De Gereformeerde Kerk te Scharnegoutum (1)

De Gereformeerde Kerk in het Friese Scharnegoutum (Fries: Skearnegoutum) bij Sneek, werd als Christelijke Afgescheidene Gemeente geïnstitueerd op 20 september 1836.

Kaart; Google.

Weliswaar trad in de jaren van de Doleantie een aantal gemeenteleden uit de hervormde gemeente van Scharnegoutum, maar ze sloten zich meteen bij de Christelijke Gereformeerde Gemeente aan, zodat in het dorp geen Dolerende Kerk ontstond.

De Afscheiding in Scharnegoutum.

In Scharnegoutum en in de omliggende dorpen, aanvankelijk behorende tot de hervormde gemeente te Sneek, kon men de prediking niet meer rechtzinnig noemen. Voor een aantal gemeenteleden was dat aanleiding geworden om in het dorp en in dorpen in de omgeving ‘eigen’ diensten te houden: conventikels genaamd. Deze werden gehouden in particuliere woningen of in boerderijen. Ook bezochten Afgescheidenen de kerkdiensten in de Afgescheiden Gemeente te Sneek, die op 27 november 1835 ontstaan was.

Ds. S. van Velzen (1809-1896).

De scriba van de hervormde Classis Sneek rapporteerde over deze Afgescheidenen dat het voor het grootste deel ‘diep onkundige vrouwen waren, verward van denkbeelden en bevooroordeeld’. En de mannen vond men ook maar niks bijzonders: het waren ‘boeren op gehuurde plaatsen, ambachtslieden, arbeiders’. Volgens de classis verspreidden rondreizende oefenaars de denkbeelden van ds. H. de Cock (1801-1842) uit Ulrum, de eerste Afgescheiden predikant in ons land, ‘met wie alle ellende begon’. Vooral oefenaars als Vijgeboom en Pier Schaap, en de Afgescheiden predikanten ds. De Cock, ds. S. van Velzen (1809-1896) uit Drogeham en ds. A.C. van Raalte (1811-1876) uit Genemuiden en Mastenbroek ’trachtten de mensen door hun denkbeelden te vangen’.

Ds. A.C. van Raalte (1811-1876).

Vervolgingen.

Koning Willem I (1772-1843) trad als hoofd van de hervormde kerk zeer streng tegen Afgescheidenen op. Het was verboden zonder toestemming van de plaatselijke overheid Afgescheiden godsdienstoefeningen te houden waar meer dan twintig mensen aanwezig waren. Werden zulke ‘ongeoorloofde godsdienstige samenkomsten’ toch door meer dan twintig personen bezocht, dan volgden strafmaatregelen. De bijeenkomsten werden stilgelegd, en boetes werden uitgedeeld. En soms ging het nog verder, waarover straks meer.

Op 10 maart 1836 was het gemeentebestuur van de burgerlijke gemeente Wymbritseradeel te weten gekomen dat in de voorkamer van de woning van smid Pieter Mattheus Gilhuis zo’n ongeoorloofde godsdienstoefening gehouden werd. Wethouder (‘assessor’) Ykema constateerde dat er zo’n zestig personen aanwezig waren. Toen hij met zijn agenten de woning betrad was men juist bezig met het zingen van psalm 118. De agenten gaven bevel met het zingen te stoppen. Dat gebeurde meteen. De assessor beval de mensen de woning te verlaten. Maar dat deden ze niet. Integendeel, Boer Hotze Hotzes Schilstra zette als voorzanger een nieuwe psalm in, daarin gevolgd door de aanwezige gemeenteleden.

En toen de psalm afgelopen was stond winkelier Nicolaas Borneman uit Sneek al klaar om het Bijbelgedeelte uit Mattheus 22 voor te lezen, waarover hij ‘een stichtelijk woord’ zou spreken. De assessor vertrok, maar gaf de agenten opdracht precies uit te zoeken wie de aanwezigen waren. Het proces-verbaal stuurde hij de volgende dag naar de rechtbank te Sneek, maar maakte daarbij ook de opmerking dat het haast ondoenlijk was om alle ongeoorloofde godsdienstoefeningen te verbieden, omdat het er ‘vele’ waren, en in alle omliggende plaatsen. Op 10 maart bijvoorbeeld werd ‘s middags nóg een kerkdienst gehouden, waar ongeveer vijfendertig mensen aanwezig waren, maar die – gewaarschuwd door ‘de uitkijk’ – bij het naderen van de agenten het huis al ijlings verlaten hadden. Voorganger Borneman en gastheer Gilhuis kregen beiden een boete van fl. 100 aan de broek. En daar bleef het niet bij, want ook werd afgerekend met andere bijeenkomsten waar men wél de kans had gehad proces-verbaal op te maken.

In 1836 en 1837 werden in en rondom Scharnegoutum soms bijna zondag aan zondag conventikels gehouden op wisselende locaties. We gaan al die voorvallen, waarbij soms zelfs tweehonderd of meer toehoorders aanwezig waren, niet opnoemen, omdat het verhaal er nauwelijks interessanter van wordt. Zo weigerden de 125 kerkgangers in de woning van Jarig Ypma op 3 juli 1836 de woning te verlaten, nadat gedreigd was de bijeenkomst door soldaten uiteen te laten jagen. De kerkgangers antwoordden daarop dat ze de soldaten wel zouden afwachten.

Militairen in het dorp!

Grietman Baron Sj. van Welderen Rengers.

Na 10 juli 1836 was het echter afgelopen met de ‘ongeoorloofde godsdienstoefeningen’. Grietman (burgemeester) Sj. van Welderen Rengers van de gemeente Wymbritseradeel vroeg de gouverneur van de provincie om militairen. Alleen soldaten zouden al die bijeenkomsten uiteen kunnen jagen. Want ‘de leiders’ van de Afgescheidenen, zoals Borneman en Ypma, hadden geweigerd hun woningen voor de bijeenkomsten te sluiten. Er was geen kruid tegen gewassen.

