De Gereformeerde Kerk te Scharnegoutum (2)

Ds. J.C. Balhuizen (van 1881 tot 1895).

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Het kerkelijk leven in Scharnegoutum ontwikkelde zich ook tijdens de verdere jaren van het predikantschap van ds. J.C. Balhuizen (1854-1939) rustig, totdat er moeilijkheden ontstonden tussen de Christelijke Gereformeerde Gemeente en de de Hervormde Gemeente.

Ds. J.C. Balhuizen (1854-1939).

Begin jaren ‘80 kwam de kerkenraad namelijk tot de overtuiging dat het kerkgebouw op de Pôle niet meer voldeed (al moeten we naar de redenen daarvan gissen: de kerk was mogelijk te klein of ze verkeerde intussen in bouwkundig minder wenselijke staat). Hoe dan ook, in 1883 kocht de christelijke gereformeerde kerkenraad ’een koopmanshuis met pakhuis, wagenhuis, erf’, enz. De woning was slechts twintig jaar oud en stond op de kruising van de Sint Martensdyk (vroeger de Ysbrechtumer Dyk) en de Lege Dyk (nummer 16), dichter bij het dorp.

De nieuwe kerk afgebroken! (1890).

Het aangekochte huis stond op grond van de hervormde gemeente. Deze gaf toestemming om er een kerk te bouwen, maar men had daarbij ook besloten dat de kerk gebouwd moest worden op de fundamenten van dat kaaspakhuis. Groter mocht de kerk niet worden. Maar… bij de bouw hield de christelijke gereformeerde  kerkenraad zich niet aan die bepaling. Ze maakten de kerk groter dan toegestaan! Bij de bouw werd op 21 april 1884 een gedenksteen gelegd door J.G. Sijperda. Ook de naam van de predikant en die van de kerkenraadsleden werden erop vermeld, net als de tekst uit Jesaja 33 vers 22 (“Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning, Hij zal ons behouden”). De kerk werd dat jaar nog in gebruik genomen.

De gedenksteen van de kerk van 1884, die afgebroken moest worden (foto: De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

Maar de te grote kerk leidde tot een rechtszaak, die zich van 1883 tot 1888 voortsleepte. In juni 1888 werd de rechterlijke uitspraak van de procureur-generaal van het Leeuwarder Gerechtshof bekend gemaakt: de kerk moet worden afgebroken, en wel op kosten van de christelijke gereformeerde kerkenraad! Ook de proceskosten moesten door hem worden betaald. De kerk werd dus afgebroken.

De “Doleantie” in Scharnegoutum (1889).

Terwijl de christelijke gereformeerden en de hervormden ruzie maakten over de kerkbouw stapte een aantal hervormde gemeenteleden over naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente. In 1888 waren het er zeven, in februari 1889 negentien, in 1890 vier. De ongeveer dertig Dolerenden in Scharnegoutum stichtten dus geen eigen Dolerende kerk en hielden ook geen eigen kerkdiensten.

Weer een nieuwe kerk (1890).

De in 1890 gebouwde kerk, zonder toren. Foto gemaakt rond 1930.

De christelijke gereformeerde kerkenraad besloot de kerkdiensten vooralsnog in een schuur te houden, maar ondertussen werden opnieuw plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk (zonder toren). De kerkenraad kocht toen voor fl. 1.650 het huis van Anske Gerbens Syperda, aan de andere kant van de weg (Lege Dyk 33). Ook nu maakten de hervormden bezwaar. Het nieuwe kerkgebouw zou te dicht bij hun kerk staan. Opnieuw volgde een gerechtelijke procedure, waardoor de bouw enkele jaren stil kwam te liggen. De zaak werd tot in hoogste instantie uitgevochten. Ds. Balhuizen reisde zelfs met situatietekeningen naar Den Haag om daar precies uit te leggen hoe de vork in de stil zat.

Hij kreeg gelijk. De kerk kon toen – aan de Legedyk 33 – overeenkomstig de plannen gebouwd worden, maar inmiddels was het wel 1890 geworden. Want op 7 september dat jaar beschikte de koning in positieve zin over de bouw van de nieuwe kerk en hij nodigde alle predikanten uit om de ingebruikneming van het nieuwe kerkgebouw, op 13 november 1890, bij te wonen. De christelijke gereformeerde gemeente te Scharnegoutum verblijdde zich zeer, “dat zij door de gunst haares Heeren de hoop mocht koesteren dat zij weldra weer in een doelmatig en sierlijk kerkgebouw den Heer zal mogen loven voor de uitredding uit haren nood”.

‘De Bazuin’, 28 november 1890.

Ook nu werd er weer een ‘eerste steen’ gelegd, opnieuw door ds. Balhuizen, met de namen van de kerkenraadsleden en de tekst uit Psalm 93 vers 5 (“Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uwen huize sierlijk, HEERE, tot lange dagen“). Onderaan op de steen: “Herbouwd en vergroot in 1890”. Die vergroting was onder meer ook nodig door het toetreden van de ongeveer dertig Dolerenden. Hoog in de voorgevel van de kerk werd ook nog een gedenksteen aangebracht met de tekst uit Exodus 15 vers 13.

