De Gereformeerde Kerk in het Groningse Oostwold (Oldambt) werd geïnstitueerd als Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) vanuit de Doleantie op 1 oktober 1888. In 1892 voegde ook deze kerk zich bij het kerkverband van De Gereformeerde Kerken in Nederland.

In Oostwold was bij sommige hervormde gemeenteleden de wens opgekomen een Gereformeerde Kerk in het dorp te institueren. Het ontstaan van de Dolerende Kerk in Oostwold ging overigens niet over de te volgen leer. De ‘kleine luyden’, de gewone mensen, hadden binnen de Hervormde kerk geen stemrecht – men betaalde wel een kerkelijke bijdrage, maar had verder niets in de kerkelijke melk te brokkelen. Toen de ‘kleine luyden’ het stemrecht uiteindelijk hadden verkregen, waren het de notabelen (een gekozen college dat de materiële en financiële zaken van een kerkelijke gemeente beheerde en controleerde) die het hun moeilijk gingen maken.
De eerste plannen.
Een aantal gemeenteleden besloot te vergaderen over de gewenste gereformeerde kerkstichting, maar eerst werd ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1895) schriftelijk om advies gevraagd. Deze vergadering vond plaats op 27 februari 1888 in de woning van S. Smith in de Noorderstraat, op de plaats waar later de Rabobank kwam te staan. Achttien gemeenteleden woonden de vergadering bij. De namen Heckman, Hamster, Knottnerus en Koning waren er de meest voorkomende.

Een eigen lokaliteit?
De mannen bespraken de intussen gevoerde correspondentie met ds. Ploos van Amstel in Reitsum, die daar in 1886 met zijn gemeente de Hervormde Kerk verlaten had en zich had aangesloten bij de Doleantie van 1886, de tweede landelijke orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk, die geleid werd door dr. A. Kuyper (1837-1920). Ds. Ploos stemde erin toe naar Oostwold te komen. Daarom besloten de mannen alvast een commissie te benoemen om een geschikte lokaliteit te zoeken.
Uiteindelijk besloot men een lokaal te bouwen of te kopen, waarvoor men een financiële inzameling hield. Daarvoor bezocht men vrienden en bekenden, met het verzoek een bijdrage te geven. Zolang dat onderkomen er nog niet was (dat zou nog even duren!) werd besloten vooralsnog naar de kerk te gaan bij de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Midwolda.

De broeders waren ondertussen ook van plan een Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ op te richten (zoals geadviseerd was op het Gereformeerd Kerkelijk Congres in januari 1887), die tot taak zou hebben het beheer te voeren over het te kopen of te bouwen lokaal. Daarover had men intussen ook contact gezocht met ds. J. Hulsebos (1844-1904), die van 1882 tot 1886 hervormd predikant in Oostwold geweest was, maar die in 1886 naar Zuidwolde (Gr.) vertrokken was, waar hij zich in 1887 met een groot deel van zijn gemeente aansloot bij de Doleantie. Ds. Hulsebos vond het oprichten van de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ vooralsnog geen goed idee, omdat daardoor de indruk kon ontstaan dat men lid was van een ‘vereniging’ in plaats van van een kerkgenootschap.
Een brief aan de hervormde kerkenraad.

Hoewel sommigen er aanvankelijk tegen waren werd toch besloten op 20 juli 1888 een brief aan de hervormde kerkenraad van Oostwold te sturen. Een afschrift ervan zou aan de gemeenteleden gestuurd worden en werd ook gepubliceerd in ‘De Heraut‘. In de brief stond onder meer dat de Synode jaren lang had toegestaan ‘dat de Koning der Kerk niet in zijn Kerk werd geëerd, dat de belijdenis met voeten werd getreden, de sacramenten ontheiligd en Gods Woord verworpen werd, en dat zij [de synode] is begonnen te vervolgen toen kerkeraden die de kerk weer tot hare oorspronkelijke inrichting wilden terugbrengen [c.q. de Dordtse Kerkorde weer wilden invoeren], zulke kerkenraden en leden heeft afgemaakt’.
Daarom vonden de ondertekenaars van het schrijven (O. Knottnerus en G.H. Koning) dat het ‘van Godswege geboden is zulk een onwettig bestuur de gehoorzaamheid op te zeggen’, net als in de Tachtigjarige Oorlog de tiran Philips II werd afgezworen. De briefschrijvers voegden er nog aan toe dat zij zich weer onder de tucht van de hervormde kerkenraad zouden stellen, wanneer zij ervan werden overtuigd dat ze [de ondertekenaars] in strijd waren met Gods Woord. De kerkenraad ging er echter niet op in.