“Het was haast vermakelijk als het niet zo tragisch was, om te lezen hoe de gouverneur van Friesland speurde, waar de komende zondag de separatisten weer zouden vergaderen. Soldaten werden in de hoek tussen Bozum, Scharnegoutum en Lutkewierum gestationeerd, om het snood bedrijf te verhinderen”. Hoe dan ook, de grietman hoopte op wel zeventig militairen om de orde te herstellen. Deze zouden ingekwartierd worden in de woningen van de Afgescheidenen, en vooral bij hun leiders.

Gouverneur van Friesland, Baron Van Zuylen van Nijevelt.

Op zaterdag 9 juli 1836 marcheerde een groep van negenenzestig militairen het dorp binnen. Ze waren afkomstig uit Leeuwarden en de soldaten zouden tot 15 augustus in de gemeente blijven. De kapitein van de groep militairen hield nauwgezet bij in welke woningen de soldaten onderdak kregen (de inkwartiering was verplicht; per soldaat kreeg men achteraf een vergoeding van fl. 0,35). Veel huishoudens kregen vier soldaten in huis, maar Jarig Klazes Ypma, die kennelijk als de grootste boosdoener gezien werd, moest maar liefst zes man in huis opnemen en hun te eten geven. Zelfs de hervormde predikant kreeg inkwartiering: de commandant vestigde zich in de hervormde pastorie! Maar ze waren aangaande de Afgescheidenen ongetwijfeld beiden eensgeestes.

Herrie in het dorp.

De soldaten hielden zich overigens niet altijd aan de opdracht zie ze vanuit Leeuwarden meegekregen hadden. Ze moesten optreden “met de meeste bedaardheid, bescheidenheid, voorzichtigheid en gematigdheid en geen gewelddadige middelen [toepassen] anders dan in den hoogsten nood”. Dat liep enkele keren heel anders. In de nacht van zondag 24 op maandag 25 juli maakte een groep van twintig soldaten veel rumoer en verzetten zich tegen de door de grietman benoemde nachtwachten van het dorp, en bedreigden hen zelfs met de ontblote bajonet. ‘Oppasser’ Sytse C. Faber werd zelfs door de soldaten getrapt en tegen de grond geslagen.

De hervormde kerk in Scharnegoutum.

Hij was niet de enige. Want koemelker Hendrik Keulen was ‘s morgens om vijf uur op weg naar zijn werk toen hij aangevallen werd door zes militairen. Hij werd geslagen en met de dood bedreigd. Hij rukte zich los, maar kreeg toen een steen naar zijn hoofd en werd zozeer gewond ‘dat het bloed hem langs den rug nederliep’. Sergeant Van Rossum – tijdens het incident afwezig – had de gewonde Keulen meegenomen naar een particuliere woning waar de wond ‘met brandewijn werd afgewasschen’.

De gemeente geïnstitueerd (1836).

Zoals al opgemerkt behoorden Deersum, Tirns en Scharnegoutum oorspronkelijk tot de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Sneek, die 27 november 1835 door ds. De Cock geïnstitueerd was. Maar op 15 september 1836 werd deze gemeente in drie zelfstandige gemeenten gesplitst: Sneek, Deersum en Scharnegoutum-Tirns.

Ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland.

Vijf dagen later, op 20 september 1836, werd de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Scharnegoutum-Tirns officieel geïnstitueerd. Tot ouderling waren gekozen P.M. Gilhuis en G.D. Bakker en als diakenen T.J. de Boer en E.W. de Groot. Zo liep het jaar 1836 ten einde.

Erkenning gevraagd en gekregen (1841).

De vervolgingen hielden op toen koning Willem II (1792-1849) in 1841 aan de Regering kwam. Hij was minder streng tegenover de Afgescheidenen dan zijn vader. De Afgescheiden Gemeenten konden nu overheidserkenning aanvragen. Daaraan waren overigens wel voorwaarden verbonden. Zo moesten ze beloven dat ze geen aanspraak zouden maken op hervormde gelden en goederen, dat ze hun eigen armen zouden onderhouden en niet om rijkssubsidie zouden vragen. Ook moesten ze melden waar ze in het vervolg hun godsdienstoefeningen zouden houden en alle gemeenteleden moesten het verzoekschrift individueel  met naam, toenaam en woonplaats ondertekenen. Een groot bezwaar tegen het aanvragen van overheidserkenning was voor velen: de naam ‘gereformeerd’ mocht in de kerknaam van de Afgescheiden Gemeenten niet worden gebruikt. Die benaming behoorde toe aan de hervormde kerk, vond de Minister van Eredienst.

Nadat de kerkenraad van Scharnegoutum-Tirns twee maal een verzoek om overheidserkenning had ingediend – het eerste werd kennelijk afgewezen – kreeg de gemeente op 9 juni 1841 de officiële erkenning – en dus rechtspersoonlijkheid – waar men om gevraagd had.

Een eigen kerkgebouw (1841).

De eerste Afgescheiden kerk met pastorie in Scharnegoutum.

Nu kon een eigen kerk gebouwd worden! Van boer Freerk Meintes Miedema uit Lutkewierum (tegenwoordig heet het dorp in het Fries Lytsewierrum) kocht men een huis en een stuk land even buiten het dorp in de streek die De Pollen heette (en nog steeds heet), aan de Ysbrechtumerdyk, tussen Tirns en Scharnegoutum.

Deze gedenksteen werd in 1841 in de muur van de kerk ingemetseld (foto: ‘De Grifformearde Tsjerke fan Skearnegoutum c.a.’).