De herinneringssteen hoog in de voorgevel uit 1890 (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

Meteen met de kerkbouw werd aan de westkant van de kerk een consistorie gebouwd. ‘Eenvoudig en zonder voorzieningen als water en kachel’, de kerkenraad en de dominee konden zich hier voorafgaande aan de dienst voorbereiden. Ook werden er kerkenraadsvergaderingen gehouden. Het nadeel van het kleine gebouwtje was dat het erg gehorig was en nieuwsgierigen buiten duidelijk konden verstaan wat binnen besproken werd…!

De gedenksteen in de muur van de nieuwe kerk van 1890 (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

De eerste koster van de nieuwe kerk was Douwe Bakker en hij werd opgevolgd door Kees Dijkstra. Het was ‘letterlijk en figuurlijk’ en pro-deo-baan; de enige beloning was ‘vrij wonen’ (maar dat was ook al heel wat!). In de laatste jaren van Bakkers kosterswerk kreeg hij een jaarlijkse vergoeding van fl. 25. De rest verdiende hij als slachter.

De christelijke school.

Een korte terugblik: Veel kinderen van gereformeerde ouders in Scharnegoutum werden uit halverwege de negentiende eeuw uit principiële overwegingen door hun ouders niet naar de openbare school gestuurd, maar kregen thuis les van meester Idserda. Hoewel er geen leerplicht was, werd dat niet toegestaan. De classis had al eens gesproken over ‘het gebrekkige van het onderwijs der jeugd’. De wet van 1806 bood weliswaar de mogelijkheid een eigen school te bouwen, maar de gemeenteraad gaf er vaak geen toestemming voor (zie bijvoorbeeld ons artikel op deze website over het ontstaan van de Christelijke School in het Groningse Uithuizermeeden). In 1871 werd de christelijke nationale school in Scharnegoutum in gebruik genomen; daarvoor hadden zowel de hervormde als de gereformeerde predikant zich ingezet. We schreven daarover al eerder in dit artikel.

Een orgel… (1889).

Nu er een nieuwe kerk was, moeten we ook over het orgel spreken. De kerkenraad had al in 1884 besloten dat men op zoek zou gaan naar een nieuw orgel. Bij de fa. Bakker en Timmenga, vijf jaar daarvoor opgericht, werd voor fl. 1.100 een orgel aangeschaft. De kerkenraad had kennelijk zo veel vertrouwen in een goede afloop van de lopende rechtszaak over de in 1884 te groot gebouwde kerk, dat men het verantwoord achtte om een orgel te kopen dat in die kerk geplaatst zou worden en, sterker, daadwerkelijk geplaatst werd, namelijk op 27 maart 1889! Toen echter kort daarna bleek dat de kerkenraad in het ongelijk gesteld werd, had men een probleem. Maar men streed nog even door, al was het vonnis ook dat de kerk moest worden afgebroken. Het vonnis behield echter rechtskracht, zodat de diensten tijdelijk in een schuur gehouden werden, en de kerk van 1884 afgebroken werd. Uiteindelijk kwam het orgel in de nieuwe kerk van 1890 terecht.

Een pastorie aangekocht (1890).

Op 25 april 1890 werd voor fl. 3.000 een huis gekocht dat als pastorie dienst zou gaan doen. Het huis was bezwaard met een jaarlijkse grondrente van twintig gulden ten voordele van de Hervormde Kerkvoogdij in Scharnegoutum. Die grondrente werd dus gewoon betaald.

“De Gereformeerde Kerk te Scharnegoutum” (1892).

Dr. A. Kuyper (1837-1920) en ds. S. van Velzen (1809-1896).

De landelijke synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) waren in 1887 met elkaar in contact  gekomen over de vraag of ze zich konden verenigen tot één kerkgenootschap. Aanvankelijk gingen de toenaderingspogingen niet van een leien dakje (men las elkaar in de kerkelijke bladen danig de les), maar uiteindelijk kon op 17 juni 1892 de eenheid van beide kerken geproclameerd worden door de voormannen: ds. S. Van Velzen (1809-1896) namens de Christelijke Gereformeerde Kerk en dr. A. Kuyper namens de Nederduitsche Gerefomeerde Kerken (doleerende). De kerkenraad van Scharnegoutum ging er mee akkoord en mocht zich toen De Gereformeerde Kerk te Scharnegoutum noemen. Want als naam van de verenigde kerk was gekozen: De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Een minpunt moet ook aangewezen worden: de sfeer tussen hervormden en gereformeerden was in 1888 prima te snijden. Het werd er niet beter op toen de hervormde kerkvoogden – eigenaren van vele huizen in de omgeving – dolerende gereformeerden uit hun woning zette. Dat gaf een hoop trammelant.