De conclusie van de bezwaarden was, dat de kerkenraad dus weigerde ‘de gemeente uit te leiden uit de banden der onwettige, ongereformeerde, anti-christelijke organisatie’ [waarmee men het hervormde kerkbestuur bedoelde], en dat daarmee ‘de taak van de Reformatie der kerk nu geschoven werd op het ambt der gelovigen’.
De bezwaarden besloten daarna opnieuw een brief te sturen aan de leden van de hervormde gemeente. Daarin werd onder meer gesteld dat de kerkenraad ‘niet bereid was zich te verzetten tegen de ongoddelijke banden’ van de Synode. Daarom riep men alle gemeenteleden op om op zondag 16 september 1888 om 5 uur ’s middags een vergadering bij te wonen in de woning van E.G. Heckman, ‘teneinde de zaak van de ‘Reformatie der kerk’ nader te bespreken, opdat onze gemeente spoedig vrij moge worden ter verheerlijking van Gods heiligen Naam en tot eeuwigen zegen der Gemeente’ (“De opkomst was niet overweldigend”).
De “Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)” geïnstitueerd (1888).
Vijf dagen later, op de vergadering van 21 september, was ds. Hulsebos aanwezig om kerkenraadsleden voor de op te richten Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te kiezen. Als ouderling werden door de aanwezigen gekozen K.F. Hamster, K. Knottnerus Kzn. en S. Smith. Diakenen werden H. Boneschans en E.G. Heckman. Op maandag 1 oktober 1888 werden deze ambtsdragers door ds. Hulsebos in het ambt bevestigd, waarmee de Dolerende Kerk geïnstitueerd was. Dit gebeurde in de woning van S. Smith, waar de gemeente de eerste tijd haar kerkdiensten hield (er was immers nog geen eigen lokaal). Ds. Hulsebos preekte bij deze gelegenheid uit Jeremia 29 vers 13 (“En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart”),

Dezelfde dag werden brieven verstuurd aan de Koning, aan de Burgemeester en aan de Kerkvoogden van de hervormde gemeente te Oostwold. Daarin werd de instituering van de Dolerende Kerk in Oostwold aangekondigd en de motivatie daarvoor kenbaar gemaakt. De brieven waren geschreven overeenkomstig de adviezen van het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat direct na de Doleantie te Amsterdam door de Amsterdamse Dolerende kerkenraad georganiseerd werd en dat bijeenkwam van 11 tot en met 14 januari 1887. Vijftienhonderd hervormde gemeente- en kerkenraadsleden vergaderden daar over de vraag hoe de Doleantie in het land verder kon worden vormgegeven. Om dat ordelijk en juridisch correct te laten verlopen was onder meer een tweetal zgn. ‘Modelboekjes’ gepubliceerd, waarin ‘alle brieven die te schrijven zouden zijn’ op een rij gezet werden.
Een eigen kerkgebouw (1889).

Zoals gezegd, werden de eerste diensten gehouden in een particuliere woning. Al gauw werd de ruimte echter te klein en keek men uit naar een stuk grond om daar een kerkgebouw neer te kunnen zetten. Deze eerste kerk werd gebouwd aan de Noorderstraat en kreeg de naam “Pro Rege” (Voor de Koning, waarmee ‘Koning Jezus’ bedoeld werd). Het gebouw bood 225 zitplaatsen en hier vonden sindsdien in 1889 de eerste diensten plaats.

Een ovale steen, met daarop onder meer vermeld het jaartal 1889, werd in de gevelmuur aangebracht. Tegenwoordig prijkt deze steen in de vestibule van het huidige kerkgebouw. Het aantal kerkleden groeide gestaag, zodat men zich al vanaf ongeveer 1900 afvroeg of ook een grotere kerk gebouwd moest worden.
“De Gereformeerde Kerk te Oostwold” (1892).

Intussen waren al twee jaar eerder, rond 1887, landelijke gesprekken begonnen tussen de synodes van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie). Men besloot – na vele hobbels genomen te hebben – tot het samengaan per 17 juni 1892, want toen werd tijdens een gezamenlijke synodevergadering de verenigde kerk geproclameerd. De hoogbejaarde ds. S. van Velzen (1809-1896) namens de Christelijke Gereformeerde Kerk, en dr. A. Kuyper namens de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, reikten elkaar de broederhand ter bezegeling van de eenwording. De naam van de verenigde kerk werd De Gereformeerde Kerken in Nederland.
Hoewel lang niet overal in ons land die vereniging ook plaatselijk haar beslag kreeg, had Oostwold niet te maken met een plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerk (want die was daar niet), en kon Oostwold zich meteen bij De Gereformeerde Kerken in Nederland aansluiten.
Onenigheid met de kerk van Midwolda.

