De Gereformeerde Kerk te De Knipe (1)

Inleiding.

De Gereformeerde Kerk in het Friese Knijpe, sinds 1970 officieel De Knipe geheten, werd op 30 oktober 1889 als ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd.

Kaart: Google.

De wijde omgeving van het dorp Knijpe was tot het midden van de zestiende eeuw een onafzienbare moerasvlakte, waar men zich slechts in uiterste noodzaak waagde, bijvoorbeeld om voor eigen gebruik wat turf te steken. Een oude naam voor de nederzetting was Nieuw Brongerga, maar dat veranderde na 1851, toen twee hoge heren uit Utrecht en de Friese edelman Pieter van Dekema het plan opvatten en uitvoerden om vanuit Heerenveen het grote veenmoeras te ontginnen voor turfwinning. Men begon daarom met het graven van de Schoterlandse Compagnonsvaart, waarbij men ook langs Nieuw Brongerga kwam, waaraan het dorp zijn nieuwe naam dankt: in de Schoterlandse Compagnonsvaart was namelijk een versmalling, een knijp, waar het tegenwoordige dorp ontstond. De naam Knijpe burgerde al snel in. Waren er aanvankelijk eigenlijk twee dorpen: Beneden- en Boven-Knijpe, in 1970 werden ze samengevoegd en werd de officiële naam De Knipe.

In 1613 ontstond in Heerenveen een gereformeerde kerk (sinds 1816 Hervormde Gemeente genaamd) en zo’n twintig jaar later kregen de gelovigen een eigen kerkgebouw, na zich aanvankelijk met een schuur tevreden te hebben moeten stellen. Knijpe maakte van die gemeente onderdeel uit. Dat duurde tot 1642 toen ook in Knijpe een eigen gereformeerde (lees: hervormde) gemeente geïnstitueerd werd. De eerste predikant was Martinus Laverman en ook hij hield zijn kerkdiensten in een boerenschuur. Pas in 1661 kreeg men in Knijpe een eigen kerkgebouw. Een openbare school was er in ieder geval al in 1631. De (hervormde) kerk staat er nog steeds.

Het (hervormde) Witte Kerkje te Knijpe, in 1661 in gebruik genomen (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

De Afscheiding van 1834.

Knijpe groeide flink, want de vervening was nog steeds druk aan de gang en er vestigden zich vele ‘veengasten’, turfarbeiders. Langzaam maar zeker bewoog echter de geestelijke ‘ligging’ van de plaatselijke gereformeerde gemeente richting vrijzinnigheid. Toen in 1834 de Afscheiding in Ulrum plaatsvond onder leiding van ds. H. de Cock (1801-1842), werd na verloop van tijd ook in het nabijgelegen Tjalleberd een Christelijke Afgescheidene Gemeente gevormd, en wel op 1 januari 1839. Op 2 november 1851 werd de Afgescheiden gemeente in dat dorp echter overgeheveld naar Heerenveen, waardoor officieel op díe dag de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Heerenveen ontstond.

Ds. J. Beijer (1822-1876) was in 1852 de eerste Afgescheiden predikant van Heerenveen en stond daar ruim een half jaar.

Vanuit Knijpe naar Heerenveen.

Ook vanuit Knijpe gingen belangstellende gelovigen naar Heerenveen om daar de Afgescheiden predikanten te beluisteren. Tussen 1852 en 1976 dienden daar achtereenvolgens ds. J. Beijer (1822-1876), ds. E. Breitsma (1821-1906), ds. P. van der Sluijs (1821-1890), ds. J.H. Vos (1826-1881), ds. J. Nederhoed (1835-1898), ds. M. Noordtzij (1840-1915) en ds. W. Doorn (1836-1908). Behalve dat de hervormde gemeente in Knijpe langzaam maar zeker de vrijzinnige kant op ging werd ook het aantal onkerkelijken er rond 1880 steeds groter. Doordat de vervening in die streek op haar eind liep werd de armoede in het dorp groter en groter; velen werden werkloos en keerden zich van de ‘kapitalistische (sinds 1816 ‘hervormde’) kerk’ af, waarvan men geen hulp kreeg en ook niet meer verwachtte. De revolutionaire, vroegere hervormde predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) werd hun grote socialistische leidsman.