Ds. A. Roorda (van 1895 tot 1901).

Ds. A. Roorda (1871-1915).

Op 30 oktober 1895 deed ds. A. Roorda (1871-1915) uit Zuid-Beijerland intrede in de kerk van Scharnegoutum. Ongeveer zes jaar later, op 1 september 1901 nam hij afscheid en vertrok naar de kerk van Oude Pekela.

‘De Bazuin’, 15 november 1895. In het bericht staat per abuis dat de predikant ‘B. Roorda’ heette. Dat is onjuist. Onderaan het bericht staat het correct vermeld: A. Roorda.

Sinds ongeveer 1890 had de diaconie zes woningen in eigendom op Mastenbroek, die uitkeken op de spoorlijn. De woningen werden door de christelijke gereformeerde kerkenraad gebouwd voor de Dolerenden die vanuit de Hervormde Gemeente overgingen naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente.

‘De Bazuin’, 6 september 1901.

Zoals we al aangaven werden deze mensen uit de armenwoningen van de hervormde gemeente gezet, omdat ze zich hadden aangesloten bij de christelijke gereformeerden.

Ds. H.P.M.G. de Walle (van 1902 tot 1910).

Ds. H.P.M.G. de Walle (1877-1951).

Kandidaat H.P.M.G. de Walle (1877-1951) was de opvolger van ds. Roorda. Op 8 juni 1902 deed de nieuwe predikant intrede en op 3 april 1910 nam hij afscheid. Hij vertrok naar de kerk van Den Helder.

‘De Bazuin’, 13 juni 1902.

Een nieuwe pastorie (1908).

Tijdens de ambtsperiode van ds. De Walle besloot de kerkenraad in 1908 de pastorie uit 1890 af te breken en op dezelfde locatie een nieuwe te bouwen. Wel moest eerst toestemming gevraagd worden aan de Hervormde Kerkvoogdij, omdat de woning, zoals al aangegeven, ‘bezwaard was met een jaarlijkse grondrente van twintig gulden’. De kerkvoogdij had geen bezwaar en machtigde de kerkenraad om een nieuwe pastorie op dezelfde plaats te bouwen.

De in 1908 gebouwde pastorie te Scharnegoutum (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

De eerste steen werd op 25 juni 1908 gelegd door de Bouwcommissie. In de woning bevonden zich twee voorkamers, elk van ongeveer 20 m², een achterkamer van ongeveer 20 m², een vestibule, een gang van ruim 7 meter lang en anderhalve meter breed, een keuken, een bergplaats van 4 m², een kelder van ongeveer 12 m² en op de eerste verdieping waren een studeerkamer van ruim 11 m² en twee slaapkamertjes van elk bijna 9 m² afgetimmerd.

Ds. G.H. de Jonge (van 1910 tot 1915).

Ds. G.H. de Jonge (1875-1938).

Ongeveer vijf jaar lang was ds. G.H. de Jonge (1875-1938) uit Dwingeloo aan de kerk van Scharnegoutum verbonden.

‘De Bazuin’, 4 november 1910.

Op 30 oktober 1910 deed hij intrede en op 28 november 1915 nam hij afscheid, omdat hij het beroep van de kerk van Spijkenisse had aangenomen.

Ds. F.W. Geerds (van 1916 tot 1922).

Op 3 september 1916 deed ds. F.W. Geerds (1876-1940) uit Oldekerk intrede. Hij nam afscheid op 3 september 1922 en vertrok naar de kerk van Hallum.

Ds. F.W. Geerds (1876-1940).

In zijn tijd – in 1919 – werden de diaconiewoningen aan de Mastenbroek, met het uitzicht op het spoor, om onduidelijke redenen op een na verkocht. Voor fl. 2.000 kocht de diaconie vervolgens van de hervormde gemeente twee woningen, bestemd voor armlastige gereformeerde gemeenteleden.

Ds. C.M. Huizenga (van 1923 tot 1944).

Ds. C.M. Huizenga (1886-1944) uit Hoogersmilde stond lange tijd in Scharnegoutum. Op 11 november 1923 deed hij er intrede en op 20 mei 1944, in de oorlog, overleed hij.

Ds. C.M. Huizenga (1886-1944).

In de beginjaren van de ambstsperiode van ds. Huizenga werd de kerk ingrijpend verbouwd. De galerijen aan de zuidkant verdwenen, het orgel verhuisde van de galerij achter in de kerk naar een kleine opengewerkte zolder boven de preekstoel. Achter in de kerk kwam toen een nieuwe grote galerij. De pastorie van 1908 werd tijdens de ambtsperiode van ds. Huizenga verbouwd.

In 1923 werd in Scharnegoutum de Vrouwenvereniging ‘Zusterhulp’ opgericht. In 1947 werd de naam veranderd in ‘Maria Martha’.

De school afgebrand (1929).

