De Gereformeerde Kerk te Mariënberg (1)

Een kort overzicht van de kerk te Mariënberg aan de hand van enkele belangrijke onderwerpen.

Op 2 november 1928 ontstond de Gereformeerde Kerk in het Overijsselse Mariënberg, ten zuiden van Hardenberg. De kerk van Mariënberg ontstond uit de Gereformeerde Kerk te Vroomshoop.

Kaart: Google.

De eerste plannen.

De verbindingen tussen de dorpen in die omgeving waren in de jaren ‘20 van de twintigste eeuw niet om over naar huis te schrijven. De kerkgang viel daarom soms tegen. De afstanden en slechte weersomstandigheden waren soms een belemmering om de reis naar de kerk in Bergentheim te maken. Maar toen de plaatselijke predikant ds. G.H. Dijkstra (1877-1940) aan de hand van zijn preek over Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus had gepreekt over de noodzaak overal waar dat nodig mocht zijn een Gereformeerde Kerk te bouwen, was dat een eye-opener voor landbouwer H. Brouwer, woonachtig aan de Kloosterdijk te Sibculo.

Ds. G.H. Dijkstra (1877-1940).

Hij sprak daarover met collega Egbert Reiling en met Klaas Oordt, en  ze waren het roerend eens. Ze wisten ook dat in de omgeving al veel gereformeerden woonden, die echter verspreid ter kerke gingen, de een naar Vroomshoop, de ander naar Ommen en weer een ander naar Bergentheim.

Om aan die problemen een eind te maken richtten de drie mannen een commissie op die zich ten doel stelde een Gereformeerde Kerk te institueren en een kerkgebouw voor het dorp Mariënberg op te richten. Gelukkig was ds. J.H. Broek Roelofs (1875-1959) uit Vroomshoop bereid te adviseren. Ook de kerkenraad van Vroomshoop ging er mee akkoord, zelfs al was een van de gevolgen van het stichten van een zelfstandige Gereformeerde Kerk dat het ledental van de kerk te Vroomshoop daardoor zou teruglopen. Zelfs beloofde de kerkenraad de kerkelijke bijdragen van leden woonachtig in de dorpen Beerzerveld en Beerzerhaar gedurende twee jaar aan de nieuwe kerk terug te geven als een soort van startkapitaal.

Ds. J.H. Broek Roelofs (1875-1959).

Er waren overigens ook personen die bezwaren hadden tegen de instituering van een kerk in Mariënberg. Sommigen wilden liever in Vroomshoop naar de kerk blijven gaan, anderen vonden ‘al dat gewoel duivelswerk’, en weer anderen vroegen zich af of de initiatefnemers misschien vier kerken kapot wilden maken? De kerken van Vroomshoop, Bergentheim, Ommen en Heemse zouden immers leden verliezen?

Op 1 april 1927 benoemde de Classis een commissie om de mogelijkheid te onderzoeken (en wie weet onmogelijkheid) van het institueren van een zelfstandige kerk. De commissie bestond uit de predikanten ds. S. Dwarshuis (1868-1944), ds. R. Sybrandi (1875-1935) en ds. G. Verrij (1873-1939) alsmede de ouderlingen J.J. Beukenkamp (Den Ham) en A.W. de Jager, ook uit Den Ham. Hoewel het financiële vooruitzicht van de nieuwe kerk niet erg rooskleurig leek te zijn, werd toch besloten de kerk te institueren. Het kerkgebouw zou bij de spoorwegovergang in Mariënberg komen en niet in Beerzerveld, zoals aanvankelijk het plan was.

Instituering.

Ds. S.J. Vogelaar (1865-1928), predikant te Heemse.