Op oude kaarten staat deze ‘A-Kerk’ (‘Afgescheiden kerk’) duidelijk aangegeven! De koopakte werd trouwens pas op 21 december 1841 getekend. De kerk was namelijk al een half jaar eerder in gebruik genomen, op 20 juni van dat jaar. Boer D.W. Hellema (kerkvoogd van de hervormde gemeente!), die zo nu en dan bij de Afgescheidenen ter kerke ging, heeft ons een verslag nagelaten van de ingebruikneming van de kerk. In zijn beste Nederlands schreef hij het volgende:

De locatie van de Afgescheiden Kerk op een kaart uit 1844.

“Tijdig ‘s Zondagsmorgens begaven wij ons naar de nieuwgebouwde kerk, ongeveer tien minuten buiten het dorp. In plaats van ds. Van Velzen [die eigenlijk zou voorgaan in de dienst] predikte ds. Postuma [moet zijn ds. D. Postma (1818-1890)], predikant bij de Afgescheiden Gemeente te Minnertsga bij deze plechtige gelegenheid uit Jesaja 66 vers 1 [‘Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust?’] onder een zeer groot aantal hoorders uit allerlei standen, Afgescheidenen en onafgescheidenen, uit de gemeente en van elders tezamen gevloeid, tevens een lid van het bestuur van de [burgerlijke gemeente] Wymbritseradeel, welke men verzogt hadde deze inwijding bij te wonen”.

Ds. D. Postma (1818-1890).

“Zonder praal, maar eenvoudig en deftig, de stichting dezer kerk onder toelating van het bestuur en over den toestand der kerk in het algemeen en der Afgescheidenen in het bijzonder in de voorafspraak gesproken te hebben en een zegen over die gemeente en der Afgescheidene in het algemeen, en tevens over het bestuur, maar vooral over deze bijeenkomst afgebeden te hebben, en het lezen van 2 Kronijken 6 het hele hoofdstuk [handelend over de inwijding der tempel] , wierd bovengenoemde tekst afgesproken en zeer doelmatig en tot algemeene stichting behandeld. Daarna werd deze godsdienstoefening met psalmgezang en het uitspreken van den zegen gesloten, waarna ieder het naastbijzijnde zeer voldaan naar hunne woningen terugkeerden, de vreemden van elders, welke een groote menigte waren, hadden gelegenheid tot stalling voor hun paarden en rijtuigen op het erf, alwaar de kerk gebouwd was en zeer uitgestrekt was, in de nog staande woning, waarvan de schuur afgebroken zijnde, tusschen kerktijd hun verblijf te hebben en eenige ververschingen te genieten”.

‘s Middags preekte ds. Postma over zondag 25 en ‘s avonds om half acht hield hij nog een preek. Het kerkgebouw van de ‘Afgescheiden Pôle’ deed de eerste dag wel dienst! Hellema was alle drie keren aanwezig en het beviel hem maar best. Hij prees in zijn verslag de nieuwe kerk met koepel, wel niet prachtig, maar zedig, doelmatig en deftig. Volgens hem kwamen er ‘maar weinig landskerken aan toe’.

De ‘predikanten in algemene dienst’ (van 1836 tot 1842).

Van ds. R.W. Duin (1797-1843) is weliswaar geen foto bekend, maar wel zijn meerdere preken van hem gedrukt.

De kerkenraad van de gemeente van Scharnegoutum-Tirns ging al snel op zoek naar een predikant. Maar aanvankelijk was de realisering van dat plan problematisch. Vanaf 1836 was het ds. S. van Velzen (1809-1896) van Drogeham die als ‘predikant in algemene dienst’ bij de bestaande Afgescheiden Gemeenten in Friesland langs ging om de preken, de sacramenten te bedienen en nieuwe gemeenten te stichten. Dat duurde tot 1839 toen hij naar Amsterdam vertrok. Na hem trad ds. R.W. Duin (1797-1843) van Leeuwarden aan, die dit ambt tot zijn schorsing in 1840 waarnam en toen naar Leiden vertrok. Hij werd in 1841 opgevolgd door ds. T.F. de Haan (1791-1868). Dit duurde tot 1842, toen hij in Groningen Afgescheiden theologische studenten ging opleiden en de gemeente van Scharnegoutum haar eerste predikant kreeg. Om dat financieel mogelijk te maken werd de gemeente van Deersum met die van Scharnegoutum samengevoegd. Dat bleef overigens ook daarna zo.

Ds. T.F. de Haan (1791-1868).

Het is opmerkelijk dat in deze periode, we schrijven 1841, de verhoudingen tussen de hervormde gemeente en de jonge Afgescheiden Gemeente kennelijk redelijk goed was. Anders was het vast onmogelijk geweest dat de Afgescheiden schilder Bouwe Pieters Kuipers in dat jaar opdracht kreeg het nieuwe orgel van de hervormde kerk in de verf te zetten!

Ds. A.B. Groen (van 1842 tot 1846).

Op 22 mei 1842 trad ds. A.B. Groen (1796-1854) aan, die in Scharnegoutum zijn eerste gemeente kreeg. Hij werd bevestigd door ds. S.O. Los (1803-1882) van Koudum, Workum en Hindeloopen, en zijn intreepreek was naar aanleiding Richteren 3 vers 20b [‘Zo zeide Ehud: Ik heb Gods woord aan u. Toen stond hij op van den stoel’].

Ds. Groen was door ds. De Cock van Ulrum tot predikant opgeleid. Hij was De Cock ook behulpzaam geweest bij het schrijven van de originele ‘Acte van Afscheiding of Wederkeer’, waarmee De Cock en zijn gemeente te Ulrum zich afscheidden van de Hervormde Kerk. Groen werd daarna eerst actief als oefenaar en kreeg een boete van fl. 25 toen hij in Visvliet een ‘ongeoorloofde godsdienstige samenkomst’ hield. Ds. Groen woonde in Scharnegoutum in het voorstuk van de kerk op De Pôle.

Ds. S.O. Los (1803-1882) onder voorbehoud. Met dank aan de heer Bas voor den Dag, archivaris van de Gereformeerde Kerk te Werkendam. Ds. Los bevestigde ds. Groen in het ambt.