In 1929 brandde de christelijke school af (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

Op 24 januari 1929 om kwart voor twee ‘s nachts brandde ‘de christelijke (gereformeerde) school’ geheel af. Van de leermiddelen kon niets gered worden; wel bleef het schoolhuis gespaard. Omdat Scharnegoutum geen brandspuit had moest eerst die uit Ysbrechtum worden gehaald. De oorzaak van de brand was onbekend en dankzij het rustige weer bleven verdere gevolgen uit.

Al gauw besloot het bestuur een nieuwe school te bouwen aan de andere kant van de Ald Dyk (nr. 23).

Rehoboth gebouwd (1929).

Een en ander bracht de kerkenraad op het idee om een grotere kerkenraadskamer te bouwen op de locatie van de afgebrande school. De gemeenteleden stemden er mee in. Voor duizend gulden werd de grond van de schoolvereniging gekocht. Het behouden gebleven schoolhuis bleef echter door het schoolhoofd bewoond. De lessen werden, in de tijd dat de nieuwe school gebouwd werd, gegeven in het dorpshuis ‘Elim’. Om bij de nieuw gebouwde school te komen – deze werd op 9 april 1930 geopend – moest het schoolhoofd in het vervolg de straat oversteken.

Rehoboth (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

In september 1929 werd de aanbesteding gehouden. Aannemer J. Renema kreeg de klus en schilder Elzinga verfde het geheel voor fl. 94, terwijl aannemer Van der Wal uit Sneek legt de elektriciteit aanlegde. Tussen de schoolwoning en het nieuwe vergaderlokaal werd op dringend verzoek van het schoolhoofd een brandmuur gebouwd. Het lokaal kon in het vervolg gebruikt worden door de verenigingen voor hun vergaderingen. De kerkenraad stelde huurprijzen vast, uiteenlopend van 5 tot 65 gulden. Op 30 december 1929 werd er de eerste kerkenraadsvergadering gehouden. De naam van het gebouw was Rehoboth.

Het vrouwenkiesrecht in de kerk.

Op 30 april 1930 behandelde de Classis Sneek de kwestie van het vrouwenkiesrecht. Deputaten van de Generale Synode hadden namelijk een adviesrapport opgesteld inzake het vrouwenkiesrecht, dat door de generale synode behandeld zou worden. De Classis riep – via de Particuliere Synode Friesland Zuid – de Generale Synode op in afwijzende zin een uitspraak over de kwestie te doen, ‘omdat de Bijbel over het vrouwenkiesrecht geen duidelijk geluid laat horen’. Het aannemen van het vrouwenkiesrecht zou volgens de classis aanleiding kunnen geven tot ernstige conflicten ‘in den boezem der kerken’. De kerkenraad behandelde het verzoek van de classis natuurlijk ook. De eerwaarde broeders in Scharnegoutum concludeerden uit de bespreking dat geen enkele kerk in de Classis Sneek iets voor het vrouwenkiesrecht voelde. Die van Scharnegoutum dus ook niet.

Vijfentwintig jaar dominee (1941).

Op 10 december 1941 werd door de kerkelijke gemeente van Scharnegoutum met de predikant diens vijfentwintigjarig ambtsjubileum gevierd. De kerk was prachtig versierd. De predikant hield zijn preek naar aanleiding van 1 Korinthe 3 vers 7 (in het Fries: ‘Sa betsjut noch hy dy’t plantet wat, noch hy dy ‘t wetter jout, mar hy dy ‘t it waachse lit, en dat is God’). In de middagbijeenkomst werd de predikant toegesproken, zelfs door de hervormde dominee en een hervormde ouderling. De vlag hing in de toren. Ds. Huizenga overleed op 20 mei 1944.

De kerk in de oorlog (1939-1945).

Ook gemeenteleden uit Scharnegoutum werden in 1939 onder de wapenen geroepen, omdat de Tweede Wereldoorlog zijn slagschaduwen naar voren wierp. Nadat ons land op 10 mei 1940 door de Duitsers was binnengevallen gaf Nederland zich vier dagen later over. Rotterdam was zwaar gebombardeerd en gedreigd werd ook de andere grote steden hetzelfde lot te doen ondergaan. De gemeenteleden uit Scharnegoutum overleefden de strijd. Rehoboth moest op last van de Duitsers verduisterd worden, broodbonnen voor het Avondmaal moesten worden aangevraagd, terwijl ook de brandstof voor de verwarming op de bon ging.

De Generale Synode deelde in een vertrouwelijk schrijven aan de kerkenraden mee niet mee te doen met de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD), opgezet door de Duitsers, ook bedoeld om de ideeën van het Nationaal Socialisme aan de arbeidende mannen te brengen. Toen deze NAD verplicht werd (aanvankelijk was het een vrijwillig lidmaatschap) doken de meeste jonge mensen die er voor in aanmerking kwamen, onder.