Ds. S.J. Vogelaar (1865-1928) uit Heemse kwam op 2 november 1928 naar Mariënberg, waar hij De Gereformeerde Kerk institueerde. Er was nog geen kerkgebouw, dus vond de dienst plaats in de gereformeerde school in Beerzerveld. Acht ambtsdragers, die in de weken daarvoor alvast door de aanstaande gemeenteleden gekozen waren, werden die dag door de predikant in het ambt bevestigd: vier ouderlingen (Dijkstra, Noodveld, Nijman en Willems) en vier diakenen (Grimmink, Jaspers, Reiling en Welleweerd). De nieuwe kerk telde toen ongeveer vierhonderd leden.

Een noodkerk (1929).

De noodkerk die in 1929 in gebruik genomen werd (foto: ‘Gereformeerde Kerk Mariënberg’).

Ondertussen had men aan de Stationsweg al een stuk grond gekocht voor kerkbouw, dat eigendom was van W. Timmerman. Daar werd eerst een houten noodkerk gebouwd. Timmerman K. Olsman en zijn zoon bouwden de kerk, die ongeveer 10 tot 15 jaar gebruikt zou kunnen worden. Terwijl de diensten nog steeds in de gereformeerde school gehouden werden, vorderde de bouw langzaam maar zeker. Op vrijdagmiddag 8 maart 1929 werd de noodkerk in gebruik genomen.

De consulent van de kerk, ds. G.H. Dijkstra (1877-1940) van Bergentheim, verrichtte de opening. Onder de sprekers was (behalve burgemeester H.H. Weitkam van de gemeente Ambt Hardenberg) natuurlijk ook ds. Broek Roelofs van Vroomshoop. Ouderling Dijkstra – hoofd van de gereformeerde school – sprak het slot- en dankwoord.

Het interieur van de noodkerk aan de Stationsweg (foto: ‘Gereformeerde Kerk Mariënberg’).

Ds. A.J. Boss (van 1929 tot 1932).

Op 20 oktober 1929 deed de eerste predikant van de Gereformeerde Kerk te Mariënberg intrede. Het was ds. A.J. Boss (1896-1971), afkomstig uit Zwolle, en pas klaar met zijn studie. Aanvankelijk was hij net als zijn vader bakker, en begon daarom op latere leeftijd aan zijn studie voor predikant. Hij werd bevestigd door zijn leermeester prof. J. Ridderbos (1879-1960).

Ds. A.J. Boss (1896-1971).

In de begintijd werden de Schriftlezing en de Wetslezing verzorgd door een ouderling, die door de gemeenteleden staande aangehoord werden. De kerkzang werd in de noodkerk aanvankelijk begeleid door een harmonium. Maar al gauw werd een financiële actie op touw gezet om een pijporgel te kunnen aanschaffen. Dat kwam er ook. Als koster fungeerde Harm de Lange met hulp van zijn moeder.

Ook het verenigingsleven kwam op gang. Natuurlijk was er een Jongelingsvereniging, terwijl ook een Meisjesvereniging en een Kleine Meisjesvereniging actief waren. De laatsten gingen rond hun zestiende jaar over naar de (‘grote’) Meisjesvereniging.

Ds. Boss nam op 16 oktober 1932 afscheid en vertrok naar de kerk van Nijmegen.

Ds. P.H. Wolfert (van 1933 tot 1945).

Ds. P.H. Wolfert (1902-1945).

Als zijn opvolger werd ds. P.H. Wolfert (1902-1945) beroepen, die het aannam en op 12 maart 1933 intrede deed in Mariënberg, zijn eerste (en laatste) gemeente.

Een nieuwe stenen kerk (1935).

Het ledental van de Gereformeerde Kerk te  Mariēnberg steeg vrij rap. Vooral een aantal hervormde gezinnen die aanvankelijk hadden geaarzeld om zich bij de Gereformeerde Kerk te voegen, nam die stap na verloop van tijd toch. Hoe dan ook, de ruimte in de noodkerk werd te krap, ook door het groeiende verenigingsleven. Vandaar dat ds. Wolfert en de kerkenraad voorbereidingen troffen die tot de bouw van een nieuwe kerk zouden leiden.  En dan geen houten, maar een groter, stenen gebouw. Begin 1934 stemden de gemeenteleden met de plannen in. Bij de aanbesteding bleek echter dat de laagste inschrijver (met bijna fl. 14.000) de door de kerkenraad vastgestelde maximum bouwprijs overschreed. Desondanks waren de gemeenteleden ook daarmee akkoord.