Maar de al eerder genoemde Christelijke Gereformeerde Gemeente van Midwolda was sinds 1892 ook ‘Gereformeerde Kerk’ geworden en dus een zusterkerk van de Gereformeerde Kerk van Oostwold. Direct kwamen de eerste onenigheden om de hoek kijken: er moest namelijk een grensregeling getroffen worden tussen beide kerkelijke gemeenten. Dat zou de kerk van Midwolda ongetwijfeld leden (en dus inkomsten) kosten. Om de problemen op te lossen werd afgesproken dat Oostwold elk jaar een collecte zou houden voor de kerk van Midwolda; bovendien zouden de kerkelijke bijdragen van de vroegere leden uit Midwolda gedurende een jaar aan de kerk van Midwolda overhandigd worden.
Een complicatie was, dat twee van de door de grensregeling naar Oostwold overgekomen leden ouderling in Midwolda waren. De kerk van Midwolda eiste nu dat die ouderlingen ook in de kerk van Oostwold ouderling zouden zijn. Dat werd door de kerkenraad van Oostwold uiteraard geweigerd. De gereformeerde kerkjurist dr. F.L. Rutgers (1836-1917) moest eraan te pas komen om de grensregelingenkwestie op te lossen.
De eerste predikant, ds. E. Prinsen (van 1893 tot 1899).

De eerste predikant van De Gereformeerde Kerk te Oostwold deed op 3 september 1893 intrede. Het was kandidaat E. Prinsen (1868-1937).
Nadat enkele andere zaken geregeld waren (het afschaffen van de samenkomst van de kerkenraad voorafgaande aan een gemeentevergadering, en het niet invoeren van catechisaties voor kinderen onder de tien jaar) moest de kerkenraad oordelen over de vraag of kinderen van ouders die ‘slechts’ dooplid waren, eigenlijk wel gedoopt mochten worden. Men bedacht toen om de doopbelofte in die gevallen te laten afleggen door ‘doopgetuigen’, bijvoorbeeld de grootouders van het kind. Het probleem werd kennelijk niet snel opgelost, want er werd daarna nog regelmatig over gesproken. Enkele jaren later adviseerde de Classis om kinderen van niet-belijdende doopouders niet te dopen maar in plaats daarvan de ouders ernstig te vermanen de catechisaties te bezoeken en belijdenis te doen.

Een andere afspraak was, dat voorafgaande aan het Paasfeest gedurende zeven weken ook een weekdienst gehouden worden (op woensdag).
In deze periode begon de kerk van Oostwold ook met het evangelisatiewerk in het naburige Finsterwolde. De benoemde colporteur, de heer Koopman, kreeg als opdracht om ’s zondagsochtends in Oostwold te kerken en ‘s middags zondagsschool en knapenvereniging in Finsterwolde te houden. Ná zes uur ’s avonds moest hij in Oostwold een preek houden voor de mensen uit Finsterwolde. Maar, zo schrijft het gedenkboek, de heer Koopman was ‘te lastig’, dus hij werd kort daarna al weer ontslagen.
Hoewel de predikant trachtte de ouderlingen ervan te overtuigen dat op grond van de Dordtse Kerkorde ouderlingen en diakenen niet voor het leven gekozen werden, maar voor een beperkt aantal jaren, ging dat er bij de broeders kerkenraadsleden vooralsnog niet in.
Ds. J. Bolman Jzn. (van 1901 tot 1919).

Nadat ds. Prinsen op 24 september 1899 afscheid had genomen wegens zijn vertrek naar de kerk van Enschede, deed zijn opvolger op 25 augustus 1901 intrede. Het was kandidaat J. Bolman Jzn. (1872-1941). Hij bleef maar liefst achttien jaar aan de kerk van Oostwold verbonden.
De kerkenraad besloot dat de predikant eens in de veertien dagen in het naburige Finsterwolde zou gaan preken; in Oostwold was hij dan vrij van dienst (de classispredikanten vervulden dan de leeggevallen preekbeurten in Oostwold). De diensten in Finsterwolde vonden plaats in particuliere huizen, want er kwam pas in 1935 een eigen evangelisatiekerkje.
De ouderlingen konden de in die jaren speciaal voor hen belegde ‘provinciale ouderlingenconferenties’ bijwonen, maar de kerkenraad oordeelde dat dit ‘een zeer onnutte bezigheid’ zou zijn, en ze gingen er dus niet heen.
In 1913 werd het de kerkenraadsleden eindelijk duidelijk dat men niet voor het leven gekozen was, maar voor een beperkt aantal jaren, zoals geregeld in de Kerkorde. In het vervolg werd om de vier jaar een nieuwe kerkenraad gekozen op de wijze zoals in de Dordtse Kerkorde werd voorgeschreven.
Ds. Bolman nam op 18 mei 1919 afscheid en vertrok naar de Gereformeerde Kerk te Schettens.
Ds. D.G.A. Brouwer (van 1919 tot 1922).