F.J. Domela Nieuwenhuis (1846-1919).

Evangelisten in Knijpe.

Toen in 1871 de vrijzinnig-hervormde dr. S. Baart de La Faille als predikant naar Knijpe kwam was het niet vreemd dat de landelijke hervormde ‘Confessionele Vereeniging’ (CV) en de ‘Nederlandsche Evangelische Protestantsche Vereeniging’ (NEPV) hun ogen op dat dorp en haar omgeving lieten vallen. Beide verenigingen hadden zich namelijk ten doel gesteld ‘op plaatsen waar de rechtzinnige leer niet (meer) gehoord werd’, evangelisten te plaatsen, om de bevolking zo mogelijk te kerstenen. Ook in Knijpe hebben ze hun ‘binnenlandsche zendelingen’ aan het werk gezet. Eerst de CV, daarna de NEPV, vrijwel onafgebroken tussen 1872 en 1888.

Ds. Wytze Lubach (1825-1903), zoals hij er in Amerika uitzag.

Op 8 januari 1972 werd Wytze Lubach (1825-1903) door de CV als reizend evangelist vanuit Middelburg naar Knijpe uitgezonden. Zijn werk als evangelist was hij begonnen ‘in een boerenkeuken’ te Emmen. In Knijpe werkte hij tot 5 mei 1873, toen hij als oefenaar naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente te (Wijnjeterp-) Duurswoude vertrok. In 1877 werd hij christelijk gereformeerd predikant te Edam en emigreerde in 1880 naar de Verenigde Staten; daar werd hij predikant bij de ‘Dutch Reformed Church’ in Holland (Michigan) en daarna nog in verscheidene andere plaatsen.

Ds. G.R. Kamans jr. (1835-1918).

Een week na Lubachs vertrek kwam reizend evangelist Rut Gerret Kamans (1835-1918) – zoon van een Afgescheiden predikant – als Lubachs opvolger in Knijpe terecht. Ook hij was door de CV uitgezonden en werkte er tot 19 december 1874, toen hij naar Franeker afreisde. Later ging hij met de Doleantie mee, werd in 1889 Dolerend oefenaar in Franeker en daarna predikant in enkele andere dorpen in Friesland.

Nadat Kamans naar Franeker vertrokken was duurde het een half jaar voordat Derk Meeuwenberg (1843-1886) per 2 juni 1875 als evangelist in Knijpe aankwam. Door de NEPV – de CV had zich uit Knijpe teruggetrokken – werd hij op verzoek van de ‘Vereeniging van Inwendige Zending te Knijpe’ – in 1874 opgericht – vanuit Epe naar Knijpe gestuurd. Helaas ‘voldeed hij daar niet zo goed’, maar bleef er toch ruim twee jaar werken tot hij op 9 juli 1877 te werk gesteld werd in Kapelle.

Evangelist Meeuwenberg stierf in Emmen, in 1886.

Toenadering tot de christelijke gereformeerden.

Langzaam maar zeker groeiden de in Knijpe woonachtige christelijke gereformeerden – behorende tot de kerk van Heerenveen – en de leden van de ‘Vereeniging van Inwendige Zending te Knijpe’ naar elkaar toe. Men streefde immers hetzelfde doel na: het brengen van ‘het onversneden Woord Gods’. Het in Knijpe gebouwde evangelisatielokaal aan de Meyerweg moest al in 1878 worden uitgebreid vanwege de toeloop van belangstellenden. En toen evangelist Jan Derk te Winkel (1830-1896) door de NEPV naar Knijpe gestuurd werd, dat was op 13 april 1878 (driekwart jaar na het vertrek van Meeuwenberg), werden de onderlinge verhoudingen steeds ‘closer’.