De nieuwe gereformeerde kerk en pastorie.

De noodkerk werd op een tiental turflorries en met twee lieren achteruit verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwbouw, maar het gebouwtje bleef tijdens de bouw als kerk in gebruik.

De nieuwe kerk in gebruik genomen.

Onder grote belangstelling werd op 27 februari 1935 de nieuwe Gereformeerde Kerk van Mariënberg officieel in gebruik genomen. Het kerkgebouw, dat plaats bood aan ongeveer 450 kerkgangers, was tijdens de openingsbijeenkomst tot de laatste plaats bezet.

De oude kerk wordt verplaatst met turflorries.

Predikant ds. P.H. Wolfert memoreerde in zijn openingswoord de ontwikkeling van de jonge kerkelijke gemeente: “Nog geen tien jaar geleden werd een commissie ingesteld om de mogelijkheden voor kerkvorming te onderzoeken. In 1928 besloot de classis tot instituering van de Gereformeerde Kerk te Mariënberg, waarna in 1929 een houten kerkgebouw in gebruik werd genomen. Door de gestage groei van de gemeente en haar verenigingsleven ontstond al spoedig behoefte aan meer ruimte”.

Een krantenfoto van de nieuwe stenen kerk, met daarachter de houten noodkerk (vooraan op de foto), vlak voor de afbraak.

Tijdens de bijeenkomst werd stilgestaan bij de totstandkoming van het nieuwe kerkgebouw. Namens de bouwcommissie droeg de heer G. van der Veen het gebouw over aan de kerkenraad. Daarbij werd dank gebracht aan architect Wiersema, aannemer Hagedoorn en allen die aan de bouw hadden meegewerkt. Ook het nieuwe orgel werd officieel overgedragen. De gemeente had de bouw financieel ruimhartig gesteund en wist in korte tijd een aanzienlijk bedrag bijeen te brengen.

Enkele van de glas-in-loodramen in de kerk (foto: Reliwiki, Gert-Jan Lobbes).

Verschillende sprekers voerden vervolgens het woord. Oud-predikant ds. Boss herinnerde aan de beginjaren van het kerkelijk leven in het eenvoudige houten gebouw, waar de gemeente haar eerste stappen zette. Hij sprak de wens uit dat ook het nieuwe kerkgebouw een plaats mocht zijn waar velen God zouden ontmoeten. Namens de classis bracht ds. Slomp felicitaties over en noemde het nieuwe kerkgebouw een zichtbaar bewijs van geloof, liefde en doorzettingsvermogen.

Ook burgemeester Weitkamp sprak zijn gelukwensen uit. Hij benadrukte dat niet alleen het gebouw van waarde is, maar vooral de mensen die er samenkomen. “Het was hier de kerk van hout, de mensen van goud; de kerk is nu van goud, laat de mensen dat ook blijven”, zo hield hij de aanwezigen voor.

“De ingebruikneming werd verder opgeluisterd door samenzang en orgelmuziek. De bijeenkomst stond in het teken van dankbaarheid voor wat in enkele jaren tijd was opgebouwd en van vertrouwen in de toekomst van de Gereformeerde Kerk te Mariënberg”.

Oorlog en ‘Vrijmaking’ (1940-1945).