Zijn opvolger was kandidaat G.A. Brouwer (1894-1971). Hij deed op 28 september 1919 intrede.
Jeugdwerk.
De al jaren bestaande Jongelingsvereniging Rehoboth vroeg in deze periode om onder toezicht van de kerkenraad te mogen staan. Dat hield in dat de kerkenraad er dan regelmatig op bezoek zou komen om te beoordelen of de principiële zaken en gedragingen van de jeugd voldeden ‘aan Schrift en belijdenis’. Die toestemming werd verleend, al kwam na verloop van tijd wel een beetje de klad in het geregelde kerkenraadsbezoek.
Er was in Oostwold behalve een Jongelingsvereniging ook een Meisjesvereniging (voor meisjes vanaf ongeveer 16 jaar). De naam was Dorcas. Verder bestond er onder meer een Knapenclub Samuel, bestemd voor jonge jongens tot ongeveer 16 jaar; ze konden daarna overstappen naar de Jongelingsvereniging Rehoboth.
Regelmatig kwam – ook in deze periode – het probleem van ‘de vele doopleden’ aan de orde. ‘Je mocht er toch van uitgaan’ dat, na een bepaald aantal jaren de catechisatie te hebben bezocht, kon worden overgegaan tot het doen van belijdenis. Moest je de – vooral oudere – doopleden onder druk zetten door met de kerkelijke censuur te gaan dreigen? Dat leek de broeders zeer terecht ongewenst.
Nadat ds. Brouwer op 19 februari 1922 afscheid nam wegens vertrek naar de Gereformeerde Kerk te Paesens volgde weer een vacaturetijd, in dit geval van ruim drie jaar. De door de classis benoemde consulent stond de kerkenraad in die tijd bij.
Ds. P. Prins (van 1925 tot 1928).

Op 5 april 1925 deed de volgende predikant zijn intrede in Oostwold. Het was kandidaat P. Prins (1899-1956).
Al vrij snel besloot de kerkenraad de Avondmaalsviering slechts eenmaal – namelijk in de ochtenddienst – te vieren. Dat kwam door het ’zeer lange’ Avondmaalsformulier. Vroeger werd op elke Avondmaalszondag tweemaal een Avondmaalsviering gehouden, omdat ‘s ochtends vaak een van de ouders niet naar de kerkdienst kon komen in verband met de kleine kinderen. Met met de kinderoppas, zo meende de kerkenraad, zou men zich wel redden.
Van alles wat…
-Ds. Prins was de eerste bewoner van de verbouwde (opgehoogde) pastorie. Men had intussen gemerkt dat ook het kerkje te klein was geworden. Vandaar dat in 1925 voor het eerst gesproken werd over de bouw van een nieuwe, grotere kerk. Er werd alvast een bouwcommissie opgericht om geld in te zamelen.
-De functie van ‘voorlezer’ werd afgeschaft Deze las altijd de Schriftlezingen en de Wetslezing. De ouderlingen hadden daar kennelijk niet zoveel zin meer in en besloten werd dat de predikant de Bijbellezingen in het vervolg zelf zou doen, ‘zodat een nauwer samenhang verkregen werd’ tussen Evangelielezing en preek.

-De predikant kreeg tegenwind vanuit de ‘Groninger Kerkbode’. Hij had daarin zelf een kort artikel geschreven dat kennelijk bij iemand in het verkeerde keelgat geschoten was, want in het volgende nummer van het blad werd het verhaal van ds. Prins ‘afgekraakt’. Dat nam de kerkenraad niet. ‘Men liet niet met hun dominees sollen’. De redactie bood excuses aan. Over ‘wie er gelijk had’ zwijgen de notulen kennelijk.
-Het orgel functioneerde halverwege de jaren ‘20 niet meer goed; net als de Jongelingsvereniging, waar het ook ‘niet pluis’ zou zijn. We vernemen daar echter verder niets meer over.
Ds. Prins vertrok in oktober 1928 naar de kerk van Deventer, nadat hij op de veertiende van die maand afscheid genomen had.
Ds. E.G. van Teylingen (van 1929 tot 1934).