Ds. J.D. te Winkel (1830-1896) op latere leeftijd.

In 1878 had de NEPV aanvankelijk geprobeerd evangelist D.G. Fijnvandraat (1834-1902) uit Borger – waar hij ‘niet geslaagd’ was; ‘hij had daar bijbels verspreid onder een geestelijk dode bevolking’ – ‘aan Knijpe te slijten’, maar dat was mislukt. Hoe dan ook, Te Winkel kwam dus naar Knijpe en werkte er bijna acht en een half jaar, aanmerkelijk langer dan de voorgaande evangelisten; hij vertrok pas per 25 september 1886 naar Beetgumermolen, waar hij in 1888 in de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ toegelaten werd als predikant op Artikel 8 van de Kerkorde (wegens ‘bijzondere gaven’). Hij raakte daar overigens in 1892 ‘buiten bediening’.

Evangelist C. Taanman (1846-1926).

Per 12 november 1887 kwam evangelist Cornelis Taanman Azn. (1846-1926) in opdracht van de NEPV  naar Knijpe, want in Meppel, waar hij voordien werkte, beviel het hem niet (Knijpe had hem op 3 juli dat jaar ‘beroepen’). In Knijpe heeft hij zijn werk ‘onder veel vijandschap [van de bevolking] moeten doen’. Bovendien dreigde precies het tegengestelde van wat tijdens het werk van Te Winkel het geval was: men vond Taanman niet ‘belijnd’ genoeg. Hij zou te weinig dogmatisch zijn. Bovendien wilde hij niets weten van aansluiting bij de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), waar veel leden van ‘de Vereeniging’ juist wél aan dachten (‘met merendeel van stemmen had men daartoe besloten’). Ten gevolge van deze moeiten waren zelfs Dolerende en Christelijke Gereformeerde bestuursleden afgetreden! ‘Dus strijd van buiten en van binnen’. Dat alles was dan ook de reden dat Taanman door de NEPV werd overgeplaatst naar Nieuweroord (Dr.). In 1993 werd de ‘Kroniek van Cornelis Taanman. (…)’ uitgegeven, waarin zijn loopbaan in 151 pagina’s uitvoerig beschreven wordt.

Aansluiting bij de Doleantie (1889).

De aankondiging van het Gereformeerd Kerkelijk Congres te Amsterdam, waar J.J. Steinhart vermoedelijk aanwezig was  (De Heraut, 2 januari 1887).

En toen kwam Johannes Jacobus Steinhart (1858-1917) naar Knijpe. Hij was afkomstig uit Amsterdam en had de kerkelijke strijd, de Doleantie, die daar onder leiding van onder anderen dr. A. Kuyper (1837-1920) had plaatsgevonden, van nabij meegemaakt. Mogelijk zal hij als lid van de Amsterdamse hervormde gemeente het Gereformeerd Kerkelijk Congres – van 11 tot 14 januari 1887 in Amsterdam gehouden – hebben bijgewoond en zeker heeft hij geweten wat door de vijftienhonderd bezoekers op dat Congres besproken was: de reformatie der hervormde kerk was plichtmatig! Die overtuiging was Steinhart in ieder geval van harte toegedaan.

Zo kwam hij op 15 april 1889 in Knijpe aan. Hij was in dienst van de landelijke Vereeniging ‘Vrienden der Waarheid’, die hetzelfde doel beoogde als de CV en de NEPV, met dit verschil dat de ‘Vrienden’ zich in de jaren ’80 grotendeels bij de Doleantie voegden.

Overal in het land hielden ‘De Vrienden’ vergaderingen en ‘openbare bidstonden’; ook zonden zij evangelisten het land in.