In 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Ook leden van de kerk te Mariënberg gaven hun leven in de strijd tegen de bezetter. Hun nagedachtenis wordt met die van anderen geëerd door een monument aan de Nieuweweg. Bij de beschieting van de spoorlijn werd ook de kerk beschadigd . O.a. de glas-in-lood ramen werden deels vernield. Een bijzonder zware slag trof de gemeente echter vlak voor de bevrijding toen ds. Wolfert  bij Wierden werd gefusilleerd, nadat hij eerst als gijzelaar was gevangen genomen. Dit verlies was extra moeilijk omdat de gemeente in deze tijd ook extra leiding nodig had.

Ds. Wolfert vermoord.

Uit: ‘Trouw’, 11 mei 1945.

Terwijl de kerkstrijd dus gaande was werd ds. Wolfert door de vijand vermoord. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij zich actief ingezet voor het verzet door Joodse onderduikers, gevluchte krijgsgevangenen en andere vervolgden te helpen. In zijn preken waarschuwde hij openlijk tegen het nationaalsocialisme.

Omdat de Duitse bezetter hem zocht, moest hij in 1942 onderduiken. In 1944 keerde hij terug naar Mariënberg, waar hij zijn predikantswerk en verzetsactiviteiten voortzette. Kort voor de bevrijding werd hij gearresteerd na verzetsacties in de omgeving. Ondanks gebrek aan bewijs werd hij beschuldigd van betrokkenheid bij sabotage en het verbergen van een radio.

Op de gedenkplaquette van de Theologische Universiteit Kampen-Utrecht wordt ook de naam van ds. Wolfert genoemd (foto: Theologische Universiteit).

Op 29 maart 1945 werd ds. Wolfert samen met andere gevangenen bij Wierden gefusilleerd. Na de bevrijding werd hij herbegraven in Bergentheim. Hij liet zijn vrouw, Jelina Jacomina Groeneveld, en vijf kinderen achter. Zijn leven werd gekenmerkt door grote betrokkenheid bij zijn gemeente, moed in het verzet en een sterk geloof.

De kerkstrijd gaat door.

Behalve de strijd tegen de Duitse overheersing werd in de Gereformeerde Kerken dus ook strijd gevoerd over een aantal leerstellingen, onder meer over  de betekenis van de doop. Daarover nam de generale synode een besluit, dat echter bij een gedeelte van de gereformeerden niet in goede aarde viel. Dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische Hogeschool in Kampen, was het met deze leerbeslissingen evenmin eens, net als andere hoogleraren, predikanten en gemeenteleden. Ze verlieten de Gereformeerde Kerken en gingen verder als De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). De officiële landelijke begindatum van deze ‘Vrijmaking’  was 11 augustus 1944, toen dr. Schilder in Den Haag de Akte van Vrijmaking voorlas en ondertekende. Velen volgden zijn voorbeeld.

Ds. K.D. Gerber (van maart tot mei 1946).

Ds. K.D. Gerber (1911-1996) op latere leeftijd.

Na het overlijden van ds. Wolfert wilde de kerkenraad nog niet direct een beslissing nemen over de vraag of men zich zou aansluiten bij de ‘Vrijmaking’; eerst wilde de kerkenraad weer een eigen predikant hebben voor er een besluit werd genomen. Die predikant werd ds. K.D. Gerber (1911-1996). Hij werd bevestigd op 24 maart 1946. Twee maanden later werd ook tot ‘Vrijmaking’ besloten. Ds. Gerber ging met de Vrijmaking mee en ongeveer honderd gezinnen  volgden hem.

Ds. N.B. Knoppers consulent (in 1946 en 1947).

Na de Vrijmaking bestond de Gereformeerde Kerk uit nog ongeveer veertig gezinnen. Aanvankelijk werd de kerkenraad bijgestaan door consulent ds. N.B. Knoppers (1917-2006) van Hardenberg. Vele malen maakte hij per motor ‘als een vliegend evangelie’ de reis van Hardenberg naar Mariënberg.

‘Trouw’, 5 november 1956.

