Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Lopik – en daarna (2)

( < Naar deel 1  )  – Nu de verenigde Gereformeerde Kerk van Lopik een eigen kerkgebouw had aan de Lopikerweg Oost, werd het tijd een heuse predikant te beroepen. Maar dat viel niet mee!

De Lopikerweg Oost met de gereformeerde kerk (links).

Ds. F.W.J. Wolf (van 1895 tot 1899).

Acht beroepen op andere predikanten moesten worden uitgebracht, waarvan tweemaal een ‘tweede beroep’ op dezelfde – in maart en juni 1893 op ds. J.R. Dijkstra (1850-1925) van Joure  en in juli en september 1894 op ds. A. Middelkoop (1859-1926) van Nijkerk – voordat ds. F.W.J. Wolf (1860-1944) van Axel  het in oktober 1894 op hem uitgebrachte beroep aannam. En ondertussen deed gemeentelid C. Benschop zijn uiterste best om oefenaars of predikanten naar het vacante Lopik te krijgen om zo nu en dan voor te gaan in de diensten.

Van ds. Wolf is geen foto bekend. Wel van zijn (verwaarloosde) graf.

Ds. Wolf deed op 14 januari 1895 intrede in Lopik, maar niet dan nadat de kerkenraad het oorspronkelijk vastgestelde jaartraktement van fl. 1.000 naar fl. 1.200 had opgekrikt. Als de broeders dat niet gedaan zouden hebben, had de predikant namelijk bedankt. De nieuwe dienaar des Woords  bleek gezond van lijf en leden, want als hij, na zijn huisbezoeken te hebben verricht, weer thuis kwam ging hij niet door het tuinhekje het pad op, maar sprong hij er gemakshalve overheen. En als hij op reis moest naar een classisvergadering in Utrecht, betrad hij niet de daartoe aangelegde rijweg, maar sneed hij graag een stuk van de route af door door weilanden te lopen en over eventuele sloten te springen. Na 25 juli 1899 was het echter gedaan met het hoogspringen, want toen nam de predikant afscheid wegens het aannemen van een beroep naar de kerk van Vrouwenpolder.

Het interieur van de oude kerk (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

Ds. G. van Velzen (van 1900 tot 1910).

Het duurde ruim een jaar voor zijn opvolger intrede deed in Lopik. Het beroepingswerk verliep aanmerkelijk makkelijker dan de vorige keer, want ds. G. van Velzen (1852-1939) van Ede – daarvóór oefenaar  te Scherpenzeel  – deed op 5 augustus 1900 intrede. Tien jaar lang was de predikant aan de kerk van Lopik verbonden. Hij vroeg de kerkenraad om een studeerkamer aan de pastorie te bouwen, maar daarvoor waren de kerkelijke financiën niet toereikend. Zo was het batig saldo van de kerk in 1904 precies fl. 0,40. Een door hem gevraagde vrije zondag kreeg hij echter wél. Eéntje. In september 1904.

Ds. G. van Velzen (1852-1939).

“Ds. Van Velzen was een ernstig prediker. Hij heeft echter het kruis moeten dragen van zo menig prediker, dat hij in aanraking gekomen is met kinderen des Verbonds, die de kinderaard verloochenden. Mede daardoor is hij in een hoek terecht gekomen, waar hij beter niet had kunnen komen. Want gaat gereformeerde prediking van het Verbond uit, en plaatst ze daarom Christus voor den mensch, om op dien grond hem op te wekken tot boete en berouw, tot geloof in Gods vergevende liefde en bekeering – ds. Van Velzen heeft het Verbond niet aangedurfd. Voor alles wat naar ‘Verbond‘ ook maar riekte, was hij bang. Zelfs na de doopsbediening gaf hij liever geen psalm op, waarin het woord ‘Verbond’ voorkwam”.

“Op wat er voor de eeuwigheid gekend moest worden, op wat de mensch van God ervaren en meegemaakt had, kwam het aan. En in dien geest was ook zijn prediking. Zodoende heeft hij in bepaalde kringen opgang gemaakt, voelde hij zich thuis op de Zuid-Hollandsche eilanden, en kreeg hij er den eerenaam van ‘de oude knecht’ van Flakkee. Maar door diezelfde prediking heeft hij tegelijk ook niet kunnen voldoen de geloovigen, die bij ’t Verbond Gods zijn grootgebracht, die met het Verbond ernst maakten, en die er hun vastigheid in zochten en hadden.”

Ds. Van Velzen nam op 14 augustus 1910 afscheid van Lopik wegens vertrek naar de kerk van Zuilichem. In Middelharnis, waar hij van 1914 tot 1928 predikant was, leidden zijn opvattingen over het Verbond tot onenigheid in de gemeente en een kerkelijk uiteengaan.