Zo is ook te begrijpen dat Steinhart al op 14 juli de leden van de ‘Vereeniging voor Inwendige Zending te Knijpe’ in vergadering bijeenriep ter bespreking van ‘de reformatie der hervormde kerk’. De leden stemden er mee in zich aan te sluiten bij de Dolerende ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’. En zo werden de verkozen ambtsdragers op 30 oktober 1889 onder leiding van ds. J. Westerhuis (1851-1910) van Heerenveen in het ambt bevestigd. De bevestigde ambtsdragers waren de ouderlingen J.P. Smit en J.J. Steinhart en de diakenen H.K. de Haan, P.S. Haga en W.J. Nijholt. Steinhart zou in het vervolg als ‘oefenaar’ optreden en in de diensten in het evangelisatiegebouw aan de Meyerweg voorgaan.

Ds. J. Westerhuis (1851-1910) stond van 1888 tot 1893 in Heerenveen. Hij institueerde de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Knijpe door ouderlingen en diakenen in het ambt te bevestigen.

Nog dezelfde dag stuurde de kerkenraad schriftelijk bericht van de instituering aan koning Willem III, aan de burgemeester van Schoterland en aan het hervormde College van Kerkvoogden, precies zoals het Gereformeerd Kerkelijk Congres dat in 1887 mondeling en schriftelijk had aanbevolen. Gehoorzaamheid aan het ‘op onwettige wijze door de overheid ingevoerde’ Algemeen Reglement van 1816 was nu verleden tijd; vanaf 30 oktober was het de Dordtse Kerkorde van 1618 waaraan ‘opnieuw kracht en geldigheid werd verleend’.

Natuurlijk riep de hervormde kerkenraad Steinhart – tot 30 oktober immers nog lid van de hervormde gemeente – ter verantwoording. Maar aan de oproep om voor de kerkenraad te verschijnen voldeed hij niet, omdat hij de hervormde kerkenraad niet meer erkende. Tot 1895 bleef Steinhart aan de kerk van Knijpe verbonden, vanaf 6 december 1891 als predikant. Vlak voor zijn vertrek werd op 20 februari 1895 onder zijn leiding in Knijpe de Christelijke Schoolvereniging opgericht.

De tijd van (ds.) J.J. Steinhart (van 1889 tot 1895).

Het aantal belijdende leden in de begintijd van de jonge kerk bedroeg in ieder geval tegen de zeventig personen, getuige de deelname aan het avondmaal. De kerkdiensten van de Dolerende Kerk te Knijpe werden in het evangelisatiegebouw aan de Meyerweg gehouden. In 1890 kreeg de kerk de beschikking over een nieuw ‘welluidend’ orgel, geschonken door ‘br. V. en zijn echtgenote’, die dit vrijgevige gebaar ter gelegenheid van hun 25-jarig huwelijk deden.

De kerk zelf moest al snel een flinke beurt hebben. Zo was de consistorie ‘te bedompt en de zolder te laag’, zodat de catechisanten, de jongelingen van de JV en de jongedochters van de MV het tijdens hun vergaderingen zwaar te verduren hadden. Ook het interieur van de kerk moest nodig een fris verfje hebben. De hervormde kerkenraad weigerde echter desgevraagd hun kerk tijdelijk voor Dolerende diensten af te staan, zodat de diensten in ‘Zaal Visser’ gehouden werden.

Ds. J.J. Steinhart (1858-1917).

Financieel gezien had de kleine kerk het zwaar. Het traktement van voorganger Steinhart kon maar met moeite op fl. 800 worden gebracht en het sturen van een afvaardiging naar de Dolerende classis, die in Sneek gehouden werd, kon soms niet doorgaan vanwege de reiskosten. Aan steunaanvragen van zusterkerken kon meestal niet worden voldaan. En toen eind 1890 de winterkou het samenkomen haast onmogelijk maakte, én omdat ‘door praten geen kachel kan worden gekocht’, besloten de kerkenraadsleden zélf het benodigde geld bijeen te brengen. Ook de Vrije Universiteit te Amsterdam vroeg nogal eens om een bijdrage in de hoge kosten. Maar de kerkenraad vond dat niet nodig, omdat ‘de professoren een reusachtig groot inkomen hebben’…

Evangelisatiearbeid.