Kandidaat E.G. van Teylingen (1903-1980) volgende hem op. De intrededienst werd gehouden op 27 januari 1929. De predikant bleef daar tot 2 september 1934, waarna hij vertrok naar IJmuiden-Oost.
Evangelisatie in Finsterwolde e.o.
Zijn predikantswerkzaamheden gingen verder dan het ‘gewone gemeentewerk’. Oostwold lag immers midden in het Oost-Groningse Oldambt, een streek die bekend stond om de daar heersende sterke socialistische en communistische invloeden, vooral in plaatsen als Finsterwolde en Ganzedijk. Juist daar zette ds. Van Teylingen zich actief in voor evangelisatie. Overigens was dat werk al eind negentiende eeuw begonnen, toen de al genoemde colporteur Koopman (ook) daar werkte.

Ds. Van Teylingen schreef zelf verslagen over de gehouden straatprediking en evangelisatiebijeenkomsten. De predikant beschreef in 1931 hoe een door hem gehouden straatprediking in het buurtschap Ganzedijk op felle weerstand stuitte. Dat geeft een goede indruk van de gespannen maatschappelijke en religieuze verhoudingen in Oost-Groningen tijdens de economische crisis van de jaren ’30.
Uit de geschiedschrijving blijkt dat de kerkenraad van Oostwold jarenlang een belangrijke rol speelde bij de financiering en de organisatie van het evangelisatiewerk in Finsterwolde.
Bouw van de nieuwe gereformeerde kerk.
Een bijzonder feit uit de Oostwoldse periode van ds. Van Teylingen is dat in 1930 de nieuwe gereformeerde kerk van Oostwold in gebruik werd genomen. Het markante gebouw aan de Goldhoorn, ontworpen in een stijl met kenmerken van de Amsterdamse School, dateert precies uit de tijd dat Van Teylingen er predikant was. Hij heeft dus de ingebruikname van dit kerkgebouw van nabij meegemaakt en een belangrijke rol gespeeld bij de overgang naar de nieuwe kerk. Op deze nieuwe kerk komen we later uitvoerig terug.
Deel 2 volgt binnenkort.
Bronnen onder meer:
De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Kampen, div. Jrg.
A. de Goojer, Het kerkgebouw van De Gereformeerde Kerk van Oostwold. Oostwold, 2005
De Heraut van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam, div. jrg.
E.J. Jager, De Doleantie op het Groninger platteland (1887-1892). g.p. [Groningen], g.j.
G.J. Kok, Een geheel bijzonder arbeidsveld. De evangelisatiearbeid der Particuliere Synode Groningen van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1878-2004). Groningen, 2010.
N. Schelhaas en K. Smit, 100 jaar Gereformeerde Kerk Oostwold (Old.), Oostwold, 1988
© 2026. GereformeerdeKerken.info
Translation into English:
The ‘Gereformeerde’ Church of Oostwold (Oldambt) – Part 1.
The ‘Gereformeerde’ Church in the Groningen village of Oostwold (in the municipality of Oldambt) was instituted as the Nederduitsche ‘Gereformeerde’ Church (Doleantie) on 1 October 1888, as part of the Doleantie movement. In 1892 this congregation also joined the federation of The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.
Among some members of the ‘Hervormde’ congregation in Oostwold, a desire arose to establish a ‘Gereformeerde’ Church in the village. The emergence of the Doleantie congregation in Oostwold was not primarily about doctrinal differences. Rather, the issue concerned church governance. The kleine luyden (“little people”—ordinary church members) had no voting rights within the ‘Hervormde’ Church. Although they paid their regular church contributions, they had no say in church affairs. When they finally obtained voting rights, it was the notabelen (the elected board responsible for managing and supervising the material and financial affairs of the congregation) who made matters difficult for them.
In 1885, the first discussions took place regarding the course to be followed in establishing a ‘Gereformeerde’ Church in Oostwold. Ten families supported the initiative and joined the group of dissatisfied members (bezwaarden).
Several members of the congregation decided to meet to discuss the proposed church establishment, but first sought written advice from Rev. J.J.A. Ploos van Amstel (1835–1895). This meeting took place on 27 February 1888 at the home of S. Smith on Noorderstraat, at the site where the Rabobank would later be built. Eighteen members attended. The surnames Heckman, Hamster, Knottnerus, and Koning were the most frequently represented.
A Meeting Place of Their Own?
The men discussed the correspondence that had meanwhile taken place with Rev. Ploos van Amstel in Reitsum. In 1886 he had led his congregation out of the ‘Hervormde’ Church and joined the Doleantie of 1886, the nationwide movement led by Dr. Abraham Kuyper (1837–1920). Rev. Ploos agreed to come to Oostwold. The men therefore appointed a committee to find a suitable meeting place.
Eventually they decided either to build or purchase a meeting hall, for which they organized a fundraising campaign. Friends and acquaintances were approached with requests for financial contributions. Until such accommodation became available, it was decided that they would attend services at the Christian Reformed Congregation in Midwolda.
The brethren also intended to establish an association called “De Kerkelijke Kas” (“The Ecclesiastical Fund”), as recommended at the ‘Gereformeerd’ Church Congress of January 1887. Its purpose would be to administer the meeting hall that was to be purchased or built. They had also contacted Rev. J. Hulsebos (1844–1904), who had served as ‘Hervormde’ minister in Oostwold from 1882 until 1886 before moving to Zuidwolde (Groningen), where in 1887 he and a large part of his congregation joined the Doleantie. He did not consider founding the association “De Kerkelijke Kas” a good idea at that stage, since it might create the impression that people were members of an association rather than of a church.