Ds. R. Sybrandy (van 1911 tot 1913).

Ds. R. Sybrandy (1875-1935).

Op 10 december 1911 deed ds. R. Sybrandy 1875-1935) van Zaltbommel intrede in de kerk van Lopik. Er waren vier vergeefse beroepen voor nodig, waaronder – met een tussenruimte van zeven maanden – een tweetal op ds. J.J. Westerbeek van Eerten (1856-1926) van Kampen. De ambtsperiode van ds. Sybrandy in Lopik was wel heel kort, en over die tijd is in dit verband dan ook weinig meer te vertellen dan wat  huiselijk nieuws.

De predikant  vroeg de kerkenraad in januari 1913 of hij wat mest voor zijn tuin kon krijgen. En in diezelfde tijd was ook het privaat van de pastorie vaak verstopt. Kon er eindelijk eens iemand komen om dit nu eens goed ‘door te steken’?

Om zijn uitgebreide gemeente wat sneller te kunnen doorkruisen leek het de predikant goed een rijwiel aan te schaffen. Kennelijk was de kritiek op die ‘lichtzinnige’ ambtsdaad zo groot, dat de predikant het plan liet varen. Verder is er weinig meer te vertellen dan dat hij een beroep aannam naar Zegwaart en Zoetermeer, ten gevolge waarvan hij op 2 november 1913 afscheid van Lopik nam.

Ds. C.A. van Nood (van 1914 tot 1921).

Ds. C.A. van Nood (1878-1959).

Harmelen zag haar predikant ds. C.A. van Nood (1878-1959) naar Lopik vertrekken, waar hij op 4 oktober 1914 intrede deed (de Eerste Wereldoorlog was net begonnen (28 juli), die zou duren tot de ‘wapenstilstandsdag’ op 11 november 1918). Het traktement van de predikant was in 1915 inmiddels opgetrokken naar fl. 1.300 per jaar, maar toen de synode in die tijd een duurtetoeslag aanraadde werd het salaris met fl. 200 verhoogd.

Wanneer het eerste orgeltje werd aangeschaft is niet bekend. Wel weet men dat het vanuit Vreeswijk op kaasbrikken werd aangevoerd en dat het in de kerk geplaatst werd door ene Battinga uit Rotterdam; de totale  kosten van het orgel (incl. plaatsing) bedroegen destijds fl. 800. Maar hoe dan ook, in  1915 was het instrument aan vervanging toe. Op 28 september dat jaar werd een nieuw orgel besteld bij de firma Vermeulen (gevestigd ‘in Weert en Alkmaar’). Er moest fl. 1.500 voor neergeteld worden. Veel profijt van de verkoop van het oude instrument had men niet: het bracht fl. 65 op. Maar toch.

Het interieur van de oude kerk met het eerste orgel dat tot 1938 dienst deed (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

Achteraf bleek dat het nieuwe orgel min of meer ‘een kat in de zak’ was. Toen het werd afgebroken bleek de blaasbalg te zijn dichtgeplakt met kranten en was een allegaartje van orgelpijpen gebruikt, die nauwelijks gestemd konden worden.

Op 23 januari 1921 nam ds. Van Nood afscheid wegens vertrek naar de kerk van Vorden. Dat had overigens met het orgel niets te maken…

Ds. W.H. Bouwman (van 1921 tot 1925).

Het beroepingswerk om een opvolger te krijgen verliep vlot. Op 18 september 1921 deed ds. W.H. Bouwman (1878-1965) van Nederhorst den Berg  intrede in Lopik. Zijn ambtstermijn was ongeveer vier jaar.

Ds. W.H. Bouwman (1878-1965).

“Bouwman behoorde niet tot de ‘prominenten’ in het aardse kerkelijke leven, en van hem zijn geen verwondering wekkende dingen te vertellen. Hij was een trouwe pastor, die in de kerken waarin de Here hem een plaats gaf, de grote Herder der schapen met ongebroken toewijding gediend heeft. Hij was een ‘ware’ zoon der Doleantie en een vurige discipel van de Vrije Universiteit waaraan hij ook door dr. A. Kuyper (1837-1920) gevormd is; een ‘ouderwetse’ gereformeerde, die aan al het ‘verouderde’ vreemd was, en ook een overtuigde antirevolutionair [de ‘gereformeerde’ Anti-Revolutionaire Partij was een van de drie partijen waaruit veel later het CDA zou ontstaan]. Hij was een goed theoloog, die in de pastorie de studie een ereplaats heeft gegeven, wat in zijn boek over de oudtestamentisch eredienst ‘De schaduw der hemelse dingen’, verschenen bij J.H. Kok te Kampen, ten duidelijkste blijkt”.