Ook de kleine kerk van Knijpe ging met het evangelisatiewerk aan de slag. Eigenlijk was met dat werk al in augustus 1884 begonnen door weduwe Brouwer-Oebeles, die zag ‘hoe de kinderen zonder kennis van God’ opgroeiden. Ze zette haar huis open om de kinderen over de Bijbelse boodschap te vertellen. De kinderen leerden er versjes. Er was in die omgeving, het westen van de Friese Zuidoosthoek voor evangelisatiewerk trouwens gelegenheid genoeg. Aan de Hogedijk te Langezwaag was volgens de kerkenraad grote behoefte aan de prediking des Woords. H. de Haan ging daar aan de slag, ‘eerstens door huisbezoek’, zoals de classis Heerenveen aangaf. Al in oktober 1892 besloot de kerkenraad daar wekelijks een bijeenkomst te houden ‘tot onderlinge stichting en verheerlijking Gods’. Er kwam ook een evangelisatiegebouwtje, dat in 1929 zelfs moest worden uitgebreid. Het werk bleek dus ook na jaren nog aan te slaan.

De Westkant van de Friese Zuidoosthoek (kaart: Google).

‘Gereformeerde Kerk te Knijpe’.

In juni 1892 werd in Amsterdam de landelijke vereniging van de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ uit de Afscheiding van 1834 en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ uit de Doleantie van 1886 officieel beklonken. Dat hield in dat men onder de nieuwe naam ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’ het kerkelijk leven voortzette, en ook de naam van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Knijpe’ veranderde in ‘Gereformeerde Kerk te Knijpe’.

Ds. Steinhart en het beroep naar Oudemirdum.

In februari 1893 kreeg ds. Steinhart een beroep van de kerk van Oudemirdum. Wat moest hij doen: de roeping opvolgen of er voor bedanken? Hij wist het niet. Vandaar dat hij de broeders ouderlingen voorstelde twee brieven te schrijven, één waarin hij het beroep aannam en één waarin hij er voor bedankte, en dan als het ware het lot te werpen door één van de brieven te nemen en te zien wat ‘de wil des Heeren’ was. De kerkenraad had tegen die werkwijze principieel gezien weliswaar geen bezwaar, maar verenigde zich er toch niet mee. De predikant moest zélf beslissen, ‘maar immers alleen de Heere beslist over de standplaats van Zijn knechten’. De predikant bedankte toen voor het beroep en bleef in Knijpe preken. Niet elke zondag, want ook aan de Hogedijk in Langezwaag en in Tjalleberd moest gepreekt worden!

Opzicht en tucht.

Langs de Schoterlandse Compagnonsvaart in De Knipe, lang geleden.

Natuurlijk hield de kerkenraad de levenswijze van de gemeenteleden goed in de gaten. Zo was in 1890 een broeder ‘met de zaag in de hand gezien’, wat op zich uiterst verdienstelijk, maar op de dag des Heeren geheel onaanvaardbaar was. Hij beloofde beterschap. Een ander had in diezelfde tijd de kermis bezocht, wat al helemáal niet door de beugel kon. Hij werd door de kerkenraad uitgenodigd om van zijn daad verantwoording af te leggen én om daarover door de eerwaarde mannenbroeders onderhouden te worden. In 1893 had een broeder op zondag de herberg bezocht en daarvoor de kerkdienst verzuimd. Twéé fouten in één keer! De kerkenraad hoopte, na hem erover vermanend te hebben toegesproken, ‘dat hij lust zou krijgen voor de eredienst en een afkeer van de herberg’. Maar dat viel tegen! Want in 1896 was het weer raak, opnieuw op zondag. Besloten werd toen dat, als het nog een keer zou gebeuren, hij onder censuur gesteld zou worden. Ook ruzies kwamen voor, zoals tussen die twee zussen in 1893 waarvan de kerkenraad hoopte dat de vrede zou wederkeren, dat ze een wacht voor hun lippen zouden stellen en de tong in bedwang zouden houden.