A Letter to the ‘Hervormde’ Consistory.
Although some initially opposed the idea, it was nevertheless decided on 20 July 1888 to send a letter to the ‘Hervormde’ consistory of Oostwold. Copies were also sent to the members of the congregation and published in De Heraut. Among other things, the letter stated that for years the Synod had tolerated
“that the King of the Church was not honored in His Church, that the confession was trampled underfoot, the sacraments desecrated, and God’s Word rejected, and that it [the Synod] only began to persecute when consistories sought to restore the Church to its original order [that is, to reintroduce the Church Order of Dordrecht], destroying such consistories and their members.”
The signatories, O. Knottnerus and G.H. Koning, therefore concluded that it was
“commanded by God to renounce obedience to such an unlawful government,”
just as the Dutch had renounced the tyrant Philip II during the Eighty Years’ War with Spain.
The writers added that they would again submit themselves to the discipline of the ‘Hervormde’ consistory if they could be shown that they themselves were acting contrary to God’s Word. The consistory, however, made no response.
The dissatisfied members therefore concluded that the consistory refused
“to lead the congregation out of the bonds of the unlawful, ‘ongereformeerd’, anti-Christian organization”
—by which they meant the ‘Hervormde’ church government—and that consequently
“the task of the reformation of the church had now fallen upon the office of the believers.”
The group then decided to send a letter to all members of the ‘Hervormde’ congregation. It declared that the consistory
“was unwilling to oppose the ungodly bonds of the Synod.”
All members of the congregation were therefore invited to attend a meeting on Sunday, 16 September 1888, at 5:00 p.m., in the home of E.G. Heckman, in order to discuss
“the matter of the reformation of the church more fully, so that our congregation may soon become free for the glorification of God’s holy Name and for the eternal blessing of the congregation.”
The attendance, however, “was not overwhelming.”
The Doleantie Church Is Instituted.
Five days later, at the meeting of 21 September, Rev. Hulsebos was present to oversee the election of office-bearers for the new ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Church (Doleantie).
The following were elected as elders:
- K.F. Hamster
- K. Knottnerus Kzn.
- S. Smith
The deacons elected were:
- H. Boneschans
- E.G. Heckman
On Monday, 1 October 1888, these office-bearers were ordained by Rev. Hulsebos, thereby formally instituting the Doleantie church. The service took place in the home of S. Smith, where the congregation met during its first period, since no church building yet existed.
On that occasion Rev. Hulsebos preached from Jeremiah 29:13:
“And ye shall seek me, and find me, when ye shall search for me with all your heart.”
That same day letters were sent to the King, the Mayor, and the churchwardens of the’Hervormde congregation in Oostwold. These announced the institution of the Doleantie church and explained the reasons for its establishment.
The letters followed the recommendations of the ‘Gereformeerd’ Church Congress, held in Amsterdam from 11–14 January 1887, shortly after the Doleantie began there. The Amsterdam Doleantie consistory had organized the congress, where some 1,500 members and office-bearers of the ‘Hervormde’ Church gathered to discuss how the Doleantie should proceed throughout the country. To ensure that the process would be orderly and legally correct, two so-called “Model Booklets” were published, containing templates for all the letters that might need to be written.
A Church Building of Their Own (1889).
As mentioned, the first services were held in a private home. Before long, however, the available space became too small, and the congregation began looking for land on which to build a church.
The first church was built on Noorderstraat and was given the name “Pro Rege” (“For the King”), referring to King Jesus. The building seated 225 people, and the first services there were held in 1889.
An oval commemorative stone bearing, among other things, the year 1889 was placed in the front wall. Today this stone is displayed in the vestibule of the present church building.
Throughout the 1900s and later years, repeated requests were made either to enlarge or replace the church building, as church membership continued to grow steadily.
“The ‘Gereformeerde’ Church of Oostwold” (1892).
Meanwhile, around 1887, nationwide discussions had begun between the synods of the Christian Reformed Church and the ‘Nederlandsche Gereformeerde’ Churches (respectively originating from the Secession of 1834 and the Doleantie).
After overcoming many obstacles, the two church bodies united on 17 June 1892, when the united church was officially proclaimed during a joint synod meeting.
The elderly Rev. Simon van Velzen (1809–1896) represented the Christian Reformed Church, while Dr. Abraham Kuyper represented the ‘Netherlands Gereformeerde’ Churches. The two men sealed the union by shaking hands as brothers.