Op 21 juni 1925 nam hij afscheid wegens vertrek naar de kerk van Capelle aan den IJssel.

Ds. C. Steenblok (1927 tot 1935).

Heel wat minder rustig was het verloop van de ambtsperiode van de opvolger van ds. Bouwman, ds. C. Steenblok (1894-1966), die als kandidaat naar Lopik kwam en daar op 31 juli 1927 intrede deed. Dat deed hij in de middagdienst met de woorden van psalm 71 vers 16: ‘Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren Heeren; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen’. In de ochtenddienst was hij in het ambt bevestigd door ds. P. Chr. Van Vliet (1885-1946) uit Utrecht. Ds. Steenblok kreeg één vrije zondag per maand.

Dr. C. Steenblok (1894-1966) scheidde zich in 1943 af van de Gereformeerde Kerken in Nederland en ging over naar het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika.

Klachten.

De predikant klaagde al gauw verscheidene keren over ‘hinderlijk gewauwel’ door sommige jongens op de achterste banken in de kerk. De klachten hielpen niet veel, al zou er wat aan gedaan worden. Behalve twee keer per zondag voorgaan in de dienst catechiseerde de predikant natuurlijk ook. Het gebeurde nogal eens dat catechisanten wegbleven, waarover de predikant meerdere malen bij de kerkenraad zijn beklag deed. In de gemeente constateerde de predikant, na enige tijd huisbezoeken te hebben afgelegd, ‘dat er zoo veel dorheid en doodigheid wordt aangetroffen’; een klacht die verscheidene keren herhaald werd. In 1932 noemde hij de geestelijke toestand van de gemeente ‘niet rooskleurig’.

Dit alles had met een aantal gebeurtenissen te maken die de sfeer tussen kerkenraad en predikant vertroebelden. De eerste kwestie was het parkeren van de auto van de predikant. Hij stalde zijn voertuig gewoonlijk – zoals gemeld wordt –  ‘in de serre van de pastorie’. De kerkenraad nam in februari 1932 het besluit dat ‘in de pastorie geen auto zal worden geplaatst’ (wat ons een vrij logische beslissing lijkt). Het verzoek van de predikant om in de notulen te vermelden dat hij al voor de stemming had meegedeeld de serre niet meer als parkeerplaats te zullen  gebruiken, werd niet gehonoreerd.

Een andere kwestie was een klacht van enkele catechisanten, die er bezwaar tegen maakten dat zij over ‘de rijkdom van de Genade in Christus, Verbondskinderen te zijn’ nooit iets te horen kregen. Andere catechisanten namen het echter voor de predikant op; ‘opvallend is echter dat hun schrijven nauwelijks gewicht in de schaal legde bij de ambtsdragers in Lopik’.

Hoe dan ook, de kerkenraad legde de hele zaak aan de classis voor. Op 5 januari 1934 schreef dr. H. Kaajan (1879-1940) van Utrecht namens de classis ‘dat het op de weg van de kerkenraad ligt de ingekomen bezwaren met ds. Steenblok in den aard der liefde te bespreken’. Hij wees er ook op dat het zijns inziens ongewenst was dat de kerkenraad de catechisaties nooit bezocht en raadde de kerkenraad aan dit ‘ten spoedigste’ te veranderen.

Dr. C. Steenblok (1894-1966) op latere leeftijd.

Hoewel ds. Steenblok zijn standpunt ten aanzien van het Verbond zelf niet duidelijk maakte, kan uit de klachten van de catechisanten geconcludeerd worden ‘dat de predikant hen, ondanks hun doop, blijkbaar niet voor wedergeboren kon houden, ook al bleek uit hun handel en wandel het tegendeel’. ‘We stuiten hier eigenlijk’  – schrijft Florijn – ‘op een uitvloeisel van de leer van de veronderstelde wedergeboorte [van dr. A.Kuyper], die de catechisanten aanhingen, maar waartegen ds. Steenblok bezwaren had’.