Het kerkgebouw kwijtgeraakt…

Het gereformeerde kerkgebouw in Mariënberg ging over naar de Vrijgemaakte Kerk. De eerste gereformeerde kerkdiensten werden nog gehouden in de gereformeerde kerk, waarna de gemeente samenkwam in café Greveling aan de Kloosterdijk. Omdat de gemeente nog maar uit ongeveer veertig gezinnen bestond, zat men daar dicht op elkaar en preekte de dominee vanaf het biljart. Ds. Knoppers was zeer actief in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en werd later predikant bij de Christian Reformed Church in Canada. Emigratie naar Canada achtte hij ‘de oplossing van vele problemen’.

Naar deel 2 > 

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church of Mariënberg (1).

A brief overview of the church in Mariënberg based on several important topics.

On 2 November 1928, the ‘Gereformeerde’ Church was established in Mariënberg, a village in the Dutch province of Overijssel, south of Hardenberg. The church in Mariënberg originated from the ‘Gereformeerde’ Church of Vroomshoop.

The First Plans.

Transportation links between the villages in that area were far from ideal during the 1920s. Attending church was sometimes difficult. The distances involved, combined with poor weather conditions, could make the journey to the church in Bergentheim a challenge. However, when the local minister, Rev. G.H. Dijkstra (1877–1940), preached on Lord’s Day 38 of the Heidelberg Catechism and spoke about the necessity of building ‘gereformeerde’ churches wherever they might be needed, it was an eye-opener for farmer H. Brouwer, who lived on the Kloosterdijk in Sibculo.

He discussed the matter with his colleague Egbert Reiling and with Klaas Oordt, and they were in complete agreement. They also knew that many ‘gereformeerde’ believers already lived in the area, but were scattered among various congregations: some attended church in Vroomshoop, others in Ommen, and still others in Bergentheim.

To solve these problems, the three men formed a committee with the aim of establishing a ‘Gereformeerde’ Church and church building for the village of Mariënberg. Fortunately, Rev. J.H. Broek Roelofs (1875–1959) of Vroomshoop was willing to provide advice. The church council of Vroomshoop also approved the plan, even though one consequence of founding a new church would be a decline in Vroomshoop’s membership. The council even promised to return the church contributions of members living in the villages of Beerzerveld and Beerzerhaar to the new church for two years as a form of start-up capital.

There were, however, also people who objected to establishing a church in Mariënberg. Some preferred to continue attending church in Vroomshoop, others considered “all that commotion to be the devil’s work,” and still others wondered whether the initiators intended to ruin four churches. After all, the churches of Vroomshoop, Bergentheim, Ommen, and Heemse would all lose members.

On 1 April 1927, the Classis appointed a committee to investigate the possibility—or perhaps impossibility—of establishing an independent congregation. The committee consisted of ministers Rev. S. Dwarshuis (1868–1944), Rev. R. Sybrandi (1875–1935), and Rev. G. Verrij (1873–1939), together with elders J.J. Beukenkamp of Den Ham and A.W. de Jager, also from Den Ham. Although the financial outlook for the new church did not appear very promising, it was nevertheless decided to proceed with its establishment. The church building would be erected near the railway crossing in Mariënberg rather than in Beerzerveld, as had originally been planned.

Establishment of the Congregation.

On 2 November 1928, Rev. S.J. Vogelaar (1865–1928) of Heemse came to Mariënberg to formally institute the ‘Gereformeerde’ Church. Since there was not yet a church building, the service was held in the ‘gereformeerde’ school in Beerzerveld. Eight office-bearers, elected by the prospective members in the preceding weeks, were installed that day by the minister: four elders (Dijkstra, Noodveld, Nijman, and Willems) and four deacons (Grimmink, Jaspers, Reiling, and Welleweerd). At that time, the new church had approximately four hundred members.

A Temporary Church Building (1929).

Meanwhile, a plot of land on Stationsweg had already been purchased from W. Timmerman for church construction. A wooden temporary church was built there first. Carpenter K. Olsman and his son constructed the building, which was expected to serve for about ten to fifteen years. While services continued to be held in the ‘gereformeerde’ school, construction steadily progressed.