Aan het beroep dat ds. Steinhart in maart 1895 van de kerk van Nunspeet ontving kwamen geen ‘brieven’ meer te pas, zoals bij dat van Oudemirdum. De predikant nam het beroep aan en op 28 april deed hij daar intrede, na op 21 april afscheid van Knijpe genomen te hebben.

Ds. W.W. Smitt (van 1896 tot 1899).

Ds. W.W. Smitt (1869-1935).

Het duurde ruim anderhalf jaar voordat het beroepingswerk succes had. Het was kandidaat Wolter Wagter Smitt (1869-1935), die op een traktement van fl. 900 in Knijpe predikant werd. Hij deed op 19 december 1896 intrede en nam zijn intrek in een kort daarvoor – voor fl. 2.600 – gekochte pastorie. De oude pastorie, de kerk (zijnde het vroegere evangelisatiegebouw) en de kosterswoning aan de Meyerweg stonden alle nog op naam van de ‘Vereeniging voor Inwendige Zending te Knijpe’. In september 1898 werd besloten deze onroerende goederen over te schrijven op naam van de Gereformeerde Kerk.

Na de zomer van 1898 moesten de dominee en de scriba op bezoek bij een jong echtpaar. Er was een kind geboren! Over deze anders zo heuglijke gebeurtenis lag echter een grauwsluier: het kind was wel erg kort na hun huwelijk ter wereld gekomen, zodat de kerkenraad op de vingers van nauwelijks meer dan één hand kon berekenen dat hier sprake was van overtreding van het zevende gebod. Het echtpaar werd van het avondmaal afgehouden totdat zij in het openbaar – vermoedelijk in de kerk tijdens de zondagse dienst – schuld beleden zouden hebben. Want zo ging dat in die tijd vaak. Soms kon je er vanaf komen met schuldbelijdenis voor de kerkenraad alléén, maar dan moest de overtreding geen ‘openbaar karakter’ hebben, waarvan iedereen afwist.

Ondertussen had dominee Smitt andermaal een beroep van de kerk van Assen ontvangen; eerder had hij daarvoor bedankt, maar het tweede nam hij aan, en nam – na drie jaar aan de kerk van Knijpe verbonden te zijn geweest – op 22 januari 1899 afscheid.

Ds. L.G. Goris (van 1899 tot 1901).

Ds. L.G. Goris (1859-1945).

Op 5 maart 1899, slechts een paar maanden na het vertrek van ds. Smitt, deed ds. L.G. Goris (1859-1945) intrede in Knijpe, na door ds. J. Sybrandi (1864-1953) van Mildam te zijn bevestigd. Het was zijn vierde gemeente, want daarvoor had hij de kerken van Langeslag, Emmen en Veenwoudsterwal gediend. In Knijpe bleef hij slechts anderhalf jaar en tijdens zijn predikantschap werden geen schokkende besluiten genomen of het moest zijn dat in 1900 afgesproken werd dat de mannen bij het ‘openbaar gebed’ (het ‘grote gebed’) in de kerk moesten gaan staan, zoals trouwens in veel Gereformeerde Kerken de gewoonte was. Maar… op zondag met de tram en de trein reizen mocht nog steeds niet, al zag de betreffende broeder er geen kwaad in. De kerkenraad heeft daarover met hem toch even een hartig woordje gesproken.