De aan de classis voorgelegde problemen bleven niet de enige. Op 7 mei 1934 werd de predikant door de kerkenraad meegedeeld dat zijn salaris met 1/3 deel zou worden teruggedraaid, van fl. 3.000 naar fl. 2.000. De predikant deelde schriftelijk mee dat hij daarmee niet akkoord kon gaan en richtte zich daarover tot de classis. Deze oordeelde op 15 juni 1934 dat zij ‘deze tractementsverlaging niet voldoende gemotiveerd acht, daar zij niet het minst voortvloeit uit de minder goede verhouding tusschen kerkeraad (gemeente) en ds. Steenblok, en dringt er ten zeerste op aan, dat in deze verhouding zo spoedig mogelijk verbetering kome, en de kerkeraad, indien eenigszins mogelijk, het door ds. Steenblok vroeger genoten tractement handhave’. De kerkeraad handhaafde de drastische verlaging echter.

Na kort daarop enige tijd met ziekteverlof te zijn geweest deelde de predikant  eind november 1934 aan de kerkenraad mee dat hij emeritaat zou aanvragen wegens zijn gezondheidstoestand. Twee artsen bevestigden de noodzaak ervan. Per 1 februari 1935 ging dit emeritaat in. Nadat hij van 1937 tot 1942 in Poederoijen hulpdiensten had verricht, werd hij gereformeerd predikant in Poortvliet, maar ging in 1943 over naar de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika.

Ds. H. Pol (van 1936 tot 1942).

Ds. H. Pol (1909-1990) op latere leeftijd.

Op 12 januari 1936 deed kandidaat H. Pol (1909-1990) intrede in de kerk van Lopik. De predikant schreef later het als opvolger van ds. Steenblok niet makkelijk te hebben gehad. Hij was ‘in moedeloze buien’ wel eens in de verleiding gekomen om zijn prediking aan te passen aan die van ds. Steenblok, die meer ‘bevindelijk’ van aard was, ‘om het de mensen naar de zin te maken, maar ik voelde dat als ontrouw tegenover God’. Uit die uitspraak wordt duidelijk dat ds. Steenbloks prediking in ieder geval bij velen kennelijk in goede aarde viel.

Op de fiets – ‘wat was ik trots op dat bezit!’ – legde hij zieken- en huisbezoeken af bij zijn gemeenteleden, van wie een groot deel erg arm was en wier huisjes in het natte seizoen  tijden lang in het water stonden. Ook gebruikte hij zijn stalen ros  voor de gang naar de classisvergaderingen in Utrecht. De onverlichte, slecht begaanbare wegen stonden vaak borg voor een moeilijke fietstocht, want bij volle maan brandden er geen lantaarns. ‘Op zo’n avond duikelde mijn vrouw kopje onder’.

Interieur van de oude kerk met het orgel dat in 1938 in gebruik genomen werd (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

In 1936 werd voor het eerst gesproken over de vervanging van het orgel, dat steeds meer kuren kreeg. Het lek in de blaasbalg dat met papier was dichtgeplakt  hebben we al gememoreerd, en bovendien bleek een van de registers van een garenklosje gemaakt te zijn.  Kortom: er moest een nieuw orgel komen. Het instrument kwam er in 1938. Orgelbouwer Strunk uit Rotterdam kreeg opdracht het orgel (met twee manualen en pedaal) te bouwen voor de prijs van fl. 2.800. ‘Het werd een krachtig en mooi geïntoneerd orgel, voorzien van een windmotor en niet meer – zoals bij het oude orgel – met een orgeltrapper. Deze verloor zijn bijbaantje dus.

Zonder dat zijn gemeente het wist kreeg de predikant eens een beroep naar Magelang op Java, als zendingspredikant dus. ‘Na een geheim onderhoud met de Zendingsdeputaten’ bleef de predikant uiteindelijk toch in Lopik.

De kerk die in december 1893 in gebruik genomen werd en tot 1961 dienst deed.

De Tweede Wereldoorlog.

De pastorie werd in verband met de voormobilisatie in 1939 – met soldaten in het naburige Jaarsveld – gedurende negen maanden een soort van Militair Tehuis. Bij het begin van de oorlog op 10 mei renden de predikant en zijn vrouw naar de soldaten in de kazematten om met hen een korte bidstond te houden, ‘waarbij iedereen neerknielde’. In de gereformeerde pastorie was het in die tijd elke zondag een komen en gaan van militairen. ‘En na de capitulatie op 15 mei 1940 heeft ds. Pol niet nagelaten in woord en daad de kerkgangers te wapenen tegen de fascistische theorieën en de duidelijk heidense levensbeschouwing van de nazi’s’. Al snel kwamen de eerste onderduikers in Lopik terecht.

Diaconale actie.