Het oorlogsmonument te Scharnegoutum (foto: Gemeente Wymbritseradiel)

Er kwamen meer brieven van de generale synode binnen: over de voorbede voor de Koningin, ‘die tot de plicht van de kerk behoort’, over protesten tegen de Jodenvervolgingen, over de goddeloze principes van de NSB-Winterhulp (bedoeld om het werk van onder meer de diaconieën over te nemen). Vervolgde Joden kregen ook in Scharnegoutum een veilig onderdak. Een onderzoek stelde vast dat in ieder geval 102 Joden voor langere of kortere tijd in het dorp onderdak kregen. Sommige Joden vielen door verraad in handen van de Duitsers; ‘Kleine Joodse kinderen werden als oud vuil in de bak van een Wehrmacht-auto gegooid’. Van de Joden die in Scharnegoutum gepakt werden kwamen de meesten niet meer thuis…

Ook in Scharnegoutum werden door de bezetters razzia’s gehouden, waarbij ongeveer vijftien dorpsbewoners werden opgepakt. ‘En vergeet de avonden niet dat Duitsers door het dorp raasden op jacht naar Joden!’ (…) ‘En vergeet de laatste oorlogswinter niet toen, onder bedreiging van de zwaarste represailles, Scharnegoudsters als slaven kabels in de berm van straatweg moesten opgraven waarvan het materiaal gebruikt kon worden om de toekomstige bevrijders mee te bevechten en zo mogelijk te doden’.

Stephanus Hogeweg uit Scharnegoutum, zoon van de hoofdonderwijzer, kwam bij Nijkerk om het leven door verwondingen veroorzaakt door rondvliegende granaatscherven. Steven werd in Nijkerk begraven, maar kreeg ook een gedenksteen in Scharnegoutum bij de Martenskerk.

Een enquête.

Het gereformeerde oorlogsgedenkboek ‘Opdat wij niet vergeten 1940-1945’.

Scharnegoutum werd half april 1945 bevrijd. Na de oorlog werd een onderzoek ingesteld bij de Gereformeerde Kerken ten behoeve van het uit te geven gereformeerde verzetsboek dat onder redactie van ds. Th. Delleman (1898-1977) uit Groningen na de oorlog zou verschijnen. Enkele resultaten van dat onderzoek waren – voor wat betreft de situatie in Scharnegoutum – de volgende:

‘Nimmer heeft de kerkenraad gemerkt dat iemand lid was van de N.S.B. (de generale synode had al in 1936 verklaard dat het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken in Nederland en dat van de NSB onverenigbaar waren en dat zij, deze uitspraak aan hun laars lapten, onder de kerkelijke tucht geplaatst moesten worden).

Ook werden in Scharnegoutum alle brieven afkomstig van de synode en van het destijds actieve Interkerkelijk Overleg van de preekstoel voorgelezen. Nooit werd daardoor later moeite ondervonden. Tijdens het huisbezoek en vanaf de kansel werd opgeroepen niet aan de Arbeids Dienst deel te nemen. Nooit werden daardoor problemen ondervonden. Op twee na doken alle jongens onder (thuis of elders) toen ze werden opgeroepen om dienst te nemen in de Arbeids Dienst. Negen gemeenteleden werden gearresteerd, allen kwamen terug.

Ds. Th. Delleman (1898-1977), schrijver van o.a. ‘Opdat wij niet vergeten 1940-1945’.

Vooral in de hongerwinter zond men vanuit Scharnegoutum heel  veel voedsel naar het westen van het land, waar hongersnood heerste. Elke zomer kwamen bovendien tientallen kinderen uit de grote steden in het westen van het land naar Scharnegoutum. De predikant en de kerkenraad ondervonden geen problemen.

Naar deel 3 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church at Scharnegoutum (2).

Rev. J.C. Balhuizen (from 1881 to 1895).

( < Back to Part 1 ) – Church life in Scharnegoutum continued to develop calmly during the further years of the ministry of Rev. J.C. Balhuizen (1854–1939), until difficulties arose between the Christian Reformed Congregation and the ‘Hervormde’ Congregation.

In the early 1880s the church council became convinced that the church building on the Pôle no longer met requirements (although we can only speculate about the reasons: the church may have been too small or may by then have been in a structurally undesirable condition). In any case, in 1883 the Christian Reformed church council purchased “a merchant’s house with warehouse, carriage house, yard,” etc. The dwelling was only twenty years old and stood at the intersection of the Sint Martensdyk (formerly the Ysbrechtumer Dyk) and the Lege Dyk (number 16), closer to the village.

The new church demolished! (1890).

The purchased house stood on land belonging to the ‘Hervormde’ congregation. This congregation granted permission to build a church there, but it was also decided that the church had to be built on the foundations of that cheese warehouse. The church was not allowed to be larger. However… during construction the Christian Reformed church council did not adhere to that stipulation. They made the church larger than permitted!