On Friday afternoon, 8 March 1929, the temporary church was officially opened. The church’s counselor, Rev. G.H. Dijkstra (1877–1940) of Bergentheim, conducted the opening ceremony. Among the speakers were the mayor of the municipality of Ambt Hardenberg, H.H. Weitkam, and, naturally, Rev. Broek Roelofs of Vroomshoop. Elder Dijkstra—the headmaster of the ‘gereformeerde’ school—delivered the closing words of thanks.

Rev. A.J. Boss (1929–1932).

On 20 October 1929, the first minister of the ‘Gereformeerde’ Church of Mariënberg was installed. It was Rev. A.J. Boss (1896–1971), who came from Zwolle and had only recently completed his theological studies. Initially, like his father, he had been a baker and therefore began his studies for the ministry later in life. He was ordained by his teacher, Professor J. Ridderbos (1879–1960).

During the early years, Scripture readings and the reading of the Law were conducted by an elder and listened to by the congregation while standing. Congregational singing in the temporary church was initially accompanied by a harmonium. Before long, however, a fundraising campaign was organized to purchase a pipe organ, and this goal was successfully achieved. Harm de Lange served as sexton with assistance from his mother.

Church societies also began to flourish. There was, naturally, a Young Men’s Society, as well as a Girls’ Society and a Junior Girls’ Society. Around the age of sixteen, the younger girls would move on to the senior Girls’ Society.

Rev. Boss took farewell of the congregation on 16 October 1932 and departed for the church in Nijmegen.

Rev. P.H. Wolfert (1933–1945).

His successor was Rev. P.H. Wolfert (1902–1945), who accepted the call and was installed in Mariënberg on 12 March 1933. It was his first—and ultimately his last—congregation.

A New Stone Church (1935).

Membership of the ‘Gereformeerde’ Church in Mariënberg grew rapidly. In particular, a number of families from the ‘Hervormde’  Church who had initially hesitated to join eventually took that step. In any case, the temporary church soon became too small, partly because of the expanding congregational activities and societies.

For this reason, Rev. Wolfert made preparations that would lead to the construction of a new church building—not a wooden structure this time, but a larger stone church. Early in 1934, the congregation approved the plans. However, when tenders were submitted, the lowest bid—nearly 14,000 guilders—exceeded the maximum building cost established by the church council. Nevertheless, the congregation agreed to proceed.

The temporary church was moved backward using about ten peat wagons and two winches to make room for the new construction, but it continued to serve as the place of worship during the building process.

The New Church Opened.

On 27 February 1935, amid great public interest, the new ‘Gereformeerde’ Church of Mariënberg was officially opened. The church building, which could accommodate approximately 450 worshippers, was filled to capacity during the opening gathering.

In his opening address, Rev. P.H. Wolfert recalled the development of the young congregation:

“Less than ten years ago, a committee was appointed to investigate the possibilities of forming a congregation. In 1928 the Classis decided to institute the ‘Gereformeerde’ Church of Mariënberg, after which a wooden church building was put into use in 1929. Due to the steady growth of the congregation and its organizations, the need for more space soon arose.”

During the gathering, attention was given to the realization of the new church building. On behalf of the building committee, Mr. G. van der Veen formally handed the building over to the church council. Thanks were expressed to architect Wiersema, contractor Hagedoorn, and everyone who had contributed to the construction. The new organ was also officially presented. The congregation had supported the building project generously and had succeeded in raising a considerable sum within a short time.

Several speakers then addressed those present. Former minister Rev. Boss recalled the early years of church life in the simple wooden building where the congregation had taken its first steps. He expressed the hope that the new church would likewise be a place where many people would meet God. On behalf of the Classis, Rev. Slomp conveyed congratulations and described the new church building as visible proof of faith, love, and perseverance.