Halverwege 1941 werd overleg gepleegd tussen de diaconieën van Lopik en Amsterdam-Noord over het opnemen van ongeveer vijfentwintig Amsterdamse kinderen in Lopikse gereformeerde gezinnen, om wat op krachten te komen. Deze uitwisselingen vonden gedurende drie jaar plaats. Als de kinderen weer naar huis teruggingen kregen ze veel voedsel mee voor thuis. Contacten van de Utrechtse gereformeerde diaconie met die van Lopik zorgden voor een tot de bevrijding aanhoudende voedselstroom richting Utrecht. ‘In Lopik’ – zo zei een diaken uit Utrecht – ‘hoefden we nooit aan te dringen op hulp. Er werd altijd spontaan en veel gegeven’.

Vanuit het westen van het land, waar de voedselsituatie steeds nijpender werd – ook in Lopik was het echter geen overvloed – kwamen steeds meer mensen ook richting Lopik om voedsel te vragen. Zoveel als mogelijk was werd geholpen. Ook velen die voor de Duitsers op de vlucht waren en in Lopik verzeild raakten kregen er onderdak; geschat wordt dat in de oorlog in Lopik minstens honderd onderduikers verstopt werden.

Midden in de oorlog, kreeg ds. Pol een beroep van de Friese gemeente Hallum, dat hij aannam. Op 29 maart 1942 preekte de predikant afscheid. Hij werd opgevolgd door kandidaat E. Pijlman (1915-2003), die een jaar later, op 21 maart 1943, intrede deed en tot 18 november 1945 aan Lopiks kerk verbonden bleef. Toen vertrok hij naar de kerk van Schiebroek.

Ds. S.J. de Boer (1947 tot 1965).

Bijna twee jaar bleef de kerk van Lopik toen vacant. Op 12 oktober 1947 deed ds. S.J. de Boer (1895-1965) van het Friese Wijckel  en Balk intrede. Hij zou ongeveer acht jaar lang – tot zijn overlijden op 15 oktober 1965, vlak voordat hij met emeritaat zou gaan – aan de kerk van Lopik verbonden blijven.

Een nieuwe kerk (1961).

Ds. S.J. de Boer (1895-1965) legde in 1960 ‘de eerste steen’ van de nieuwe kerk, die in 1961 in gebruik genomen werd (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

De kerk werd ondertussen te klein. De Gereformeerde Kerk van Lopik groeide stevig door, zodat het aantal benodigde zitplaatsen steeds groter werd. Plannen werden gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk, op de plaats van de oude pastorie, links van de oude kerk. Aannemer A. Kuilenburg, lid van de kerkelijke gemeente, kreeg de opdracht om zowel kerk als pastorie te bouwen. In 1960 legde ds. De Boer de eerste steen voor het nieuwe bedehuis.

Het interieur van de nieuwe kerk (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

De bouwkosten van kerk en pastorie bedroegen ongeveer fl. 180.000. Als men de inrichting van beide gebouwen plus het orgel meetelt, waren de totale kosten ruim fl. 260.000.

Het orgel in de nieuwe kerk (foto: ‘Geref. Kerk van Lopik’).

In 2010 werden plannen gemaakt om de kerk ingrijpend te verbouwen, die niet lang daarna ook werden uitgevoerd. Veel vergaderruimte kwam erbij en ook de kerkzaal werd opnieuw ingericht.

En verder…

Het tegenwoordige uiterlijk van de ‘Brugkerk’ te Lopik.

We hebben hiermee de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Lopik in vogelvlucht beschreven van haar begin tot aan de ingebruikneming van het nieuwe kerkgebouw in 1961.

Het interieur van de Brugkerk te Lopik (foto: Reliwiki, Jelle Visser, Dokkum).

Na het overlijden van ds. De Boer was ds. H. Pol van 5 maart 1967 tot 1 januari 1975 voor de tweede maal aan de kerk van Lopik verbonden. Andere predikanten volgden hem op. Het ongeveer tien jaar geleden geheel vernieuwde kerkgebouw doet nog steeds dienst als bedehuis van de Gereformeerde Kerk  te Lopik, inmiddels omgedoopt tot Protestantse Gemeente Brugkerk, al was daarbij geen sprake van fusie met de hervormde gemeente. Een naamsverandering was voldoende.

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Lopik.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk (c.q. Protestantse Gemeente ) te Lopik (bron: Jaarboeken GKN en PKN).

Bronnen onder meer:

J.G.M. Boon, Gereformeerde Kerk van Lopik. Honderd jaren. Lopik, 1992

H. Florijn, Ds. C. Steenblok en zijn ambtsbediening in Lopik. In: Oude Paden, 1 maart 2004

N.N. Gemeenten en predikanten. Leusden, 1992

Jaarboeken (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

N.N., In Memoriam Ouderling Hendrik Frugte. g.p.,

© 2020. GereformeerdeKerken.info