During construction, on 21 April 1884, a memorial stone was laid by J.G. Sijperda. The name of the minister and those of the church council members were also inscribed on it, as well as the text from Isaiah 33:22 (“For the LORD is our Judge, the LORD is our Lawgiver, the LORD is our King; He will save us”). The church was taken into use later that same year.

But the oversized church led to a lawsuit, which dragged on from 1883 to 1888. In June 1888 the judicial decision of the Procurator General of the Leeuwarden Court of Appeal was announced: the church had to be demolished, and at the expense of the Christian Reformed church council! The legal costs also had to be paid by it. The church was therefore demolished.

The “Doleantie” in Scharnegoutum (1889).

While the Christian Reformed and the ‘Hervormde’ congregations were quarreling over the church building, a number of ‘hervormde’  members transferred to the Christian Reformed Congregation. In 1888 there were seven, in February 1889 nineteen, and in 1890 four. The approximately thirty “Dolerenden” (secessionists) in Scharnegoutum therefore did not establish their own Dolerant church and did not hold their own services.

Yet another new church (1890).

The Christian Reformed church council decided for the time being to hold worship services in a barn, but meanwhile new plans were again made for the construction of a new church (without a tower). The church council then purchased, for 1,650 guilders, the house of Anske Gerbens Syperda, on the other side of the road (Lege Dyk 33). Once again the ‘Hervormde’ Church objected. The new church building would be too close to their church. Once more a legal procedure followed, causing construction to be delayed for several years. The case was fought all the way to the highest court.

Rev. Balhuizen even traveled to The Hague with site drawings to explain in detail how matters stood. He was proven right. The church could then be built according to plan at Legedyk 33, but by then it was already 1890. On 7 September of that year the king gave a favorable ruling regarding the construction of the new church, and he invited all ministers to attend the dedication of the new church building on 13 November 1890. The Christian Reformed congregation at Scharnegoutum rejoiced greatly “that by the favor of her Lord she might cherish the hope that she would soon again be able, in a suitable and elegant church building, to praise the Lord for deliverance from her distress.”

Once again a “first stone” was laid, again by Rev. Balhuizen, bearing the names of the church council members and the text from Psalm 93:5 (“Your testimonies are very sure; holiness adorns Your house, O LORD, forever”). At the bottom of the stone: “Rebuilt and enlarged in 1890.” This enlargement was necessary, among other reasons, because of the accession of the approximately thirty Dolerenden. High in the front façade of the church another memorial stone was also installed with a text from Exodus 15:13.

Simultaneously with the church construction, a consistory room was built on the west side of the church. “Simple and without facilities such as water and stove,” the church council and the minister could prepare there before the service. Church council meetings were also held there. The disadvantage of the small building was that it was very noisy, and curious onlookers outside could clearly hear what was being discussed inside…!

The first sexton of the new church was Douwe Bakker, who was succeeded by Kees Dijkstra. It was literally and figuratively a pro deo job; the only remuneration was “free housing” (but that was something!). In the last years of Bakker’s work as sexton he received an annual allowance of 25 guilders. The rest of his income he earned as a butcher.

The Christian school.

A brief look back: From the mid-nineteenth century many children of ‘gereformeerde’ parents in Scharnegoutum were, for reasons of principle, not sent by their parents to the public school, but were taught at home by teacher Idserda. Although there was no compulsory education, this was not permitted. The classis had already spoken once about “the inadequacy of the education of the youth.” The law of 1806 did provide the possibility of building one’s own school, but municipal councils often did not grant permission (see, for example, our article on this website about the origin of the Christian School in Uithuizermeeden in Groningen). In 1871 the Christian national school in Scharnegoutum was taken into use; both the ‘hervormde’ and the ‘gereformeerde’ minister had worked toward this. We already wrote about this earlier in this article.

An organ… (1889).

Now that there was a new church, we must also speak about the organ. The church council had already decided in 1884 to look for a new organ. From the firm Bakker and Timmenga, founded five years earlier, an organ was purchased for 1,100 guilders. Apparently the church council had such confidence in a favorable outcome of the ongoing lawsuit over the overly large church built in 1884 that it considered it responsible to purchase an organ that would be placed in that church—and, indeed, it was actually installed there on 27 March 1889!

When shortly thereafter it became clear that the church council had been ruled against, a problem arose. Nevertheless, they continued to fight a little longer, even though the verdict also stipulated that the church had to be demolished. The judgment retained legal force, however, so services were temporarily held in a barn and the church of 1884 was demolished. Ultimately, the organ found its place in the new church of 1890.

A parsonage purchased (1890).

On 25 April 1890 a house was purchased for 3,000 guilders to serve as a parsonage. The house was encumbered with an annual ground rent of twenty guilders payable to the ‘Hervormde’ Churchwardens in Scharnegoutum. This ground rent was therefore simply paid.

“The ‘Gereformeerde’ Church at Scharnegoutum” (1892).