Op 25 augustus 1901 nam de predikant afscheid. Hij had een beroep van Zevenbergen ontvangen, dat hij aannam.

Vacant.

Tijdens de vacante periode, die ruim twee jaar duurde, kreeg het kerkje weer een opknapbeurt. Ingeschreven werd door twee ‘verwers’, van wie schilder Comello gekozen werd omdat hij als laagste inschrijver de kerk van binnen en van buiten voor fl. 64 wilde schilderen.

Kandidaat K. van Dijk (1877-1945) uit Blija werd in die tijd uitgenodigd eens te komen preken. Wie weet kon hij beroepen worden, al waren de kerkelijke financiën niet optimaal. Hij kreeg inderdaad een beroep én nam dat aan; maar hij kwam in de oude pastorie aan de Meyerweg te wonen, omdat tijdens de ambtsperiode van ds. Goris gebleken was dat de nieuwe predikantswoning niet voldeed; deze werd verkocht. De huur van de oude pastorie werd opgezegd en de woning werd dus weer door een predikant in gebruik genomen.

Ds. K. van Dijk (van 1913 tot 1917).

Ds. K. van Dijk (1877-1945) vertrok vanuit Knijpe naar Heeg om daar als zendingspredikant in het ambt bevestigd te worden.

Ook ds. K. van Dijk, die op 29 november 1903 zowel in het ambt bevestigd werd als intrede deed, stond slechts ongeveer anderhalf jaar in Knijpe. Want al snel kreeg de kerkenraad bericht dat de predikant met algemene stemmen door de generale synode beroepen was voor de zendingsarbeid in Keboemen op Midden Java in Nederlands-Indië, het Friese zendingsveld.

De kerkenraad verwaarloosde haar opzicht over de gemeenteleden ondertussen niet. Zo nu en dan werd iemand aangesproken op het verrichten van zondagsarbeid. Dat speelde ook bij een broeder die het ambt van brugwachter had begeerd en aangenomen, en daardoor ook op zondag in de weer was. De kerkenraad vond dat hij op de dag des Heeren de brug mooi dicht moest laten (de schippers konden makkelijk een eindje omvaren), maar prof. dr. F.L. Rutgers (1836-1917), ‘de jurist der Doleantie’, antwoordde de kerkenraad desgevraagd dat ‘de noodzakelijke zondagsarbeid’ aan het geweten van de betreffende broeder moest worden overgelaten. Maar de kerkenraad hield hem wel van het avondmaal af…

Ds. Van Dijk nam op 25 juni 1905 afscheid van Knijpe en vertrok naar Heeg waar hij op 13 december intrede deed met het doel als zendingspredikant naar Indië te reizen. Heeg was namelijk namens de Friese Gereformeerde Kerken de ‘zendende kerk’ voor dat gedeelte van het gereformeerde zendingsveld op Midden-Java, zodat ds. Van Dijk gedurende zijn arbeid in Indië officieel bij díe kerk in dienst was.

Ds. K. van der Veen (van 1907 tot 1911).

Ds. K. van der Veen (1882-1940).

Intussen was kandidaat K. van der Veen (1882-1940) te Watergraafsmeer met algemene stemmen als predikant van Knijpe beroepen; hij nam het aan en deed – na een vacante periode van bijna twee jaar – op 17 maart 1907 intrede te Knijpe, waaraan hij bijna vier jaar als predikant verbonden was. Zijn traktement – fl. 900 per jaar – was te laag, vonden de kerkvisitatoren in 1909.

Iets over het kerkelijk leven.

Op allerlei manieren probeerde de kerkenraad geld bijeen te brengen om aan de kerkelijke financiële verplichtingen te voldoen, voor de kleine kerk van Knijpe zeker niet eenvoudig. Zo had de koster toestemming gekregen om zijn beroep, dat van kapper (‘barbier’), in de consistorie uit te oefenen (de banken die de consistorie normaal bevolkten werden door hem dan naar buiten gebracht). Ook gaf hij er zijn kinderen onderwijs. Voor het gebruik van het lokaal betaalde hij een kleine vergoeding. Een christelijke school was er in Knijpe volgens het verslag van de kerkvisitatoren in 1909 nog niet (sinds 1895 al wel een schoolvereniging), al werd later in Beneden-Knijpe een gereformeerde school gebouwd.

