenraad zich over de eerste tekening buigen. Het door hem ontworpen bouwwerk bleek echter te duur, al was het bouwfonds door de weduwe in ieder geval op stoom gekomen. Een ander plan, dat in 1874 werd ontworpen, viel evenmin in goede aarde en het duurde tot 1878 eer architect W.C. Coepijn uit Kralingen gevraagd werd een plan te maken voor de verbouw (niet: nieuwbouw) van de oude kerk. Dat lukte echter ook niet, want de ruimte voor een flink grotere kerk ontbrak. Nog enkele andere plannetjes passeerden de revue, maar alles liep dood.

Een stuk grond aan de Vlamingstraat!

Tót dominee Van der Valk in oktober 1881 de  snel bijeengeroepen kerkenraad in het diepste geheim toefluisterde dat aan de Vlamingstraat – het verlengde van de Voldersgracht – een ruim terrein te koop was voor fl. 10.000. Daar kon een kerk van maar liefst 800 zitplaatsen gebouwd worden en als het belendende perceel mét woning er voor fl. 5.000 bij gekocht werd, kon zelfs een bedehuis van maar liefst 1000 zitplaatsen gebouwd worden! De kerkenraad besloot tot aankoop en tot bouw van een grote nieuwe kerk aan de Vlamingstraat. En toen in maart 1878 de gemeentevergadering haar goedkeuring aan de plannen verleende kon de bouw van start gaan.

De ‘eerste steen’ van de Oosterkerk, die op 19 juni 1882 gelegd werd.

Besloten werd een gedenksteen te plaatsen met de tekst ‘Eben Haëzer 19 juni 1882’, de datum van de eerstesteenlegging. Het werd een bijzondere samenkomst, die begonnen werd met het zingen van psalm 89 vers 1, na een toespraak gevolgd door psalm 48 vers 6, en aan het eind psalm 72 vers 11. “De Heere zij geprezen, ook voor het schone weer tijdens de steenlegging. Het had de hele dag geregend”, schreef de scriba.

Natuurlijk moest van alles geregeld worden. Behalve dat er enkele keren klachten waren over ‘geknoei’ aan het bouwfront (wat de aannemer ontkende) werd in ieder geval afgesproken dat het niet lang geleden aangeschafte orgel uit de oude kerk zou worden meegenomen naar het nieuwe bedehuis. De bouw verliep verder voorspoedig en zo kon de nieuwe Oosterkerk, zoals de kerk zou heten, op 15 maart 1883 in gebruik genomen worden. De dienst werd geleid door ds. A. Brummelkamp – intussen emeritus hoogleraar aan de Theologische School in Kampen – die de Christelijke Afgescheidene Gemeente meer dan veertig jaar  eerder – in 1840 – geïnstitueerd had en die bovendien consulent geweest was en dus zeker voor deze plechtigheid in aanmerking moest komen!

De voorgevel van de Oosterkerk.

‘De Gereformeerde Kerk te Delft A’ (1892).

Juist twee dagen vóór het vertrek van ds. Van der Valk naar Scheveningen vond op 17 juni 1892 in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk een belangrijke gebeurtenis plaats. Daar werd de landelijke ineensmelting beklonken tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, afkomstig uit de Doleantie, de tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk, die in 1886 begon, als resultaat van een jarenlange strijd over de vrijzinnigheid, het beheer van de kerkelijke goederen en over de ‘synodale hiërarchie’. De beide kerken besloten samen verder te gaan als De Gereformeerde Kerken in Nederland.

De Oosterkerk aan de Vlamingstraat (bij de pijl).  Tussen de kerkzaal en de toren lagen de kosterswoning en een aantal vergaderzalen. Rechts de Nieuwe Kerk.

Maar plaatselijk ging de ineensmelting niet overal zo vlot. Daarom hadden beide synodes afgesproken dat in zulke steden of dorpen beide kerken wél meteen ‘Gereformeerde Kerk’ genoemd zouden worden, maar de oudste van de twee (meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente) een ‘A’ aan de kerknaam zou toevoegen, en de jongste (meestal de Dolerende Nederduitsche Gereformeerde Kerk) een ‘B’. Beide kerken behielden hun volledige zelfstandigheid, maar werden wel verplicht te gaan samenspreken over eenwording. Ook in Delft was directe ineensmelting niet mogelijk. Vandaar dat de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Delft vanaf 17 juni 1892 ‘De Gereformeerde Kerk te Delft A’ heette en de plaatselijke Dolerende kerk ‘Gereformeerde Kerk te Delft B’. Want ook in Delft ontstond een Dolerende Kerk. Daarover later meer.

Het interieur van de Oosterkerk.

Ds. Van der Valk vertrekt (1892).

Ds. Van der Valk nam op 19 juni 1892 afscheid van de kerk van Delft en vertrok naar Scheveningen. Hij overleed in Oosterbeek, waar hij van 1904 tot 1910 predikant was. In een In Memoriam werd over hem (onder veel meer) geschreven: “Vlaardingen was zijn geboorteplaats, in Rotterdam heeft hij zich gevormd, in Delft heeft hij zijn volle kracht ontwikkeld. (…) Zijn vrienden uit Delft, velen zitten hier [bij de begrafenisplechtigheid], zij zouden beter kunnen zeggen wat zij voor hem gevoelen, dan ik dat vermag. Hun snikken hebben het getuigd wat zij in hem verloren. (…).”

Ds. A.H. Gezelle Meerburg (van 1893 tot 1899).

Ds. A.H. Gezelle Meerburg (1845-1905).

Op 16 november 1893, anderhalf jaar na het vertrek van ds. Van der Valk, deed de volgende predikant intrede in de Gereformeerde Kerk te Delft A. Het was ds. A.H. Gezelle Meerburg (1845-1905) van Groningen. Tijdens zijn predikantschap vond in december 1897 in Delft de ineensmelting plaats tussen de beide  Gereformeerde Kerken A en B.

Daarom nu eerst meer over het ontstaan van de Doleantie te Delft, en de daarop volgende plaatselijke ineensmelting.

Naar deel 3 >

© 2019. GereformeerdeKerken.info