Tijdens zijn predikantschap was het niet bepaald rustig in de gemeente. In een brief beschrijft de predikant zijn ervaringen. Daaruit blijkt onder meer dat ouderling Nicolaas Borneman zich in die tijd aan de gemeente onttrok. De reden was vooral dat de gemeente bij de overheid vrijheid en erkenning aanvroeg. De consequenties daarvan waren voor Borneman onacceptabel, zoals het verbod om de naam ‘gereformeerd’ te (blijven) gebruiken. Hij kwam door zijn uittreden onder kerkelijke censuur te staan ‘en leeft naar het uitwendige vrij gelijkvormig met de wereld’.

Ook ouderling Gilhuis stond onder censuur, ‘voornamelijk om het gewoon gebruik van sterke drank somtijds tot dronkenschap overslaande’. Hij ging vervolgens regelmatig naar de hervormde kerk in IJlst. Ook ouderling A.G. Bakker werd afgezet en deze kerkte vervolgens eveneens geregeld in IJlst. Ook anderen kregen te maken met de kerkelijke censuur, zoals diaken T.J. de Boer, ‘doch deze gaat vrij stipt bij ons ter kerk’. Gelukkig werd de kerkgang over het algemeen niet minder, zo verklaarde de predikant in zijn brief.

Ds. Groen nam in februari 1846 afscheid van Scharnegoutum en vertrok naar de gemeente van Onstwedde.

Ds. W. van Leeuwen (van 1847 tot 1853).

De volgende maand, maart 1847, deed de tweede predikant intrede: ds. W. van Leeuwen (1810-?) uit Heemse. Daar zat echter een verhaal aan vast: “Het beroep naar Scharnegoutum werd niet geapprobeerd [niet goedgekeurd] door de classis. Om deze reden en ook omdat er op niet minder dan twaalf punten bezwaren tegen zijn rechtzinnigheid waren ingebracht, werd hij door de classis, op last van het Afgescheiden provinciaal kerkbestuur van Friesland geschorst. Deze vergadering noemde hem op 6 april 1848 ‘een eigenzinnig en vreemd man’.

Zijn kerkenraad [die van Scharnegoutum] erkende de schorsing echter niet en liet hem rustig voortgaan met zijn arbeid. Van Leeuwen beklaagde zich bij de Algemene Synode van Amsterdam (1849), doch deze verklaarde dat ‘ds. W. van Leeuwen met regt geschorst is, en dat bovenbedoelde kerkeraadsleden, die hem hebben laten dienen, waardig zijn om tenminsten in hunne bedieningen geschorst te worden, omdat zij genoemde Leeraar op die wijze hebben laten voortgaan’.

Uit het Verslag van Afgescheiden Synode van 1849.

De gemeente van Scharnegoutum vervoegde zich vervolgens vanwege de synodale veroordeling bij de met de synode gebrouilleerde provinciale kerkvergadering van Gelderland en Overijssel, onder leiding van ds. A. Brummelkamp (1811-1888) van Arnhem en Velp, en was – samen met ds. G.W. van Houte (1817-1872) van Arnhem, ds. J.H. Donner (1824-1903) van Leiden en ds. D. Breukelaar (1814-1891) van Aalten aanwezig op de synode van Amsterdam (1851), twee jaar na de vorige. Ze wilden er spreken over mogelijke hereniging, omdat Scharnegoutum, net als de Provinciale Vergadering van Gelderland en Overijssel, in feite buiten het landelijke kerkverband stond. Van hereniging kwam toen echter niets. Later werd de zaak rechtgetrokken.

Ds. Van Leeuwen nam op 26 mei 1853 afscheid van Scharnegoutum en vertrok als predikant naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Putten. De gemeente van Scharnegoutum had in 1849 slechts 41 leden, kinderen meegerekend.

Ds. M.H.J. Bosch (van 1853 tot 1860).

Ds. M.H.J. Bosch (1821-1885).

Nog hetzelfde jaar kwam de derde predikant naar Scharnegoutum. Het was ds. M.H.J. Bosch (1821-1885) uit Hattem, die op 1 november 1853 intrede deed.

‘De Bazuin’, 9 november 1860.

Over zijn werkzaamheden in Scharnegoutum is niet veel bekend. Hij nam op 4 november 1860 afscheid.

Ds. S. Evenhuis (van 1862 tot 1863).

‘De Bazuin’, 5 september 1862.

Zijn opvolger bleef maar korte tijd in Scharnegoutum. Het was ds. S. Evenhuis (1834-1867) uit Heusden, die op 31 augustus 1862 intrede deed. Al op 4 november 1863 nam hij afscheid en vertrok naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Sneek. De periode van zijn werkzaamheden was zo kort dat er weinig over bekend is.

Ds. S. Evenhuis (1834-1867).

Ds. J. Verwey (van 1864 tot 1868).

Op 22 mei 1864 deed ds. J. Verwey (1831-1916) uit Vrijhoeve-Grevelduin Capelle intrede in de gemeente van Scharnegoutum. Hij bleef er ruim vier jaar. Dat de verhouding met de hervormde gemeente kennelijk nog steeds (of ‘weer’) goed was blijkt ook uit het feit dat ds. Verwey zeer bevriend was met de hervormde predikant, ds. L. Kylstra (die daar van 1858 tot 1870 stond). Samen met een groepje mensen stonden ze schouder aan schouder in de strijd voor de stichting van de Christelijk Nationale School in Scharnegoutum.

Het hoofd van de openbare school verzette zich tegen deze plannen, maar tevergeefs, want na het vertrek van ds. Verwey werd in Scharnegoutum in 1871 de christelijke school geopend. Kinderen van gereformeerden en van hervormden bezochten de school gezamenlijk!

‘De Bazuin’, 27 mei 1864.