Mayor Weitkamp also offered his congratulations. He emphasized that not only the building itself is valuable, but especially the people who gather within it.

“Here it was a church of wood with people of gold; now the church is of gold—let the people remain so as well.”

The dedication ceremony was further enhanced by congregational singing and organ music. The gathering was marked by gratitude for what had been accomplished in just a few years and by confidence in the future of the ‘Gereformeerde’ Church of Mariënberg.

War and the “Liberation Church” (1940–1945).

In 1940, the Second World War broke out. Members of the congregation in Mariënberg also gave their lives in the struggle against the occupier. Their memory, together with that of others, is honored by a monument on Nieuweweg.

The church building itself was damaged during shelling of the railway line. Among other things, several stained-glass windows were partially destroyed. An especially severe blow struck the congregation shortly before liberation when Rev. Wolfert was executed near Wierden after first being taken hostage. This loss was particularly difficult because the congregation needed strong leadership during that turbulent period.

Rev. Wolfert Murdered.

While the ecclesiastical conflict was continuing, Rev. Wolfert was murdered by the enemy. During the Second World War, he had been actively involved in the resistance, helping Jews in hiding, escaped prisoners of war, and other persecuted individuals. In his sermons, he openly warned against National Socialism.

Because the German occupiers were searching for him, he was forced to go into hiding in 1942. In 1944, he returned to Mariënberg, where he resumed both his ministerial work and his resistance activities. Shortly before liberation, he was arrested following resistance actions in the area. Despite a lack of evidence, he was accused of involvement in sabotage and of concealing a radio.

On 29 March 1945, Rev. Wolfert was executed by firing squad near Wierden together with other prisoners. After the liberation, he was reburied in Bergentheim. He left behind his wife, Jelina Jacomina Groeneveld, and five children. His life was characterized by deep commitment to his congregation, courage in the resistance, and a strong faith.

The Church Conflict Continues.

In addition to the struggle against German occupation, the ‘Gereformeerde’ Churches were also engaged in disputes concerning several doctrinal issues, including the meaning of baptism. The General Synod adopted decisions on these matters, but a portion of the ‘gereformeerde’ community did not accept them.

Dr. K. Schilder (1890–1952), professor at the Theological College in Kampen, also disagreed with these doctrinal decisions, as did other professors, ministers, and church members. They left the ‘Gereformeerde’ Churches and continued as the ‘Gereformeerde’ Churches (‘Liberated’). The official national starting date of this “Liberation” (Vrijmaking) was 11 August 1944, when Dr. Schilder read aloud and signed the Act of Liberation in The Hague. Many followed his example.

Rev. K.D. Gerber (March–May 1946).

After the death of Rev. Wolfert, the church council did not wish to decide immediately whether the congregation would join the Liberation movement. First, they wanted to have their own minister again before making such a decision.

That minister was Rev. K.D. Gerber (1911–1996), who was installed on 24 March 1946. Two months later, the congregation also decided in favor of joining the Liberation. Rev. Gerber went along with the movement, and approximately one hundred families followed him.

Rev. N.B. Knoppers as Counselor (1946–1947).

After the Liberation, the ‘Gereformeerde’ Church consisted of only about forty families. Initially, the church council was assisted by counselor Rev. N.B. Knoppers (1917–2006) of Hardenberg. Many times he traveled from Hardenberg to Mariënberg by motorcycle, described as “a flying gospel.”

Lost the church building…

The ‘gereformeerde’ church building in Mariënberg passed into the hands of the Liberated Church. The first ‘gereformeerde’ services continued for a short time in the former church building, after which the congregation met in Greveling’s café on the Kloosterdijk. Since the congregation now consisted of only about forty families, they sat very close together, and the minister preached from the billiard table.

Rev. Knoppers had been highly active in the resistance during the Second World War and later became a minister in the Christian Reformed Church in Canada. He considered emigration to Canada to be “the solution to many problems.”

To part 2 >