De oude christelijke school in De Knipe.

Het kerkelijk verenigingsleven gaf een afwisselend beeld te zien. Behalve de Jongelingsvereniging (JV) en de Meisjesvereniging (MV) was ook een zangvereniging actief, terwijl in 1907 bovendien plannen gemaakt werden een muziekvereniging op te richten. De JV en de MV vierden geregeld hun jaarfeesten en de zangvereniging kreeg toestemming in de kerk te oefenen. Wel moesten ze zorgen dat hun zangnoten niet te hoog opgevoerd werden, want de kerkenraad had bepaald dat de ‘lampeglazen’ die tijdens de zangoefeningen aan diggelen gingen, vergoed moesten worden. Een organist was sinds het vertrek van die functionaris moeilijk te vinden, reden waarom de kerkenraad besloot een gemeentelid, dat enigszins muzikaal aangelegd was, op kosten van de kerk het orgelspelen te laten leren. Daarvoor kreeg de leraar fl. 0,40 per uur. G.W. Vis was de gelukkige kandidaat-organist, die het ambt vele jaren zou uitoefenen.

Kerk- en pastoriebouw (1912).

Een bouwtekening van de nieuwe kerk die in 1912 in gebruik genomen werd (illustratie: ‘Bewaar wat u is toevertrouwd’).

Al tijdens de ambtsperiode van ds. Van der Veen werd nagedacht over plannen om een nieuwe kerk te bouwen. Na zijn vertrek werden spijkers met koppen geslagen. Na vele vergaderingen werd uiteindelijk besloten het oude kerkgebouw (het vroegere evangelisatielokaal) af te breken en de nieuwe kerk een eindje naar achteren te plaatsen, achter de eveneens nieuw te bouwen pastorie. De nieuwe kerk zou groter worden dan de oude, want het ledental groeide immers. Voor de nieuwbouw zou veel materiaal van de oude kerk gebruikt worden en gemeenteleden zouden helpen bij de afbraak en het verplaatsen van het bouwmateriaal naar de bouwlocatie van nieuwe kerk. Op advies van de consulent besloot de kerkenraad te gaan collecteren in de classis – na daarvoor op de classis uiteraard toestemming te hebben gevraagd en verkregen, want de plannen vielen duur uit.

Ook zou er een nieuwe pastorie komen. De kosten van dat laatste bedroegen fl. 2.500 en aannemer A. Mulder kreeg de opdracht de plannen te verwezenlijken.

De nieuwe pastorie, die in 1912 in gebruik genomen werd.

Ook de nieuwbouw van de kerk werd aanbesteed, waarop vier aannemers inschreven. De laagste inschrijver was G. Stamhuis die de klus voor bijna fl. 2.100 wilde klaren. De kerkdiensten werden gedurende de bouw van de kerk op twee plaatsen gehouden, namelijk voor een deel van de gemeente in de nieuwe pastorie en voor de overigen in het evangelisatielokaal aan de Hogeweg te Langezwaag. Het overbrengen van het orgel van de oude naar de nieuwe kerk werd voor elkaar gemaakt door orgelbouwer Van der Molen te Steenwijk.

Zo zag de nieuwe kerk er uit, die in 1912 in gebruik genomen werd (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Op Hemelvaartsdag 1 mei 1913 kon de nieuwe kerk in gebruik genomen worden. Dat gebeurde onder leiding van ds. K. van der Veen, die net twee jaar weg was.

Naar deel 2 >

© 2018. GereformeerdeKerken.info