De vriendschap met de hervormde predikant Kylstra was kennelijk van zodanige aard dat ds. Verwey de ‘fout inzag’ van zijn predikantschap bij de Christelijke Afgescheidene Kerk. Vandaar dat hij op 2 november 1868 afscheid nam van de gemeente van Scharnegoutum en overging naar de hervormde kerk. Daar werd hij  predikant bij de hervormde gemeente te Opheusden.

‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ (1869).

We stipten het probleem al eerder aan: rond 1838 ontstond in de Christelijke Afgescheiden Kerk onenigheid over het aanvragen van overheidserkenning. De overheid had aan het erkennen van Christelijke Afgescheidene Gemeenten voorwaarden verbonden, waarvan – zoals al opgemerkt – een was: de naam ‘gereformeerd’ mocht door de Afgescheiden Gemeenten niet worden gebruikt. Dat ging een aantal gemeenten, predikanten en individuele gemeenteleden te ver. Ze scheidden zich af van de Christelijke Afgescheidene Kerk en vormden gezamenlijk De Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, wat een klein kerkgenootschap was en bleef. Maar omdat na enkele decennia de eisen van de overheid niet meer actueel waren besloot men in juni 1869 samen de draad weer op te pakken als ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Ook de gemeente van Scharnegoutum ging ermee akkoord en heette sindsdien dus: ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Scharnegoutum-Tirns’.

Ds. J.J. Dekkers (van 1870 tot 1873).

Ds. J.J. Dekkers (1835-1908).

Kort daarop, maar bijna twee jaar na het vertrek van ds. Verwey, trad de volgende predikant aan. Het was ds. J.J. Dekkers (1835-1908) uit Naaldwijk, die op 21 augustus 1870 intrede deed.

‘De Bazuin’, 7 februari 1873.

Niet lang na zijn intrede werd de school (op 15 februari 1871)  geopend, waarvoor ds. Verwey en de hervormde ds. Kylstra destijds de stoot gaven. De school ging uit van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs. Er waren op de eerste dag al zesenzestig leerlingen. De feestredenaar bij de opening van de school was ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1898), een van de meest vooraanstaande Dolerende predikanten in de provincie Friesland. Zijn feestredenaarschap was echter tegen het zere been van ds. Dekkers, want deze had de openingstoespraak graag zelf willen houden. Hij nam ontslag als bestuurslid. “Of hij de volgende zondag gepreekt heeft over ‘Wie van ulieden de eerste wil zijn’, waag ik te betwijfelen”, schreef Algra.

Ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1898) Foto: Archief Ploos van Amstel.

“Hij [ds. Dekkers] was niet zozeer een kanselredenaar. Hij improviseerde van schets. Het schrijven en memoriseren zijner preeken was hem onmogelijk. Zijn kracht lag meer op het gebied der catechese en van den herderlijken arbeid dan op den kansel. Toch was het prediken hem een lust. Kanselhout kwam hem voor genezend hout te zijn. Hij preekte de koorts menigmaal af”.  Ds. Dekkers nam op 2 februari 1873 afscheid en vertrok naar de gemeente van Joure.

Ds. E. Diemer (van 1874 tot 1881).

Ds. E. Diemer (1834-1921).

Zijn opvolger was ds. E. Diemer (1834-1921) uit Meliskerke, die daar op 3 oktober 1873 geschorst was. ”Nadat hij zijn verkeerdheden voor de classis Walcheren had beleden werd de schorsing opgeheven en op zijn verzoek veranderd in ‘losmaking’. Kerkeraad en Classis gaven hem aanvankelijk onvoldoende attesten mee, zodat hij niet kon worden bevestigd in Scharnegoutum, doch tenslotte werden voldoende attesten afgegeven”. Hoe dan ook, op 26 april 1874 deed hij in Scharnegoutum intrede; over zijn werkzaamheden in Scharnegoutum is weinig bekend; hij nam afscheid op 19 juli 1881 wegens vertrek naar de gemeente van Hollandscheveld.

Deel 2 volgt binnenkort.

Bronnen onder meer:

A. Algra, De Historie gaat door Het Eigen Dorp, dl. IV. Leeuwarden, g.j.

De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke (Afgescheidene) Gereformeerde Kerk. Kampen,  div. jrg.

F.L. Bos, Archiefstukken betreffende de Afscheiding van 1834, deel 3. Kampen, 1942

Handelingen der vergaderingen van de Kuratoren der Theologische School (…). Kampen,  div. jrg.

De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Handelingen en Verslagen van de Algemene Synoden van Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk (1836-1869). Houten/Utrecht, 1984

Jaarboeken (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der Negentiende Eeuw. Amsterdam, 1917

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English: 


The ” Gereformeerde’ Church at Scharnegoutum (1).

The ‘Gereformeerde’ Church in the Frisian village of Scharnegoutum (Frisian: Skearnegoutum), near Sneek, was instituted as a Christian Seceded Congregation (Christelijke Afgescheidene Gemeente) on 20 September 1836. Although during the years of the Doleantie a number of members withdrew from the ‘Hervormde’ congregation of Scharnegoutum, they immediately joined the Christian Reformed Congregation, so that no Dolerende Church came into existence in the village.

The Secession in Scharnegoutum.

In Scharnegoutum and the surrounding villages—initially belonging to the ‘hervormde’ congregation of Sneek—the preaching could no longer be called orthodox. For a number of members this became a reason to hold “their own” services in the village and in nearby villages: so-called conventicles. These were held in private homes or on farms. Seceders also attended worship services in the Seceded Congregation of Sneek, which had come into existence on 27 November 1835.

The clerk of the ‘hervormde’ Classis of Sneek reported about these Seceders that for the most part they were “deeply ignorant women, confused in their ideas and prejudiced.” The men, too, were considered nothing special: they were “farmers on rented land, craftsmen, laborers.” According to the classis, traveling lay preachers (oefenaars) spread the ideas of Rev. H. de Cock (1801–1842) of Ulrum, the first Seceded minister in our country, “with whom all misery began.” Especially lay preachers such as Vijgeboom and Pier Schaap, and Seceded ministers Rev. De Cock, Rev. S. van Velzen (1809–1896) of Drogeham, and Rev. A.C. van Raalte (1811–1876) of Genemuiden and Mastenbroek, “tried to ensnare the people with their ideas.”