The united denomination received the name:
The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (De Gereformeerde Kerken in Nederland).
Although this union was not immediately realized everywhere at the local level, Oostwold had no local Christian Reformed congregation, and therefore the church there was able to join the new denomination immediately.
Disagreement with the Church of Midwolda.
The previously mentioned Christian Reformed Congregation of Midwolda also became a ‘Gereformeerde’ Church in 1892 and thus a sister church of the ‘Gereformeerde’ Church of Oostwold.
Almost immediately disagreements arose. A boundary agreement had to be established between the two congregations, which would undoubtedly cost the Midwolda church members—and therefore income.
To resolve the matter, it was agreed that Oostwold would hold an annual collection for the church of Midwolda. In addition, the church contributions of those members who had formerly belonged to Midwolda would continue to be transferred to the Midwolda church for one year.
A further complication was that two of the elders who, according to the new boundary arrangement, had become members of the Oostwold congregation had previously served as elders in Midwolda. The Midwolda church now insisted that these men should also serve as elders in Oostwold.
The consistory of Oostwold naturally refused.
In the end, the renowned ‘gereformeerde’ church jurist Dr. F.L. Rutgers (1836–1917) had to intervene in order to settle the boundary dispute.
The First Minister, Rev. E. Prinsen (1893–1899).
The first minister of the ‘Gereformeerde’ Church of Oostwold was installed on 3 September 1893. He was the candidate Rev. E. Prinsen (1868–1937).
After a number of other matters had been settled (such as abolishing the practice of the church council meeting before the congregational meeting, and deciding not to introduce catechism classes for children under the age of ten), the church council had to decide whether children of parents who were merely baptized members (and not professing members) should, in fact, be baptized.
The solution they devised was to have the baptismal vows made in such cases by “baptismal witnesses,” for example the child’s grandparents. The problem was evidently not resolved quickly, as it continued to be discussed regularly. Several years later the Classis advised that children of baptized but non-professing parents should not be baptized. Instead, the parents should be earnestly admonished to attend catechism classes and make a public profession of faith.
Another decision was that, during the seven weeks preceding Easter, a midweek service would also be held every Wednesday.
During this same period, the church of Oostwold also began evangelistic work in neighboring Finsterwolde. The colporteur (itinerant evangelist), Mr. Koopman, was instructed to attend worship in Oostwold on Sunday mornings and to conduct a Sunday school and boys’ club in Finsterwolde during the afternoon. After six o’clock in the evening he was to preach in Oostwold for the benefit of the people from Finsterwolde. However, as the commemorative history of the church puts it, Mr. Koopman proved to be “too troublesome,” and was therefore dismissed shortly afterwards.
Although the minister attempted to convince the elders that, according to the Church Order of Dordrecht, elders and deacons were not appointed for life but only for a limited number of years, the members of the church council were not yet persuaded.
Rev. J. Bolman Jzn. (1901–1919).
After Rev. Prinsen took leave of the congregation on 24 September 1899 to accept a call to the church of Enschede, his successor was installed on 25 August 1901. He was the candidate Rev. J. Bolman Jzn. (1872–1941), who remained connected with the church of Oostwold for no fewer than eighteen years.
The minister and church council adopted the custom that every other Sunday the minister would preach in neighboring Finsterwolde. On those Sundays he had no preaching duties in Oostwold, where ministers from the Classis filled the vacant pulpit. The services in Finsterwolde were held in private homes, as an evangelism chapel was not built there until 1935.
The elders were given the opportunity to attend the newly established “Elders’ Conferences,” but the church council judged these gatherings to be “a most useless activity,” and therefore no one attended them.
In 1913 the church council members finally accepted that they were not elected for life but for a fixed term as prescribed by the Church Order. From that point onward a new church council was elected every four years in accordance with the provisions of the Church Order of Dordrecht.
Rev. Bolman took leave of the congregation on 18 May 1919, accepting a call to the ‘Gereformeerde’ Church of Schettens.
Rev. D.G.A. Brouwer (1919–1922).
His successor was the candidate Rev. G.A. Brouwer (1894–1971), who was installed on 28 September 1919.
Youth Work.
During this period the long-established Young Men’s Society Rehoboth requested to come under the supervision of the church council. This meant that members of the council would visit regularly to determine whether the society’s principles and conduct conformed to Scripture and the ‘gereformeerde’ confessions. Permission was granted, although after some time the regular visits by the church council gradually became less frequent.