The national synods of the Christian Reformed Church and the Nederduitsche Gereformeerde Kerk (Dolerende) had come into contact with one another in 1887 about the question of whether they could unite into one church body. Initially the attempts at rapprochement did not go smoothly (they vigorously lectured one another in the church periodicals), but eventually, on 17 June 1892, the unity of both churches could be proclaimed by the leaders: Rev. S. Van Velzen (1809–1896) on behalf of the Christian Reformed Church and Dr. A. Kuyper on behalf of the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende).

The church council of Scharnegoutum agreed and was then allowed to call itself The ‘Gereformeerde’ Church at Scharnegoutum, for the name chosen for the united church was: The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

One negative point must also be mentioned: the atmosphere between ‘hervormde’ and ‘gereformeerde’ members in 1888 was extremely tense. It did not improve when the ‘hervormde’  churchwardens—owners of many houses in the area—evicted Dolerant ‘Gereformeerde’ members from their homes. This caused a great deal of trouble.

Rev. A. Roorda (from 1895 to 1901).

On 30 October 1895 Rev. A. Roorda (1871–1915) from Zuid-Beijerland was installed as minister in the church of Scharnegoutum. About six years later, on 1 September 1901, he took leave and departed for the church of Oude Pekela.

Since about 1890 the diaconate had owned six houses on the Mastenbroek, overlooking the railway line. The houses were built by the Christian Reformed church council for the Dolerenden who had transferred from the ‘Hervormde’ Congregation to the Christian Reformed Congregation.

As already indicated, these people were evicted from the poorhouses of the ‘Hervormde’ congregation because they had joined the Christian Reformed congregation.

Rev. H.P.M.G. de Walle (from 1902 to 1910).

Candidate H.P.M.G. de Walle (1877–1951) was the successor of Rev. Roorda. On 8 June 1902 the new minister was installed, and on 3 April 1910 he took leave. He departed for the church of Den Helder.

A new parsonage (1908).

During the term of office of Rev. De Walle, the church council decided in 1908 to demolish the parsonage from 1890 and build a new one at the same location. Permission first had to be requested from the ‘Hervormde’ Churchwardens, because the house, as already indicated, was “encumbered with an annual ground rent of twenty guilders.” The churchwardens had no objection and authorized the church council to build a new parsonage on the same site.

The first stone was laid on 25 June 1908 by the Building Committee. The house contained two front rooms, each of about 20 m², a back room of about 20 m², a vestibule, a hallway more than 7 meters long and one and a half meters wide, a kitchen, a storage room of 4 m², a cellar of about 12 m², and on the first floor a study of more than 11 m² and two small bedrooms of nearly 9 m² each were finished.

Rev. G.H. de Jonge (from 1910 to 1915).

For about five years Rev. G.H. de Jonge (1875–1938) from Dwingeloo was connected to the church of Scharnegoutum. On 30 October 1910 he was installed, and on 28 November 1915 he took leave, because he had accepted a call from the church of Spijkenisse.

Rev. F.W. Geerds (from 1916 to 1922).

On 3 September 1916 Rev. F.W. Geerds (1876–1940) from Oldekerk was installed. He took leave on 3 September 1922 and departed for the church of Hallum.

During his time—in 1919—the diaconal houses on the Mastenbroek, with a view of the railway, were sold, for unclear reasons, all but one. For 2,000 guilders the diaconate then purchased two houses from the ‘Hervormde’ congregation, intended for needy ‘gereformeerde’ members.

Rev. C.M. Huizenga (from 1923 to 1944).

Rev. C.M. Huizenga (1886–1944) from Hoogersmilde served in Scharnegoutum for a long time. On 11 November 1923 he was installed, and on 20 May 1944, during the war, he died.

In the early years of Rev. Huizenga’s ministry, the church was extensively remodeled. The galleries on the south side were removed, and the organ was moved from the rear gallery to a small open-work loft above the pulpit. A new large gallery was then built at the back of the church. The parsonage of 1908 was also remodeled during Rev. Huizenga’s term.

In 1923 the women’s association “Zusterhulp” (“Sisterly Help”) was founded in Scharnegoutum. In 1947 the name was changed to “Maria Martha.”

The school burned down (1929).

On 24 January 1929 at a quarter to two in the morning, “the Christian (Reformed) school” burned down completely. None of the teaching materials could be saved; the schoolhouse, however, was spared. Because Scharnegoutum did not have a fire engine, one first had to be fetched from Ysbrechtum. The cause of the fire was unknown, and thanks to the calm weather further damage was prevented.

Soon the board decided to build a new school on the other side of the Ald Dyk (no. 23).

Rehoboth built (1929).

All this brought the church council to the idea of building a larger council chamber on the site of the burned-down school. The congregation agreed. For one thousand guilders the land was purchased from the school association. The remaining schoolhouse, however, continued to be occupied by the headmaster. During the time the new school was being built, classes were held in the village hall “Elim.” To reach the newly built school—which was opened on 9 April 1930—the headmaster henceforth had to cross the street.