Persecutions.

King William I (1772–1843), as head of the Church, acted very harshly against the Seceders. It was forbidden to hold Seceded religious services without permission of the local authorities if more than twenty people were present. If such “unauthorized religious gatherings” were nevertheless attended by more than twenty persons, punitive measures followed. Meetings were broken up and fines were imposed. Sometimes matters went even further, as will be seen below.

On 10 March 1836 the municipal authorities of the civil municipality of Wymbritseradeel learned that such an unauthorized religious service was being held in the front room of the house of blacksmith Pieter Mattheus Gilhuis. Alderman (“assessor”) Ykema found that about sixty persons were present. When he entered the house with his agents, the people were just singing Psalm 118. The agents ordered them to stop singing, which they did immediately. The assessor ordered the people to leave the house. They did not do so. On the contrary, farmer Hotze Hotzes Schilstra, acting as precentor, struck up a new psalm, which was taken up by the assembled congregation.

When the psalm had ended, shopkeeper Nicolaas Borneman from Sneek was already prepared to read the Scripture passage from Matthew 22, on which he would speak “a word of edification.” The assessor left but instructed the agents to determine exactly who was present. He sent the report the next day to the court in Sneek, adding the remark that it was almost impossible to prohibit all unauthorized religious services, because there were “many” of them, in all surrounding places. On that same 10 March, for example, another service had been held in the afternoon, attended by about thirty-five people, but these—warned by “the lookout”—had already hastily left the house when the agents approached. Both preacher Borneman and host Gilhuis were fined 100 guilders each. And that was not the end of it, for action was also taken against other meetings where there had been an opportunity to draw up an official report.

In 1836 and 1837, conventicles were held in and around Scharnegoutum almost Sunday after Sunday at varying locations. We will not list all these incidents—sometimes attended by two hundred or more listeners—because the story would hardly become more interesting. For example, on 3 July 1836 the 125 worshipers in the house of Jarig Ypama refused to leave after threats were made to disperse the meeting with soldiers. The worshipers replied that they would wait for the soldiers.

Soldiers in the Village!

After 10 July 1836 it was over with the “unauthorized religious services.” The grietman (mayor) Sj. van Welderen Rengers of the municipality of Wymbritseradeel requested soldiers from the provincial governor. Only soldiers, he said, would be able to break up all those meetings. For “the leaders” of the Seceders, such as Borneman and Ypma, had refused to close their houses for the meetings. Nothing else would help.

“It was almost amusing, if it had not been so tragic, to read how the governor of Friesland searched for where the separatists would gather the coming Sunday. Soldiers were stationed in the corner between Bozum, Scharnegoutum, and Lutkewierum in order to prevent the wicked activity.” In any case, the grietman hoped for as many as seventy soldiers to restore order. They were to be quartered in the homes of the Seceders, and especially in those of their leaders.

On Saturday, 9 July 1836, a group of sixty-nine soldiers marched into the village. They came from Leeuwarden and were to remain in the municipality until 15 August. The captain of the detachment carefully recorded in which houses the soldiers were lodged (billeting was compulsory; afterward one received a compensation of 0.35 guilders per soldier). Many households received four soldiers, but Jarig Klazes Ypma, evidently regarded as the chief culprit, had to take in no fewer than six men and feed them. Even the ‘hervomrde’ minister received lodgers: the commander established himself in the ‘hervormde’ parsonage! But regarding the Seceders they were undoubtedly of one mind.

Disturbances in the Village.

The soldiers did not always adhere to the instructions they had received from Leeuwarden. They were supposed to act “with the greatest calmness, propriety, caution, and moderation, and to use no violent means except in the utmost necessity.” On several occasions things went quite differently. On the night of Sunday 24 to Monday 25 July, a group of twenty soldiers caused a great deal of disturbance and resisted the village night watch appointed by the grietman, even threatening them with unsheathed bayonets. The watchman Sytse C. Faber was even kicked and beaten to the ground by the soldiers.

He was not the only one. Early in the morning, around five o’clock, cow milker Hendrik Keulen was on his way to work when he was attacked by six soldiers. He was beaten and threatened with death. He broke free, but then had a stone thrown at his head and was so badly injured “that the blood ran down his back.” Sergeant Van Rossum—absent during the incident—took the wounded Keulen to a private home, where the wound was “washed with brandy.”

The Congregation Instituted (1836).

As already noted, Deersum, Tirns, and Scharnegoutum originally belonged to the Christian Seceded Congregation of Sneek, which had been instituted on 27 November 1835 by Rev. De Cock. On 15 September 1836, however, this congregation was divided into three independent congregations: Sneek, Deersum, and Scharnegoutum-Tirns.

Five days later, on 20 September 1836, the Christian Seceded Congregation of Scharnegoutum-Tirns was officially instituted. P.M. Gilhuis and G.D. Bakker were chosen as elders, and T.J. de Boer and E.W. de Groot as deacons. Thus the year 1836 came to an end.

Recognition Requested and Obtained (1841).

The persecutions ceased when King William II (1792–1849) came to power in 1841. He was less strict toward the Seceders than his father. The Seceded Congregations could now apply for government recognition, although conditions were attached. They had to promise that they would make no claim on ‘hevormde’ funds or property, that they would care for their own poor and not request state subsidies. They also had to report where they would hold their worship services in the future, and all members had to sign the petition individually with full name and place of residence. For many, a major objection to applying for government recognition was that the name ‘gereformeerd’ was not allowed to be used in the church name of the Seceded Congregations. That designation belonged to the Hervormde Church, according to the Minister of Worship.