Besides the Young Men’s Society, Oostwold also had a Girls’ Society for girls aged approximately sixteen and older. It was called Dorcas. There was also a Boys’ Club named Samuel, intended for younger boys up to about sixteen years of age, after which they could transfer to the Young Men’s Society Rehoboth.
As had happened regularly over the years, the problem of “the many baptized members” again came before the church council. Surely, it was argued, after attending catechism classes for a certain number of years, people should proceed to make a public profession of faith. But should these—especially the older baptized members—be pressured by threatening them with church discipline? The brothers of the church council considered such an approach highly undesirable.
After Rev. Brouwer took leave of the congregation on 19 February 1922 because he had accepted a call to the ‘Gereformeerde’ Church of Paesens, another vacancy followed, lasting more than three years. During this period the church council was assisted by a consul appointed by the Classis.
Rev. P. Prins (1925–1928).
The next minister was installed in Oostwold on 5 April 1925. He was the candidate Rev. P. Prins (1899–1956).
Quite soon afterwards the church council decided that the Lord’s Supper would be celebrated only once on Communion Sundays, namely during the morning service. This was because of the “very lengthy” Communion Form. Previously the sacrament had been celebrated twice on Communion Sundays because one of the parents often had to stay home with the young children during the morning service. The church council believed that suitable child care arrangements could now be made.
A Variety of Matters.
Rev. Prins became the first occupant of the renovated (raised) manse.
By this time it had also become apparent that the church building had grown too small. Consequently, in 1925 discussions began for the first time about constructing a larger church. A building committee was immediately established to begin raising funds.
The office of reader was abolished. The reader had traditionally been responsible for reading the Scripture passages and the Ten Commandments during the service. Apparently the elders were no longer enthusiastic about this arrangement, and it was decided that the minister himself would perform the Scripture readings in the future, “so that a closer connection would be achieved” between the Gospel reading and the sermon.
The minister also encountered criticism in the Groninger Kerkbode. He had written a short article for the publication that evidently displeased someone, because in the following issue his article was sharply criticized. The church council would not tolerate this. “People were not allowed to toy with their ministers.” The editorial staff subsequently offered an apology.
By the mid-1920s the church organ was no longer functioning properly. Nor, apparently, was everything in order within the Young Men’s Society, where things were said to be “not quite right.” However, no further information is given about either matter.
Rev. Prins left for the church of Deventer in October 1928, after preaching his farewell sermon on the fourteenth of that month.
Rev. E.G. van Teylingen (1929–1934).
He was succeeded by the candidate Rev. E.G. van Teylingen (1903–1980), whose installation service took place on 27 January 1929. He served the congregation until 2 September 1934, after which he accepted a call to IJmuiden-East.
Evangelism in Finsterwolde and Surrounding Areas.
His ministry extended well beyond the ordinary pastoral work of the congregation.
Oostwold lay in the heart of the Oldambt region of eastern Groningen, an area that during those years was well known for its strong socialist and communist influences, especially in places such as Finsterwolde and Ganzedijk. It was precisely there that Rev. Van Teylingen devoted himself actively to evangelistic work.
According to a church historical account, a significant part of his responsibilities consisted of evangelism in the surrounding villages. In fact, this work had already begun toward the end of the nineteenth century, when the previously mentioned colporteur, Mr. Koopman, labored there.
Rev. Van Teylingen himself wrote reports about the street preaching and evangelistic meetings that were held. One report from 1931 describes how ‘gereformeerde’ evangelists in the hamlet of Ganzedijk sometimes encountered fierce opposition. It provides a vivid impression of the tense social and religious conditions that existed in eastern Groningen during the years of the economic depression.
Later historical studies also reveal that the church council of Oostwold played a leading role for many years in financing and organizing the evangelistic work in Finsterwolde.
Construction of the New ‘Gereformeerde’ Church.
A particularly noteworthy event during his years in Oostwold was the opening of the new ‘gereformeerde’ church building in 1930.
The distinctive church on the Goldhoorn, designed in a style showing characteristics of the Amsterdam School of architecture, dates precisely from the period in which Rev. Van Teylingen served as minister. He therefore witnessed the opening of this new church building at close hand and played an important role in the congregation’s transition to its new place of worship.
We will return to the story of this new church in much greater detail later.
Part 2 will follow shortly.