In September 1929 the tendering took place. Contractor J. Renema was awarded the job, and painter Elzinga painted the whole for fl. 94, while contractor Van der Wal from Sneek installed the electrical system. At the urgent request of the headmaster, a fire wall was built between the school residence and the new meeting hall. The hall could thereafter be used by associations for their meetings. The church council set rental prices ranging from 5 to 65 guilders. On 30 December 1929 the first church council meeting was held there. The name of the building was Rehoboth.

Women’s suffrage in the church.

On 30 April 1930 the Classis Sneek discussed the issue of women’s suffrage. Deputies of the General Synod had drawn up an advisory report on women’s suffrage, which was to be discussed by the General Synod. The Classis—via the Particular Synod of South Friesland—called upon the General Synod to issue a negative ruling on the matter, “because the Bible does not give a clear sound on women’s suffrage.” According to the classis, the adoption of women’s suffrage could give rise to serious conflicts “within the bosom of the churches.” The church council naturally also discussed the request of the classis. From the discussion the reverend brothers in Scharnegoutum concluded that not a single church in the Classis Sneek favored women’s suffrage. That of Scharnegoutum therefore did not either.

Twenty-five years a minister (1941).

On 10 December 1941 the ecclesiastical congregation of Scharnegoutum celebrated with its minister his twenty-fifth anniversary in office. The church was beautifully decorated. The minister delivered his sermon on the basis of 1 Corinthians 3 verse 7 (in Frisian: “So neither he who plants nor he who waters means anything, but He who causes the growth, and that is God”). At the afternoon gathering the minister was addressed with speeches, even by the ‘gereformeerde’ minister and a ‘gereformeerde’ elder. The flag hung in the tower. Rev. Huizenga died on 20 May 1944.

The church during the war (1939–1945).

Members of the congregation from Scharnegoutum were also called up in 1939, as the Second World War cast its shadows ahead. After our country was invaded by the Germans on 10 May 1940, the Netherlands surrendered four days later. Rotterdam had been heavily bombed, and there were threats that the other major cities would suffer the same fate. The members of the congregation from Scharnegoutum survived the fighting. By order of the Germans, Rehoboth had to be blacked out; bread ration coupons had to be requested for the Lord’s Supper, and fuel for heating was also rationed.

In a confidential letter the General Synod informed the church councils not to participate in the Dutch Labour Service (NAD), set up by the Germans and also intended to bring the ideas of National Socialism to working men. When this NAD became compulsory (it had initially been voluntary), most of the young people who were eligible went into hiding.

More letters arrived from the General Synod: about intercessory prayer for the Queen, “which belongs to the duty of the church”; about protests against the persecution of the Jews; about the godless principles of the NSB Winter Relief (intended to take over the work of, among others, the deaconries). Persecuted Jews also found a safe refuge in Scharnegoutum. An investigation established that at least 102 Jews were given shelter in the village for longer or shorter periods. Some Jews fell into German hands through betrayal; “Small Jewish children were thrown like old rubbish into the back of a Wehrmacht truck.” Of the Jews who were captured in Scharnegoutum, most never returned home…

Raids were also carried out by the occupiers in Scharnegoutum, during which about fifteen villagers were arrested. “And do not forget the evenings when Germans rampaged through the village hunting for Jews!” (…) “And do not forget the last winter of the war when, under threat of the severest reprisals, residents of Scharnegoutum had to dig up cables from the verges of the main road like slaves, cables whose material could be used to fight—and if possible kill—the future liberators.”

Stephanus Hogeweg from Scharnegoutum, son of the headmaster, died near Nijkerk from wounds caused by flying shell fragments. Steven was buried in Nijkerk, but also received a memorial stone in Scharnegoutum near the Martens Church.

A survey.

Scharnegoutum was liberated in mid-April 1945. After the war an investigation was conducted among the ‘Gereformeerde’ Churches for the benefit of the ‘gereformeerde’ resistance book to be published, which would appear after the war under the editorship of Rev. Th. Delleman (1898–1977) from Groningen. Some results of that investigation—regarding the situation in Scharnegoutum—were as follows:

“Never did the church council notice that anyone was a member of the N.S.B. (the General Synod had already declared in 1936 that membership of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands and of the NSB were incompatible and that those who disregarded this ruling were to be placed under church discipline).

In Scharnegoutum all letters originating from the synod and from the then active Interchurch Consultation were read aloud from the pulpit. Never did this cause difficulties afterward. During house visits and from the pulpit people were urged not to participate in the Labour Service. This never caused problems. With the exception of two, all the boys went into hiding (at home or elsewhere) when they were called up to serve in the Labour Service. Nine members of the congregation were arrested; all returned.

Especially during the hunger winter, a great deal of food was sent from Scharnegoutum to the western part of the country, where famine prevailed. In addition, every summer dozens of children from the large cities in the west of the country came to Scharnegoutum. The minister and the church council encountered no problems.”

To Part 3 >