After the church council of Scharnegoutum-Tirns submitted two applications for government recognition—the first was apparently rejected—the congregation received the official recognition it had requested, and thus legal personality, on 9 June 1841.

A Church Building of Their Own (1841).

Now a church building of their own could be built! From farmer Freerk Meintes Miedema of Lutkewierum (today called Lytsewierrum in Frisian) they purchased a house and a piece of land just outside the village, in the area called De Pollen (still called that today), on the Ysbrechtumerdyk, between Tirns and Scharnegoutum.

On old maps this “A-Church” (“Seceded Church”) is clearly marked! Incidentally, the deed of sale was not signed until 21 December 1841. The church had already been put into use half a year earlier, on 20 June of that year. Farmer D.W. Hellema (churchwarden of the ‘hervormde’ congregation!), who occasionally attended services among the Seceders, left us an account of the dedication of the church. In his best Dutch he wrote the following:

Early on Sunday morning we went to the newly built church, about ten minutes outside the village. In place of Rev. Van Velzen [who was actually scheduled to lead the service], Rev. Postuma [this should be Rev. D. Postma (1818–1890)], minister of the Seceded Congregation at Minnertsga, preached on this solemn occasion from Isaiah 66 verse 1 [“Thus says the LORD: Heaven is My throne and the earth is My footstool; where is the house that you would build for Me, and where is the place of My rest?”] before a very large number of hearers of all classes, Seceders and non-Seceders, gathered together from the congregation and from elsewhere, including a member of the board of the [civil municipality of] Wymbritseradeel, who had been requested to attend this dedication.

Without pomp, but simple and dignified, after speaking in the introductory remarks about the establishment of this church with the permission of the authorities and about the condition of the church in general and of the Seceders in particular, and after invoking a blessing upon that congregation and upon the Seceders in general, and also upon the authorities, but especially upon this gathering, and after the reading of 2 Chronicles 6, the entire chapter [concerning the dedication of the temple], the aforementioned text was expounded and treated very appropriately and to the general edification. Thereafter this worship service was closed with the singing of a psalm and the pronouncing of the blessing, after which everyone returned very satisfied to their homes, the strangers from elsewhere, who were a great multitude, having the opportunity to stable their horses and carriages on the yard where the church was built, which was very spacious, and to spend the time between services in the still-standing house, whose barn had been demolished, and to enjoy some refreshments.

In the afternoon Rev. Postma preached on Lord’s Day 25, and in the evening at half past seven he preached once more. The church building at “the Seceded Pôle” was well used on its first day! Hellema was present all three times and liked it very much. In his report he praised the new church with its dome—certainly not magnificent, but modest, practical, and dignified. According to him, “few state churches could match it.”

The “Ministers in General Service” (1836–1842).

The church council of the congregation of Scharnegoutum-Tirns soon began searching for a minister, but initially the realization of this plan was problematic. From 1836 onward, Rev. S. van Velzen (1809–1896) of Drogeham served as a “minister in general service,” traveling among the existing Seceded Congregations in Friesland to preach, administer the sacraments, and establish new congregations. This lasted until 1839, when he departed for Amsterdam. He was succeeded by Rev. R.W. Duin (1797–1843) of Leeuwarden, who performed this task until his suspension in 1840 and then moved to Leiden. In 1841 he was followed by Rev. T.F. de Haan (1791–1868). This lasted until 1842, when De Haan began training Seceded theological students in Groningen and the congregation of Scharnegoutum received its first minister. To make this financially possible, the congregation of Deersum was merged with that of Scharnegoutum, which remained the case thereafter.

It is noteworthy that during this period—around 1841—the relationship between the ‘hervormde’ congregation and the young Seceded congregation was apparently fairly good. Otherwise it would surely have been impossible for the Seceded painter Bouwe Pieters Kuipers to receive the commission that year to paint the new organ of the ‘hervormde’ church!

Rev. A.B. Groen (1842–1846).

On 22 May 1842 Rev. A.B. Groen (1796–1854) took up his ministry, receiving his first congregation in Scharnegoutum. He was installed by Rev. S.O. Los (1803–1882) of Koudum, Workum, and Hindeloopen, and his inaugural sermon was based on Judges 3:20b (“Ehud said, ‘I have a message from God for you.’ Then he rose from his seat”).

Rev. Groen had been trained as a minister by Rev. De Cock of Ulrum. He had also assisted De Cock in writing the original Act of Secession or Return, by which De Cock and his congregation in Ulrum separated from the ‘Hervormde’ Church. Groen first became active as a lay preacher and was fined 25 guilders when he held an “unauthorized religious gathering” in Visvliet. Rev. Groen lived in Scharnegoutum in the front part of the church at De Pôle.

During his ministry it was not particularly peaceful in the congregation. In a letter the minister described his experiences. From this it appears, among other things, that elder Nicolaas Borneman withdrew from the congregation. The main reason was that the congregation applied to the government for freedom and recognition. The consequences of this were unacceptable to Borneman, such as the prohibition on continuing to use the name ‘gereformeerd.’” As a result of his withdrawal he came under church discipline “and lives outwardly in free conformity with the world.”

Elder Gilhuis was also under discipline, “mainly because of the habitual use of strong drink, sometimes degenerating into drunkenness.” He then regularly attended the ‘Hervormde’ church in IJlst. Elder A.G. Bakker was also deposed and subsequently likewise attended church regularly in IJlst. Others, too, came under church discipline, such as deacon T.J. de Boer, “though he still attends church with us quite faithfully.” Fortunately, church attendance generally did not decline, as the minister stated in his letter.

Rev. Groen took leave of Scharnegoutum in February 1846 and departed for the congregation of Onstwedde.

Rev. W. van Leeuwen (1847–1853).

The following month, March 1847, the second minister was installed: Rev. W. van Leeuwen (1810–?) from Heemse. This, however, came with a story:

“The call to Scharnegoutum was not approved by the classis. For this reason, and also because objections had been raised on no fewer than twelve points against his orthodoxy, he was suspended by the classis at the instruction of the Seceded provincial church board of Friesland. This assembly called him on 6 April 1848 ‘a self-willed and strange man.’”

His church council (that of Scharnegoutum), however, did not recognize the suspension and allowed him to continue his work undisturbed. Van Leeuwen complained to the General Synod of Amsterdam (1849), but this declared that “Rev. W. van Leeuwen has been justly suspended, and that the above-mentioned members of the church council who allowed him to serve are worthy of being at least suspended from their offices, because they allowed the said minister to continue in this way.”

Because of the condemnation by the synod, the congregation of Scharnegoutum then affiliated itself with the provincial church assembly of Gelderland and Overijssel, which was at odds with the synod, under the leadership of Rev. A. Brummelkamp (1811–1888) of Arnhem and Velp. Together with Rev. G.W. van Houte (1817–1872) of Arnhem, Rev. J.H. Donner (1824–1903) of Leiden, and Rev. D. Breukelaar (1814–1891) of Aalten, they were present at the Synod of Amsterdam (1851), two years after the previous one. They wished to discuss possible union, since Scharnegoutum, like the Provincial Assembly of Gelderland and Overijssel, effectively stood outside the national church federation. No reunion resulted at that time. Later the matter was resolved.

Rev. Van Leeuwen took leave of Scharnegoutum on 26 May 1853 and departed as minister to the Christian Seceded Congregation of Putten. In 1849 the congregation of Scharnegoutum had only 41 members, children included.

Rev. M.H.J. Bosch (1853–1860).

That same year the third minister came to Scharnegoutum. It was Rev. M.H.J. Bosch (1821–1885) from Hattem, who was installed on 1 November 1853.

Little is known about his work in Scharnegoutum. He took leave on 4 November 1860.

Rev. S. Evenhuis (1862–1863).

His successor remained only a short time in Scharnegoutum. It was Rev. S. Evenhuis (1834–1867) from Heusden, who was installed on 31 August 1862. Already on 4 November 1863 he took leave and departed for the Christian Seceded Congregation of Sneek. His period of service was so brief that little is known about it.

Rev. J. Verwey (1864–1868).

On 22 May 1864 Rev. J. Verwey (1831–1916) from Vrijhoeve-Grevelduin-Capelle was installed in the congregation of Scharnegoutum. He remained for more than four years. That the relationship with the ‘Hervormde’ congregation was apparently still (or “again”) good is also evident from the fact that Rev. Verwey was very close friends with the ‘hervormde’ minister, Rev. L. Kylstra (who served there from 1858 to 1870). Together with a small group of people they stood shoulder to shoulder in the struggle for a Christian National School in Scharnegoutum.

The head of the public school opposed these plans, but in vain, for after Rev. Verwey’s departure the Christian school was opened in Scharnegoutum in 1871. Children of Reformed and Seceded families attended the school together!

The friendship with the ‘hervormde’ minister Kylstra was apparently of such a nature that Rev. Verwey “came to see the error” of his ministry in the Christian Seceded Church. Therefore, on 2 November 1868 he took leave of the congregation of Scharnegoutum and transferred to the ‘hervormde’ Church. There he became minister of the ‘hervormde’ congregation at Opheusden.

“Christian Reformed Congregation” (1869).

We already touched on the problem earlier: around 1838 disagreement arose within the Christian Seceded Church over applying for government recognition. The government had attached conditions to the recognition of Christian Seceded Congregations, one of which—as already noted—was that the name “gereformeerd” could not be used by the Seceded Congregations. For a number of congregations, ministers, and individual members this went too far. They separated from the Christian Seceded Church and together formed The ‘Gereformeerde’ Church under the Cross, which was and remained a small denomination. After several decades, however, when the government’s demands were no longer relevant, it was decided in June 1869 to take up the thread together again as the Christian Reformed Church. The congregation of Scharnegoutum also agreed and from then on was called the Christian Reformed Congregation of Scharnegoutum-Tirns.

Rev. J.J. Dekkers (1870–1873).

Shortly thereafter—but almost two years after Rev. Verwey’s departure—the next minister took up his work. It was Rev. J.J. Dekkers (1835–1908) from Naaldwijk, who was installed on 21 August 1870.

Not long after his installation, the school (on 15 February 1871) was opened, for which Rev. Verwey and the ‘hervormde’ Rev. Kylstra had previously given the impetus. The school was established by the Association for Christian National School Education. On the first day there were already sixty-six pupils. The keynote speaker at the opening was Rev. J.J.A. Ploos van Amstel (1835–1898), one of the most prominent Dolerende ministers in the province of Friesland. His role as keynote speaker, however, displeased Rev. Dekkers, for he himself would have liked to deliver the opening address. He resigned as a board member. “Whether he preached the following Sunday on ‘Whoever among you wants to be first,’ I dare to doubt,” wrote Algra.

“He [Rev. Dekkers] was not so much a pulpit orator. He improvised from an outline. Writing and memorizing his sermons was impossible for him. His strength lay more in the area of catechesis and pastoral work than in the pulpit. Yet preaching was a joy to him. The wood of the pulpit seemed to him to be healing wood. He often preached away the fever.”

Rev. Dekkers took leave on 2 February 1873 and departed for the congregation of Joure.

Rev. E. Diemer (1874–1881).

His successor was Rev. E. Diemer (1834–1921) from Meliskerke, where he had been suspended on 3 October 1873.

“After he confessed his errors before the Classis of Walcheren, the suspension was lifted and, at his request, changed into a ‘release.’ The church council and classis initially provided insufficient attestations, so that he could not be installed in Scharnegoutum, but eventually sufficient attestations were issued.”

In any case, on 26 April 1874 he was installed in Scharnegoutum. Little is known about his work there. He took leave on 19 July 1881 because of his departure to the congregation of Hollandscheveld.

Part 2 will follow shortly.